Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4071: Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, agrarisch landgoed met voedselbos, participatie, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, gevoelige functie, provinciale verordening, toepasselijke verordening, behoefte, structuurvisie, verkeer, ondergeschikte nevenfuncties, verkeersgeneratie, parkeren, parkeerkencijfers, parkeernorm, parkeerbehoefte, ontsluitingsweg
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4100: Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, woningbouw, representatieve invulling maximale mogelijkheden, woon- en leefklimaat, VNG-brochure, akoestisch onderzoek, Activiteitenbesluit milieubeheer, geluidbron, emissiepunten, worstcase, geur, richtafstand, tuinen, voorwaardelijke verplichting, geluidscherm, bouwvlak, stedenbouwkundig plan, beeldkwaliteitsplan, waterberging, tussenuitspraak
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4252: Awb, Wro; vovo, bpl, appartementen, commerciële ruimten, spoedeisend belang, Wro, Wabo, inwerkingtreding bpl, vernietiging/terugwerkende kracht, Tegelen-jurisprudentie, toepassing afwijkingsbevoegdheid, inwerkingtreding Omgevingswet, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bruidsschat, artikel 22.281, ETFAL, geen rechtstreekse aanspraak, onomkeerbare gevolgen, geen spoedeisend belang, afwijzing verzoek
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4275: Awb, Wro; bpl, woningbouw, naast monumentale begraafplaats, cultuurhistorische waarden, advies RCE, plantoelichting, gebiedsanalyse, historische context terrein en omgeving, stedenbouwkundige opzet, zichtlijnen, gemeentelijk beleid, woonvisie, woningbouwprogramma, parkeren, parkeerbehoefte, gemeentelijke parkeernota, betaald parkeren, bezettingsgraad, bezonning, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4305: Awb, Mbw; opsporingsvergunning, verlenging geldigheidsduur, belanghebbende, ruimtelijke ordening, toevertrouwd belang, Wabo, natuurbescherming, Wnb, drinkwaterwinning, Wbb, Wm, rechtsgevolg, besluitvormingsketen, actueel belang, ontgrondingenvergunning, vervallen opsporingsvergunning, artikel 6:19 Awb, nieuwe aanvraag (Rb Midden-Nederland 21/4153, 21/4157 en 21/4158)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4300: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, gebruik bedrijfswoning, burgerbewoning, strijd bpl, definitie “bedrijfswoning”, noodzakelijk, (arbeids)overeenkomst, bruikleenovereenkomst, overgangsrecht, beginselplicht tot handhaving, doel handhaving, EVRM, vertrouwensbeginsel, lengte begunstigingstermijn, hoogte dwangsom, financiële omstandigheden overtreder (Rb Midden-Nederland 23/970 en 23/971)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4289: Awb, Wro; bpl, woningbouw, grotendeels onbebouwd perceel, bijgebouwen, landschappelijk inrichtingsplan, goede procesorde, wijzigingsbevoegdheid, functieveranderingsbeleid, zichtlijn, woon- en leefklimaat, Gemeentewet, omgevingsdialoog, herhalen en inlassen zienswijze
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4266: Awb, Wnb; natuurvergunning, muziekfestival, recreatiegebied, Natura 2000-gebied, duur vergunning, bezoekers, op- en afbouw, passende beoordeling, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, beste wetenschappelijke kennis, geen leemten, elke redelijke wetenschappelijke twijfel wegnemen, staat instandhouding/ten tijde van aanwijzing, actuele staat instandhouding, aantalsgegevens soorten, functionaliteit leefgebied, gebieds- en soortenbescherming, individuele exemplaren, waarnemingen, cumulatie, AquaPri-arrest (Rb Noord-Holland 22/2358 en 22/3027)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4303: Awb, Wabo; niet tijdig bekendmaken omgevingsvergunning, (al dan niet) van rechtswege, sport- en speeltoestellen, survivalrunbaan, plantoelichting, tekst planregel niet onduidelijk, intensief gebruik, recreatief medegebruik, extensief recreatief medegebruik, specifiek beslag ruimte, kruimelgevallenregeling, weigering aanvraag omgevingsvergunning, provinciale verordening, NNB, exceptieve toetsing, Barro, ondergrens (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3464)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4280: Awb, Wro; bpl, verbindingsweg, Natuurnetwerk Brabant (NNB), participatie, bieden inspraak, wettelijke geregelde procedure, alternatieven, nut en noodzaak, herbegrenzingsbesluit, algemeen verbinden voorschrift, compensatie, Barro, compensatieopgave, lichthinder, lichtbelasting, geluid, voorkeursgrenswaarde, fijnstof, luchtkwaliteit, grenswaarden Wet milieubeheer, voorwaardelijke verplichting, snelheidsverlaging, gemeentelijk beleid, belangenafweging
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4276: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, aanbouw met dakterras, plaatsen dakopbouw, geen nieuwe beroepsgronden hoger beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, privacy, beleidsregels, verspring voorgevelrooilijn, bouwtekeningen, redelijke termijn/geen overschrijding (Rb Noord-Holland 23/1766)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4278: Awb, Wabo; afwijzing verzoek ligplaatsvergunning, aanvraag wijziging tenaamstelling, geen besluit, gemotiveerde bespreking rechtbank, onderschrijven oordeel rechtbank, letterlijke tekst/tekst verzoek leidend (Rb Noord-Nederland 22/3558)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4278: Awb, Wabo; mededeling, omgevingsvergunning van rechtswege, kantoorruimte/tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, gevolgen bedrijfsvoering, geluid, dezelfde gronden als in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, uitsterfbeleid bestemmingsplanregels, scheiding wonen en werken, milieucategorie (Rb Rotterdam 23/890)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4270: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning huisvesting arbeidsmigranten, tijdelijk/vijf jaar, recreatiebungalows en groepsverblijven, procesbelang, erfpacht, geschillen beëindiging huurovereenkomst en erfpachtovereenkomst, daarmee samenhangende kosten, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, herstellen recreatiefunctiepark (Rb Noord-Nederland 22/4513)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4290: Awb, Wabo; handhaving, bestuursdwang, meldingen overlast en schade, bouwwerkzaamheden/zonder omgevingsvergunning, vervangen garagevloer, heipalen, vergunningplicht, vergunningvrij, artikel 3 bijlage II Bor, bijbehorend bouwwerk, bestemming, functieaanduiding, begripsbepalingen Bor/planregels, noodzakelijk verwezenlijk bestemming, hoofdgebouw, draagconstructie, constructieve elementen, proportionaliteit bouwstop, financiële gevolgen, herhaald en ingelast, onjuist, gemotiveerde bespreking rechtbank (Rb Den Haag 21/6495)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4292: Awb, Wro; bpl, woningbouw, woningprogramma, financiële uitvoerbaarheid, spuitzone, planregeling, synthetisch-chemische gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen, bouwhoogte, schaduwwerking/relativiteitsvereiste, participatie, voorgeschreven procedure, bieden inspraak, inspraak- en participatieverordening, vooringenomenheid, onthouden van stemmen
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4277: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, parkeren voertuig voortuin, bouwen carport/zonder omgevingsvergunning, last onder dwangsom, carport verwijderd, parkeren achtererf, bouwen nieuwe carport, rechtszekerheid, letterlijke uitleg planregel, systematiek, plantoelichting, algemeen spraakgebruik, Van Dale, omvang geding, vergunningvrij, herhaling aangevoerde in beroep, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, goot- en nokhoogte, metingen (Rb Oost-Brabant 22/722 en 23/861)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4269: Awb, Wro; bpl, woonzorgvoorziening, verstandelijke beperking, woon- en leefklimaat, geluid, VNG-brochure, functie verpleeghuis, verkeer, noodontsluiting, waardedaling woning, planschaderegeling, eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden, zienswijze herhaald en ingelast
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4279: Awb, Wro, Wabo, Wgh; bpl, omgevingsvergunning, woningbouw, besluit HGW, gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking, teelt snijbloemen en snijheesters, belemmering bedrijfsvoering, richtafstanden VNG-brochure, omgevingstype, plantoelichting, verschillende functies aanwezig zijn, gemengd gebied, akoestisch onderzoek, Activiteitenbesluit milieubeheer, representatieve bedrijfssituatie, bestaande bedrijfsactiviteiten, uitgangspunten, melding, onvoldoende twijfel, mantelzorgwoning, vergunningvrije bebouwing, cultuurhistorie
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4268: Awb, Wro; bpl, woningbouw, inbreidingslocatie, toezegging/procedure verkeersbesluit, verkeer, verkeersintensiteiten, capaciteit, verkeersveiligheid, maximumsnelheid, parkeren, parkeerbehoefte, parkeren trottoir, RVV 1990
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4282: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning kappen zomereik, APV, moment indienen verweerschrift/beroepsfase, tiendagentermijn, goede procesorde, boomdeskundig adviseur, bomengroep, beeldbepalende waarde, openbare weg zichtbaar, belangenafweging, Boom Effect Analyse, gelijkheidsbeginsel, boomveiligheidscontroleur (Rb Midden-Nederland 24/3394)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4272: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, zonder omgevingsvergunning, strijd bpl, exploiteren bed and breakfast, overzicht boekingen Booking.com, vermeende gedoogsituatie, concreet zicht op legalisatie, evenredigheid, maatstaf Harderwijk-uitspraak, weigering aanvraag omgevingsvergunning, algemeen belang, persoonlijk belang/voorkomen schade (Rb Oost-Brabant 24/1520 en 24/1534)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4263: Awb, Wabo, Gmw; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, tweede uitweg bij woning, APV, groenvoorzieningen, voorkomen precedentwerking, weigeringsgrond, evenredigheid, herhalen en inlassen beroepsgronden, onjuist of onvolledig (Rb Oost-Brabant 24/2692)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4288: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, aanleggen bussluis, motorvoertuigen/uitgezonderd lijnbussen, uov niet wettelijk voorgeschreven, na vernietiging, verkeersintensiteiten, bestemmingsverkeer, nieuw primair verkeersbesluit, herstel- of wijzigingsbesluit, herhaalde aanwending dezelfde bevoegdheid, grondslag en reikwijdte eerste besluitvorming, artikel 6:19/openbare orde, fysieke maatregel, bestaande situatie, beroep van rechtswege, dezelfde rechtsgang, effectieve geschillenbeslechting, niet-ontvankelijk, significante afname doorgaand (sluip)verkeer, voor- nadelen (Rb Amsterdam 23/1656)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4291: Awb, Wm, Gmw; aanwijzing locatie plaatsing bovengrondse wijkcontainer, glas, papier, bekendmaking ontwerp-aanwijzingsbesluit, vaststelling ontwerp, publicatie definitieve aanwijzingsbesluit, uov, bezwaar/doorgezonden naar Afdeling, e-mailcorrespondentie, niet op voorgeschreven wijze bekendgemaakt, beroepstermijn nog niet aangevangen, geen zienswijze, Varkens in nood-jurisprudentie, veiligheid spelende kinderen, gebruik avond en nacht, bedrijfsafval
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4281: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, garageloods, verwijderen, aanpassen, uitvoeren/vergunningvrij, beginselplicht tot handhaving, vertrouwensbeginsel, toezegging/onduidelijk uiterlijk en afmetingen, meerdere tekeningen, conceptaanvraag, deskundige architect, controleverslag bouwinspecteur, mailwisselingen (Rb Zeeland-West-Brabant 25/2300 en 25/2301)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4273: Awb, Waterwet; afwijzing verzoek schadevergoeding, akker- en tuinbouwbedrijf, olifantsgras, groei van biezen, bioplastics, afnemer, acceptatie geoogste product, omzetderving, causaal verband, condicio sine qua non-verband, BW, hypothetische situatie, hoofdregel, gemotiveerde betwisting, stelplicht, bewijslast, bewijsrisico, hydrologisch rapport, specialistische kennis, waterpeil, drainagesysteem, grondwaterniveau, bijzondere omstandigheden/niet gebleken (Rb Oost-Brabant 24/4319)
¶ ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4286: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, strijd bpl, verhuur kamers, bedrijfsruimte, gelijkheidsbeginsel, capaciteitsgebrek, prioriteit, geen goede verklaring gegeven, verlengen begunstigingstermijn rechtbank, voorzieningenrechter Afdeling, overtreding/niet in geschil, handhavingsbesluiten, maatstaf Harderwijk-uitspraak, aanvullen of verduidelijken motivering, (belangen)afweging, lengte begunstigingstermijn, zelf in de zaak voorzien, dezelfde handelwijze, nieuwe begunstigingstermijn (Rb Oost-Brabant 24/4038)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4307: Awb, TwG, BW; schadevergoeding, mijnbouwactiviteiten, winkelgedeelte pand, winkel- en bedrijfsruimte, verkooprijs, aardbevingsgebied, ruimhartigheid regeling, waardedaling, taxatiemarge, WOZ-waarde, referentiemethode, actieve markt, bijzondere omstandigheden, stapsgewijze verlaging verkoopprijs, risicogebied (Rb Noord-Nederland 24/3461)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4264: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag, vergoeding immateriële schade, adressen, aardbevingsgebied, ander nadeel dan vermogensschade, regeling immateriële schadevergoeding, Procedure en werkwijze, artikel 6:101 BW, rechtspraak Hoge Raad, objectieve maatstaven, prejudiciële beslissing, persoonsaantasting, gestandaardiseerde methode, bouwstenen, vragenlijst, PIA, persoonlijke levenssfeer en woonsituatie, ondergrens, maatwerkprocedure (Rb Noord-Nederland 24/2636)
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4284: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, afvalstoffenverordening, uitvoeringsbesluit, aanbieden afvalstoffen, verwijderen kartonnen doos, adresgegevens, adreslabel doos, overtreder, bewijsvermoeden, niet onomstotelijk bewijzen, twijfel oproepen, kostenverhaal, evenredigheid bedrag
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4283: Awb, Wm, Gmw; spoedeisende bestuursdwang, afvalstoffenverordening, vuilniszak, ondergrondse afvalcontainer, containers vol, ander afval, overtreding, bewaren, aanbieden op juiste wijze, naam- en adresgegevens
¶ Rechtbank Oost-Brabant 22 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5191: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit en technische bouwactiviteit, plaatsen en in gebruik nemen tijdelijk modulair schoolgebouw, spoedeisend belang, alternatieven, bruidsschat, stemgeluid, woon- en leefklimaat, binnenniveau, geluidwering, parkeren, parkeerdrukmeting, maatgevende momoment, adviessnelheid, parkeerruimte, groen, uitvoeringsaspecten, evenredigheid, belangenafweging, afwijzing verzoek
* Rechtbank Den Haag 22 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19667: BW; voorlopig voorkeursrecht gevestigd, nietig verklaren koopovereenkomst en andere rechtshandelingen, draf- en renbaan, Omgevingswet, vereisten artikel 9.9, artikel 1 EP EVRM, vervreemding, beschikkingsmacht
* ABRvS 20 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4222: Awb, Wro; vovo, bpl, woningbouw, recreatief verblijf, gevolgen bedrijfsvoering, geur, geluid, beroep van rechtswege, herstelbesluit, voorlopige beoordeling gronden, VNG-brochure, Activiteitenbesluit, akoestisch onderzoek, representatieve bedrijfssituatie, maaien gras, kortdurend, seizoensgebonden, woon- en leefklimaat, afstand, gemeentelijke geurverordening, agrarische omgeving, agrarische geur/niet ongewoon, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Midden-Nederland 20 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4554: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning plaatsen tijdelijk dassenraster, periode 15 jaar, ordemaatregel, onherroepelijke gevolgen dassenpopulatie, bestudering te ontvangen stukken, spoedeisend belang, korte termijn uitnodigen zitting
* Rechtbank Oost-Brabant 20 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5071: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, woningbouw, juistheid aanvraag, gemeentelijk beleid, parkeren, parkeeronderzoek, parkeerdruk, moment meting, gemeentelijke groennorm, ruimtelijke inpasbaarheid, rechtmatigheid herstelbesluit, aanbesteding, grondexploitatie, kappen bomen/geen toestemming, groennorm, einduitspraak na tussenuitspraak
* Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1303: Onteigeningswet; onteigeningsrecht, aanleg weg, Eindhoven Airport, werkelijke waarde onteigende, peildatum/geldende bpl, tegemoetkoming in planschade, volledige schadeloosstelling, peilmoment, financieel opzicht/nadeel noch voordeel, eliminatieregel, juridisch-planologische grondslag, plannen/algemeen karakter, uitzonderingskarakter, planschade, onteigeningsgeding, egalisatieregel, artikel 6.1 Wro (oud), ruimtelijk ordeningsrecht, benuttingsperiode, minnelijke verwerving, vergunningaanvraag
¶ Rechtbank Oost-Brabant 17 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5031: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, omgevingsplan, gebruiks- en bouwovergangsrecht, degene die zich op overgangsrecht beroept/aannemelijk maken, strijd bestemming, evenredigheid, tijdsverloop, Harderwijk-uitspraak, geen bijzondere omstandigheden, beleidsregels, prioriteit/hoog, vertrouwensbeginsel, begunstigingstermijn, hoogte dwangsommen
¶ Rechtbank Oost-Brabant 17 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5032: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bouwen bedrijfsverzamelgebouw en realiseren uitweg, bouw- en goothoogte, bestemming, regels, niet bindende toelichting, bedoeling planwetgever, maximale bouwhoogte, omgevingsplan, rechtszekerheid, legaliteitsbeginsel, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, parkeren, parkeernota, stedenbouwkundige toets, intensiever gebruik, hogere parkeerbehoefte, parkeerdruk, minimaal aantal parkeerplaatsen, waterberging, filtratiekratten, technische documentatie, bouwtekening, vergunningvoorschrift, (civiele) vervolgprocedures, artikel 7:11 Awb, aankondiging opnemen voorschriften, bouwtechnische bezwaren, knip, technische deel bouwactiviteit, Besluit bouwwerken leefomgeving, rechtsgevolgen niet in stand laten, niet zelf in de zaak voorzien, geen bestuurlijke lus, niet efficiënt, wijzigen bouwplan, conceptaanvraag ingediend
