Site icoon STAB

Jurisprudentie – week 39

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4549: Awb, Wro, Wabo; herstelbesluit, omgevingsvergunning, windpark, akoestisch onderzoek, motivering gehanteerde norm, SMB-richtlijn, dosishinderrelatie, jaargemiddelde dosismaat, WHO-richtlijnen,  woon- en leefklimaat, binnenwaarde, goede ruimtelijke ordening, Methode Miedema, cumulatieve geluidbelasting, relativiteitsvereiste, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4517: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, woningbouw, beschikbare parkeercapaciteit, nadere motivering, dubbelgebruik, salderingsregeling, behoefte, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4553: Awb, Wbb; handhaving, opslag afvalstoffen, afdekking, invorderingsbesluit, procesbelang
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4530: Awb, Wnb; opdrachtbesluit, beperking populatie, heckrunderen en zieke of gebrekkige konikpaarden, gebruik geweer, ontvankelijkheid, belanghebbendheid, verlengingsbesluit, niet tijdig aanleveren gronden, ontvankelijkheid, feitelijke werkzaamheden (Rb Midden­Nederland 22/47 en 22/48)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4524: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, jaarrond exploitatie 58 verblijfsaccommodaties, camping, reguliere voorbereidingsprocedure, begrenzing bebouwde kom, toepassing Bor  (Rb Limburg 21/1934)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4529:Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding/wijziging industrieel petrochemisch bedrijf, houtgestookte biomassa installatie en hete olie-fornuis, referentiesituatie, één project, andere stoffen, onherroepelijkheid vergunning, omvang referentiesituatie, begrenzing door beschikking, maximale depositie, AERIUS-berekening, intern salderen, 18 december-uitspraak, overgangssituatie(Rb Oost­Brabant 22/1454)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4552: Awb, Wro; bpl, wijziging agrarische bestemming, VAB, beperking metaalbedrijf, onuitvoerbaarheid bestemming
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, zonnepark, locatieonderzoek, vvgb, goede ruimtelijke ordening, m.e.r.-(beoordelings-)plicht, natuurlijke en landschappelijke waarden, provinciale verordening, compensatie, zonneladder, noodzaak, cultuurhistorische en archeologische waarden, soortenbescherming, hekwerk, straling en geluid, ecologisch onderzoek, nieuwe omgevingsvergunning (Rb Zeeland-West-Brabant 22/4321)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4546: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, vergroten woning, dakuitbouw, strijd met bpl, bouwhoogte, beschermd stadsgezicht, cultuurhistorische waarden, geen kenbare toetsing planregels, welstand, Bouwbesluit 2012, grondentrechter, fundering, Mor, moment aanlevering gegevens (Rb Den Haag 21/4137)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4560: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 2 windturbines, Mer-(beoordelings)plicht, definitie windturbinepark, SMB-richtlijn, besluit-mer-beoordelingsplicht, gebiedsbescherming, samenhang met zonnepark, stikstofdepositie, noodzaak, locatiekeuze, normen Activiteitenbesluit, geluidshinder,  laagfrequent geluid, woon- en leefklimaat, obstakelverlichting, provinciale verordening, begrip cluster, landschappelijke inpassing, natuurwaarden, belangenafweging
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4528: Awb; afwijzing parkeervergunning, parkeerverordening, vermelding in digitale systeem, besluit (Rb Amsterdam 22/893)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4520: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, vergunning APV, aanpassen openbare weg, bevoegdheid, duidelijkheid aanvraag, verkeersveiligheid (Rb Noord­Nederland 21/2604)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4554: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, tijdelijk plaatsen wandelkappen zijn gebouw volgens planregels, situering, aantasting omgeving (Rb Zeeland­West­Brabant 22/5093)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4555: Awb, Wnb; natuurvergunning, wijziging vergunning, melkrundveehouderij, Natura 2000-gebied, omvang referentiesituatie, emissie stalsysteem, intern salderen, Rav-emissiefactor, verschillen in stalsystemen (Rb Oost­Brabant 22/225)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4521: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 11 woningen, vooringenomenheid, ruimtelijke en stedenbouwkundige inpassing, parkeeroverlast, ontsluiting woningen, bodemverontreiniging, begrenzing bouwplan, herplantplicht (Rb Noord­Nederland 21/104)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4532: Awb, Tracéwet; planschade, woonark, waardevermindering, roerende zaak, discriminatieverbod, onderscheid roerend/onroerend, precisering v eerdere rechtspraak (Rb Rotterdam 21/4220)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4538: Awb, Wro; afwijzing verzoek tegemoetkoming planschade, woonschip, roerende zaak, BW, verschil roerend/onroerend (Rb Oost­Brabant 24/13)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556: Awb, Wnb; natuurvergunning, parkeerterrein, museum, landgoed, Natura 2000-gebied, stikstofdepositie, gevolgen nieuw project, passende beoordeling, intern salderen, 18 december-uitspraak, maximale gebruik parkeerterreinen, motiveringsgebrek (Rb Den Haag 21/4807 en 21/4971)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4534: Awb, Wro; wijzigingsplan, woningbouw, grasveld, woon- en leefklimaat, goede ruimtelijke ordening, verkeersoverlast, breedte ontsluitingsweg
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4548: Awb, Wro; bpl, woningbouw, omvang, gebiedsvisie, aantal woningen, stedenbouwkundige aansluiting, openheid, vleermuizen, stikstof, relativiteitsvereiste, ruimtelijke impact, woon- en leefklimaat, lichthinder verkeer,
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4518: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, milieuneutraal wijzigen inrichting, vleeskuikens, beroep op Richtlijn 2010/75/EU, toetsingskader (Rb Noord­Nederland 22/1984)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4536: Awb, Tracéwet; nadeelcompensatie, nieuwe tracé N18, maatstaven planschade, waardevermindering bedrijfswoning, taxatie, referentiewoningen, mogelijkheden tweede bedrijfswoning, ontbreken causaal verband, duur tijdelijke hinder, normaal maatschappelijk risico (Rb Overijssel 23/987)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4537: Awb, Wro; bpl, woningbouw, participatie, ontbreken zienswijzenota, groene karakter, voorwaardelijke verplichting, erfdienstbaarheid, zorgvuldigheidsbeginsel, quickscan, soortenbescherming, archeologische waarden, relativiteitsvereiste, parkeren, uitzicht
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4558: Awb, WVW1994; afwijzing verzoek verlagen maximumsnelheid, verkeersveiligheid, richtlijnen Duurzaam Veilig, verkeerstelling, motiveringsgebrek (Rb Noord­Nederland 23/824)
ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4539: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, woningbouwlocatie, belemmering bedrijfsactiviteiten, Bor, vergunningvrij bouwen, inrichting als erf, gevolgen inwerkingtreding Omgevingswet, mantelzorg, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4545: Awb, WVW1994; ontheffing gebruik fietspad door auto, verkeersveiligheid, belangenafweging (Rb Noord-Holland 22/5425)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4544: Awb, WVW1994; ontheffing verordening, gebruik fietspad, verkeersveiligheid, belangenafweging, toegangspas, proceskosten (Rb Noord-Holland 22/5427)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4542: Awb, Wro; afwijzing verzoek tegemoetkoming planschade, vervallen uit te werken bedrijfsbestemming,  passieve risicoaanvaarding, voorzienbaarheid, concreet beleidsvoornemen, geen openbaarmaking, wel kennisname via brief, benuttingsperiode, geen concrete pogingen realisering (Rb Limburg 21/68)
* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4557: Awb, Woo; verzoek openbaarmaking informatie boerenbedrijven, intrekkingsbesluiten, zorgvuldigheidsbeginsel, emissiegegevens, effectiviteit stikstofbeleid kabinet, veiligheid veehouders, belang openbaarmaking, jurisprudentie HvJ EU, milieu-informatierichtlijn, EVRM, Verdrag van Aarhus (Rb Overijssel 23/1128, 24/2508, 24/2510, 24/2700, 24/2516, 24/2697, 24/2513, 24/2511, 24/2539, 24/3538, 23/1159, 23/1263, 23/1302, 23/1304, 23/1321, 23/1350, 23/1359, 24/3540, 23/1362 en 24/2596)
* Rechtbank Noord-Holland 23 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10770: BW; verzoek voorlopig getuigenverhoor, Rv, verblijfsrecreatieterrein, realisatie 350 kampeermiddelen, omgevingsplan, voorlichting gemeente per e-mail, aankoop aandelen, interpretatie planregels, gewijzigd standpunt, maximum te bebouwen grondoppervlak, abbb, bestuursrechtelijke procedure, vertraging, schade, afwijzing verzoek
