Site icoon STAB

Omgevingsvergunningen/Hilversum

Omgevingswet. Vergunninghouder mag zelf kiezen welke aanvragen voor welke activiteiten hij in welke volgorde indient. Het college moet elke aanvraag toetsen aan de voor die activiteit geldende beoordelingsregels. Het college mocht de aanvragen niet buiten behandeling laten totdat voor alle activiteiten een aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Hilversum (het college) heeft aan vergunninghouder twee omgevingsvergunningen verleend voor het realiseren van het nieuwe dierzorgcentrum. De eerste omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteiten bouwen en werken. De tweede omgevingsvergunning is verleend voor de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteiten het kappen van 21 bomen en de aanleg van een nieuwe uitweg.

Rechtsvragen

1. Heeft het college in strijd gehandeld met het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel omdat hij het gehele project niet integraal als één samenhangende activiteit heeft beoordeeld?
2. Bestond in dit geval ruimte voor het college om te toetsen aan het criterium van ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’?

Uitspraak

1. De voorzieningenrechter stelt bij zijn beoordeling voor beide omgevingsvergunningen voorop dat vergunninghouder zelf mag kiezen welke aanvragen voor welke activiteiten hij in welke volgorde indient. Het college moet elke aanvraag toetsen aan de voor die activiteit geldende beoordelingsregels.
Dit betekent dat de voorzieningenrechter het niet met verzoeker eens is dat het college in strijd zou hebben gehandeld met het motiverings- en/of zorgvuldigheidsbeginsel omdat hij het gehele project niet integraal als één samenhangende activiteit heeft beoordeeld. Ook mocht het college de aanvragen niet buiten behandeling laten totdat voor alle activiteiten een aanvraag voor een omgevingsvergunning was ingediend. Verwezen wordt naar artikel 5.7, eerste lid, van de Omgevingswet, waarin is bepaald dat een aanvraag om een omgevingsvergunning naar keuze van de aanvrager op een of meer activiteiten betrekking kan hebben. Voor elke aanvraag geldt een afzonderlijke beslistermijn.

2. De voorzieningenrechter begrijpt deze grond zo dat verzoeker vindt dat de omgevingsvergunning niet is verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals bedoeld in artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Maar van zo’n evenwichtige toedeling van functies aan locaties hoeft alleen sprake te zijn als een aanvraag betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dit geval heeft het college bij de beoordeling van de aanvraag van vergunninghouder vastgesteld dat sprake is van een omgevingsplanactiviteit die niet in strijd is met het omgevingsplan (een zogenoemde binnenplanse omgevingsplanactiviteit). Het college moet de omgevingsvergunning verlenen als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning (artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl). Het college acht het bouwplan van vergunninghouder niet in strijd met de in het omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Ook is het uiterlijk of de plaatsing van het nieuwe dierzorgcentrum niet in strijd met de redelijke eisen van welstand en wordt de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet overschreden (artikel 22.29 van het Omgevingsplan gemeente Hilversum (het omgevingsplan)). Het college moest de omgevingsvergunning daarom verlenen. Het college heeft dan geen beleidsruimte. Dit betekent dat het college ook geen ruimte heeft om te beoordelen of sprake is van privaatrechtelijke belemmeringen.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 06-02-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2026:316
Ruud Veenhof

Mobiele versie afsluiten