* Rechtbank Den Haag 17 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19629: Awb, Wnb; ontheffing, faunabeheereenheid, vos, bescherming meeuwenpopulaties, voorkoming graafschade industrieterreinen, belanghebbende, rechtspersoon, statutaire doelstelling, feitelijke werkzaamheden, noodzaak, faunabeheerplan, andere bevredigende oplossingen, wettelijke systematiek, maatstaf artikel 16 Habitatrichtlijn, richtsnoeren Europese Commissie, plaatsen rasters, broedparen, (spoor)wegen, waterkeringen, tankdijken, omvang havengebied, grote aantal kwetsbare elementen, kosten in bezwaar
* HvJEU 16 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:596: Richtlijn 92/43/EEG; Prejudiciële verwijzing; habitatrichtlijn, windturbinepark, passende beoordeling, geen specifieke instandhoudingsdoelstellingen, speciale beschermingszone, begrip “passende beoordeling”, cumulatieve effecten, gebruikelijke betekenis dagelijks taalgebruik, instandhoudingsdoestellingen/specifiek en nauwkeurig, wetgevingscontext, geen lacunes, kader instandhoudingsmaatregelen, vogelrichtlijn, onvoldoende precieze en volledige basis, screeningsfase, geografische gebied
¶ ABRvS 16 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4192: Awb, Ow; vovo, gedoogplicht, aanleg en instandhouding nieuwe laagspanningskabel, recreatiewoning, alternatieve tracés, gestuurde boring, spoedeisend belang, duur werkzaamheden, geen concrete startdatum, wachten, booropstelling nog niet besteld, geen werkzaamheden/onomkeerbare schade, afwijzing verzoek (Rb Noord-Holland 26/577 en 25/6145)
¶ Rechtbank Noord-Nederland 16 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2941: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, mitigerende maatregelen, leefgebied bunzing, kap bomen, sloop opstallen, belanghebbende, spoedeisend belang, zorgvuldigheidsbeginsel, quick scan, nader onderzoek, voorschriften, afwijzing verzoek
* Rechtbank Gelderland 16 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5726: Awb; handhaving, dwangsom, niet-recreatieve gebruik recreatiewoning, beginselplicht tot handhaving, vertrouwensbeginsel, toezegging, geen schriftelijk bewijs, college ontkent, navraag baliemedewerkers, concreet zicht op legalisatie, landelijke politiek, geen concreet zicht, nadere beleidslijn, medische omstandigheden, duur begunstigingstermijn, hoogte dwangsom
* Rechtbank Overijssel 16 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4223: Sr, Wm, Wed; storten drugsafval, geen beschermende maatregelen, verontreiniging of aantasting bodem, bewijsmiddelen, bewezenverklaring, strafbaarheid bewezenverklaarde, straf of maatregel, milieuregelgeving, gevolgen milieu en volksgezondheid, aanzienlijke kosten/voor rekening maatschappij, persoon verdachte, redelijke termijn, in beginsel/onvoorwaardelijke gevangenisstraf, persoonlijke omstandigheden, beperken tot voorarrest, fors voorwaardelijk strafdeel, reclasseringsrapport, vorderingen benadeelde partijen, schadeposten/onvoldoende betwist, Rijksoverheid, Subsidieregeling opruiming drugsafval, minder schade dan gevorderd, BTW-compensatiefonds, burgerlijk recht, mededader/hoofdelijk aansprakelijk, aansprakelijk voor hele bedrag, geen oplegging schadevergoedingsmaatregel
¶ Rechtbank Noord-Holland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8693: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, bewoning woning, meerdere huishoudens, omgevingsplan, tijdelijk deel, bpl, woonbestemming, definitie “woonhuis”, duurzame en bestendige samenstelling, onderlinge verbondenheid, controlerapport toezichthouders, nationaliteit, nauwe band, verklaringen, huurovereenkomst, gemeenschappelijke financiën, bijzondere omstandigheden, beginselplicht tot handhaving, geen concreet zicht op legalisatie, last/niet onevenredig, geschikt middel, minder vergaande maatregel/niet van gebleken, zorgsituatie, medische informatie, artikel 8 EVRM, relativiteitsvereiste
¶ Rechtbank Noord-Holland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8787: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, opslag goederen, bouwwerken, spoedeisend belang, verbeurt dwangsom van rechtswege, geen controle, begunstigingstermijn afgelopen, begunstigingstermijn verlengen, belangenafweging, huurovereenkomsten, leeftijd verzoeker, fysieke beperkingen, afhankelijk van derden, facturen, professioneel bedrijf ingeschakeld, toewijzing verzoek, verlengen begunstigingstermijn met terugwerkende kracht
¶ Rechtbank Noord-Holland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8444: handhaving, dwangsom, artikel 4.28 Ow, niet in stand houden rijksmonument, hoorplicht bezwaarfase, rechtszekerheid, overtreder, daadwerkelijk wettelijk voorschrift geschonden, toerekening, natuurlijke personen, aanvaarden, renovatieplannen, fiscale redenen, zeggenschap, geen misbruik handhavingsbevoegdheid, voorgeschiedenis handhavingstraject, zakelijke werking, beginselplicht tot handhaving, rendabel, gelijkheidsbeginsel, hoogte dwangsom, invordering
* Rechtbank Gelderland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5648: Awb; handhaving, invordering, rapportage controlebezoek, foto’s, maatvoering, controlerapport, herstelmaatregelen, niet volledig aan last voldaan, vergunningvrij, peildatum/datum eindigen begunstigingstermijn, bijzondere omstandigheden, invordering/veel gewicht, zicht op legalisatie, toekomstige omgevingsvergunning, verplichting verbeurde dwangsom, gronden tegen lod/uitzonderlijk geval, opsomming herstelmaatregelen, niet dwingend, vrijheid/keuze minder ingrijpende oplossingen
¶ Rechtbank Gelderland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5651: Awb, Ow, Gmw; weigering omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, aanleggen uitrit, Verordening fysieke leefomgeving, beleidsregel, advies wegbeheerder, verkeerskundige, openbare parkeercapaciteit, parkeerverbod, persoons- of voertuiggebonden factoren, parkeerdruk, gelijkheidsbeginsel, verbod op willekeur, vertrouwensbeginsel
¶ Rechtbank Gelderland 15 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5629: Awb, Ow; intrekking jachtakte en weigering omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, Besluit kwaliteit leefomgeving, vrees voor misbruik, Circulaire wapens en munitie 2019, Strafgesetzbuch, dwang (Nötigung), andere strafmaat, voorwaardelijke boete/geen waarschuwing, terugkijktermijn, wijziging grondslag, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Overijssel 14 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:4107: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, bedrijfsmatig verhuren recreatievaartuigen, houseboats, voorschriften, ruimtelijke onderbouwing, onjuiste uitgangspunten, vergunde activiteit, woon- en leefklimaat, innerlijk tegenstrijdig, onuitvoerbaar, zelf in de zaak voorzien, herroepen primaire besluit
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6411: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen berg- en verblijfruimte, kennelijk ongegrond, uitspraak zonder zitting, grotendeels al gerealiseerd, spoedeisend belang, onverwijlde spoed, bouwstop, foto’s, bouw/vergevorderd stadium, dakbedekking, inwendige isolatie, overgebleven werkzaamheden, beperkte invloed/(on)omkeerbare gevolgen
* Rechtbank Amsterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:7078: Awb; afwijzing handhavingsverzoek, herhaald verzoek, bestemmingsplan, ondertekening beroepschrift, hoorplicht bezwaarfase, geparkeerde voertuigen, nieuwe overtredingen/buiten procedure, vaartuigen/verwijderd, controle, passeren gebrek, niet-organisch materiaal
¶ Rechtbank Den Haag 14 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19381: Awb, Ow; vovo, afwijzing verzoek preventief handhavend optreden, opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen, omgevingsplan, omgevingsplanactiviteit, begrip “wonen” niet gedefinieerd, plansystematiek, toelichting, planwetgever, algemeen spraakgebruik, nagenoeg zelfstandige bewoning, geen klaarblijkelijk dreigende schending bpl, algemene zorgplicht, wetsgeschiedenis, vangnetfunctie, activiteit met aanzienlijk nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, memorie van toelichting, onmiskenbaar, zonder nader onderzoek, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Noord-Nederland 14 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2784: Awb, Ow; vovo, handhaving, bestuursdwang, verwijderen hekwerk, kennelijk gegrond, uitspraak zonder zitting, omgevingsplan, spoedprocedure, spoedeisend belang, belangenafweging, beschermen privacy en veiligheid, beperken zichtcontact, voorkomen escalatie burenconflict, belang bij verwijdering, tijdsverloop, voorbereidingstraject, toewijzing verzoek
¶ Rechtbank Noord-Nederland 14 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2798: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, zorgplicht flora en fauna, Besluit activiteiten leefomgeving, natuurtoets, drijvend zonnepark, spoedeisend belang, voorkomen overtreding zorgplicht, treffen maatregelen, voldaan aan last/verzoek tot invordering, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Oost-Brabant 13 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4907: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteiten, voorschriften, treffen voorlopige voorziening, geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel, ontvankelijkheid/geen oordeel, woningbouw, gevolgen beschermde diersoorten, ecologen, dassen en wezels, muizen, bereidheid tot overleg, schorsing voorschrift, verder onderzoek das en/of dassenburcht
¶ Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5525: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bewoning recreatiewoning, (on)bevoegd genomen besluiten, (onder)mandaat, mandaatbesluit, bestuursrechtelijke handhavingstaak, controlerapporten, zorgvuldigheid onderzoek, EVRM, Gemeentewet, omgevingsplan, wettelijke grondslag handhavend optreden, verzamelen gegevens, AVG, afzonderlijke (rechts)middelen, overtreding, huurdersverklaringen, gegevens watergebruik, einduitspraak na tussenuitspraak
¶ Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5518: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, Hinderwetvergunning, meldingen, Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit activiteiten leefomgeving, voorschrift, redelijke uitleg, vergunning van rechtswege vervallen, algemene regels, omgevingsplan, emissiepunten, controlerapport toezichthouder, intrekkingsverzoek, ander juridisch kader, preventief handhavend optreden, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk, geen omgevingsvergunning aangevraagd, wijzigingsplan/geschorst
¶ Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5530: Awb, Ow; handhaving, invordering, centrale, Besluit activiteiten leefomgeving, metingen, emissiereductietechnieken, bezwaren/gericht tegen lod, bijzondere omstandigheden, uitgaan rechtmatigheid lod, Selectieve Katalytische Reductie, volledige tijdseenheid, niet in bedrijf, beginselplicht tot invordering, bijzondere omstandigheid, ammoniakuitstoot, actieve SCR-dosering, aanzienlijke vermindering stikstofoxiden emissies
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6353: Awb; verzoek veroordeling gemaakte proceskosten, intrekking beroep, omgevingsvergunning bouwen woningen, verduidelijkende tekening toegevoegd, geheel of gedeeltelijk tegemoetgekomen aan indiener beroepschrift, behoud openbare parkeerplaatsen, tegemoetgekomen aan beroep, toewijzing verzoek, uitzondering/bijzondere omstandigheden, coulance, hoogte bedrag
* Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5612: Awb; vovo, handhaving, dwangsom, bewoning bedrijfspand, toewijzing verzoek, belang verzoeker, belang college, blijven controleren of dwangsommen zijn verbeurd, beperkt nadeel schorsing
* Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5533: Awb, Wabo, Wm; handhaving, dwangsom, aanleggen of plaatsen van zaken, bpl, overtreding, bargebouw, bijlage II bij het Bor, overkapping, bouwwerk, evenement, tent, horecabedrijf, vergunning APV, last, Activiteitenbesluit milieubeheer, meldingen, Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, equivalente geluidniveau, passeren gebrek, geluidnormen, langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, metingen, meteoraam, indicatief, conservatief benaderd, overtreders, functioneel daderschap, rechtspersonen, Drijfmest-arrest, beginselplicht tot handhaving, concreet zicht op legalisatie, principeverzoek, evenredigheid handhavend optreden, begunstigingstermijn
¶ Rechtbank Overijssel 10 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3995: Awb, Ow; afwijzing ingebrekestelling, bezwaar, omgevingsverordening, instructieregels zonnevelden en windenergie, afdeling 3.4 Awb, geen bezwaar, bezwaarschrift/beroepschrift, artikel 6:15 Awb, geen verzoek, verdagingsbeslissing, niet in verzuim/ingebrekestelling mist toepassing
¶ Rechtbank Gelderland 10 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5475: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, (al dan niet klaarblijkelijk dreigende) overtredingen, bijgebouw, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, bouwactiviteiten, omgevingsplan, ingebruikname woondoeleinden, gebruiksovergangsrecht, voorkomen van herhaling, preventieve lod/geen begunstigingstermijn, iets nalaten, direct dwangsommen verbeuren, schorsen, kamerverhuur, beginselplicht tot handhaving, evenredigheid handhavend optreden, tijdsverloop, mogelijk ernstige financiële gevolgen, toewijzing verzoek
¶ Rechtbank Gelderland 10 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5463: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, achterstallig onderhoud pand, omgevingsplan, Besluit bouwwerken leefomgeving, exces, welstandsbeleid, controlerapport, wettelijke grondslag, beginselplicht tot handhaving, bijzondere omstandigheden, voorkeursrecht/Wvg, onderhandelingen, causaal verband, misbruik van bevoegdheid, begunstigingstermijn, invordering, voornemen tot invordering, zienswijze, betalingsonmacht, achterstand hypotheekverplichtingen, achterstand weer ingelopen, geen inzicht financiële situatie
* HvJEU 9 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:558: Richtlijn 2001/42/EG; Prejudiciële verwijzing; nationale regeling, uitbating parkings, geen regels ligging en maximumaantal, milieubeoordeling, hoog milieubeschermingsniveau, plannen en programma’s, regionale instantie, voorgeschreven, rechtsgrondslag, geen verplichting, planmatige of programmatische dimensie, letterlijke uitlegging, bepaalde materiële inhoud, totstandkomingsgeschiedenis, sectoren, sectoren, ruimtelijke ordening of grondgebruik, kader voor toekomstige vergunningen, groot pakket aan criteria en modaliteiten, milieueffecten, beginsel van loyale samenwerking, rechtsvacuüm, individuele vergunningen
* HvJEU 9 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:561: Richtlijn 2012/18/EU; Prejudiciële verwijzing, inrichting voor verwerking van gevaarlijk en niet-gevaarlijk vloeibaar afval, milieuvergunning, opslaan en verwerken afval, aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, beheerssysteem, monitoring, drempelwaarden, hogedrempelinrichtingen, lagedrempelinrichtingen, gebruikelijke betekenis, verwachte of redelijkerwijs te voorziene aanwezigheid, letterlijke uitlegging, contextuele uitlegging, voorzorgsbeginsel, exploitatievergunning
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6336: Awb, Ow; omgevingsvergunningen omgevingsplanactiviteit (bouwactiviteit) en technische bouwactiviteit, saunagebouw en recreatiewoningen, binnenplanse vergunningplicht bouwen, bruidsschat, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, neutrale overgang, artikel 22.281, ETFAL, Besluit kwaliteit leefomgeving, welstand, bouwvlak, fundering, archeologisch onderzoek, verkennend onderzoek, archeologische vondsten, fundering, sonderingen, funderingsadvies, welstandsbeoordeling, geen tegenadvies, geldende welstandscriteria, geen uitgangspunten, beoordelingsregels, landschappelijke en natuurlijke waarden
¶ Rechtbank Limburg 9 juli 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:7033: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning verbouwen woning, spoedeisend belang, technische bouwactiviteit, technische bouwkwaliteit bouwwerken, Besluit bouwwerken leefomgeving, aannemelijkheidstoets, beoordelingsruimte, Burgerlijk Wetboek, (evidente) privaatrechtelijke belemmering, constructieve berekeningen, constructeur, massieve scheidingsconstructie, samenwerkende constructie, geen contra-expertise, nulmeting, toetsingskader, omgevingsplanactiviteit, privaatrechtelijke belemmering, gebonden beschikking, limitatief-imperatief vergunningstelsel, belangenafweging, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Oost-Brabant 9 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4861: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, waarschuwing, specifieke zorgplicht, Besluit activiteiten leefomgeving, geen wettelijke basis/waarschuwing, informele waarschuwing, geen besluit, lokale omstandigheden, geen concretisering zorgplicht, conclusie Widdershoven, verzoeken/niet-ontvankelijk, op de zaak betrekking hebbende stukken, algemeen mandaat, overtreding, quickscan, voorwaardelijk opzet, aanmerkelijke kans, welbewust handelen, omgevingsvergunning bopa, omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit, overtreder, medepleger, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Noord-Holland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8897: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning bouwen uitbouw bedrijfswoning, strijd omgevingsplan, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gemeentelijke documenten, toelichting tijdelijke deel omgevingsplan, begripsomschrijving, evenredigheid, algemeen belang, persoonlijk belang, ruimtelijk niet gewenst, ruimtelijke uitstraling
¶ Rechtbank Noord-Holland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8905: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, verhoging erfafscheiding, bezoekersrapportage, hoofdstuk 22 omgevingsplan, bruidsschat, bovenkant scheidingsconstructie, niet op ambtseed of ambtsbelofte, minder bewijskracht, niet zonder betekenis, geen tegenrapport, overtreding, geringe aard en omvang overtreding, handhavend optreden/onevenredig, licht(inval), uitzicht, overlast