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 23 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5768: BW; vordering MOB  tot voeging, kg, vordering FDF legalisatie PAS-melders, Nbw 1998, collectieve vordering, kwalificatie optreden, niet-ontvankelijk
Rechtbank Overijssel 22 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5659: Awb, Wabo; vovo, sierteelt, strijd met omgevingsplan, verwijdering lelieschubben, begunstigingstermijn, onredelijk kort, onomkeerbare schade, belangenafweging
* Rechtbank Noord-Holland 22 september 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:10855: BW, kg, ontruiming caravanpark, herstructureringsplan, huurovereenkomsten beëindigd, diverse omgevingsvergunningen, ontbreken natuurvergunning, uitvoerbaarheid, 18 december uitspraak Afdeling, wachten op ontwerpbesluit, schorsing
* ABRvS 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4462: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, weigering omgevingsvergunning, uitbreiding koffierestaurant, bestemming verkeer, verkeersveiligheid, gelijkheidsbeginsel (Rb Amsterdam 23/6661)
* ABRvS 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4475: Awb, Waterwet; vovo, goedkeuring projectplan, herinrichting beekdal, melkveehouderij, vernatting, Kaderrichtlijn water, stikstofproblematiek, subsidie, schade, belangenafweging
ABRvS 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4476: Awb, Ow; vovo, wijzigingsbesluit, intrekking herziening exploitatieplan, aanleg groen en speelvoorzieningen, borging, belangenafweging, locatieregels, schorsing
* ABRvS 19 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4461: Awb, Wnb; vovo, natuurvergunningen, vissen op spiering, passende beoordeling, voedselvoorziening voor aangewezen vogelsoorten, belangenafweging, doelstellingen, voorzorgbeginsel, schorsing vergunningen (Rb Midden­Nederland 22/442, 22/444, 22/447 en 22/449)
* Rechtbank Overijssel 19 september 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:5637: Awb, Wet goed verhuurderschap; weigering handhaving, tweemaal verlenging beslistermijn, nieuwe wetgeving
* Con. AG HvJ EU 18 september 2025, ECLI:EU:C:2025:714: Richtlijn 2009/147/EG: prejudiciële verwijzing, aanleg nationale weg, behoud vogelstand, verbod opzettelijke verstoring vogels, maatregelen tot verbetering habitats, bewijs van doeltreffendheid,    uitsluiting wetenschappelijke twijfel, deskundigenadvies, artikelen 6, 14 en 16 Habitatrichtlijn
* ABRvS 18 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4405: Awb, Wnb; vovo, afwijzing verzoek intrekking natuurvergunning  dan wel opleggen verplichting, Natura 2000-gebied Groote Peel, passende maatregelen, stikstofdepositie, rechtszekerheid (Rb Oost­Brabant 23/3129)
* ABRvS 18 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4447: Awb, Wabo; vovo, weigering omgevingsvergunning, grondgebonden agrarisch bedrijf, bouwen loods, groothandelsactiviteiten, twijfel over bedoelingen, ordemaatregel, dwangsom (Rb  Gelderland 23/7357)
* Rechtbank Gelderland 17 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7723: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 130 woningen, herstelbesluit, verkeer, aanvullend onderzoek, goede ruimtelijke ordening, woon- en leefklimaat, uitzicht, einduitspraak na tussenuitspraak,
* Rechtbank Gelderland 17 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7724: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek handhaving, spuitzone, fruitteelt op kortere afstand dan 50 m, terugsnoeien laagstam-fruitbomen, overtreding, strijd met bpl
Rechtbank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5789: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsbezoek, verzoek om passende maatregelen, grondwateronttrekking, drainage landingsbanen voormalige luchtmachtbasis, Hinderwetvergunning, referentiesituatie, natuurvergunning niet nodig, vervanging pompen, voortzetten bestaand project, aanschrijvingsbevoegdheid, Bal, gevolgen staken drainage, onvoldoende  onderzoek motiveringsgebrek
* Rechtbank Rotterdam 18 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11128: BW; kg, onrechtmatig handelen, vordering tot bouwstop, appartementencomplex, schuurvorming in naastgelegen pand, belangenafweging
* Rechtbank Noord-Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3825: Awb; vovo, handhaving, bestuurlijke boete, spoedeisende bestuurlijke dwang, verwijderen stenen van gemeentegrond, ongedaan maken verharding, geen evident onrechtmatig besluit
*Rechtbank Midden-Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4928 : BW; toepasselijkheid Didam-I-arrest, overdracht gehuurd bedrijf aan derde, Grondwet, gelijkheidsbeginsel, toetsingsverbod, overdracht en indeplaatsstelling
* Rechtbank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5756: Sr, Wm; niet melden ongewone voorvallen,  freonlekkage,  lekkage polycarbonaatpoeder, verontreiniging door opruimen, gevolgen voor milieu, maatwerkvoorschriften, registratie, vrijspraak
* ABRvS 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4403: Awb; vovo, handhaving, invorderingsbesluiten, autohandel, Bal, begrenzing bedrijf, opslag containers (Rb Noord­Holland 24/7673)
* Rechtbank Rotterdam 17 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:11060: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen parkeergarage, samenhang met bpl, parkeerbehoefte, parkeerbalans
* Gerechtshof Amsterdam 16 september 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2424: BW; verzoek schadevergoeding, inspanningsverplichting bestemmingsplanwijziging, zorgwoning, aantal woningen, geen aanspraak op medewerking
* Rechtbank Oost-Brabant 16 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5769: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, kappen bomen, grondslag, windvang, vrijwaringszone-molenbiotoop, zwaarwegend maatschappelijk belang, onzorgvuldigheid, waarde bomen, ontbreken belangenafweging, motiveringsgebrek,
Rechtbank Noord-Nederland 16 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3813: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning, Natura 2000-activiteit, radar-helikoptervluchten, ontvankelijkheid, belanghebbendheid, afstand, geen feitelijke gevolgen
Rechtbank Noord-Nederland 16 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3769: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, kap en herplanting bos herplant op andere locatie, Boswet, grenzen bebouwde kom, Bal, start woningbouw
* Rechtbank Gelderland 15 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7682: Awb, Wabo; handhaving, sierteelt, opslag landbouwmachines, begripsbepalingen bpl, nevenactiviteit, ondergeschiktheid, ontbreken onderzoek, geen overtreding
Rechtbank Oost-Brabant 12 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5826: Awb, Ow; vovo, handhaving, wonen op recreatiepark, evenredigheid, krapte woningmarkt, medische toestand, begunstigingstermijn
* Rechtbank Noord-Nederland 12 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3780: Awb; vovo, evenementenvergunning, grootschaligheid, geluidsoverlast, beleid, geluidsnorm, flora&fauna
* Rechtbank Rotterdam 12 september 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:10802: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, fruitteeltbedrijf, hekwerk, welstand, onvoldoende belangenafweging, welstandsrapport, gelijkheidsbeginsel, motiveringsgebrek, tussenuitspraak
Rechtbank Noord-Nederland 12 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3812: Awb; vovo en kortsluiten, handhaving, hondenopvangservice, strijd met omgevingsplan, bestemming wonen, niet te vergelijken met gastouderopvang, geen bijzondere omstandigheden
* Rechtbank Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16724: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, veranderen brandcompartimentering, aanvraag, Bouwbesluit
* Rechtbank Den Haag 9 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16575: Awb; verzoek schadevergoeding, winkelpand, vernietiging handhavingsbesluit, onrechtmatige beheersmaatregel, gedwongen sluiting, vergoeding huurder, oorzakelijk verband, BW, ontbreken geluidsmelding, aangevraagd gebruik, Bouwbesluit,  geen ander rechtmatig besluit mogelijk, schade, procesorde, motiveringsgebrek, toewijzing verzoek
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 september 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5579: BW; legesbedrag, aanvraag omgevingsvergunning, legesverordening, projectkosten, grondslag heffing, hoogte bedrag, Gemeentewet, individualiseerbaar belang, onderdelen bouwkosten, begrip bouwwerk, transformatoren en de 20 kV-installatie geen constructieve elementen
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6019: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouw recreatiewoning, buiten behandelingstelling, termijn, geen vergunning van rechtswege
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:6022: Awb, Wabo; handhaving, prostitutieactiviteiten in woning, APV, invordering dwangsom, bevoegdheid, daderschap, hoorplicht, tijdsverloop, evenredigheid