¶ Rechtbank Gelderland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5428: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, parkeergelegenheid, ontvankelijkheid beroep, identiteit insteller beroep, kenbaar voor afloop beroepstermijn, pro forma beroepschrift, verschrijving, overtreding, omgevingsplan, bevoegd tot handhavend optreden, beginselplicht tot handhaving, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisering, mogelijk ernstige financiële gevolgen, financiële risico’s, invordering, controlerapport, ambtseed of ambtsbelofte, ondertekend rapport, beginselplicht tot invordering, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, uitzonderlijke gevallen, financiële redenen, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Gelderland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5425: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, bomenkap, procesbelang, bomen zijn gekapt, terrein/bouwrijp gemaakt, aanvang storten funderingen, verleende omgevingsvergunningen/herplantplicht, verdergaande maatregelen, beroep niet-ontvankelijk
* Rechtbank Gelderland 9 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5466: Awb; vovo, besluit verlengen beslistermijn, aanvraag omgevingsvergunning, uitspraak zonder zitting, kennelijk ongegrond, artikel 6:3 Awb, niet rechtstreeks in belang getroffen, inhoudelijke beoordeling, mediationtraject, niet vatbaar voor bezwaar, bezwaarschrift/naar alle waarschijnlijkheid niet-ontvankelijk, afwijzing verzoek
* Rechtbank Overijssel 9 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3943: Awb; handhaving, dwangsom, voorkoming herhaling, varkenshouderij, transportbedrijf, biovergister, afvalwater, oppervlaktewater, percolaat, procesbelang, reeds verstreken periode, ingetrokken of vervallen besluit, looptijd geëindigd, geen dwangsommen meer verbeuren, uitgewerkt, beroep niet-ontvankelijk
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6112: Awb, Gmw; afwijzing verzoek om nadeelcompensatie, verkeersbesluiten, werkzaamheden, titel 4.5 Awb, algemene wettelijke grondslag nadeelcompensatie, overgangsrecht, oude recht, égalitébeginsel, gemeentelijke verordening, beleidsregels, omvang geschil, schadeperiode, voorzienbaarheid, ontwerpconsultatie/beleidsvoornemen, huurovereenkomst, investeringsbeslissing, vertrouwensbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel, normaal maatschappelijk risico, evenredig besluit, evenredige gevolgen
¶ Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4796: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, tijdelijk/periode van 15 jaar, tijdelijke bijwoning met zelfstandige voorzieningen, omgevingsplanactiviteit “bouwen”, artikel 12.27a Bkl, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, verkeersgeneratie, CROW parkeerkencijfers, maatwerk, belasting weg, woon- en leefklimaat, voorschriften, eigen terrein, parkeeroverlast
¶ Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4799: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, bouwwerk (bijwoning), omgevingsvergunning ruimtelijk bouwen, omgevingsplan, vergunningvrij, rechtspraak Bor, aantal zelfstandige woningen, voorzieningen, een woning/per bestemmingsvlak, technische bouwactiviteit, Besluit bouwwerken leefomgeving, uitzondering vergunningplicht
* Rechtbank Overijssel 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3918: Awb; tijdelijke omgevingsvergunning, oprichten modelvliegtuiglocatie met schuilplek, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, rechtspersonen, statutaire doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, eerder oordeel van de rechtbank, inspraakorgaan, procesbelang, permanente omgevingsvergunning, verschil in looptijd/andere factoren, ander wettelijk kader, Wabo/Omgevingswet, juridische toets, beroep niet-ontvankelijk
* Rechtbank Noord-Holland 8 juli 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:8276: BW, Onteigeningswet; vordering, uitspreken vervroegde onteigening, tracébesluit Programma Hoogfrequent Spoorvervoer, termijnen en formaliteiten, te benoemen deskundigen, opdracht begroten schadeloosstelling, descente
* Rechtbank Den Haag 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18231: Awb, Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg en laad-en losplaats, ontsluiting boomkwekerij, limitatief-imperatief stelsel, APV, omvang geding, recht van overpad, civielrechtelijke procedure, verkeersveiligheid, verkeersdeskundige, advies deskundige, weigeringsgronden, geluid, privacy, geen weigeringsgrond, evenredigheid, alternatieve locatie
¶ Rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3996: Awb, Ow; bekrachtiging onteigeningsbeschikking, versterken Lekdijk, nieuwe veiligheidsnormen primaire waterkeringen, projectbesluit, toetsingskader, wettelijke vormvoorschriften, toezending belanghebbenden, eigenaren, overige zakelijk gerechtigden, wetsgeschiedenis, eenvoudig en helder criterium, praktische benadering, alsnog geïnformeerd, niet deelnemen aan procedure, passeren gebrek, onteigeningsbelang, noodzaak, minnelijk verwerven, redelijke poging, urgentie, planning werkzaamheden
* Rechtbank Den Haag 3 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18476: Awb, Gmw; vovo, ontheffing verbod om geluidhinder te veroorzaken, APV, oefenen deelname Wereld Muziek Concours, oefenen in de buitenlucht, discretionaire bevoegdheid, terughoudend toetsen, belangenafweging, voorschriften, beperken geluidsoverlast, woningen, oefentijden, woongenot, gesprek voeren, irritatie en stress, aanwijzingen, alternatieve oefenlocatie, muziek op tape/geluidsinstallatie, essentiële mars- en showonderdelen, afwijzing verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 2 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3867: Awb; handhaving, invordering, airco-units, controlerapport, ontkoppeld/buiten bedrijf, verstrijken begunstigingstermijn, verbeuren dwangsom, lod/staat in rechte vast, overtreding last, geen bijzondere omstandigheden
* Rechtbank Oost-Brabant 2 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4681: Awb, Wro; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in planschade, provinciale verordening, stalderingsregeling, waardevermindering onroerende zaak, advies, (fictieve) waardedeling, hoogste waarde, uitbreiding, kans van slagen/ten tijde van peildatum, meerkosten, bouwvlak, nieuwe varkensstallen, gebruiksmogelijkheden, geen bestuurlijke lus
* Rechtbank Noord-Nederland 2 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2927: Awb, BW, TwG; afwijzing aanvraag vergoeding mijnbouwschade, woning, effectgebied, toetsingskader, artikel 6:177a BW, bewijsvermoeden, trillingen, snelheid, overschrijdingskans, specifiek geval, twee-onder-één-kap-woning, grens bewijsvermoeden, beleidsregel, evenredigheid, geen overduidelijke onevenredigheid, beleidsvoorspelbaarheid, rechtszekerheid, lobjes, verklaringen, causaal verband
* Rechtbank Noord-Nederland 1 juli 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2921: Awb, BW, TwG; afwijzing aanvraag schadevergoeding, waardedaling niet-woning, vastgoedholding, bedrijfspand, zakenlijkrechtelijke positie, peildatum, zwaartecategorieën, aardbevingsrisico, WOZ-waarde, (volledig) in eigendom, onjuiste rechtsopvatting, privaatrechtelijke rechtspersoon, zelfstandige juridische entiteit, afgeleide schade, zorgvuldigheidsnorm, aandeelhoudersbelangen, evenredigheid
* Rechtbank Den Haag 1 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17764: Awb, Gmw; weigering tweede parkeervergunning, bewoner, BRP-eis, beleidsregel, exceptieve toetsing, beleidsruimte, geschikt en noodzakelijk, hardheidsclausule, onbillijkheid van overwegende aard, buiten toepassing laten, bijzondere omstandigheden, parkeerprobleem, parkeerdruk, verdelen schaarse ruimte
* Rechtbank Noord-Nederland 29 juni 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2936: Awb, BW, TwG; vergoeding immateriële schade mijnbouwactiviteiten, toetsingskader, beroepstermijn, beroep buiten wettelijke termijn ingediend, klacht, aanmerken als beroep, servicedeskmedewerker, telefonisch contact, verkeerd besluit voorgelezen, beroepsclausule, telefoonnotitie, klachtenformulier, vermeende toezegging, geen vergelijkbare gevallen, te laat ingediend, niet verschoonbaar, beroep niet-ontvankelijk
¶ Rechtbank Midden-Nederland 26 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3682: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, bouwrijp maken projectgebied, heikikker, bunzing, haas, hermelijn, steenmarter, wezel, spoedeisend belang, toetsingskader, ecologisch onderzoek, geen contra-expertise, andere bevredigende oplossing, dwingende reden van groot openbaar belang, voldoende huisvesting onderwijs, verminderen woningtekort, gunstige staat van instandhouding, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Midden-Nederland 26 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3757: Awb, Ow; herziening en actualisatie peilbesluit, dynamisch peilbeheer, ontvankelijkheid beroep, Varkens in nood-jurisprudentie, participatie, bovengrens streefpeil, beheerpeil, KRW, ondergrens streefpeil, kwaliteit en onderhoud meetapparatuur, uitvoeringskwestie
¶ Rechtbank Noord-Holland 26 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:7500: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, doden beschermde dieren, bouwvelden, projectgebied, voorschriften ontheffing, artikel 5.5 Omgevingswet, voorschriften omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, woord “minimaal”, afvangemmers, controleren, Besluit activiteiten leefomgeving, Habitatrichtlijn, werkprotocol, voorwaardelijk opzet/niet gebleken, geen overtreding, geen bevoegdheid last onder dwangsom op te leggen, invordering
* Rechtbank Midden-Nederland 25 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3776: Awb, Wabo; omgevingsvergunning strijdig gebruik, goede ruimtelijke onderbouwing, aanvraagformulier, nadelige invloed waarden/motiveren, nagelaten, provinciale beleid, verstedelijkingsverbod, VNG-brochure, richtafstand, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 juni 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6092: Awb; handhavingsverzoek, voornemen verrichten heiwerkzaamheden, procesbelang, flora en fauna, werkzaamheden/inmiddels afgerond, doel voor ogen/niet meer bereiken, oordeel rechtmatigheid, geen feitelijke betekenis, beroep niet-ontvankelijk
* Rechtbank Den Haag 24 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17930: Awb; heropeningsbeslissing, ter zitting/onderzoek gesloten, heropenen onderzoek, omgevingsvergunning, toezending besluit/intrekking omgevingsvergunning, aanleiding intrekken beroep
* Rechtbank Midden-Nederland 23 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3774: Awb, Woningwet, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, airco-unit, Regeling Bouwbesluit, tonaliteit, NEN-ISO, tonaliteitscorrectie, ISO-norm. Rechtszekerheidsbeginsel, moment vergunningverlening, Zwitserse methode, omgevingsvergunning bouwen, handhaafbaarheid, stille modus
* Rechtbank Midden-Nederland 23 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3700: Awb; afwijzing handhavingsverzoek, asbestinventarisatierapporten, procesbelang, Woo, wederrechtelijk handelen, niet verkrijgen via handhavingsverzoek, herstellen onrechtmatige situatie, opleggen bestuurlijke herstelsanctie, overtreding wettelijk voorschrift, medewerkers gemeente
* Rechtbank Midden-Nederland 19 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3997: Awb; vovo, afwijzing handhavingsverzoek, verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, uitspraak zonder zitting, calamiteitendoorgang, planvoorschriften bpl, verzoek/terugplaatsen hek, bosbad, paarkeerverbod, formele en materiële connexiteit, geen materiële connexiteit, geen betrekking op bestreden besluit, uitsluitend weigering handhavend optreden
* Rechtbank Den Haag 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20384: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, overtreding, gebruik ontsluitingsweg, strijd bestemming, agrarische bestemming, beginselplicht tot handhaving, geringe aard en ernst, klein gedeelte, minder verkeersbewegingen, afzien handhavend optreden, in stand laten rechtsgevolgen
* Rechtbank Den Haag 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20383: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, gebruiken ontsluitingsweg, omgevingsvergunning vereist, overtreders, beginselplicht tot handhaving, concreet zicht op legalisatie, bijzondere omstandigheden, ruimtelijke impact, gelijkheidsbeginsel, duidelijkheid last
¶ Rechtbank Den Haag 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20382: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, gebruiken ontsluitingsweg, beoogde tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, bindend advies gemeenteraad, beoordelingsregels, ETFAL, advies/niet zelfstandig appellabel, onderdeel besluit, beleidsruimte, relevante feiten, afweging
¶ Rechtbank Midden-Nederland 12 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3754: omgevingsvergunning bopa, ingangsportaal, woning, tijdelijk deel omgevingsplan, bpl, bruidsschat, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, Besluit bouwwerken leefomgeving, (technische) bouwactiviteit, bouwtekening, wijziging van ondergeschikte aard, participatie, participatiegids, belangenafweging, stedenbouwkundig oogpunt, sociale controle, geen ongewenste precedentwerking
* Rechtbank Midden-Nederland 11 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4027: Awb; handhaving, dwangsom, (groenblijvende) beplanting, haag, vergunningplicht beplanten houtopstanden, uitleg planregels, letterlijke uitleg, plantoelichting, algemeen spraakgebruik, definitie “kwekerij”, gelijkheidsbeginsel, ongelijke behandeling gelijke gevallen, vergunbaar, geen kosten vergunningverlening, indienen aanvraag
¶ Rechtbank Midden-Nederland 11 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3994: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, invordering, omgevingsplan, bedrijfswoning, noodzakelijkheidscriterium, hoorzitting in bezwaar, niet correct uitgenodigd, passeren gebrek, weggelakte (persoons)gegevens inspecteurs, alle op de zaak betrekking hebbende stukken, ongelakt, geheimhoudingsverzoek, gewichtige redenen, geen verzoek, inspectierapporten, feitelijke waarnemingen, verdedigingsbelang, overtreding, ex tunc, invorderingsbesluiten, legitimeren, tolkentelefoon, erkend en professioneel tolkenbureau, kunstmatige intelligentie
¶ Rechtbank Gelderland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4271: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, nieuwbouw woning en bijgebouw, bouwactiviteit, bruidsschat, omgevingsplan, Wabo, aanleg inrit/buiten reikwijdte procedure, struweelhaag, inrichtingsplan, gebruiken in strijd met omgevingsplan/handhavingskwestie, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, artikel 12.27a Bkl, privacy, aantal sloopmeters, gemeentelijk beleid, beknopte motivering, afwijzing verzoek
* Rechtbank Noord-Nederland 26 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2885: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, realisatie nieuwbouw appartementen, ambtshalve/Chw van toepassing, bekendmaking, indieningsvereisten Chw, instellen hoger beroep, procedureel, geen mededeling, verschoonbaarheid te laat beroep/niet aan de orde, privacy, straat- en bebouwingsbeeld, parkeren, kencijfers CROW 2018, parkeerbehoefte, eigen terrein, bestaand parkeerprobleem, waardevermindering
* Rechtbank Noord-Holland 22 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:9046: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieuneutraal veranderen inrichting, vervangen bestaande opslagtanks, participatie, opslagcapaciteit, geen andere of grotere nadelige gevolgen, transportbewegingen, MER, Besluit mer, welstand, welstandsadvies, geen concrete aanknopingspunten, bouwverordening, Bouwbesluit 2012, Natura 2000, relativiteitsvereiste, gevolgen wonigbouwlocatie
* Rechtbank Rotterdam 15 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7866: BW; bestemmingsplan, woonbestemming, dierenpension en hondenschool, onderzoek mogelijkheid legalisering, handhaving, last onder dwangsom, eiswijziging, schadevergoeding, onrechtmatige daad, begunstigingstermijn steeds verlengd, bevoegdheid tot invordering verjaard, publiekrechtelijk geschil, geen bestuursrechtelijke rechtsgang, waardedaling woning, stelling onvoldoende onderbouwd, beginselplicht tot invordering, geen geluidhindermeldingen, gebreke deugdelijke grondslag/afwijzing vordering
* Rechtbank Midden-Nederland 28 januari 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:4059: Awb; niet tijdig beslissen handhavingsverzoek, beroep gegrond, verzet, twijfel uitkomst, noodzaak zitting, reageren beroepschrift, termijn, verweerschrift, handhavingsbesluit, ontvangen via email, binnen gestelde termijn, verzet gegrond, behandeling op zitting
* Rechtbank Den Haag 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:28022: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, multifunctionele accommodatie, spoedeisend belang, bouw/nog geruime tijd, eventueel tekort parkeerplaatsen, onaanvaardbare parkeersituatie, foto’s huidige parkeersituatie, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9871: BW, Ow; prijsvaststellingsprocedure ex artikel 9.16 Ow, belang gemeente, zelfrealisatie, prijs, geldend bestemmingsplan, tijdelijk deel omgevingsplan, taxatierapport, aanbod tot verwerving, werkelijke waarde, bestemming, ligging, huidige en toekomstige bebouwings- en gebruiksmogelijkheden, peildatum, taxatiemethode, comparatieve methode, residuele methode, vergelijkingstransacties, (proces)kosten
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4252: Awb, Wro; vovo, bpl, appartementen, commerciële ruimten, spoedeisend belang, Wro, Wabo, inwerkingtreding bpl, vernietiging/terugwerkende kracht, Tegelen-jurisprudentie, toepassing afwijkingsbevoegdheid, inwerkingtreding Omgevingswet, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bruidsschat, artikel 22.281, ETFAL, geen rechtstreekse aanspraak, onomkeerbare gevolgen, geen spoedeisend belang, afwijzing verzoek
3.1.Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), was uitgangspunt dat de inwerkingtreding van een bestemmingsplan niet tot onomkeerbare gevolgen leidt. Wanneer een bestemmingsplan in een beroepsprocedure wordt vernietigd, heeft die vernietiging terugwerkende kracht. Het bestemmingsplan wordt dan dus geacht nooit te hebben gegolden.