* Rechtbank Limburg 9 september 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:9001: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, verbouw kantoren naar zorgappartementen/horeca, kruimelgevallenregeling, horeca-categorieën, Bor, bevoegdheid, goede ruimtelijke ordening, horeca-concept, geluid horecaterras, ontbreken onderzoek, motiveringsgebrek
* Rechtbank Den Haag 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16540: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, distributiecentrum, verbouwing/uitbreiding bedrijfspanden, afwijken bpl, Bor, parkeren, parkeernormen, verkeerssituatie
* Rechtbank Noord-Nederland 5 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3820: Awb, TwG; afwijzing aanvraag, vergoeding waardedaling, aardbevingsgebied, ligging buiten waardedalingsgebied, fysieke schade, beleidsregel, evenredigheidsbeginsel, relevantie WOZ-waarde
* Rechtbank Noord-Nederland 5 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3782: Awb; afwijzing handhavingsverzoek, overlast reclamebord, misbruik van recht, preventieve handhaving, geen eenduidige overtreder
* Rechtbank Noord-Nederland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3822: Awb, TwG; afwijzing aanvragen, vergoeding immateriële schade, aardbevingsproblematiek,  gehanteerde ondergrens, berekeningsmethode
* Rechtbank Midden-Nederland 3 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4792: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, legalisering gebruik, kleinschalige bedrijfsactiviteiten, kruimelgevallenregeling, goede ruimtelijke ordening, parkeerdruk, ontvankelijkheid
* Rechtbank Noord-Nederland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3763: Awb, TwG; afwijzing verzoek schadevergoeding, immateriële schade, aardbevingsproblematiek, gezinslid, gelijktrekking binnen huishoudens, PIA, minderjarigenregeling, bijzondere omstandigheid, onevenredigheid in behandeling, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Den Haag 3 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16657: Awb; verordening, afwijzing ligplaatsvergunning, drijvend terras bij woonboot, afmetingen, gelijkheidsbeginsel
# Rechtbank Noord-Nederland 1 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3829: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning, niet-concours hippique gerelateerde evenementen,  eerdere uitspraak, Bor, geluid, grenswaarden, Nota Limburg, avond- en nachtperiode, frequentie, cumulatie evenementen, op- en afbouw, doorlopende geluidsmetingen, representatieve bedrijfssituatie, omroepinstallatie, motiveringsgebreken
* Rechtbank Noord-Nederland 1 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3809: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, afwijken bpl, woningen in bebouwingslint, herstelbesluit, bouwhoogte, bouwen buiten bouwvlak, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5921: Awb, Ow; handhaving, prostitutieactiviteiten in woning, strijd met omgevingsplan, APV, geen overtreder, motiveringsgebrek
Rechtbank Oost-Brabant 27 augustus 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5848: Awb, Ow; voorkeursrecht gemeenten, deskundigenadvies, waardering woningen, ruwe bouwgrond, stijging prijs, bijstelling waardering
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5869: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag OBM, uitbreiding geitenhouderij, ontbreken m.e.r., Besluit-m.e.r., gezondheid, GGD-advies, VGO-onderzoek, voorzorgsbeginsel, vee-arme gebieden, motiveringsgebrek
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5912: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, acht woningen op bedrijventerrein, ruimtelijke inpassing, ontsluitingsweg, woonzorgvisie, verouderde onderzoeken, omgevingsdialoog, parkeerregels, ontbreken stikstofonderzoek, vertrouwensbeginsel, motiveringsgebreken
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5915: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, dakkapel, welstandsadvies, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3828: Awb, Wabo; handhaving, bouwwerken, kampeermiddelen, overtreding, geen uitvoering aan usp, dwangsom
* Rechtbank Noord-Nederland 29 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3808: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, kantoorpand, parkeren, anti-dubbeltelregel
* Rechtbank Noord-Nederland 29 juli 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3807: Awb; handhaving, illegale bouwwerken en verharding, gelijkheidsbeginsel, motiveringsgebrek
* Rechtbank Den Haag 27 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12034: Awb, Wabo; omgevingsvergunningen, padelbanen en geluidscherm, onderling overleg, zelf  in de zaak voorzien, toevoegen voorschrift
* Rechtbank Den Haag 13 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14249: Awb, Wabo; omgevingsvergunning dakopbouw met terras, afwijzing verzoek intrekking, VvE, vertrouwensbeginsel, belangenafweging
* Rechtbank Den Haag 20 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10482: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, verbouw bedrijfsruimte, appartementen, geen  exceptieve toetsing, aannemelijkheidstoets Bouwbesluit, noodzaak verbindingsweg en opstelplaats, brandveiligheidsadviezen
* Rechtbank Noord-Holland 19 juni 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:6717: Awb, Wabo; handhaving, oneigenlijk gebruik gemeentegrond, eigendomsverkrijging, verjaring, strijd met bpl, rechtszekerheid, algemeen belang, nadere motivering niet nodig, evenredigheidsbeginsel, lange duur gebruik
* Rechtbank Den Haag 14 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8454: Onteigeningswet; vordering vervroegde onteigening, pogingen minnelijke verwerving, voortgezet gebruik, mengvoederbedrijf, voorschot

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4529: Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding/wijziging industrieel petrochemisch bedrijf, houtgestookte biomassa installatie en hete olie-fornuis, referentiesituatie, één project, andere stoffen, onherroepelijkheid vergunning, omvang referentiesituatie, begrenzing door beschikking, maximale depositie, AERIUS-berekening, intern salderen, 18 december-uitspraak, overgangssituatie (Rb Oost-Brabant 22/1454)
5.4.  De Afdeling komt op grond van de hoger beroepsgronden van SABIC en het college, anders dan de rechtbank, tot het oordeel dat de bmi en de andere bedrijfsactiviteiten van SABIC wel als één project moeten worden aangemerkt. Daartoe acht de Afdeling het volgende van belang.
Het college en SABIC hebben aangegeven dat, anders dan de rechtbank veronderstelt, het uitdrukkelijk niet de bedoeling is dat de Cogen2 en de bmi en het hete olie-fornuis structureel tegelijkertijd in werking zijn. De bmi en het hete olie-fornuis dienen samen ter vervanging van de Cogen2. Die laatste installatie wordt nu gebruikt voor het opwekken van stoom, stroom en het verwarmen van olie. De opwekking van stoom en het verwarmen van olie vindt straks plaats in twee losse installaties, namelijk de bmi voor stoom en het hete olie-fornuis voor het verwarmen van olie. Als die installaties goed functioneren, dan zal Cogen2 worden verwijderd. Hete olie en door de bmi opgewekte stoom zijn noodzakelijk om de bedrijfsactiviteiten van SABIC te kunnen blijven uitvoeren. Naar zijn aard zijn het hete olie-fornuis en de bmi dan ook niet te onderscheiden van de andere bedrijfsactiviteiten en bedrijfsinstallaties van SABIC.
Ook heeft SABIC op de zitting toegelicht dat er geen sprake is van een ruimtelijke scheiding. De bmi wordt geplaatst nabij de haven, zodat de aanvoer van houtpellets efficiënter en veiliger kan verlopen. Deze haven wordt op dit moment ook al gebruikt door SABIC voor de aanvoer van chemische stoffen. Daarnaast zijn de gronden tussen de haven en de fabrieksinstallaties van SABIC op dit moment niet ongebruikt. Er liggen meerdere ondergrondse leidingen die de aangevoerde chemische stoffen vervoeren naar de bijbehorende installatie van SABIC. Ook is nabij de haven een brandweeroefenterrein gevestigd, dat in gebruik bij SABIC is. Gelet hierop volgt de Afdeling het betoog van het college en SABIC dat geen sprake is van een ruimtelijke scheiding. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.
Weliswaar heeft de rechtbank terecht overwogen dat een deel van de stoom die wordt opgewekt door de bmi zal worden geleverd aan Cargill, maar SABIC en het college hebben terecht betoogd dat dit niet maakt dat de bmi niet behoort tot het project SABIC. Daartoe hebben zij terecht aangevoerd dat het merendeel van de stoom zal worden gebruikt voor de eigen fabrieksinstallaties. Daarnaast heeft SABIC de controle en het beheer over de bmi.
Afsluitend acht de Afdeling het feit dat er andere methodes zijn van stoomopwekking of andere installaties kunnen worden gebruikt voor stoomopwekking, niet doorslaggevend voor de beantwoording van de vraag of de gekozen methode, in dit geval de bmi, behoort tot het project van SABIC.