3.2. De Afdeling heeft hierop een uitzondering aangenomen voor gevallen waarin een bestuursorgaan een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” of de activiteit “uitvoeren van een werk” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Wabo) heeft verleend op basis van dat bestemmingsplan. Het gaat dan om gevallen waarin de aanvrager een rechtstreekse aanspraak had op verlening van die vergunning omdat het bouwplan of het werk op grond van het bestemmingsplan was toegestaan, oftewel om gevallen waarin het bestuursorgaan de gevraagde omgevingsvergunning niet op grond van het bestemmingsplan mocht weigeren. In zo’n geval heeft een latere vernietiging van het bestemmingsplan geen gevolgen voor de verleende vergunning, ook niet als daar nog beroep tegen aanhangig is. De bestuursrechter in beroep en hoger beroep moet in zo’n geval blijven uitgaan van de gelding van het bestemmingsplan ten tijde van het besluit van het bestuursorgaan op de vergunningaanvraag of op een daartegen gemaakt bezwaar. Dit staat bekend als de “Tegelen-jurisprudentie” (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 21 december 1999, ECLI:NL:RVS:1999:AA4296, van 8 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1131 en van 18 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:784). Bij verlening van een dergelijke omgevingsvergunning heeft de inwerkingtreding van een bestemmingsplan in die zin dus onomkeerbare gevolgen. Om deze reden neemt de voorzieningenrechter van de Afdeling in de regel een spoedeisend belang aan bij een verzoek om schorsing van een bestemmingsplan, wanneer er een aanvraag om een dergelijke omgevingsvergunning in overeenstemming met het bestemmingsplan is gedaan.
3.3. De in de Tegelen-jurisprudentie aangenomen uitzondering doet zich niet voor als voor de verlening van een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” of de activiteit “uitvoeren van een werk” ook omgevingsvergunning voor de activiteit “handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening” (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo) nodig is. In die gevallen is het aan het bestuursorgaan om te beoordelen of de afwijking van het bestemmingsplan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, en heeft de aanvrager geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de omgevingsvergunning. Dit doet zich niet alleen voor in gevallen waarin een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o en onder 3o, van de Wabo) aan de orde is, maar ook in gevallen waarin een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1o, van de Wabo) aan de orde is. Heeft een bestuursorgaan een omgevingsvergunning verleend op basis van zo’n afwijkingsbevoegdheid, dan geldt onverkort het uitgangspunt dat een latere vernietiging van een bestemmingsplan terugwerkende kracht heeft. In een beroepsprocedure tegen een dergelijke omgevingsvergunning moet de bestuursrechter er dus van uitgaan dat het vernietigde bestemmingsplan nooit heeft gegolden. Bij verlening van een dergelijke omgevingsvergunning heeft de inwerkingtreding van een bestemmingsplan in die zin dus geen onomkeerbare gevolgen. Om deze reden neemt de voorzieningenrechter van de Afdeling in de regel geen spoedeisend belang aan bij een verzoek om schorsing van een bestemmingsplan, wanneer er een aanvraag om een omgevingsvergunning is gedaan die alleen met toepassing van een afwijkingsbevoegdheid kan worden verleend.
3.4. Het bestemmingsplan dat Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate geschorst willen zien, maakte het door Zinger Noordwijk aangevraagde bouwplan alleen mogelijk met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Zij had en heeft daarmee dus geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de door haar aangevraagde omgevingsvergunning. De aanvraag om deze omgevingsvergunning en de verlening daarvan, zouden de voorzieningenrechter onder de werking van de Wro en de Wabo daarom geen aanleiding hebben gegeven om uit te gaan van onomkeerbare gevolgen en spoedeisendheid bij het verzoek aan te nemen.
3.5. De inwerkingtreding van de Omgevingswet, waardoor het bestemmingsplan deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, brengt hier geen verandering in. Uit artikel 22.10 gelezen in samenhang met artikel 5.21, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet volgt dat de binnenplanse afwijkingsregels uit een bestemmingsplan gelden als beoordelingsregels voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Uit artikel 22.280 van de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de zogenaamde Bruidsschat) volgt, kort gezegd, dat voor zover in een bestemmingsplan, dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, voor een activiteit een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid gold, een verbod geldt om deze zonder omgevingsvergunning te verrichten. Weliswaar volgt uit artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat bij zo’n verbod de omgevingsvergunning moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die daarover in het omgevingsplan zijn gesteld, maar die verplichting geldt niet in situaties als deze. Dat volgt uit artikel 22.281 van de regels van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, waarin is bepaald dat de verplichting in gevallen als bedoeld in artikel 22.280 moet worden gelezen als een bevoegdheid. In dat verband moet het college ook beoordelen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, onder 14). Ook onder de Omgevingswet heeft Zinger Noordwijk dus geen rechtstreekse aanspraak op verlening van de door haar gevraagde omgevingsvergunning. De aanvraag en de verlening van de omgevingsvergunning leiden er dan ook niet toe dat het in werking getreden bestemmingsplan onomkeerbare gevolgen heeft.
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4305: Awb, Mbw; opsporingsvergunning, verlenging geldigheidsduur, belanghebbende, ruimtelijke ordening, toevertrouwd belang, Wabo, natuurbescherming, Wnb, drinkwaterwinning, Wbb, Wm, rechtsgevolg, besluitvormingsketen, actueel belang, ontgrondingenvergunning, vervallen opsporingsvergunning, artikel 6:19 Awb, nieuwe aanvraag (Rb Midden-Nederland 21/4153, 21/4157 en 21/4158)
2.3. Vermilion heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat uit het toetsingskader voor de verlenging van de geldigheidsduur van een opsporingsvergunning niet kan worden afgeleid dat de belangen van Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting rechtstreeks zijn betrokken bij het besluit van 15 maart 2021. Voor de vraag of iemand belanghebbende is bij een besluit moet namelijk worden vastgesteld of hij door dat specifieke besluit rechtstreeks in zijn belangen wordt geraakt. Dat betekent dat moet worden beoordeeld of Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting door het besluit van 15 maart 2021 rechtstreeks in hun belangen worden geraakt.
2.4. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is de ruimtelijke ordening van het grondgebied van een gemeente dan wel een provincie een mede aan het college van burgemeester en wethouders dan wel het college van gedeputeerde staten van die gemeente of provincie toevertrouwd belang in de zin van artikel 1:2, tweede lid, van de Awb. Dit volgt onder meer uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), gelezen in verbinding met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo, zoals die artikelen golden ten tijde van het besluit van 15 maart 2021. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2331), onder 4.2. Voor het college van gedeputeerde staten geldt dat ook de natuurbescherming in zijn provincie een mede aan hem toevertrouwd belang is, gelet op artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming, zoals dat gold ten tijde van het besluit van 15 maart 2021. Ook is hem het belang van drinkwaterwinning toevertrouwd. Op grond van de Wet bodembescherming en de Wet Milieubeheer, zoals die golden ten tijde van het besluit van 15 maart 2021, is het college namelijk verantwoordelijk voor de bescherming van de bronnen waaruit water wordt gewonnen voor de drinkwatervoorziening. Voor de stichting geldt dat uit haar statutaire doelstellingen en de feitelijke werkzaamheden blijkt dat het voorkomen van gaswinning onder Woerden een belang is dat de stichting in het bijzonder behartigt zoals bedoeld in artikel 1:2, derde lid, van de Awb.
2.5. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat genoemde belangen ook een rol spelen bij de beslissing over de verlenging van een opsporingsvergunning. De vraag resteert of de belangen van Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting ook rechtstreeks bij het besluit van 15 maart 2021 zijn betrokken. Met andere woorden: of zij een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang hebben dat rechtstreeks daarbij betrokken is.
2.6. Het rechtsgevolg van het besluit van 15 maart 2021 is dat Vermilion voor een verlengde periode, met uitsluiting van ieder ander, het recht krijgt om koolwaterstoffen op te sporen. Voor het daadwerkelijk boren van een opsporingsput en voor de winning van koolwaterstoffen is nadere besluitvorming vereist. Dat betekent dat het besluit van 15 maart 2021 op zichzelf genomen geen feitelijke gevolgen heeft voor Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting. Dat nadere besluitvorming nodig is, staat echter niet noodzakelijkerwijs in de weg aan het aannemen van belanghebbendheid. Als regel geldt dat bezwaar en beroep tegen een eerder besluit uit de besluitvormingsketen mogelijk moet zijn wanneer zo’n besluit naar zijn strekking leidt tot de mogelijkheid dat iemand door het nadere besluit in zijn belang zal worden geraakt. Anders dan Vermilion betoogt, geldt deze regel niet alleen voor natuurlijke personen en rechtspersonen, maar ook voor bestuursorganen.
2.7. De Afdeling overweegt dat het besluit van 15 maart 2021 naar zijn strekking niet alleen is gericht op het vergaren van kennis over de aanwezigheid van koolwaterstoffen. Het vergaren van die kennis heeft als doel de opsporing en winning van die koolwaterstoffen mogelijk te maken. Omdat de opsporing en winning van koolwaterstoffen feitelijke gevolgen heeft die de belangen van Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting kunnen raken, worden zij ook door het besluit van 15 maart 2021 rechtstreeks in hun belangen geraakt. Anders dan Vermilion betoogt, hebben Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting hiermee een actueel belang. De enkele omstandigheid dat nadere besluitvorming nog moet plaatsvinden, maakt dat niet anders. Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting zijn daarom belanghebbenden bij het besluit van 15 maart 2021. De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de minister de bezwaren van Utrecht en anderen, Zuid-Holland en de stichting ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Wel heeft de rechtbank dat gedeeltelijk op verkeerde gronden gedaan, maar dat leidt niet tot vernietiging van de uitspraken. Het betoog slaagt niet.
9.1. Gelet op artikel 4 van de opsporingsvergunning voor het gebied ‘Utrecht’, zoals die luidde ten tijde van het besluit van 15 maart 2021, gold de opsporingsvergunning tot 24 november 2018. Dat betekent dat de geldigheidsduur van de vergunning was verlopen ten tijde van het besluit van 15 maart 2021. Voor ontgrondingenvergunningen heeft de Afdeling eerder overwogen dat een vervallen vergunning niet kan worden verlengd. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1336), onder 3.2. De Afdeling ziet in het stelsel van de Mijnbouwwet geen aanleiding om te oordelen dat dit anders is voor een vervallen opsporingsvergunning. Ook in de formulering van artikel 4 van de opsporingsvergunning ziet de Afdeling geen aanleiding om in dit geval te oordelen dat de minister, ondanks het verlopen van de geldigheidsduur van de vergunning, nog de bevoegdheid had om die geldigheidsduur te verlengen. De Afdeling merkt nog het volgende op. Voor zover er al een verschil zou zijn tussen het verlopen en het vervallen van een vergunning, staat vast dat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning verlopen is en kan deze niet verlengd worden. Of de vergunning ook vervallen is, is daarom niet relevant. Omdat de minister ten tijde van het besluit van 15 maart 2021 niet langer bevoegd was om de opsporingsvergunning te verlengen, kon de minister niet toekomen aan een belangenafweging. Dat betekent dat de minister ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel de vergunning kon verlengen. De minister heeft het besluit van 15 maart 2021 terecht herroepen en de aanvraag van Vermilion om verlenging van de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning terecht alsnog afgewezen. Het betoog slaagt niet.
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4290: Awb, Wabo; handhaving, bestuursdwang, meldingen overlast en schade, bouwwerkzaamheden/zonder omgevingsvergunning, vervangen garagevloer, heipalen, vergunningplicht, vergunningvrij, artikel 3 bijlage II Bor, bijbehorend bouwwerk, bestemming, functieaanduiding, begripsbepalingen Bor/planregels, noodzakelijk verwezenlijk bestemming, hoofdgebouw, draagconstructie, constructieve elementen, proportionaliteit bouwstop, financiële gevolgen, herhaald en ingelast, onjuist, gemotiveerde bespreking rechtbank (Rb Den Haag 21/6495)
3.4. De Afdeling overweegt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat voor de uitleg van hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk in de zin van het Bor niet naar de begripsbepalingen uit de planregels moet worden gekeken, maar alleen naar de begripsbepalingen uit het Bor. Voor het bepalen van het hoofdgebouw is niet van belang welk bouwwerk op het perceel een grotere omvang heeft, maar is van belang welk gebouw noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming en, als er meerdere gebouwen aanwezig zijn, welke het belangrijkst is. Uit artikel 1.47 van de planregels volgt dat een garagebedrijf een inrichting is waarin of van waaruit werkzaamheden plaatsvinden. Dit maakt dat de garage noodzakelijk is om de op het perceel rustende bestemming te verwezenlijken, waardoor de garage een hoofdgebouw is. Verder volgt uit de begripsbepalingen niet dat het relevant is welk gebouw als eerst op het perceel stond. Hierdoor is het feit dat het gedeelte van de garage aan de straatkant eerder gebouwd is ook niet van belang bij de vraag of de garage aan de achterkant van het perceel een hoofdgebouw is. Dit betekent dat de rechtbank wel terecht tot de conclusie is gekomen dat de garage een hoofdgebouw is. De bouwwerkzaamheden zijn dus niet vergunningvrij op grond van artikel 3, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II van het Bor. Het betoog slaagt niet.
4.2. De Afdeling overweegt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vloer niet als een zelfstandig bouwwerk kan worden aangemerkt. De betonnen vloer moet in samenhang met het garagegebouw worden gezien. Omdat de betonnen vloer niet los van het garagegebouw mag worden gezien, heeft de rechtbank ook niet onderkend dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een wijziging van de draagconstructie, het relevant is of de draagconstructie van het gebouw wordt gewijzigd. Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2018, waar Javis naar verwijst, volgt dat voor het bepalen of er sprake is van een wijziging van de draagconstructie relevant is welke constructieve elementen het gebouw zelf mede dragen. Dit betekent dat niet moet worden gekeken naar welke constructieve elementen de betonnen vloer dragen, maar welke constructieve elementen het garagegebouw dragen. De vloer van de garage lag voor aanvang van de bouwwerkzaamheden op zand en was alleen afgewerkt tegen de wanden van het garagegebouw. De vloer maakte toen dus geen onderdeel uit van de draagconstructie van het garagegebouw. In de huidige situatie dragen de heipalen alleen de betonnen vloer. De betonnen vloer is net als voorheen slechts afgewerkt tegen de wanden van het garagegebouw. Dit betekent dat ook in de huidige situatie de betonnen vloer met heipalen geen onderdeel uitmaakt van de draagconstructie van het garagegebouw. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat er sprake was van een verandering van de draagconstructie als bedoeld in artikel 3, aanhef en onderdeel 8, van bijlage II van het Bor. Het betoog slaagt.
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4288: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, aanleggen bussluis, motorvoertuigen/uitgezonderd lijnbussen, uov niet wettelijk voorgeschreven, na vernietiging, verkeersintensiteiten, bestemmingsverkeer, nieuw primair verkeersbesluit, herstel- of wijzigingsbesluit, herhaalde aanwending dezelfde bevoegdheid, grondslag en reikwijdte eerste besluitvorming, artikel 6:19/openbare orde, fysieke maatregel, bestaande situatie, beroep van rechtswege, dezelfde rechtsgang, effectieve geschillenbeslechting, niet-ontvankelijk, significante afname doorgaand (sluip)verkeer, voor- nadelen (Rb Amsterdam 23/1656)
12.1. Anders dan het college stelt, strekt het besluit van 11 november 2025 wél tot vervanging dan wel wijziging van het besluit van 31 januari 2023, na vernietiging daarvan door de rechtbank, omdat het is genomen met herhaalde aanwending van dezelfde bevoegdheid door het zelfde bestuursorgaan en op dezelfde feitelijke grondslag, waarbij is gebleven binnen de grondslag en reikwijdte van de eerste besluitvorming. Het door het college hangende het hoger beroep genomen besluit van 11 november 2025 is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24, van de Awb. Artikel 6:19 van de Awb is een bepaling van openbare orde, waaraan de Afdeling ambtshalve toetst. De Afdeling stelt vast dat het college de bezwaren tegen het besluit van 11 november 2025 niet overeenkomstig die bepaling heeft doorgezonden aan haar, dat het college zich ten onrechte bevoegd heeft geacht bezwaren tegen dat besluit in behandeling te nemen en dat het zich ten onrechte bevoegd heeft geacht een beslissing op deze bezwaren te nemen (uitspraak van 7 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4100, onder 3). Daarom vernietigt de Afdeling de besluiten van 25 maart 2026.
16. [partij C], [[partij F], [partij G], [partij E], [partij H], [partij I], [partij J] en [partij D] ([partij C] en anderen) hebben niet als partij deelgenomen aan het geding tegen het oorspronkelijke besluit, zodat voor hen geen beroep van rechtswege is ontstaan. Zij hebben reëel bezwaar gemaakt tegen het vervangingsbesluit. De ratio van de regeling van artikel 6:19 van de Awb is dat tegen het oorspronkelijke besluit en het hangende de procedure afgekomen vervangingsbesluit dezelfde rechtsgang openstaat. Dit bevordert een effectieve geschillenbeslechting. Daarom wordt het bezwaar van [partij C] en anderen aangemerkt als een beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling wordt, in het geval dat na vernietiging van een besluit door de rechter een vervangend besluit nieuw besluit wordt genomen, aan iemand die voor het eerst opkomt tegen het nieuwe besluit in beginsel tegengeworpen dat hij geen beroep heeft ingesteld tegen het vernietigde besluit. Door geen beroep in te stellen tegen dat besluit, wordt hij geacht daarin te hebben berust. Gelet op het belang van efficiënte geschilbeslechting, alsmede de rechtszekerheid van andere partijen, kan hij alleen beroep instellen tegen het nieuwe besluit als hij daardoor in een nadeligere positie is geraakt ten opzichte van het vernietigde besluit of als aan het nieuwe besluit gewijzigde feiten of omstandigheden ten grondslag liggen waardoor hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet is opgekomen tegen het vernietigde besluit. Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 15 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:121. (…)
¶ ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4286: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, strijd bpl, verhuur kamers, bedrijfsruimte, gelijkheidsbeginsel, capaciteitsgebrek, prioriteit, geen goede verklaring gegeven, verlengen begunstigingstermijn rechtbank, voorzieningenrechter Afdeling, overtreding/niet in geschil, handhavingsbesluiten, maatstaf Harderwijk-uitspraak, aanvullen of verduidelijken motivering, (belangen)afweging, lengte begunstigingstermijn, zelf in de zaak voorzien, dezelfde handelwijze, nieuwe begunstigingstermijn (Rb Oost-Brabant 24/4038)
4.1. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het verschil in handelwijze ten aanzien van [appellant] en ten aanzien van soortgelijke gevallen onvoldoende heeft gemotiveerd. Het lag daarmee op de weg van het college om de motivering van het besluit aan te vullen of te verduidelijken. Daarbij had dan het college met een toereikende motivering een nadere (belangen)afweging moeten maken over de vraag of van handhavend optreden moet worden afgezien, en zo nee, over de lengte van de begunstigingstermijn. Gelet hierop bestond geen aanleiding voor de rechtbank om zelf in de zaak te voorzien door een begunstigingstermijn tot 1 januari 2026 te bepalen. Het primaire betoog slaagt.
* ABRvS 22 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4303: Awb, Wabo; niet tijdig bekendmaken omgevingsvergunning, (al dan niet) van rechtswege, sport- en speeltoestellen, survivalrunbaan, plantoelichting, tekst planregel niet onduidelijk, intensief gebruik, recreatief medegebruik, extensief recreatief medegebruik, specifiek beslag ruimte, kruimelgevallenregeling, weigering aanvraag omgevingsvergunning, provinciale verordening, NNB, exceptieve toetsing, Barro, ondergrens (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3464)
5.1. De rechtbank heeft allereerst bij haar oordeel over de vraag of het gebruik van de survivalrunbaan voldoet aan artikel 1, onder e1, van de planregels ten onrechte de plantoelichting betrokken in haar oordeel. De rechtbank heeft namelijk de natuur- en landschapsbeleving vooropgesteld bij de vraag of het gebruik als extensief recreatief medegebruik kan worden aangemerkt. Deze natuur- en landschapsbeleving wordt echter alleen in de toelichting van het bestemmingsplan genoemd. Aan de toelichting komt pas betekenis toe, als die planregel op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels. Omdat niet is gebleken dat de tekst van artikel 1, onder e1, van de planregels onduidelijk is, is er geen reden om aan de hand van de niet-juridisch bindende toelichting van het bestemmingsplan uitleg te geven aan de definitie van extensief recreatief medegebruik. De stichting heeft dit dan ook terecht aangevoerd.
5.2. Dit leidt alleen niet tot een vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht tot de conclusie gekomen dat de survivalrunbaan moet worden aangemerkt als intensief gebruik van de gronden en dus niet in overeenstemming is met het bestemmingsplan “Buitengebied Teteringen”. Het bosperceel is namelijk in zijn geheel omheind en afgesloten waardoor alleen donateurs van de stichting gebruik kunnen maken van het bosperceel en de survivalrunbaan. Door dit exclusieve gebruik is het gebruik van de survivalrunbaan alleen al hierom geen recreatief medegebruik. Het feit dat het gehele bosperceel is omheind en niet alleen de survivalrunbaan maakt dit niet anders. De survivalrunbaan is namelijk door de omheining nog steeds niet toegankelijk voor derden. Gelet op het voorgaande moet het gebruik van de survivalrunbaan dan ook worden aangemerkt als intensief gebruik van de gronden van het bosperceel.
10.3. Artikel 3.18 van de IOV is ten eerste niet in strijd is met artikel 2.10.4 van het Barro. Hoewel de drempel voor het mogelijk maken van activiteiten in het NNB op grond van artikel 3.18 van de IOV hoger ligt dan artikel 2.10.4 van het Barro vereist, betekent dit nog niet dat artikel 3.18 van de IOV daarom in strijd is met het Barro. Uit het Barro en de toelichting daarop blijkt namelijk niet dat strengere natuurbeschermingsregels niet zijn toegestaan; het Barro geldt daarom als ondergrens. De lokale wetgevers hebben de ruimte om strengere eisen op te nemen in de provinciale verordeningen en bestemmingsplannen.
¶ Rechtbank Oost-Brabant 22 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:5191: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit en technische bouwactiviteit, plaatsen en in gebruik nemen tijdelijk modulair schoolgebouw, spoedeisend belang, alternatieven, bruidsschat, stemgeluid, woon- en leefklimaat, binnenniveau, geluidwering, parkeren, parkeerdrukmeting, maatgevende momoment, adviessnelheid, parkeerruimte, groen, uitvoeringsaspecten, evenredigheid, belangenafweging, afwijzing verzoek
9.1. De voorzieningenrechter overweegt dat het college terecht heeft gesteld dat het stemgeluid op grond van artikel 22.70 van de Bruidsschat van de kinderen op het (speel)terrein mag worden uitgesloten van toetsing aan geluidsnormen, maar dit laat onverlet dat bij de verlening van een omgevingsvergunning het stemgeluid wel moet worden meegenomen in de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het is aan het college om daarbij te beoordelen of het bouwplan tot een zodanige verslechtering van de geluidssituatie leidt dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden. Volgens het college is van een zodanige verslechtering geen sprake omdat het gaat om een tijdelijke en beperkte geluidsbelasting gaat. In het eerste jaar gaat om het om circa 18 leerlingen, welke hoeveelheid gestaag zal oplopen.
* Rechtbank Den Haag 22 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19667: BW; voorlopig voorkeursrecht gevestigd, nietig verklaren koopovereenkomst en andere rechtshandelingen, draf- en renbaan, Omgevingswet, vereisten artikel 9.9, artikel 1 EP EVRM, vervreemding, beschikkingsmacht
5.12. Op grond van artikel 9.22, eerste lid, Ow kan een gemeente de nietigheid inroepen van rechtshandelingen die zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan een op haar naam gevestigd voorkeursrecht. Bij de uitleg van deze bepaling sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak die is ontwikkeld ten aanzien van het gelijkluidende artikel 26 van de Wet voorkeursrecht gemeenten, dat vóór 1 januari 2024 gold.
5.13. Hoofdstuk 9 van de Ow verschaft de overheid een instrument om vergaande beperkingen op te leggen aan het eigendomsrecht van grondeigenaren, meer in het bijzonder de aan het eigendomsrecht verbonden beschikkingsmacht.
5.14. Artikel 1, eerste lid, van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bepaalt: ‘Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.’
5.15. Vanwege het eigendomsbeperkende karakter van het voorkeursrecht dient de daaraan ten grondslag liggende regeling, mede in het licht van het Eerste Protocol, restrictief te worden uitgelegd.
5.16. Niet alle rechtshandelingen die de eigenaar verricht met betrekking tot een onroerende zaak waarop de gemeente een in de Ow geregelde voorkeurspositie heeft geven grond voor nietigverklaring op grond van artikel 9.22, eerste lid, Ow. Op grond van die bepaling moet namelijk worden beoordeeld of de betreffende rechtshandelingen zijn verricht met de kennelijke strekking afbreuk te doen aan de in de Ow geregelde voorkeurspositie van de gemeente. Het gaat daarbij om rechtshandelingen die zodanig zijn opgezet dat geen vervreemding plaatsvindt gedurende het bestaan van het voorkeursrecht, maar wel de beschikkingsmacht over en het economisch belang bij de grond in enigerlei mate wordt overgedragen aan een of meer (rechts)personen. Naast op zichzelf staande rechtshandelingen kan ook een samenstel van rechtshandelingen nietig worden verklaard.
* Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1303: Onteigeningswet; onteigeningsrecht, aanleg weg, Eindhoven Airport, werkelijke waarde onteigende, peildatum/geldende bpl, tegemoetkoming in planschade, volledige schadeloosstelling, peilmoment, financieel opzicht/nadeel noch voordeel, eliminatieregel, juridisch-planologische grondslag, plannen/algemeen karakter, uitzonderingskarakter, planschade, onteigeningsgeding, egalisatieregel, artikel 6.1 Wro (oud), ruimtelijk ordeningsrecht, benuttingsperiode, minnelijke verwerving, vergunningaanvraag
3.2.1 Bij de beoordeling van de hiervoor in 3.1 weergegeven klachten dient het volgende tot uitgangspunt. Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:777, rov. 3.2.1- 3.2.4 De onteigende heeft recht op volledige schadeloosstelling, te begroten naar het peilmoment van art. 40a (oud) Ow, veelal – en ook in deze zaak – het moment dat het vervroegde onteigeningsvonnis wordt ingeschreven. Daarbij is de werkelijke waarde van het onteigende bepalend, te stellen op de prijs tot stand gekomen bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper (art. 40b lid 2 (oud) Ow). De onteigening behoort voor de onteigende partij in financieel opzicht nadeel noch voordeel mee te brengen. Zie ook HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:458, rov. 3.1.2 en HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, rov. 4.2. Bij het bepalen van de in art. 40b lid 2 (oud) Ow bedoelde koopprijs is uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de exploitatie die het geldende bestemmingsplan op het onteigende toelaat. Op grond van art. 40c (oud) Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling geen rekening gehouden met voordelen of nadelen teweeggebracht door (1) het werk waarvoor onteigend wordt, (2) overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt en (3) de plannen voor de werken onder 1 en 2 bedoeld. Deze zogenoemde ‘eliminatieregel’ brengt onder meer mee dat de waardevermeerderende of waardeverminderende invloed van een bestemmingsplan bij de vaststelling van de werkelijke waarde van het onteigende buiten beschouwing moet blijven, voor zover de in het bestemmingsplan aan het onteigende gegeven bestemming door niets anders is bepaald dan een ten tijde van de vaststelling van dat bestemmingsplan al bestaand concreet plan voor een werk ter plaatse van in elk geval het onteigende, en het bestemmingsplan in zoverre dan ook slechts is vastgesteld teneinde daarmee de juridisch-planologische onderbouwing en regeling te geven om de beoogde aanleg van het werk waarvoor onteigend wordt mogelijk te maken. Dit betekent dat voor eliminatie alleen plaats is indien de plannen voor het werk waarvoor wordt onteigend, concreet zijn op het moment waarop de juridisch-planologische grondslag wordt bepaald. Plannen met een algemeen karakter die nog nader moeten worden uitgewerkt zijn dat niet. Zie voor een en ander o.a. ook HR 15 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:68, rov. 3.3.3-3.3.4. Gezien het uitzonderingskarakter van art. 40c (oud) Ow moet deze bepaling terughoudend worden toegepast. Zie ook HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1506, rov. 3.4.3. Toegesneden op het onderhavige geval is een plan concreet indien het de aanleg van de nieuwe verbindingsweg tussen de [a-straat] en de [b-straat]/[c-straat] op het onteigende perceelsgedeelte behelst. Vgl. HR 26 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:777, rov. 3.2.5.
3.2.2 In het licht van hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, geeft het oordeel van de rechtbank dat het huidige bestemmingsplan niet moet worden geëlimineerd, ofwel blijk van een onjuiste rechtsopvatting, ofwel is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd. (…) Zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.2.1 is overwogen, is voor de beantwoording van de vraag of een plan voldoende concreet is voor toepassing van de eliminatieregel, het plan ter plaatse van het onteigende bepalend, met dien verstande dat als een te maken keuze tussen varianten van het plan elders tot gevolg kan hebben dat ook het plan ter plaatse van het onteigende wordt gewijzigd, dit kan betekenen dat het plan ook ter plaatse van het onteigende niet voldoende concreet is. (…)
3.4.1 Op grond van art. 40e (oud) Ow kan planschade in het onteigeningsgeding voor vergoeding in aanmerking komen. Dat is het geval indien, kort gezegd, de waardedaling van het onteigende perceel als gevolg van een wijziging van de bestemming (ook na toepassing van de zogenoemde egalisatieregel van art. 40d (oud) Ow) redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de onteigende behoort te blijven. Aan deze aanvullende aanspraak op grond van art. 40e (oud) Ow wordt logischerwijs niet toegekomen als eliminatie van een bestemming plaatsvindt op grond van de eliminatieregel van art. 40c (oud) Ow. HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, rov. 4.3. Als uitgangspunt geldt dat de (beperkende) criteria die gelden bij de vergoeding van planschade buiten het onteigeningsgeding op de voet van art. 6.1 Wro (oud), ook gelden bij de vergoeding van planschade in het onteigeningsgeding op de voet van art. 40e (oud) Ow. Onder omstandigheden kan de bijzondere context van het onteigeningsrecht nopen tot een uitzondering op dit uitgangspunt. HR 26 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:85, rov. 4.5.
3.4.2 Het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is voor afwijking van de maatstaven die gelden in het ruimtelijk ordeningsrecht voor vergoeding van planschade is zonder nadere motivering niet begrijpelijk, omdat de rechtbank geen kenbare aandacht heeft besteed aan de vraag of van [onteigende] kon worden verlangd dat hij, mede in aanmerking genomen dat tijdens de zogenoemde benuttingsperiode de Gemeente met hem gesprekken was gestart over minnelijke verwerving van (een deel van) zijn grond voor de aanleg van de verbindingsweg, het vooruitzicht van onteigening negeerde en bij de Gemeente een vergunningaanvraag zou indienen voor een met die weg onverenigbaar bouwwerk, met geen ander doel dan het behoud van zijn aanspraak op vergoeding van planschade. De door de rechtbank genoemde omstandigheid dat [onteigende] tegen het einde van de benuttingsperiode nog wel een vergunningaanvraag heeft gedaan en deze tot niets heeft geleid door een fout in de tekening, is geen toereikende motivering voor bevestigende beantwoording van de hiervoor genoemde vraag. Als van [onteigende] niet verlangd kon worden dat hij een vergunningaanvraag indiende, kan de omstandigheid dat hij een aanvraag heeft ingediend die als gevolg van een fout tot niets heeft geleid, niet zonder meer reden zijn om aan te nemen dat er geen grond is voor een tegemoetkoming in planschade. De hiervoor in 3.3 weergegeven klachten slagen daarom.
¶ Rechtbank Den Haag 14 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19381: Awb, Ow; vovo, afwijzing verzoek preventief handhavend optreden, opvang alleenstaande minderjarige vreemdelingen, omgevingsplan, omgevingsplanactiviteit, begrip “wonen” niet gedefinieerd, plansystematiek, toelichting, planwetgever, algemeen spraakgebruik, nagenoeg zelfstandige bewoning, geen klaarblijkelijk dreigende schending bpl, algemene zorgplicht, wetsgeschiedenis, vangnetfunctie, activiteit met aanzienlijk nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, memorie van toelichting, onmiskenbaar, zonder nader onderzoek, afwijzing verzoek
10.1. Vooropgesteld wordt dat het door verzoekers ingeroepen artikel 1.7a van de Omgevingswet geen zorgplicht bevat, maar een verbodsbepaling. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat artikel 1.7a een vangnetfunctie heeft en een strafrechtelijk handhaafbaar verbod bevat om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Daarbij kan gedacht worden aan aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water (Kamerstukken II, 2017/18, nr. 3, blz. 131-132). Nog daargelaten dat verzoekers artikel 1.7a van de Omgevingswet niet aan hun verzoek om handhaving ten grondslag hebben gelegd maar hier eerst in hun aanvullende bezwaarschrift op hebben gewezen, kan de beoogde ingebruikname van het pand naar voorlopig oordeel niet worden beschouwd als een activiteit met aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving in de zin van deze bepaling.
10.2. Ten aanzien van de algemene zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet dat deze zorgplichten voortbouwen op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, blz. 67). Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat handhavend optreden op grond van dergelijke zorgplichten in beginsel slechts aan de orde kwam bij handelen of nalaten dat onmiskenbaar met de zorgplicht in strijd was (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5756). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak niet zou gelden ten aanzien van de algemene zorgplichten die zijn opgenomen in de Omgevingswet. Nog afgezien van de vraag of artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet er in dit geval niet aan in de weg staat om aan te nemen dat sprake is van een schending van een algemene zorgplicht, is naar voorlopig oordeel in ieder geval geen sprake van een (klaarblijkelijk dreigende) onmiskenbare schending van een algemene zorgplicht. Daarvan is immers pas sprake als zonder nader onderzoek evident is dat wordt gehandeld in strijd met een algemene zorgplicht. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat onder omwonenden van het pand zorgen en gevoelens van onbehagen en onveiligheid leven over de situatie die na ingebruikname van het pand zal ontstaan, is hiervoor onvoldoende. Het betoog slaagt niet.
¶ Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5530: Awb, Ow; handhaving, invordering, centrale, Besluit activiteiten leefomgeving, metingen, emissiereductietechnieken, bezwaren/gericht tegen lod, bijzondere omstandigheden, uitgaan rechtmatigheid lod, Selectieve Katalytische Reductie, volledige tijdseenheid, niet in bedrijf, beginselplicht tot invordering, bijzondere omstandigheid, ammoniakuitstoot, actieve SCR-dosering, aanzienlijke vermindering stikstofoxiden emissies
4.2. De beroepsgrond slaagt gedeeltelijk. De rechtbank stelt vast dat het college de dwangsom heeft vastgesteld op een bedrag per week waarin de overtreding voortduurt. Uit het invorderingsbesluit blijkt dat het college de dwangsommen heeft ingevorderd omdat de emissiereducerende technieken op 26 en 30 april 2024 niet continu in bedrijf zijn geweest en omdat de SCR van ketel 5 gedurende de maand april 2024 niet in bedrijf is geweest. De rechtbank overweegt dat wanneer een last onder dwangsom is opgelegd om een bestaande illegale situatie te beëindigen en de dwangsom is vastgesteld per tijdseenheid waarin de overtreding voortduurt, een dwangsom pas wordt verbeurd als de illegale situatie na afloop van de begunstigingstermijn gedurende die volledige tijdseenheid heeft voortgeduurd. De wet biedt namelijk ook de mogelijkheid om een dwangsom ineens of een dwangsom per overtreding op te leggen. Daarom kan een dwangsom die is gekoppeld aan een bepaalde tijdseenheid niet zo worden uitgelegd dat deze al wordt verbeurd wanneer de last slechts op één moment binnen die tijdseenheid wordt overtreden (ECLI:NL:RVS:2013:1829 en ECLI:NL:HR:2011:BQ5076). In dit geval is gekozen voor een tijdseenheid van één week. Uit de constatering dat de emissiereductietechnieken op 26 en 30 april 2024 niet in bedrijf waren, blijkt niet dat deze gedurende één of zelfs twéé volle weken niet in bedrijf zijn geweest. Daarom zijn voor die overtredingen geen dwangsommen verbeurd. Het valt immers niet uit te sluiten dat de emissiereducerende technieken alleen op die dagen niet in bedrijf waren en gedurende de rest van de week wel aan stonden.