8. Het college en SABIC betogen dat de rechtbank ten onrechte de rechtmatigheid van de natuurvergunning uit 2016 heeft beoordeeld. Volgens het college is deze natuurvergunning onherroepelijk. Het feit dat bij de natuurvergunning uit 2016 een melding op grond van de Wet milieubeheer niet zou zijn betrokken, is een betoog dat tegen de natuurvergunning uit 2016 had moeten worden ingebracht, zo brengen het college en SABIC naar voren.
Het college en SABIC betogen ook dat de melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer niet relevant is voor het bepalen van de referentiesituatie. De veranderingen leiden niet tot een wijziging waardoor op de locatie minder wordt toegestaan. Ter onderbouwing wijst het college op twee uitspraken van de Afdeling: 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1775 en 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874.
SABIC betoogt aanvullend dat de rechtbank ten onrechte het feitelijke gebruik van de Cogen2 heeft betrokken als uitgangspunt voor het bepalen van de omvang van de referentiesituatie.
8.1. Zoals uiteen is gezet onder 18 in de 18 december-uitspraak, wordt de referentiesituatie ontleend aan de natuurvergunning voor het toegestane project op de locatie waar de beoogde activiteit is voorzien. De referentiesituatie wordt bij het ontbreken van een natuurvergunning ontleend aan de milieutoestemming die gold op de referentiedatum (dat is het moment waarop artikel 6 van de Hrl van toepassing werd op het betrokken Natura 2000-gebied). Onder het verlenen van een milieutoestemming moet de vergunning of de melding op basis van de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet worden verstaan. Wanneer daarna een milieutoestemming is verleend voor een activiteit met minder gevolgen voor Natura 2000-gebieden dan de op de referentiedatum toegestane activiteit, dan wordt de referentiesituatie ontleend aan die latere toestemming.
Een referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd.
8.2. Anders dan de rechtbank ziet de Afdeling in wat hierboven uiteengezet is, geen ruimte voor het oordeel dat de referentiesituatie niet mag worden ontleend aan de natuurvergunning uit 2016, omdat deze een evidente fout zou bevatten. Daargelaten de vraag of dit zo is, is de natuurvergunning uit 2016 een onherroepelijke vergunning die mag worden ingezet als referentiesituatie, tenzij deze is vervallen of geëxpireerd. Van dat laatste is niet gebleken. Voor zover de rechtbank met haar oordeel heeft willen aangeven dat met een ontoereikend passend beoordeelde vergunning niet intern mag worden gesaldeerd, verwijst de Afdeling naar haar oordeel onder 7.1.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4559: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, zonnepark, locatieonderzoek, vvgb, goede ruimtelijke ordening, m.e.r.-(beoordelings-)plicht, natuurlijke en landschappelijke waarden, provinciale verordening, compensatie, zonneladder, noodzaak, cultuurhistorische en archeologische waarden, soortenbescherming, hekwerk, straling en geluid, ecologisch onderzoek, nieuwe omgevingsvergunning (Rb Zeeland-West-Brabant 22/4321)
7.3. (…)   Verder moet het college bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, inclusief de daarin opgenomen locatie. Dat betekent onder meer dat, als het project op zichzelf aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven alleen dan tot weigering van de vergunning kan leiden, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. De Afdeling verwijst in zoverre naar haar uitspraak van 29 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:340, onder 12 t/m 12.3.
7.4.  Zoals hiervoor is vermeld, heeft het college de aanvraag beoordeeld en mede aan de hand van de ruimtelijke onderbouwing in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening geacht. Daarnaast heeft de raad van de gemeente Oosterhout het zonnepark niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening geacht en een verklaring van geen bedenkingen afgegeven (zie hiervoor onder 7.2). Anders dan de rechtbank, ziet de Afdeling in wat MVO heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de locatie de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Uit wat MVO heeft aangevoerd volgt namelijk niet dat er alternatieve locaties zijn waarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Weliswaar heeft MVO in het beroepschrift van 7 september 2022 alternatieve locaties vermeld, maar daarbij is niet onderbouwd dat daarmee een gelijkwaardig resultaat kan worden behaald met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarbij wijst de Afdeling erop dat het aan degene is die stelt dat er alternatieven zijn om deze alternatieven te benoemen en aannemelijk te maken dat op voorhand duidelijk is dat verwezenlijking van het alternatief een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren oplevert. De Afdeling verwijst in zoverre naar haar uitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3112, onder 15.3. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
9.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie ook voormelde uitspraak van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770, onder 3.2) hangt het antwoord op de vraag of sprake is van een landinrichtingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. ervan af of de ontwikkeling in het buitengebied een voldoende substantieel karakter heeft. Daarbij heeft de Afdeling erop gewezen dat in zijn algemeenheid geen uitspraak is te doen over de vraag wanneer sprake is van een ontwikkeling met een voldoende substantieel karakter. Dit hangt af van de feiten en omstandigheden van het geval. Het zonnepark dat in deze procedure mogelijk wordt gemaakt, heeft een totale oppervlakte van 37 ha. Rond het park wordt een hekwerk geplaatst en binnen het park wordt een weg aangelegd en wordt een centraal gelegen bosareaal verwijderd en elders gecompenseerd. Gelet op deze omstandigheden en op de oppervlakte van het zonnepark, heeft het project een substantieel karakter. De Afdeling oordeelt daarom dat sprake is van een landinrichtingsproject als bedoeld in onderdeel D9 van de bijlage bij het Besluit m.e.r. In dit geval worden de daarbij in kolom 2 vermelde zogenoemde drempelwaarden niet overschreden. Het college heeft dan ook ten onrechte geen vormvrije m.e.r.-beoordeling verricht.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4546: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, vergroten woning, dakuitbouw, strijd met bpl, bouwhoogte, beschermd stadsgezicht, cultuurhistorische waarden, geen kenbare toetsing planregels, welstand, Bouwbesluit 2012, grondentrechter, fundering, Mor, moment aanlevering gegevens (Rb Den Haag 21/4137)
11.5.  Artikel 2.7 van de Mor biedt de aanvrager de mogelijkheid om bepaalde gegevens uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de desbetreffende handeling te overleggen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:112, onder 4.1, moet er op het moment van vergunningverlening echter wel duidelijkheid bestaan over de hoofdlijn van de constructie. Het is aan het college om te beoordelen of er voldoende gegevens en stukken bij de aanvraag zijn ingediend om een besluit op de aanvraag te nemen. De toets aan het Bouwbesluit 2012 die het college moet uitvoeren is een aannemelijkheidstoets. Het college komt beoordelingsvrijheid toe bij de beantwoording van de vraag of op basis van de door aanvrager overgelegde stukken aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorschriften van het Bouwbesluit. Dit betekent dat niet hoeft te zijn aangetoond dat aan het Bouwbesluit wordt voldaan.
11.6.  De Afdeling stelt vast dat [belanghebbende] bij de aanvraag van 29 juni 2020 tekeningen heeft overgelegd met onder andere de maatvoering en materiaalgebruik voor het bouwplan. De Afdeling overweegt dat de aanvraag en de daarbij verstrekte gegevens en bescheiden geen kenbare informatie over de fundering en de draagkracht daarvan bevatten. Het college heeft in dit geval met de gegevens waarover hij beschikte daarom niet aannemelijk kunnen achten dat het bouwplan, wat betreft de hoofdlijn van de constructie dan wel het constructieprincipe, aan het Bouwbesluit 2012 voldoet. Op grond van artikel 2.7 van de Mor mogen die gegevens en bescheiden niet op een later moment worden aangeleverd. Het college heeft daarom ten onrechte toegestaan dat [belanghebbende] deze gegevens uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor de start van de uitvoering van de bouw overlegt. In het besluit op bezwaar van 3 mei 2021 is de omgevingsvergunning ook op dit punt in stand gelaten. Pas daarna, hangende het beroep bij de rechtbank, is het rapport “Statische berekening, verbouwing woonhuis [locatie A] Den Haag” (hierna: het rapport) van Broersma Bouwadvies van 23 augustus 2021 bij het college ingediend. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4560: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 2 windturbines, Mer-(beoordelings)plicht, definitie windturbinepark, SMB-richtlijn, besluit-mer-beoordelingsplicht, gebiedsbescherming, samenhang met zonnepark, stikstofdepositie, noodzaak, locatiekeuze, normen Activiteitenbesluit, geluidshinder,  laagfrequent geluid, woon- en leefklimaat, obstakelverlichting, provinciale verordening, begrip cluster, landschappelijke inpassing, natuurwaarden, belangenafweging
18.5. In wat is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor de conclusie dat het college zich niet redelijkerwijs op het standpunt heeft mogen stellen dat de twee nieuwe windturbines kunnen worden aangemerkt als onderdeel van een cluster met het bestaande windturbinepark.