7.2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om van invordering af te zien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De toezichthouder van het college heeft ter zitting bevestigd dat eiseres terecht heeft gesteld dat de toegestane ammoniakuitstoot wordt overschreden wanneer de SCR-installatie continu in bedrijf is. Eiseres heeft daarnaast toegelicht dat de huidige bedrijfsvoering met het college is afgestemd en door het college is beoordeeld. Sindsdien heeft deze bedrijfsvoering niet geleid tot aanvullende handhavingsmaatregelen. Het college heeft dit niet betwist. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook het college het onwenselijk vindt dat de SCR-installatie continu in bedrijf is. Tegelijkertijd wordt van eiseres op grond van de opgelegde last onder dwangsom verlangd dat de SCR-installatie juist wel continu in bedrijf is. Dat staat haaks op de afspraak met de toezichthouder dat de installatie buiten bedrijf blijft om overschrijding van de toegestane ammoniakuitstoot te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor sprake van een tegenstrijdige situatie. Dat vormt een bijzondere omstandigheid die voor het college aanleiding had moeten geven om van invordering af te zien. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiseres heeft toegelicht dat het uitschakelen van de actieve SCR-dosering niet betekent dat er geen emissiereducerende technieken meer aanwezig of in werking waren. Het SNCR-systeem bleef gedurende de relevante periode volledig operationeel en zorgde nog steeds voor een aanzienlijke vermindering van de stikstofoxiden emissies. Het betoog slaagt.
¶ Rechtbank Gelderland 13 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:5518: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, Hinderwetvergunning, meldingen, Activiteitenbesluit milieubeheer, Besluit activiteiten leefomgeving, voorschrift, redelijke uitleg, vergunning van rechtswege vervallen, algemene regels, omgevingsplan, emissiepunten, controlerapport toezichthouder, intrekkingsverzoek, ander juridisch kader, preventief handhavend optreden, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk, geen omgevingsvergunning aangevraagd, wijzigingsplan/geschorst
5.5. Anders dan de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat de Hinderwetvergunning reeds is vervallen en de activiteiten op het perceel zijn toegestaan op basis van en gereguleerd door algemene regels. Vanaf het moment dat de inrichting van de derde-partij een type B inrichting is geworden, zijn namelijk de algemene regels gaan gelden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:491, r.o. 5.1. Blijkens de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) brengt een redelijke uitleg van de (inmiddels vervallen) artikelen 8.1 en 8.40 van de Wet milieubeheer mee dat, ondanks het ontbreken van een expliciete wettelijke grondslag, een vergunning van rechtswege is vervallen nadat het Activiteitenbesluit op de inrichting van toepassing wordt en op grond van het Activiteitenbesluit de inrichting niet meer vergunningplichtig is. In een dergelijk geval staat vast dat aan de vergunning – afgezien van het mogelijk tijdelijk doorwerken als nadere eis of maatwerkvoorschrift van onderdelen daarvan – geen betekenis meer zal toekomen (uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG1831, r.o. 2.1.2).
7.3. De rechtbank is van oordeel dat het college het verzoek van eisers niet hoefde te kwalificeren als een intrekkingsverzoek. Eisers verzoeken het college immers om een handhavingstraject te starten vanwege overtredingen. Weliswaar is de mogelijkheid van intrekking van vergunningen als voorbeeld genoemd in de laatste zinnen van het handhavingsverzoek, maar dit is geen vorm van handhaving. Immers, als er een overtreding wordt geconstateerd, leidt het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom in het handhavingsbesluit ertoe dat de overtreding feitelijk wordt opgeheven. Het intrekken van een vergunning leidt niet tot het opheffen van een overtreding. Daarbij geldt voor intrekken van vergunningen ook een ander juridisch kader dan voor het beoordelen van een handhavingsverzoek. (…)
* HvJEU 9 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:558: Richtlijn 2001/42/EG; Prejudiciële verwijzing; nationale regeling, uitbating parkings, geen regels ligging en maximumaantal, milieubeoordeling, hoog milieubeschermingsniveau, plannen en programma’s, regionale instantie, voorgeschreven, rechtsgrondslag, geen verplichting, planmatige of programmatische dimensie, letterlijke uitlegging, bepaalde materiële inhoud, totstandkomingsgeschiedenis, sectoren, sectoren, ruimtelijke ordening of grondgebruik, kader voor toekomstige vergunningen, groot pakket aan criteria en modaliteiten, milieueffecten, beginsel van loyale samenwerking, rechtsvacuüm, individuele vergunningen
27 Gelet op de twijfels van de verwijzende rechter en in tegenstelling tot het standpunt dat de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen verdedigt, moet hieraan worden toegevoegd dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 niet aldus kan worden uitgelegd dat, om onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van die bepaling te vallen, een handeling tevens een planmatige of programmatische dimensie moet hebben.
28 De Belgische regering baseert zich in dit verband op een uitlegging van het begrip „plannen en programma’s” volgens welke een handeling, om onder dat begrip te vallen, bepalingen inzake ruimtelijke ordening moet bevatten waarin het in een gebied toegestane gebruik van de betrokken infrastructuur wordt vastgesteld.
29 Dienaangaande moet worden vastgesteld dat artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42, gelet op de bewoordingen ervan, het begrip „plannen en programma’s” uitsluitend definieert onder verwijzing naar twee factoren, namelijk de autoriteit waarvan het betrokken besluit afkomstig is en de rechtsgrondslag op basis waarvan het is vastgesteld.
30 Gelet op de bewoordingen van deze bepaling gaat het hierbij om uitputtende factoren.
31 Deze letterlijke uitlegging van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 wordt bevestigd door de context ervan en door de opzet van die richtlijn. Dienaangaande zij eraan herinnerd dat artikel 3 van die richtlijn bepaalt in welke omstandigheden een plan of programma in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 moet worden onderworpen aan een milieubeoordeling krachtens deze richtlijn.
32 Wat in dit verband lid 2, onder a), van dat artikel 3 betreft, moet worden opgemerkt dat in deze bepaling de sectoren worden opgesomd waarvoor de plannen of programma’s worden opgesteld, waaronder de sector van ruimtelijke ordening of grondgebruik, en wordt bepaald dat deze plannen of programma’s het kader moeten vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten.
33 Hoewel artikel 2 van richtlijn 2001/42 bepaalde formele voorwaarden stelt opdat een maatregel onder de werkingssfeer van deze richtlijn valt, stelt artikel 3 daarvan dus vast onder welke materiële voorwaarden die maatregel aan een milieubeoordeling moet worden onderworpen.
34 Deze bepaling zou worden uitgehold indien het begrip „plannen en programma’s” in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus zou moeten worden uitgelegd dat een handeling, om onder dat begrip te vallen, een bepaalde materiële inhoud moet hebben, zoals met name een planmatige of programmatische dimensie in verband met de ruimtelijke ordening.
35 Deze uitlegging vindt ook steun in de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42, zoals blijkt uit de punten 37 tot en met 41 van de conclusie van de advocaat‑generaal.
36 Die uitlegging dringt zich des te meer op omdat een dergelijke aanvullende voorwaarde, door de werkingssfeer van deze richtlijn te beperken, in strijd zou zijn met het beginsel dat, overeenkomstig de in punt 21 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, de bepalingen van deze richtlijn die de werkingssfeer ervan afbakenen, en met name die welke de definities van de eronder vallende handelingen bevatten, ruim moeten worden uitgelegd.
37 Wat voorts het algemene karakter van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde handeling betreft, zij eraan herinnerd dat het algemene karakter van een maatregel er niet aan in de weg staat dat deze wordt gekwalificeerd als plan of programma in de zin van artikel 2, onder a), van richtlijn 2001/42. Hoewel uit de bewoordingen van deze bepaling volgt dat het begrip „plannen en programma’s” betrekking kan hebben op normatieve handelingen die bij wet of bestuursrechtelijke maatregel zijn vastgesteld, bevat deze richtlijn immers juist geen bijzondere bepalingen inzake beleid of algemene regelingen, die een afbakening ten opzichte van plannen en programma’s in de zin van deze richtlijn zouden vereisen (zie in die zin arresten van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., C‑290/15, EU:C:2016:816, punten 52 en 53, en 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C‑300/20, EU:C:2022:102, punt 41).
38 Wat de twee in artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 opgenomen voorwaarden betreft, waaraan is herinnerd in punt 22 van het onderhavige arrest, moet worden opgemerkt dat aan de eerste van deze voorwaarden, volgens welke plannen en programma’s moeten zijn „voorbereid met betrekking tot” de in deze bepaling genoemde sectoren, is voldaan wanneer het betrokken plan of programma „betrekking heeft” of „ziet op” een van deze sectoren (zie in die zin arresten van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., C‑290/15, EU:C:2016:816, punt 44, en 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C‑300/20, EU:C:2022:102, punt 49).
39 Dienaangaande moet worden verduidelijkt dat het voor de vervulling van deze voorwaarde volstaat dat het betrokken plan of programma tot een van die sectoren behoort. Tot deze sectoren behoren onder meer die van vervoer en die van ruimtelijke ordening of grondgebruik.
40 Wat de uitlegging van deze begrippen betreft, moet ten eerste worden opgemerkt dat het Hof in zijn arrest van 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern (C‑300/20, EU:C:2022:102) een ruime opvatting van de vervoersector heeft gehanteerd door te oordelen dat de in de zaak die tot dat arrest heeft geleid aan de orde zijnde regeling – voor zover deze een vergunning vereiste voor het, met welk type motorvoertuig dan ook, rijden buiten de openbare straten, wegen en terreinen of het aldaar stallen van dergelijke motorvoertuigen – regels bevatte met betrekking tot activiteiten die vallen onder de vervoersector.
41 Individueel personenvervoer is in de praktijk niet denkbaar zonder parkeerplaatsen, zodat deze – als voor het vervoer noodzakelijke infrastructuur – onder de vervoersector vallen. Tegen deze achtergrond kan worden aangenomen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde maatregel, voor zover deze voorziet in specifieke uitbatingsvoorwaarden voor parkings, regels bevat die betrekking hebben op activiteiten die onder meer vallen onder de vervoersector.
42 Ten tweede moet worden geoordeeld dat het begrip „ruimtelijke ordening of grondgebruik”, zoals blijkt uit de punten 63 tot en met 65 van de conclusie van de advocaat‑generaal, veronderstelt dat er sprake is van een bepaling met gevolgen voor het gebruik van grondgebied.
43 In casu lijkt, onder voorbehoud van de beoordelingen die uitsluitend aan de verwijzende rechter toekomen, het besluit van 25 februari 2021 regels te bevatten met betrekking tot, op zijn minst, de vervoersector, zodat aan de eerste voorwaarde van artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 lijkt te zijn voldaan.
44 Wat de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 betreft, volgt uit deze bepaling dat aan die voorwaarde is voldaan wanneer, ten eerste, de betrokken plannen of programma’s het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten en, ten tweede, deze projecten worden genoemd in de bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92 (arrest van 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C‑300/20, EU:C:2022:102, punt 55).
45 Wat ten eerste de vraag betreft of een handeling zoals het besluit van 25 februari 2021 betrekking heeft op een van de in de bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten, moet worden opgemerkt dat punt 10, onder b), van bijlage II bij deze richtlijn ziet op „[s]tadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen”.
46 Wat ten tweede de vraag betreft of een dergelijk besluit het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, dient in herinnering te worden gebracht dat, volgens de rechtspraak, een handeling aan dit vereiste voldoet wanneer deze, door op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures vast te stellen, een groot pakket aan criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van een of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben (zie in die zin arresten van 27 oktober 2016, D’Oultremont e.a., C‑290/15, EU:C:2016:816, punt 49, en 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C‑300/20, EU:C:2022:102, punt 60 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47 Met een dergelijke uitlegging wordt beoogd te waarborgen dat alle voorschriften die een aanzienlijke invloed op het milieu kunnen hebben aan een milieubeoordeling worden onderworpen [arresten van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 68, en 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C‑300/20, EU:C:2022:102, punt 61].
48 Aan het in artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 gestelde vereiste dat het betrokken plan of programma het kader moet vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in de bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten, moet dus worden geacht te zijn voldaan wanneer dit plan of programma een groot pakket aan criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van een of meerdere van deze projecten, met name met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden van dergelijke projecten, of de toewijzing van hulpbronnen in verband met die projecten (arrest van 22 februari 2022, Bund Naturschutz in Bayern, C‑300/20, EU:C:2022:102, punt 62).
49 In casu blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het besluit van 25 februari 2021 uitsluitend betrekking heeft op de uitbating van parkings, zonder enige regel vast te stellen met betrekking tot de ligging en het maximumaantal van deze parkings.
50 In dit verband moet worden opgemerkt dat de planmatige of programmatische dimensie van een maatregel geen doorslaggevend criterium vormt voor de toepassing van artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42. De verplichting om een milieubeoordeling te verrichten vloeit immers niet voort uit het bestaan van een dergelijke dimensie, maar uit de milieueffecten van de maatregel, voor zover deze het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor bepaalde projecten.
51 Wat het besluit van 25 februari 2021 betreft, blijkt uit de gegevens in het dossier waarover het Hof beschikt dat, van de regels die zijn vastgesteld met het oog op de uitbating van parkings, de regels inzake de kunstmatige verlichting en infiltratiestructuren van niet‑overdekte parkings en de vereisten op het gebied van oplaadzones en fietsparkeerplaatsen gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Het staat aan de verwijzende rechter om te bepalen of, als gevolg van deze regels, deze vereisten of andere bepalingen van dit besluit, is voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42. In het bijzonder zal hij moeten onderzoeken of deze regels en vereisten, gelet op het grondgebied van Brussel, aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
52 Gelet op voorgaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 3, lid 2, onder a), van richtlijn 2001/42 aldus moet worden uitgelegd dat een nationale regeling waarbij de voorwaarden voor de uitbating van parkings worden vastgesteld zonder evenwel regels vast te stellen betreffende de ligging en het maximumaantal ervan, aan een milieubeoordeling moet worden onderworpen indien deze regeling, ten eerste, is opgesteld voor de vervoersector of de sector ruimtelijke ordening of grondgebruik, en, ten tweede, door op de betrokken sector toepasselijke regels en controleprocedures vast te stellen, een groot pakket aan criteria en modaliteiten vaststelt voor de goedkeuring en de uitvoering van een of meerdere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
56 Volgens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking zijn de lidstaten verplicht om de onwettige gevolgen van een dergelijke schending van het Unierecht ongedaan te maken. Hieruit volgt dat de bevoegde nationale autoriteiten, inclusief de nationale rechterlijke instanties waarbij beroep is ingesteld tegen een nationaalrechtelijke handeling die in strijd met het Unierecht is vastgesteld, verplicht zijn om in het kader van hun bevoegdheden alle noodzakelijke maatregelen te treffen om het verzuim van een milieubeoordeling te herstellen. Dit kan, voor een „plan” of „programma” dat is vastgesteld zonder rekening te houden met de verplichting om een milieubeoordeling te verrichten, er bijvoorbeeld in bestaan dat er maatregelen tot opschorting of nietigverklaring van dit plan of programma worden vastgesteld en dat een reeds verleende vergunning wordt ingetrokken of opgeschort teneinde alsnog een dergelijke beoordeling te verrichten [arrest van 25 juni 2020, A e.a. (Windturbines in Aalter en Nevele), C‑24/19, EU:C:2020:503, punt 83 en aldaar aangehaalde rechtspraak].
60 In casu geeft de verwijzende rechter aan dat het besluit van 25 februari 2021 een gedeeltelijke omzetting vormt van richtlijn 2018/844, zodat de nietigverklaring of opschorting ervan zou kunnen leiden tot een rechtsvacuüm. Hoewel uit de in punt 57 van dit arrest in herinnering gebrachte rechtspraak blijkt dat een dergelijk rechtsvacuüm, dat onverenigbaar is met de verplichting voor de betrokken lidstaat om maatregelen ter omzetting van een richtlijn vast te stellen, in beginsel kan rechtvaardigen dat een handeling die niet in overeenstemming is met het Unierecht tijdelijk wordt gehandhaafd, veronderstelt dit dat de handeling waarvan de verwijzende rechter de gevolgen wil handhaven, deze richtlijn daadwerkelijk omzet.
61 Zoals de advocaat‑generaal in punt 93 van haar conclusie heeft benadrukt, kan bovendien worden betwijfeld of de nietigverklaring of opschorting van de in het besluit van 25 februari 2021 opgenomen voorwaarden voor de uitbating van parkings een rechtsvacuüm creëert. In voorkomend geval staat het dus aan de verwijzende rechter om te onderzoeken of het voor de afgifte van vergunningen voor in de bijlagen I en II bij richtlijn 2011/92 genoemde projecten feitelijk mogelijk is om, zij het tijdelijk, terug te keren naar de praktijk die, zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen heeft aangegeven, bestond vóór de vaststelling van die uitbatingsvoorwaarden en op grond waarvan de bevoegde autoriteiten de uitbatingsvoorwaarden die thans zijn gebundeld in een algemeen geldende regelgevingshandeling, bij elke individuele vergunning oplegden.
62 Gelet op al het voorgaande moet op de tweede vraag worden geantwoord dat het Unierecht aldus moet worden uitgelegd dat, indien blijkt dat er een milieubeoordeling in de zin van richtlijn 2001/42 had moeten worden verricht voorafgaand aan de vaststelling van een regelgevingshandeling waarvan de rechtmatigheid bij een nationale rechter wordt betwist, zodat deze handeling moet worden geacht niet in overeenstemming te zijn met het Unierecht, deze rechter de gevolgen van die handeling enkel kan handhaven – teneinde de bevoegde autoriteit in staat te stellen die milieubeoordeling te verrichten en in voorkomend geval de betrokken handeling te wijzigen – indien het nationale recht dit toestaat in het kader van het bij hem aanhangige geding en dit noodzakelijk is voor de omzetting van een andere Uniehandeling die gericht is op milieubescherming, zoals richtlijn 2018/44, en uitsluitend voor de periode die strikt noodzakelijk is om deze onrechtmatigheid te verhelpen.
* HvJEU 9 juli 2026, ECLI:EU:C:2026:561: Richtlijn 2012/18/EU; Prejudiciële verwijzing, inrichting voor verwerking van gevaarlijk en niet-gevaarlijk vloeibaar afval, milieuvergunning, opslaan en verwerken afval, aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, beheerssysteem, monitoring, drempelwaarden, hogedrempelinrichtingen, lagedrempelinrichtingen, gebruikelijke betekenis, verwachte of redelijkerwijs te voorziene aanwezigheid, letterlijke uitlegging, contextuele uitlegging, voorzorgsbeginsel, exploitatievergunning
42 Artikel 3, punt 12, van richtlijn 2012/18, waarvan de verwijzende rechter om uitlegging verzoekt, definieert het begrip „aanwezigheid van gevaarlijke stoffen” als de werkelijke of verwachte aanwezigheid van dergelijke stoffen in de inrichting, of van gevaarlijke stoffen waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat ze zouden kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen in installaties binnen de inrichting, in hoeveelheden, gelijk aan of groter dan de in deel 1 of deel 2 van bijlage I bij deze richtlijn vermelde „drempelwaarden”.
43 Deze bepaling voorziet dus drie gevallen waarin moet worden aangenomen dat er in een inrichting gevaarlijke stoffen „aanwezig” zijn: wanneer wordt vastgesteld dat dergelijke stoffen werkelijk in bepaalde hoeveelheden aanwezig zijn, wanneer die aanwezigheid wordt verwacht en wanneer die aanwezigheid redelijkerwijs te voorzien is bij verlies van controle over de processen.
44 Aangezien de begrippen „werkelijke aanwezigheid”, „verwachte aanwezigheid” en „gevaarlijke stoffen waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat ze zouden kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen” in richtlijn 2012/18 niet worden gedefinieerd en deze richtlijn daarvoor evenmin naar het recht van de lidstaten verwijst, moet de betekenis en de draagwijdte van deze begrippen volgens vaste rechtspraak worden bepaald in overeenstemming met de in de omgangstaal gebruikelijke betekenis ervan, met inachtneming van de context waarin zij worden gebruikt en de doeleinden die worden nagestreefd door de regeling waarvan zij deel uitmaken (zie in die zin arresten van 18 oktober 2011, Brüstle, C‑34/10, EU:C:2011:669, punten 25 en 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 12 februari 2026, Stichting Koskea, C‑490/24, EU:C:2026:89, punt 24).
45 In dit verband zij er om te beginnen met betrekking tot de gebruikelijke betekenis van die begrippen op gewezen dat de „werkelijke aanwezigheid” van een gevaarlijke stof impliceert dat de gevaarlijke stof effectief of klaarblijkelijk bestaat, dat de „verwachte aanwezigheid” daarvan kan worden begrepen als de voorziene of geplande aanwezigheid ervan, en dat de aanwezigheid van een gevaarlijke stof waarvan „redelijkerwijs kan worden voorzien” dat ze zou kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen een gebeurtenis impliceert die in bepaalde omstandigheden redelijkerwijs kan worden voorzien.
46 Hieruit volgt dat artikel 3, punt 12, van richtlijn 2012/18 zowel betrekking heeft op gevaarlijke stoffen die daadwerkelijk in bepaalde hoeveelheden in een inrichting aanwezig zijn, als op stoffen waarvan de aanwezigheid in bepaalde omstandigheden wordt verwacht of redelijkerwijs te voorzien is. Het volstaat dan ook niet dat die stoffen op een bepaald moment daadwerkelijk niet in een inrichting aanwezig zijn om deze inrichting op grond van de artikelen 2 en 3 van die richtlijn uit te sluiten van het toepassingsgebied ervan, aangezien ook moet worden gekeken naar de verwachte of redelijkerwijs te voorziene aanwezigheid daarvan.
57 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is voor een juiste toepassing van het voorzorgsbeginsel in de eerste plaats vereist dat wordt vastgesteld welke negatieve gevolgen de betrokken gevaarlijke stoffen voor het milieu kunnen hebben, en in de tweede plaats dat op basis van de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens en van de meest recente resultaten van internationaal onderzoek een uitgebreide beoordeling van het risico voor de gezondheid wordt gemaakt. Wanneer het onmogelijk blijkt het bestaan of de omvang van het gestelde risico met zekerheid te bepalen omdat de resultaten van de uitgevoerde studies ontoereikend, niet-overtuigend of onnauwkeurig zijn, maar reële schade voor het milieu waarschijnlijk blijft ingeval het risico intreedt, rechtvaardigt het voorzorgsbeginsel dat beperkende maatregelen worden vastgesteld, mits deze niet-discriminerend en objectief zijn (zie in die zin arrest van 28 maart 2019, Verlezza e.a., C‑487/17–C‑489/17, EU:C:2019:270, punten 57 en 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
58 Gezien de noodzaak om een hoog beschermingsniveau te garanderen en het voorzorgsbeginsel te eerbiedigen, mag het begrip „aanwezigheid van gevaarlijke stoffen” in artikel 3, punt 12, van richtlijn 2012/18 dus niet restrictief worden uitgelegd (zie naar analogie arrest van 14 oktober 2020, Sappi Austria Produktion e n Wasserverband „Region Gratkorn-Gratwein”, C‑629/19, EU:C:2020:824, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
59 In het licht van het voorgaande moet worden geoordeeld dat een systeem van continue monitoring van de gevaarlijke stoffen die op enig moment daadwerkelijk in een inrichting aanwezig zijn, weliswaar nuttige aanwijzingen kan geven over de „werkelijke aanwezigheid” van die stoffen, maar op zichzelf genomen niet volstaat om de „aanwezigheid van gevaarlijke stoffen” in de zin van artikel 3, punt 12, van richtlijn 2012/18 te bepalen.
60 Wat bovendien de omstandigheden betreft die wijzen op een „verwachte aanwezigheid” van gevaarlijke stoffen in een inrichting of op een „redelijkerwijs [te voorziene]” aanwezigheid daarvan bij verlies van controle over de processen in de zin van genoemd artikel 3, punt 12, zij eraan herinnerd dat deze begrippen, zoals uit de punten 45, 46, 53 en 54 van het onderhavige arrest blijkt, zien op de gevaarlijke stoffen die daar aanwezig kunnen zijn, te weten de stoffen waarvan de aanwezigheid wordt voorzien of redelijkerwijs kan worden voorzien en die moet worden beoordeeld op voorhand, waarbij de maximale hoeveelheden van die stoffen als referentiepunt worden gehanteerd.
61 Gezien de noodzaak om op deze maximale hoeveelheden redelijkerwijs te kunnen anticiperen, is een van de in het vorige punt bedoelde omstandigheden dan ook de maximale capaciteit van de betrokken inrichting voor de opslag of verwerking van gevaarlijke stoffen, zoals die in de exploitatievergunning van de exploitant is bepaald. Met deze vergunning kan immers in beginsel, in voorkomend geval in combinatie met andere relevante gegevens, objectief worden bepaald welke de maximale hoeveelheid gevaarlijke stoffen is die in een inrichting aanwezig is of kan zijn.
62 Deze constatatie geldt in het bijzonder voor de vergunningen die in artikel 23 van richtlijn 2008/98 en artikel 4 van richtlijn 2010/75 worden bedoeld en waarnaar zowel de verwijzende rechter als verzoekster in het hoofdgeding verwijzen, waarbij trouwens moet worden opgemerkt dat deze richtlijnen, net als richtlijn 2012/18, werden vastgesteld ter uitvoering van het Uniemilieubeleid. Om te beginnen blijkt uit de tekst zelf van lid 1, onder a), van genoemd artikel 23 dat in afvalverwerkingsvergunningen in elk geval wordt gespecificeerd welke soorten en hoeveelheden afvalstoffen mogen worden verwerkt.
63 Voorts mogen volgens de artikelen 4 en 12 van richtlijn 2010/75, gelezen in het licht van deel 5 van bijlage I daarbij, installaties die onder het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen – waaronder installaties voor afvalbeheer – niet worden geëxploiteerd zonder vergunning. Voor de afgifte van een dergelijke vergunning moet echter onder meer worden bepaald welke grondstoffen, hulpmaterialen en andere stoffen in de desbetreffende installatie worden gebruikt of door die installatie worden geproduceerd. Het Hof heeft geoordeeld dat de voorafgaande evaluatie van de gevolgen van de activiteiten van de betrokken installatie voor zowel het milieu als de gezondheid van de mens integrerend deel uitmaakt van de procedures voor de verlening en de toetsing van die vergunning (zie in die zin arrest van 25 juni 2024, Ilva e.a., C‑626/22, EU:C:2024:542, punt 105).
64 Bijgevolg moet een nationale rechterlijke instantie die een geschil behandelt over de toepasselijkheid, op een inrichting, van een nationale regeling ter omzetting van richtlijn 2012/18 en in het bijzonder over de beoordeling van de „aanwezigheid van gevaarlijke stoffen” in die inrichting, nagaan of daar daadwerkelijk gevaarlijke stoffen als bedoeld in bijlage I bij deze richtlijn aanwezig zijn in hoeveelheden die gelijk zijn aan of groter zijn dan de in deze bijlage vermelde hoeveelheden, dan wel of dit wordt verwacht of redelijkerwijs kan worden voorzien. Hij dient daarbij rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, en erop toe te zien dat de doelstelling en de doeltreffendheid van die richtlijn worden geëerbiedigd.
65 Verder kunnen bepaalde omstandigheden nuttige aanwijzingen vormen voor de „aanwezigheid van gevaarlijke stoffen” in de zin van artikel 3, punt 12, van die richtlijn (zie naar analogie arrest van 14 oktober 2020, Sappi Austria Produktion en „Wasserverband Region Gratkorn‑Gratwein”, C‑629/19, EU:C:2020:824, punt 45). Een van die omstandigheden is de maximale hoeveelheid stoffen die de inrichting kan opslaan of verwerken volgens de exploitatievergunning, vooral wanneer die vergunning is afgeleverd krachtens een regeling die de in de punten 62 en 63 van het onderhavige arrest genoemde bepalingen van het Unierecht omzet.
66 Gelet op een en ander dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 3, punt 12, van richtlijn 2012/18 aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een praktijk – die al dan niet wordt beschreven in de door de bevoegde administratieve autoriteit verleende afvalbeheervergunning – waarbij het niet is toegestaan om bij de beoordeling of er in een inrichting „gevaarlijke stoffen [aanwezig zijn]” in de zin van die bepaling en voor het bewijs dat de hoeveelheden daarvan op geen enkel moment de in deel 1 of deel 2 van bijlage I bij die richtlijn vermelde hoeveelheden bereiken, uitsluitend af te gaan op een door de exploitant van de inrichting geïnstalleerd beheerssysteem dat de daadwerkelijke hoeveelheid aanwezige gevaarlijke stoffen continu monitort.
¶ Rechtbank Oost-Brabant 9 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4861: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, waarschuwing, specifieke zorgplicht, Besluit activiteiten leefomgeving, geen wettelijke basis/waarschuwing, informele waarschuwing, geen besluit, lokale omstandigheden, geen concretisering zorgplicht, conclusie Widdershoven, verzoeken/niet-ontvankelijk, op de zaak betrekking hebbende stukken, algemeen mandaat, overtreding, quickscan, voorwaardelijk opzet, aanmerkelijke kans, welbewust handelen, omgevingsvergunning bopa, omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit, overtreder, medepleger, afwijzing verzoek
3.2. De Omgevingswet of het Bal, meer in het bijzonder artikel 11.27 van het Bal, bieden geen uitdrukkelijke wettelijke basis voor het geven van een waarschuwing. Het gaat dus om een informele waarschuwing. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze informele waarschuwing in de bestreden besluiten géén besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Vanwege het enkele negeren van de waarschuwing plegen verzoekers geen overtreding van de specifieke zorgplicht in artikel 11.27 van het Bal. De waarschuwing is geen voorwaarde voor handhavend optreden. Er is geen termijn verbonden aan de waarschuwing. Mede naar aanleiding van de waarschuwing kunnen verzoekers wel worden geacht redelijkerwijs te vermoeden dat hun handelingen nadelige gevolgen kunnen hebben voor de belangen in artikel 11.23 van het Bal. De waarschuwing is gegeven op basis van omstandigheden die (los van de waarschuwing) ook zouden kunnen leiden tot een overtreding van de specifieke zorgplicht. Dit vermoeden hadden verzoekers ook kunnen hebben op basis van de bevindingen van hun eigen ecoloog, de correspondentie met het college en de lokale omstandigheden (zij verrichten handelingen bij een oude schuur agrarische schuur bij een voormalige boerderij die al enige tijd niet is gebruikt). De rechtbank ziet in de waarschuwing dus geen concretisering van de specifieke zorgplicht. Deze concretisering is overigens al gegeven in artikel 11.27, tweede lid onder a, van het Bal. Mede gelet op overweging 15.13 van de conclusie van AG Widdershoven van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:249) en uitspraken van Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State waarin deze conclusie is gevolgd (zie de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2816) beschouwt de voorzieningenrechter de waarschuwing niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Verzoekers kunnen er dus geen bezwaar tegen maken of een verzoek om voorlopige voorziening over kunnen indienen. Dat betekent overigens niet dat ze de waarschuwing zomaar in de wind kunnen slaan.
8.2. In artikel 11.54, eerste lid onder b van het Bal is bepaald dat het verbod in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren genoemd in bijlage IX, onder A bij het Bal.
8.3. Onder «opzet» wordt in artikel 11.54 ook voorwaardelijke opzet begrepen. Daaronder valt dan bijvoorbeeld ook handelingen in een gebouw, waarvan je kunt verwachten dat het direct of indirecte schadelijke effecten heeft op beschermde soorten en/of hun verblijfplaats.
8.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter hebben verzoekers bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat een verblijf- of rustplaats wordt verstoord. De ecoloog heeft verzoeker 2 aangegeven dat het hooi moest blijven liggen op de hooizolder. Verzoeker 2 is bij het bezoek van de ecoloog gewezen op de mogelijke aanwezigheid van marters en de noodzaak voor een nader onderzoek. Desondanks hebben verzoekers de buurman de gelegenheid gegeven om het hooi te verwijderen, voordat het nader onderzoek was verricht. Dit duidt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op een welbewust handelen. Dat sprake zou zijn van acuut brandgevaar als het hooi langer zou blijven liggen, vindt de voorzieningenrechter een te vergezocht argument. Het hooi lag er immers al een tijdje.
9.2. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat verzoekers een omgevingsvergunning hebben aangevraagd voor meerdere activiteiten waaronder een flora en fauna activiteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid onder g, van de Omgevingswet. Met de vergunning voor de buitenplanse omgevingsactiviteit heeft B&W géén omgevingsvergunning verleend voor een flora- en fauna-activiteit, ook niet impliciet. Overigens is B&W niet bevoegd om daarop te beslissen gelet op artikel 5.10 eerste lid onder e van de Omgevingswet en artikel 4,6, eerste lid onder e, van het Omgevingsbesluit.
¶ Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4796: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, tijdelijk/periode van 15 jaar, tijdelijke bijwoning met zelfstandige voorzieningen, omgevingsplanactiviteit “bouwen”, artikel 12.27a Bkl, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, verkeersgeneratie, CROW parkeerkencijfers, maatwerk, belasting weg, woon- en leefklimaat, voorschriften, eigen terrein, parkeeroverlast
5.3. De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft gesteld dat vergunninghoudster alleen een aanvraag heeft ingediend voor het afwijken van regels in het omgevingsplan. Een omgevingsvergunning aanvragen en verlenen voor alleen de ruimtelijke toestemming is mogelijk, zoals volgt uit artikel 12.27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Ter zitting heeft eiseres dit ook niet betwist. Of voor het bouwen van de bijwoning ook een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit (ruimtelijke) bouwen nodig is, zal worden besproken in de zaak SHE 25/1316. Aan de bespreking van de beroepsgrond dat het bouwplan niet voldoet aan de bouwregels komt de rechtbank in deze procedure daarom niet meer toe.
¶ Rechtbank Oost-Brabant 8 juli 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4799: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, bouwwerk (bijwoning), omgevingsvergunning ruimtelijk bouwen, omgevingsplan, vergunningvrij, rechtspraak Bor, aantal zelfstandige woningen, voorzieningen, een woning/per bestemmingsvlak, technische bouwactiviteit, Besluit bouwwerken leefomgeving, uitzondering vergunningplicht
6.2. De rechtbank overweegt dat het op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, een gebouwd bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. In artikel 22.27 van het omgevingsplan staan de activiteiten waarvoor deze vergunningplicht niet geldt. Daarbij geldt op grond van artikel 22.23 van het Omgevingsplan dat bij de toepassing van de artikelen 22.27 (en 22.36) een bouwactiviteit uitsluitend vergunningvrij is als het aantal woningen niet toeneemt tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Van dat laatste is geen sprake omdat het bouwwerk wordt gebruikt voor bewoning voor de dochter en schoonzoon van de buren in verband met de huidige woningnood.
6.3. Op zitting heeft het college gesteld dat artikel 22.23 van het omgevingsplan niet van toepassing is omdat geen sprake is van een nieuwe zelfstandige woning in de zin van artikel 22.23 van het omgevingsplan. Er is sprake van een afhankelijk woning omdat die voor de nutsvoorzieningen afhankelijk is van de hoofdwoning op hetzelfde perceel.