Dat de onderlinge afstand tussen de te realiseren windturbines groter is dan de afstand tot de dichtstbijzijnde bestaande windturbine maakt dit niet anders. Het college heeft zich zoals gezegd gebaseerd op een tiental visualisaties, waarbij op verschillende schaalniveaus is gekeken naar de aard, schaal en de onderlinge samenhang tussen de bestaande en de twee nieuwe windturbines. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat bij het voorliggende windturbineproject een lijnopstelling is gehanteerd die het landschapselement A59 volgt, en die in lijn is met de verkavelingsrichting. Daarbij geldt dat, zeker vanaf grotere afstand (2-5 km) de opstelling van de windturbines niet direct als zelfstandige, samenhangende opstelling herkenbaar is. De verschillen tussen de toegepaste turbinetypen zijn op dit schaalniveau niet altijd goed waarneembaar. Afhankelijk van de positie van de waarnemer én van het toe te passen type turbine zal duidelijk, dan wel minder duidelijk waarneembaar zijn dat het om twee zelfstandige opstellingen gaat. Zeker vanaf wat grotere afstand oogt het geheel als één cluster van meerdere windturbines.
Wat is aangevoerd geeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het college het windturbineproject niet als cluster heeft mogen aanmerken met het bestaande windturbinepark op het bedrijventerrein Weststad III. Gelet hierop is geen sprake van strijd met artikel 3.37, eerste lid, onder b, van de IOV.
Dat de beide windturbineprojecten in samenhang beschouwd niet kunnen worden aangemerkt als één windturbinepark in de zin van het Besluit mer, maar wel als een cluster in de zin van de IOV, leidt naar het oordeel van de Afdeling niet tot een inconsistentie of discrepantie in de besluitvorming. Dit zijn namelijk twee verschillende (wettelijke) kaders met ieder een eigen doel.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4528: Awb; afwijzing parkeervergunning, parkeerverordening, vermelding in digitale systeem, besluit (Rb Amsterdam 22/893)
5. Verder betoogt het college dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vermelding van de einddatum van de bewonersvergunning in het digitale overzicht van de accountgegevens van [wederpartij] een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Daartoe voert het college aan dat de registratie van de einddatum van de vergunning een geautomatiseerde, feitelijke handeling is. De registratie is geen schriftelijke beslissing die gericht is op het tot stand brengen van rechtsgevolg. Het rechtsgevolg van het vervallen van de vergunning volgt van rechtswege uit het niet tijdig voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting. Daarvoor verwijst het college naar artikel 27, tweede en zevende lid, en artikel 38 van de Parkeerverordening 2013.
5.2. Uit het voorgaande volgt dat de bewonersvergunning vervalt door het verstrijken van de geldigheidsduur. De geldigheidsduur loopt af na zes maanden, wanneer deze niet stilzwijgend wordt verlengd. De geldigheidsduur wordt niet verlengd wanneer niet voldaan wordt aan de bij of krachtens de verordening gestelde voorwaarden en wanneer de verschuldigde parkeerbelasting niet tijdig is voldaan.
5.3. Bij beantwoording van de vraag of de registratie van de einddatum van de bewonersvergunning een besluit is, is bepalend of die registratie gericht is op een rechtsgevolg. Dat is het geval als een bestuursorgaan een verandering beoogt in een bevoegdheid, recht, verplichting of status van een persoon of zaak.
In het geval van [wederpartij] gaat aan de beëindiging van zijn bewonersvergunning en de registratie van de einddatum de vaststelling vooraf dat hij niet in aanmerking komt voor een – stilzwijgende – verlenging van de vergunning omdat hij de verschuldigde parkeerbelasting niet tijdig zou hebben voldaan. Deze vaststelling is op rechtsgevolg gericht, namelijk dat de vergunning niet wordt verlengd, waardoor de vergunning vervalt na het verstrijken van de geldigheidsduur. Daarmee is sprake van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Dat de registratie van de einddatum van de vergunning in het digitale overzicht van de accountgegevens van [wederpartij] een geautomatiseerde, feitelijke handeling is, maakt dit niet anders. Hiermee is het besluit van het college om de bewonersvergunning niet te verlengen schriftelijk vastgelegd.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4554: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, tijdelijk plaatsen wandelkappen zijn gebouw volgens planregels, situering, aantasting omgeving (Rb Zeeland­West­Brabant 22/5093)
7.1.  De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte overwogen dat de wandelkappen niet zijn aan te merken als gebouw in de zin van artikel 1.79 van de planregels. Uit deze planregel volgt dat onder gebouw wordt verstaan ‘elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt’. De rechtbank is ten onrechte onder verwijzing naar de aard, het uiterlijk en de schaal van de wandelkappen tot de conclusie gekomen dat hieraan niet wordt voldaan. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen de wanden en het dak van de wandelkappen. De wandelkappen bestaan uit een constructie van aan weerszijden verticaal afgeplatte bogen (ribben) waarover folie van transparante kunststof is gespannen. De bogen zijn bevestigd in schroefankers, die in de grond geplaatst worden. De wandelkappen hebben, bij een breedte van ruim 6 m, een bouwhoogte van ongeveer 3 m en zijn daarmee voor mensen toegankelijk. Verder zijn de wandelkappen gelet op het vorenstaande overdekt en voorzien van twee wanden, waardoor het geheel een gedeeltelijk omsloten ruimte vormt. Of de voor- en achterzijde open zijn, kan daarbij in het midden blijven. De wandelkappen voldoen daarom aan de definitie van gebouw in de zin van artikel 1.79 van de planregels. Dit betekent dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van strijd met artikel 8.2.2, aanhef en onder a, van de planregels en dat tevens een omgevingsvergunning voor afwijken nodig is, zodat de aanvraag mede als een aanvraag daarvoor had moeten worden opgevat.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4532: Awb, Tracéwet; maatstaven planschade, woonark, waardevermindering, roerende zaak, discriminatieverbod, onderscheid roerend/onroerend, precisering v eerdere rechtspraak (Rb Rotterdam 21/4220)
14. Voor het in artikel 6.1, eerste lid, van de Wro gemaakte onderscheid tussen roerende en onroerende zaken bestaat, gelet op het doel van de planschaderegeling, een objectieve en redelijke rechtvaardiging. De Afdeling overweegt ter precisering van haar eerdere rechtspraak hierover (uitspraken van 14 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:32, en 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3750) het volgende.
15. De op de Wro gebaseerde planologische maatregelen strekken er, in essentie en voor zover hier van belang, toe de bestemming van grond te regelen en met het oog op die bestemming regels te geven. Grond is per definitie onroerend. De in de Wro opgenomen planschaderegeling strekt er, samengevat, toe te voorzien in compensatie van planschade die is veroorzaakt door een planologische ontwikkeling op de grond van de aanvrager om een tegemoetkoming in planschade, dan wel als gevolg van een planologische ontwikkeling op de grond van derden.
16. Het verschil tussen roerende zaken en gebouwen of werken die onroerend zijn, is gelegen in de omstandigheid dat die onroerende gebouwen of werken, anders dan een roerende zaak, duurzaam met de grond zijn verenigd. Als een gebouw of werk, blijkens de aard en de inrichting daarvan, niet duurzaam is verenigd met de grond waarop of waaraan het aanwezig is, bestaat er bij de toepassing van de planschaderegeling van afdeling 6.1 van de Wro geen aanleiding om er vanuit te gaan dat de waarde van dit gebouw of werk mede beïnvloed wordt door het planologische regime dat geldt voor de grond waarop of waaraan dit gebouw of werk aanwezig is, of door het planologische regime dat geldt voor de in de nabijheid daarvan gelegen gronden.
17. Anders dan [appellante] betoogt, wordt de eigenaar van een op het water gelegen woning, zoals een woonschip, door het onderscheid tussen roerende en onroerende zaken niet benadeeld ten opzichte van de eigenaar van een aan de wal gelegen woning. Enerzijds is een op het water aanwezig gebouw of werk dat duurzaam met de grond onder het gebouw of werk verenigd is onroerend. Anderzijds is een aan de wal aanwezig gebouw of werk dat niet duurzaam met de grond verenigd is een roerende zaak. Daarom is als gevolg van het in artikel 6.1 van de Wro gemaakte onderscheid geen sprake van een ongelijke behandeling van de eigenaar van een op het water gelegen woning ten opzichte van de eigenaar van een aan de wal gelegen woning.
18. Anders dan [appellante] betoogt, maakt de omstandigheid dat zij beschikt over voor onbepaalde tijd verleende, overdraagbare publiekrechtelijke ligplaatsvergunningen voor het hebben en onderhouden van haar woonark op een bepaalde locatie, niet dat haar positie voor de toepassing van artikel 6.1, eerste lid van de Wro vergelijkbaar is met die van een beperkt zakelijk gerechtigde als een erfpachter. Bij de toepassing van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro kan een publiekrechtelijke ligplaatsvergunning en de waarde daarvan niet op één lijn worden gesteld met een erfpachtrecht en de waarde daarvan. Een publiekrechtelijke ligplaatsvergunning maakt, anders dan een erfpachtrecht, in beginsel geen inbreuk op de exclusieve rechten van de eigenaar van de grond waarboven of waarnaast de woonark is gelegen, waaronder het exclusieve gebruiksrecht van de grond. Zo een publiekrechtelijke vergunning geeft de vergunninghouder in zoverre een mate van zekerheid dat deze woonark op de plaats waarvoor vergunning is verleend in beginsel kan blijven liggen en dat hij deze woonboot kan verkopen aan een derde die ook ter plaatse met vergunning kan blijven liggen, zolang de belangen die de publiekrechtelijke regeling, waarop de ligplaatsvergunning gebaseerd is, beoogt te dienen zich niet verzetten tegen het nog langer ter plaatse blijven liggen van deze woonark. Zo een vergunning biedt de eigenaar van een woonark en zijn eventuele rechtsopvolgers, anders dan een erfpachtrecht, geen zekerheid dat deze woonark op de plaats waarvoor ligplaatsvergunning is verleend kan blijven liggen, wanneer de eigenaar zich daar niet (langer) mee kan verenigen.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556: Awb, Wnb; natuurvergunning, parkeerterrein, museum, landgoed, Natura 2000-gebied, stikstofdepositie, gevolgen nieuw project, passende beoordeling, intern salderen, 18 december-uitspraak, maximale gebruik parkeerterreinen, motiveringsgebrek (Rb Den Haag 21/4807 en 21/4971)
6.2.  De Afdeling overweegt dat in het omgevingsrecht beroepsgronden in beginsel niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden aangevoerd. Maar anders dan het college heeft gesteld, zijn de betogen van MOB over de beoordeling van de gevolgen van het project en het additionaliteitsvereiste geen nieuwe beroepsgronden. Het zijn nadere argumenten die, gelet op de gewijzigde rechtspraak over intern salderen zoals neergelegd in de 18 december-uitspraak, een nadere onderbouwing zijn van het door MOB al eerder gevoerde betoog dat het college een onjuiste referentiesituatie heeft gehanteerd. In hoger beroep mogen ter onderbouwing van een bij de rechtbank aangevoerde beroepsgrond nieuwe argumenten worden aangevoerd. Er bestaat dan ook geen aanleiding om het betoog van MOB niet bij de beoordeling te betrekken.

* ABRvS 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4542: Awb, Wro; afwijzing verzoek tegemoetkoming planschade, vervallen uit te werken bedrijfsbestemming,  passieve risicoaanvaarding, voorzienbaarheid, concreet beleidsvoornemen, geen openbaarmaking, wel kennisname via brief, benuttingsperiode, geen concrete pogingen realisering (Rb Limburg 21/68
7.5.  De stichting heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, in de periode vanaf de ontvangst van de brief van 15 april 2008 tot de terinzagelegging van het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan op 26 oktober 2012,  de onder het oude planologische regime nog bestaande planologische mogelijkheden van het perceel buiten haar toedoen niet tijdig heeft kunnen benutten.
Dat het perceel een uit te werken bestemming had, zodat de stichting geen directe bouwtitel had, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor is van belang dat het college een uitwerkingsplicht had, waarbij de aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming in beginsel gegeven was, zodat het college slechts had te beoordelen of de inrichting van het uitwerkingsplan in overeenstemming was met de uitwerkingsregels en, voor zover de uitwerkingsregels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. De stichting had het in haar macht het college te bewegen aan de uitwerkingsplicht te voldoen door het indienen van een aanvraag tot het vaststellen van een uitwerkingsplan. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2799, onder 8.4. Niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die met zich brengen dat het college aan de uitwerkingsplicht voorbij had mogen gaan. Dat het college, gelet op de brief van 15 april 2008, niet langer invulling wilde geven aan de uit te werken bedrijfsbestemming op het perceel, deed niet af aan de juridische mogelijkheden van de stichting.
Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit de houding van het college niet dat het college de stichting ten onrechte heeft tegengeworpen dat zij, in de benuttingsperiode, geen concrete poging heeft ondernomen tot het realiseren van de nog bestaande planologische mogelijkheden voor bedrijven door middel van het indienen van een aanvraag tot het vaststellen van een uitwerkingsplan. Dat het college de stichting bij brief van 28 oktober 2008 heeft verzocht de ontwikkelingen in het kader van de herziening van het oude bestemmingsplan af te wachten, waarbij het college een definitief standpunt zou innemen over het verzoek van de stichting om verharding van de Bosweg ten behoeve van het realiseren van een bedrijventerrein voor zeven kleinschalige bedrijven, maakt dit niet anders. Van de zijde van het college is in die brief niet toegezegd dat de planologische situatie op het perceel, ondanks het beleidsvoornemen, niet zal veranderen. Verder valt uit de correspondentie tussen partijen niet af te leiden dat de stichting door het college op het verkeerde been is gezet. In dit opzicht is er een verschil met bijvoorbeeld het geval dat heeft geleid tot de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:939). In dat geval was tijdens de benuttingsperiode sprake van een voortdurend proces van overleg en onderhandelingen tussen partijen over de invulling van het desbetreffende terrein en wilde de gemeente zelfs tot aankoop van dat terrein overgaan. Volgens de Afdeling kon onder deze omstandigheden van de eigenaar van dat terrein niet worden verlangd dat hij in de benuttingsperiode een concrete poging ondernam tot het realiseren van de destijds nog bestaande planologische mogelijkheden van het terrein die naderhand zijn komen te vervallen. In het geval van de stichting zijn hiermee vergelijkbare omstandigheden niet aan de orde. Na de brief van 28 oktober 2008 zijn geen onderhandelingen gevoerd. Wel heeft de stichting bij brief van 4 september 2010, onder verwijzing naar de brief van 28 oktober 2008, het college herinnerd aan de toezegging om het perceel te behouden als groen overgangsgebied en het college verzocht om deze herziening van het bestemmingsplan zo spoedig mogelijk uit te voeren. De stichting heeft bij brieven van 1 december 2010 en 18 februari 2012 gerappelleerd bij het college. Bij een bespreking met het college op 3 maart 2012 heeft zij medegedeeld dat zij geen plannen meer heeft om het perceel te ontwikkelen voor bedrijvigheid. Dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, de stichting haar plannen vervolgens weer had kunnen wijzigen, is een aanname die dit niet anders maakt.

* Con. AG HvJ EU 18 september 2025, ECLI:EU:C:2025:714: Richtlijn 2009/147/EG;
prejudiciële verwijzing, aanleg nationale weg, behoud vogelstand, verbod opzettelijke verstoring vogels, maatregelen tot verbetering habitats, bewijs van doeltreffendheid,    uitsluiting wetenschappelijke twijfel, deskundigenadvies, artikelen 6, 14 en 16 Habitatrichtlijn
1)  Een verstoring van vogels die leidt tot een afname van de populatie van de verstoorde vogelsoorten, is alleen verenigbaar met artikel 5, onder d), van richtlijn 2009/147/EG inzake het behoud van de vogelstand wanneer deze populatie ondanks de verstoring op een bevredigend niveau blijft of wanneer kan worden aangenomen dat de verstoring het herstel van een bevredigend populatieniveau niet zal verhinderen. Bij de beoordeling van deze vraag mogen de lidstaten de effecten van maatregelen tot verbetering van habitats van de betrokken soort op een andere plaats mee in aanmerking nemen.
2) De complexe beoordelingen die in de gerechtelijke procedure noodzakelijk zijn voor de toepassing van het verstoringsverbod van artikel 5, onder d), van richtlijn 2009/147, mogen worden gebaseerd op onderbouwde deskundigenadviezen, die op hun beurt moeten berusten op de meest betrouwbare wetenschappelijke gegevens en de meest recente resultaten van internationaal onderzoek.