6.4. De rechtbank overweegt dat artikel 22.23 van het (tijdelijk deel) omgevingsplan de opvolger is van artikel 5 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8456) volgt dat het bij dit artikel draait het om het vereiste dat het aantal woningen gelijk moet blijven. De Afdeling oordeelde dat deze eis zo moet worden uitgelegd dat het aantal zelfstandige woningen niet mag toenemen. Artikel 22.23 biedt geen aanleiding daar anders over te oordelen omdat nergens uit blijkt dat met de omzetting van artikel 5 van bijlage II van het Bor naar artikel 22.23 in dat opzicht een wijziging is beoogd. Zie de artikelsgewijze toelichting bruidsschat omgevingsplan, http://www.iplo.nl.
6.5. De vraag is of sprake is van een zelfstandige woning. De rechtbank overweegt dat het omgevingsplan geen definitie geeft over wat onder een “zelfstandige woning” wordt verstaan. Om deze reden sluit de rechtbank aan bij wat in de rechtspraak onder een “zelfstandige woning” wordt verstaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016 leidt de rechtbank af dat bij de vaststelling of sprake is van een zelfstandige woning bepalend is of die woning afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen van buiten de woning, zijnde een keuken, toilet en wasruimte (ECLI:NL:RVS:2016:2636 r.o. 4.4). Ten tijde van het bestreden besluit had het bouwwerk alle eigen voorzieningen zoals een keuken, toilet en badkamer. De rechtbank is van oordeel dat door de aanwezigheid van deze voorzieningen en inrichting sprake is van een zelfstandige woning. Dat een bouwwerk voor de gas-, water- en elektriciteitsvoorzieningen afhankelijk is van een andere woning (in dit geval de woning van vergunninghouder), is daarvoor niet van belang. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2636 r.o. 4.4. Nu het tijdelijke deel van het omgevingsplan maar een woning per bestemmingsvlak toelaat, is sprake van een toename van woningen. Deze toename betekent dat het bouwwerk niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd met artikel 22.27 van het omgevingsplan. Dat betekent dat voor deze bouwwerkzaamheden een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ geldt. Ook het in stand houden van een zonder de vereiste omgevingsvergunning gerealiseerd bouwwerk is op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan – net als onder het oude recht – verboden. Er is dus sprake van een overtreding.
6.6. Daarnaast geldt dat toepassing van artikel 22.27 van het Omgevingsplan alleen mogelijk is indien geen sprake is van strijd met het omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Zie de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4539. Het gerealiseerde bouwwerk is in strijd met het Omgevingsplan aangezien maar een woning mag worden gerealiseerd per bestemmingsvlak (artikel 4.2.2.) en zoals hiervoor is overwogen sprake is van een toename van woningen.
7.2. De rechtbank overweegt dat voor de vraag of er voor de technische bouwactiviteit een vergunning is vereist, de situering van het bouwwerk in het achtererfgebied niet relevant is. De situering in het achtererfgebied wordt niet genoemd in artikel 2.25 van het Bbl. Wel is relevant op grond van onderdeel e van artikel 2.25 van het Bbl of het bouwwerk als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw is geworden.
7.3. In bijlage I van het besluit bouwwerken en leefomgeving wordt onder hoofdgebouw het volgende verstaan: “gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.”
7.4. Het bouwwerk heeft, net als de bestaande woning op het perceel, een woonfunctie en het gaat om een tweede, zelfstandige woning op het perceel. Er is dus sprake van een tweede hoofdgebouw op het perceel in de zin van artikel 2.25 van het Bbl. Dat maakt niet dat het vergunningplichtig is voor de technische bouwactiviteit, omdat het bouwwerk in gevolgklasse 1 valt zoals bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder a, van het Bbl. Er is dus sprake van een uitzondering op de vergunningplicht zoals genoemd in artikel 2.25 van het Bbl. Op grond daarvan is geen vergunning voor de technische bouwactiviteit vereist. Deze grond slaagt niet.
¶ Rechtbank Midden-Nederland 3 juli 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3996: Awb, Ow; bekrachtiging onteigeningsbeschikking, versterken Lekdijk, nieuwe veiligheidsnormen primaire waterkeringen, projectbesluit, toetsingskader, wettelijke vormvoorschriften, toezending belanghebbenden, eigenaren, overige zakelijk gerechtigden, wetsgeschiedenis, eenvoudig en helder criterium, praktische benadering, alsnog geïnformeerd, niet deelnemen aan procedure, passeren gebrek, onteigeningsbelang, noodzaak, minnelijk verwerven, redelijke poging, urgentie, planning werkzaamheden
4.6. Uit de wetsgeschiedenis bij de invoering van artikel 3:13 Awb volgt dat onder ‘belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht’, in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft. De rechtbank ziet geen reden om in het geval van een onteigeningsbeschikking hiervan af te wijken door onderscheid te maken in perceelsgedeelten die wel of niet door de onteigening worden geraakt. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen, is de onteigeningsprocedure gebaat bij een eenvoudig en helder criterium voor het toesturen van de ontwerpbeschikking en het bekendmaken van de vastgestelde beschikking aan (zakelijk) gerechtigden (uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 3 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1300.). Dit voorkomt ook dat de rechtbank in het kader van de basistoets moet beoordelen welke rechten betrekking hebben op een te onteigenen perceelsgedeelte.
4.7. Het belang van een praktische benadering wordt duidelijk door de discussie op de zitting.
– Voor wat betreft de zakelijke rechten van Stedin Netbeheer B.V. (hierna: Stedin) heeft het algemeen bestuur een akte uit 1961 overgelegd. In deze akte is een tekening opgenomen waarop met een rode lijn de ondergrondse leidingen van Stedin zijn weergegeven. Op de zitting heeft het algemeen bestuur toegelicht dat de leidingen blijkens de tekening in een strook van 1 meter zijn gelegen en net buiten de te onteigenen perceelsgedeelten vallen. Echter, omdat een kleine afwijking in de daadwerkelijk ligging van de leidingen mogelijk is, is voor de zekerheid met Stedin contact opgenomen en zijn er afspraken gemaakt.
– Over het zakelijk recht van de gemeente Nieuwegein heeft het algemeen bestuur op de zitting toegelicht, dat dit is gevestigd voor een rioolpersleiding voor de woning op het betreffende perceel. Het algemeen bestuur neemt aan dat deze persleiding in een ander deel van het perceel is gelegen en dat daarom het zakelijk recht niet wordt geraakt door de onteigening. Het algemeen bestuur weet dit niet zeker en kan niet helemaal uitsluiten dat het zakelijk recht toch het hele perceel betreft. Uit deze omstandigheden blijkt dat de rechtbank, evenmin als het algemeen bestuur, uit de kadastrale informatie met zekerheid kan vaststellen of Stedin en de gemeente Nieuwegein door de onteigening worden geraakt. Daarvoor is nader onderzoek nodig, dat niet heeft plaatsgevonden.
4.8. Om dit soort situaties te voorkomen, is een praktische benadering van belang: het enige wat een bestuursorgaan hoeft te doen is de (ontwerp)beschikking toe te sturen aan alle belanghebbenden. Op deze manier wordt verzekerd dat iemand met een zakelijk recht niet afhankelijk is van de beoordeling van het bestuursorgaan of de rechtbank of het zakelijk recht door het te onteigenen perceelsgedeelte wordt geraakt, maar dit zelf kan beoordelen en kan bepalen of het nodig is om een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Dit betekent dat het algemeen bestuur de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking tijdig aan Stedin en de gemeente Nieuwegein had moeten sturen, zodat zij de gelegenheid hadden gehad om daartegen een zienswijze en bedenkingen in te dienen. Zij hebben immers een zakelijk recht ten aanzien van de te onteigenen percelen en zijn daarmee belanghebbenden die een zienswijze en bedenkingen kunnen indienen. Deze zakelijke gerechtigden worden genoemd in artikel 16.97, eerste lid, onder c, van de Ow en daarmee staat vast dat zij belanghebbenden zijn. Daarmee zijn de belangen van Stedin en de gemeente Nieuwegein rechtstreeks bij de onteigeningsbeschikking betrokken en zijn zij belanghebbenden tot wie de onteigeningsbeschikking is gericht.
4.9. Het voorgaande betekent dat de onteigeningsbeschikking niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid. De rechtbank kan aan het gebrek bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking voorbijgaan als het aannemelijk is dat Stedin en de gemeente Nieuwegein niet zijn benadeeld doordat de ontwerp onteigeningsbeschikking en de vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan hen zijn toegezonden (met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, dat op grond van artikel 16.113, eerste lid, van de Ow ook van toepassing is in een bekrachtigingsprocedure).
4.10. In het kader van het uitvoeren van de basistoets heeft de rechtbank op 5 maart 2026 over dit onderwerp vragen gesteld aan het algemeen bestuur. Naar aanleiding daarvan heeft HDSR op 12 maart 2026 alsnog de vastgestelde onteigeningsbeschikking en de uitnodiging voor de zitting per brief naar Stedin en de gemeente Nieuwegein gestuurd. In deze brieven staat dat de leidingen van Stedin en de gemeente Nieuwegein volgens HDSR niet door het project worden geraakt. Voor het geval een onteigening toch gevolgen heeft voor de zakelijke rechten, biedt HDSR aan deze opnieuw te vestigen. Stedin en de gemeente Nieuwegein hebben allebei ingestemd met dit voorstel van HDSR en hebben allebei meegedeeld niet te willen deelnemen aan de bekrachtigingsprocedure.
4.11. De rechtbank stelt vast dat Stedin en de gemeente Nieuwegein alsnog zijn geïnformeerd en zij beiden hebben verklaard dat zij niet als belanghebbenden willen deelnemen aan de procedure. De rechtbank stelt vast dat aannemelijk is dat zij niet zijn benadeeld door het niet (tijdig) toesturen van de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking en passeert daarom het gebrek (met toepassing van artikel 6:22 van de Awb).
¶ Rechtbank Den Haag 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20382: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, gebruiken ontsluitingsweg, beoogde tijdelijke huisvesting arbeidsmigranten, bindend advies gemeenteraad, beoordelingsregels, ETFAL, advies/niet zelfstandig appellabel, onderdeel besluit, beleidsruimte, relevante feiten, afweging
6.1. Ingevolge artikel 16.15, eerste lid, van de Ow worden bij algemene maatregel van bestuur bestuursorganen of andere instanties aangewezen die, in daarbij aangewezen gevallen, in de gelegenheid worden gesteld om aan het bevoegd gezag of een ander bestuursorgaan advies uit te brengen over een aanvraag om een besluit op grond van deze wet.
6.2. Ingevolge artikel 16.15a, aanhef en onder b, van de Ow wordt op grond van artikel 16.15, eerste lid, onder 1°, in ieder geval de gemeenteraad als adviseur aangewezen als het gaat om een aanvraag om een omgevingsvergunning voor in door de gemeenteraad aangewezen gevallen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
6.4. Het college dient een aanvraag om een buitenplanse omgevingsactiviteit te beoordelen aan de hand van daarvoor geldende beoordelingsregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), waaronder de beoordelingsregel (artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl) dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit artikel 16.15b, van de Ow volgt dat het college bij deze beoordeling het advies van de gemeenteraad in acht moet nemen. Het advies van de gemeenteraad is niet zelfstandig appellabel, maar maakt gelet op artikel 16.85, tweede lid, van de Ow onderdeel uit van het besluit waarop het advies betrekking heeft.
6.5. Het voorgaande brengt mee dat de toetsing van de rechtbank van het bestreden besluit tot weigering van de omgevingsvergunning ook betrekking heeft op het advies van de gemeenteraad, waartegen eisers zich eveneens keren.
6.6. De gemeenteraad heeft beleidsruimte bij het uitoefenen van zijn adviesrecht. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of het advies van de gemeenteraad in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies van locaties. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad het negatieve advies niet zorgvuldig voorbereid en is dit niet draagkrachtig gemotiveerd. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
7.1. Uit de motivering van het advies blijkt niet dat de belangen van eisers zijn betrokken bij de beantwoording van de vraag of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. (…)
7.3. De rechtbank is bovendien van oordeel dat de gemeenteraad met het raadsvoorstel van het college niet volledig lijkt te zijn geïnformeerd over de relevante feiten die ten grondslag liggen aan het raadsvoorstel. (…)
¶ Rechtbank Midden-Nederland 11 juni 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:3994: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, invordering, omgevingsplan, bedrijfswoning, noodzakelijkheidscriterium, hoorzitting in bezwaar, niet correct uitgenodigd, passeren gebrek, weggelakte (persoons)gegevens inspecteurs, alle op de zaak betrekking hebbende stukken, ongelakt, geheimhoudingsverzoek, gewichtige redenen, geen verzoek, inspectierapporten, feitelijke waarnemingen, verdedigingsbelang, overtreding, ex tunc, invorderingsbesluiten, legitimeren, tolkentelefoon, erkend en professioneel tolkenbureau, kunstmatige intelligentie
28. De rechtbank merkt tot slot op dat zij zich in deze zaak niet aan de indruk heeft kunnen onttrekken dat eisers gebruik hebben gemaakt van kunstmatige intelligentie bij het opstellen van de door hen ingestuurde stukken. Het beroepschrift bevat een aantal onnavolgbare redeneringen, een verwijzing naar rechtspraak die geenszins raakt aan het geschil en in een van de bijlagen bij het beroep staat “Als u mij de aard van de overtreding geeft, kan ik hier gerichte ECLI’s bij zetten die uw punt echt ondersteunen.” Hoewel de rechtbank zich de neiging kan voorstellen om bij het ontbreken van een juridische achtergrond Chat GPT of een andere generatieve AI te gebruiken, wijst zij erop dat deze tools in het aanhalen van rechterlijke uitspraken, maar ook waar het de toepasselijke wet- en regelgeving betreft regelmatig onjuiste informatie presenteert. Voor de behandeling van deze zaak was het doelmatiger geweest als eisers de door hen opgestelde stukken hadden voorgelegd aan een (professionele) rechtsbijstandverlener of iemand anders die ter zake kundig is.
¶ Rechtbank Gelderland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4271: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bopa, nieuwbouw woning en bijgebouw, bouwactiviteit, bruidsschat, omgevingsplan, Wabo, aanleg inrit/buiten reikwijdte procedure, struweelhaag, inrichtingsplan, gebruiken in strijd met omgevingsplan/handhavingskwestie, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, artikel 12.27a Bkl, privacy, aantal sloopmeters, gemeentelijk beleid, beknopte motivering, afwijzing verzoek
9.1. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 12.27a van het Bkl een beoordelingsregel bevat voor opvolgende vergunningverlening van omgevingsplanactiviteiten. Dit artikel bepaalt dat bij het toepassen van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl in ieder geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor zover de activiteit niet in strijd is met een eerder verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voor al hetgeen bij de eerste vergunning al uitdrukkelijk is toegestaan, hoeft het college bij de tweede vergunning dus niet opnieuw te beoordelen of wordt voldaan aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
9.2. In de eerste vergunning is door het college reeds een woning toegestaan op het perceel met een maximale inhoud van 750 m3 en de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag maximaal 200 m2 bedragen. De aanvraag voorziet in het bouwen van een vrijstaande woning met een inhoud van 744 m3 en een vrijstaand bijbehorend bouwwerk met een oppervlakte van 166,5 m2. Het bouwplan is in overeenstemming met de op 14 januari 2025 verleende omgevingsvergunning. De argumenten van verzoekers die betrekking hebben op verlies van privacy kunnen naar het oordeel van de voorzieningenrechter in het kader van deze procedure niet meer aan de orde komen, omdat het realiseren van de woning al planologisch mogelijk is gemaakt in de eerdere vergunning. De gevolgen van het toestaan van een nieuwe woning voor verzoekers, zoals de eventuele vermindering van privacy, zijn dus reeds in die vergunningprocedure beoordeeld. Het had op de weg van verzoekers gelegen om deze bezwaren in het kader van die omgevingsvergunning kenbaar te maken aan het college. Hetzelfde geldt naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voor het aantal sloopmeters. Als de nieuw te bouwen woning volgens verzoekers in strijd is met gemeentelijk beleid, dan had dat aangevoerd moeten worden bij de eerder verleende vergunning, die inmiddels onherroepelijk is.
9.3. Het college heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook kunnen volstaan met een beknopte motivering zoals is opgenomen in het bestreden besluit:
“Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Bij de aanvraag is de “Onderbouwing buitenplanse omgevingsplanactiviteit [perceel]” toegevoegd. Deze onderbouwing is reeds beoordeeld bij de verleende omgevingsvergunning van 14 januari 2025. Er is aangetoond dat er door het toevoegen van een woning sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wij onderschrijven deze onderbouwing.”
STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates
Berthy van den Broek, senior legal consultant bij RoyalHaskoningDHV en geassocieerd medewerker bij het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law van de Universiteit Utrecht, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3009) over de afwijzing van een verzoek om nadeelcompensatie, ingediend door een kwekerij van perenbomen. Het verzoek betrof schade ten gevolge van overstromingen in 2016, die volgens de kwekerij het gevolg waren van het project van het waterschap om de beken in het gebied anders in te richten. In de noot wordt toegelicht dat het aan de kwekerij is om aan te tonen dat de schade, die is veroorzaakt door zware regenval, zonder de uitvoering van de projecten zou zijn uitgebleven.
Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Midden-Nederland 2 juli 2026 Omgevingsvergunning woonunits, spuitzone, onvoldoende duidelijk is wat onder een ‘langdurig verblijf’ van mensen moet worden verstaan
Rb Gelderland 24 juni 2026 Verandering omgevingsvergunning beton- en asfaltcentrale, overgangsrecht Omgevingswet, functioneel ondersteunende activiteit, beleidsruimte ten aanzien van wijzigen voorschriften
Rb Midden-Nederland 10 juni 2026 Intrekking omgevingsvergunning, aanleveren onjuiste gegevens bij aanvraag niet aangetoond