Rechtbank Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5789: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsbezoek, verzoek om passende maatregelen, grondwateronttrekking, drainage landingsbanen voormalige luchtmachtbasis, Hinderwetvergunning, referentiesituatie, natuurvergunning niet nodig, vervanging pompen, voortzetten bestaand project, aanschrijvingsbevoegdheid, Bal, gevolgen staken drainage, onvoldoende  onderzoek motiveringsgebrek
7.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan een referentiesituatie nog steeds worden ontleend aan een milieutoestemming als wordt voldaan aan de door de Afdeling gestelde randvoorwaarden, ongeacht de aard van de gevolgen van deze milieutoestemming. Met andere woorden, het maakt niet uit of het gevolg een stikstofdepositie betreft of een effect op de (grond)waterstand. Het is dus in beginsel mogelijk dat voor de drainage een referentiesituatie aan de Hinderwetvergunning wordt ontleend.
8.3. De aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb biedt een grondslag voor een algemeen verbindend voorschrift (zoals een provinciale omgevingsverordening), maar kan ook in individuele gevallen worden gebruikt. De rechtbank oordeelde in de uitspraak van 20 november 20244 dat artikel 2.4 van de Wnb geen grondslag biedt om een omgevingsvergunning in te trekken. De mogelijkheden om een omgevingsvergunning in te trekken, staan limitatief genoemd in artikel 2.33 van de Wabo. Op grond van de Wnb kunnen omgevingsvergunningen niet worden ingetrokken. Artikel 2.4, vierde lid, van de Wnb biedt wel een brede bevoegdheid om een individueel bedrijf te verplichten om het uitoefenen van een activiteit te staken of niet uit te voeren. Dit kan betekenen dat de uitoefening van een activiteit die op grond van een andere wettelijke toestemming zoals een omgevingsvergunning is toegestaan, moet worden gestaakt, ook al blijft de omgevingsvergunning dan wel ongewijzigd bestaan. Met andere woorden: het kan betekenen dat geen volledig gebruik mag worden gemaakt van de geldende omgevingsvergunning en dat beperkingen worden gesteld aan het gebruik van het gemaal. De rechtbank merkt in dit kader ook op dat artikel 2.4, derde lid, van de Wnb ook de minder verdergaande bevoegdheid geeft om handelingen slechts uit te voeren overeenkomstig de gegeven voorschriften. De Staatssecretaris was op grond van artikel 1.3, vijfde lid, van de Wnb bevoegd om gebruik te maken van de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb.
8.4. De Staatssecretaris is onder de Omgevingswet op grond van artikel 11.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), in combinatie met 4.12, tweede lid, onder 3 en 4 van het Omgevingsbesluit het bevoegd gezag om maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 11.9, in combinatie met 11.6 van het Bal te stellen in individuele gevallen. Artikel 11.9 van het Bal geeft de bevoegdheid maatwerkvoorschriften op te leggen ter invulling van de in artikel 11.6 opgenomen zorgplicht. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen hierbij ook minder verstrekkende voorschriften worden opgenomen over een minimale grondwaterstand en monitoring van de hoeveelheid water die wordt geloosd teneinde meer informatie te verkrijgen over de effecten van de drainage
8.5. Het meest verstrekkende verweer van de Staatssecretaris is dat artikel 2.4 van de Wnb geen bevoegdheid zou bieden om op verzoek van een derde individuele bedrijven aan te schrijven. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het intrekken van een natuurvergunning kan namelijk onderdeel uitmaken van een pakket aan passende maatregelen die er samen voor zorgen dat een verslechtering wordt voorkomen. Het college kan bij deze afweging ook de mogelijkheid betrekken om andere natuurvergunningen bij wijze van passende maatregel in te trekken, zodat bij een besluit tot intrekking van een natuurvergunning niet doorslaggevend is of dat op verzoek of ambtshalve is gedaan. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in rechtsoverweging 6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 20256.
8.10. De rechtbank is op basis van het LESA-rapport van oordeel dat het staken van de drainage in beginsel als een passende maatregel kan worden gekwalificeerd die kan worden getroffen om de (dreigende) verslechtering van het deelgebied De Bult tegen te gaan. De rechtbank is tevens van oordeel dat in beginsel ook andere passende maatregelen kunnen worden getroffen om de (dreigende) verslechtering van het deelgebied De Bult tegen te gaan. Noch in het bestreden besluit, noch daarna wordt inzichtelijk gemaakt of en zo ja welke andere maatregelen worden getroffen. Bovendien wordt in het LESA-rapport zelf aangegeven dat er onvoldoende informatie over de drainage op de luchtmachtbasis beschikbaar is. Uit de omstandigheid dat een vervolgonderzoek zal worden gedaan op de percelen tussen de luchtmachtbasis en het deelgebied De Bult leidt de rechtbank ook af dat nog niet vaststaat of met andere passende maatregelen het beoogde effect (het tegengaan van verslechtering door verhoging van de stijghoogte) kan worden bewerkstelligd. Verder wordt in het LESA-rapport aangegeven dat nog veel onduidelijk is over de omvang en de invloed van de drainage op de luchtmachtbasis. Als dat onduidelijk is, is ook onduidelijk of met andere passende maatregelen de (dreigende) verslechtering van het deelgebied De Bult tegen is te gaan.
8.12. De rechtbank concludeert dat de Staatssecretaris met de verwijzing naar het LESA-rapport onvoldoende heeft onderbouwd dat met andere passende maatregelen die worden genoemd in het rapport, alsmede met de andere maatregel met betrekking tot de beregening van agrarische percelen de (dreigende) verslechtering van de betrokken habitattypes in voldoende mate wordt tegengegaan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de Staatssecretaris met de enkele verwijzing naar het LESA-rapport niet inzichtelijk heeft gemaakt of andere passende maatregelen worden getroffen binnen afzienbare termijn en wanneer die passende maatregelen worden getroffen. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
8.13. Als het staken van de drainage op de luchtmachtbasis kan worden beschouwd als een relevante verbetering, wil dat nog niet zeggen dat het proportioneel is om zonder meer de door eiseres verlangde passende maatregel te treffen. De Staatssecretaris heeft de ruimte om hierover een afweging te maken. In dit verband verwijst de rechtbank naar rechtsoverweging 6 van de uitspraak van deze rechtbank van 16 april 2025. Naar het oordeel van de rechtbank is de afweging van de Staatssecretaris niet volledig. De Staatssecretaris heeft alleen afgewogen of het evenredig is om de drainage van de banen te staken. Echter zal ook meer bekend moeten zijn over het effect van de gevraagde passende maatregel (het beperken van de drainage). Hoe groter het effect, des te minder aanleiding om desondanks af te zien van het treffen van passende maatregelen. Bovendien is nog geen besluit genomen over de reactivering van de luchtmachtbasis. Als de luchtmachtbasis niet wordt gereactiveerd, zijn de belangen van Defensie minder groot. Tot slot heeft de Staatssecretaris niet onderzocht of op basis van artikel 2.4, derde lid, van de Wnb, respectievelijk artikel 11.9 en 11.6 van het Bal, voorschriften kunnen worden opgelegd die minder ver gaan dan het staken van de activiteit, zoals bijvoorbeeld voorschriften over de minimale grondwaterstand onder de banen en het meten van de hoeveelheid water die wordt onttrokken met de drainage.

* Rechtbank Midden-Nederland 17 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4928: BW; toepasselijkheid Didam-I-arrest, overdracht gehuurd bedrijf aan derde, Grondwet, gelijkheidsbeginsel, toetsingsverbod, overdracht en indeplaatsstelling
4.13. Kort en goed: omdat de indeplaatsstelling niet leidt tot een zuivere contractsovername in de zin van artikel 6:159 BW, en de medewerking van De Gemeente niet noodzakelijk is, is niet voldaan aan de door De Gemeente aangehaalde eisen voor de toepasselijkheid van de regels van het Didam I-arrest, te weten: (i) een bevoegdheid die krachtens het burgerlijk recht aan het overheidslichaam toekomt, en (ii) het aangaan of uitvoeren van een overeenkomst. De regels van het Didam I-arrest zijn dus niet van toepassing op een overdracht en indeplaatsstelling in de zin van artikel 7:307 BW.
4.15. Dat de regels van het Didam I-arrest niet van toepassing zijn, is volgens de kantonrechter ook in lijn met de ratio van artikel 7:307 BW (voorheen artikel 7A:1635 BW); het treffen van een oudedagsvoorziening door de huurder. Omdat de overdracht van het door de huurder in het gehuurde uitgeoefende bedrijf op initiatief van de huurder plaatsvindt, is het ook bezwaarlijk voor te stellen dat het uiteindelijk de verhuurder, in dit geval De Gemeente, is die door middel van het bieden van mededingingsruimte, het stellen van criteria en het doorlopen van de selectieprocedure bepaalt aan wie de huurder zijn onderneming moet overdragen. Vaststaat namelijk dat deze bevoegdheden, dat wil zeggen het optuigen van de selectieprocedure en het stellen van de criteria, bij het overheidslichaam zijn neergelegd en dat het overheidslichaam uiteindelijk kiest wie de “winnaar” is van de selectieprocedure.
4.16. De niet-toepasselijkheid van de Didam I-regels sluit verder aan bij de conclusie van Snijders bij het Didam II-arrest,13 waarin hij pleit voor een meer beperkte reikwijdte van het Didam I-arrest.14
4.17. De regels van het Didam I-arrest zijn dus niet van toepassing op de door [eiseres] gewenste overdracht en indeplaatsstelling in de zin van artikel 7:307 lid 1 BW.

* Rechtbank Noord-Nederland 3 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3822: Awb, TwG; afwijzing aanvragen, vergoeding immateriële schade, aardbevingsproblematiek,  gehanteerde ondergrens, berekeningsmethode
7.4.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het IMG hiermee voldoende onderbouwd waarom een totaal van twee punten, die niet enkel zien op de locatie, in combinatie met het PIA-profiel in alle gevallen tot de conclusie leidt dat een persoonsaantasting als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW, niet per definitie kan worden aangenomen. De lat voor het aannemen van een persoonsaantasting die in aanmerking komt voor vergoeding van immateriële schade, ligt in Nederland immers hoog. Psychisch onbehagen is onvoldoende om de persoonsaantasting aan te nemen. Duidelijk is ook, dat voor het aannemen van een persoonsaantasting in het kader van de aardbevingsproblematiek meer nodig is dan de enkele locatie van de woning, in combinatie met een persoonlijke verklaring over de beleving van de invloed die de aardbevingen hebben gehad (de PIA).
7.4.2. Hoewel er in de onderhavige zaak meer is, namelijk fysieke schade aan de woning ter hoogte van € 4.743,77, heeft het IMG genoegzaam gemotiveerd dat het enkele feit dat er meer relevante omstandigheden zijn, niet per definitie betekent dat daarmee ook een persoonsaantasting kan worden aangenomen. Het IMG heeft in deze toegelicht dat de fysieke schade die eisers aan hun woning hebben gehad, valt binnen de (sub)categorie die niet bijzonder afwijkt van normale, in Nederland vaker voorkomende gebreken in een woning. Het IMG wijst tevens terecht op de bewijslastverdeling: in beginsel is het aan eisers om de persoonsaantasting aan te tonen. Met het puntensysteem dat het IMG hanteert om een persoonsaantasting vast te stellen, is gepoogd de aanvrager tegemoet te komen in de onderbouwing van de aantasting van zijn persoon. Aan de hand van dit puntensysteem kan het IMG tot de conclusie komen dat de aard en ernst van de normschending dusdanig is, dat de nadelige gevolgen daarvan zó voor de hand liggen, dat een persoonsaantasting kan worden aangenomen. Dit betekent niet dat er in het geval van eisers geen sprake kan zijn van een persoonsaantasting. Het betekent enkel dat de persoonsaantasting niet zó voor de hand ligt dat deze op basis van het puntensysteem kan worden aangenomen. Het is dan vervolgens aan eisers om met nadere feiten en omstandigheden te komen om de persoonsaantasting aan te tonen. Daarvan is de rechtbank onvoldoende gebleken, zie ook onder 8.1. en verder.
7.4.3. De rechtbank oordeelt dat deze conclusie niet strijdig is met de hierboven genoemde rechtspraak van de HR en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Terecht heeft het IMG in de regeling de ondergrens voor toekenning van immateriële schadevergoeding hoger gelegd dan bij twee punten.

# Rechtbank Noord-Nederland 1 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3829: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning, niet-concours hippique gerelateerde evenementen,  eerdere uitspraak, Bor, geluid, grenswaarden, Nota Limburg, avond- en nachtperiode, frequentie, cumulatie evenementen, op- en afbouw, doorlopende geluidsmetingen, representatieve bedrijfssituatie, omroepinstallatie, motiveringsgebreken
15.5. Voor zover het college stelt dat de STAB heeft aangegeven dat met een waarde van 85 dB(C) bij woningen de grenswaarde van 50 dB(A) uit de Nota Limburg in woningen kan worden voldaan, leidt dat niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat de STAB in het rapport van 18 november 2021 heeft toegelicht dat met een gehanteerde waarde van 85 dB(C) bij woningen wellicht aan de grenswaarde van 50 dB(A) uit de Nota evenementen kan worden voldaan, maar dat daarmee nog niet is gezegd dat van de bassen (verschil tussen dB(A) en de dB(C) kan volgens de STAB in de woningen tot meer dan 20 dB oplopen) geen onduldbare hinder kan worden ondervonden. De rechtbank volgt het college dan ook niet.
18.1. De rechtbank overweegt dat het college voor wat betreft de nachtperiode in de weekenden heeft afgeweken van de Nota Evenementen, die volgens de Nota start om 23:00 uur. Het college heeft echter niet gemotiveerd waarom op vrijdagen en zaterdagen in de (verschoven) nachtperiode een geluidniveau van 80 dB(C) op de gevel toelaatbaar is. De enkele verwijzing naar de Nota Limburg dat de avondperiode kan worden verlengd en de nachtperiode daarmee kan worden opgeschoven acht de rechtbank niet voldoende. Het college heeft daarmee nog altijd niet gemotiveerd waarom een dergelijk geluidniveau toelaatbaar is, zodat niet wordt voldaan aan de uitspraak van de rechtbank uit 2023. Het betoog slaagt.
20.3 Ten aanzien van hetgeen door het college in het verweerschrift over de frequentie is gesteld, overweegt de rechtbank als volgt.
20.3.1. De rechtbank overweegt dat het college bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een aanvaardbare situatie, ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de (paardgerelateerde) (muziek)evenementen die op het terrein zelf plaatsvinden (de zogenoemde ‘ruiterballen’) en planologisch niet zijn toegestaan. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen uitvoering gegeven aan het advies van de STAB op dit punt, dat mede ten grondslag is gelegd aan de uitspraak van de rechtbank uit 2023.
20.4. Wat betreft de cumulatie met evenementen die buiten het terrein plaatsvinden, stelt de rechtbank vast dat het college een opsomming heeft gegeven van een aantal evenementen dat in een straal van twee kilometer rond het evenemententerrein heeft plaatsgevonden, dat er acht keer is afgeweken van de avondperiode en dat er gedurende een half jaar geen evenementen hebben plaatsgevonden. Het college heeft hiermee echter onvoldoende gemotiveerd waarom deze opsomming tot de conclusie leidt dat met het aantal vergunde dagen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De enkele stelling dat bij het college geen klachten bekend zijn is daarvoor onvoldoende aangezien dit door eisers gemotiveerd betwist is.
20.4.1. Bovendien heeft het college, anders dan de STAB in het advies van 18 november 2021 heeft toegelicht en waar de rechtbank in de vorige uitspraak naar heeft verwezen, alleen rekening gehouden met evenementen gelegen binnen twee kilometer gerekend vanaf het evenemententerrein. Daarmee ontbreekt nog altijd een specifieke beoordeling van mogelijke cumulatie voor woningen die in de invloedssfeer van meerdere evenementenlocaties liggen, zoals in het STAB advies is beschreven.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Midden-Nederland 15 mei 2025 Omgevingsvergunning milieu, de rechtbank oordeelt dat het college de 50%-regeling uit artikel 4, derde lid, van de Wgv terecht buiten toepassing heeft gelaten en de vergunning om die reden gedeeltelijk mocht weigeren
ABRvS 10 september 2025 Omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan, het plaatsen van reclameframes op netwerkkasten is geen vergunningvrije activiteit
Rb Midden-Nederland 5 september 2025 Boete vanwege overtreding van Arbowet, Brzo en Seveso-III richtlijn. Beoordeling of sprake is van een Brzo-inrichting aan de hand van de vergunning, niet aan de hand van de feitelijke opslag

Mobiele versie afsluiten