De rechtbank is van oordeel dat het college de 50%-regeling uit artikel 4, derde lid, van de Wgv terecht buiten toepassing heeft gelaten en de vergunning om die reden gedeeltelijk heeft geweigerd.

Casus

Eiser exploiteert een gemengd agrarisch bedrijf met onder andere melk- en kalfkoeien, kraamzeugen, gespeende biggen en vleesvarkens. Hij beschikt over een revisievergunning uit 2011. Eiser wil zijn bedrijfsvoering gedeeltelijk wijzigen, hij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor onder meer het bouwen van een varkensstal, het gedeeltelijk vervangen en uitbreiden van een rundveestal en het in werking hebben van de gewijzigde inrichting. Het college heeft de vergunning verleend met daarin een beperkend voorschrift dat feitelijk een gedeeltelijke weigering inhoudt voor het houden van meer dan 2.191 vleesvarkens en het houden van meer dan 640 gespeende biggen. Het college stelt zich op het standpunt dat eiser voor de uitbreiding van het aantal varkens geen gebruik kan maken van de 50%-regeling, omdat deze regeling onverbindend is. Het college heeft daarbij gewezen op de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 juni 2023 (ECLI:NL:RBOBR:2023:2931), waaruit kort samengevat volgt dat de 50%-regeling buiten toepassing moet worden gelaten omdat deze in strijd is met de Strategische Milieubeoordeling (SMB)-richtlijn.

Rechtsvragen

1. Heeft het college met de gedeeltelijke weigering de grondslag van de aanvraag verlaten?
2. Mocht het college de 50%-regeling uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) buiten toepassing laten?

Uitspraak

1. De rechtbank stelt voorop dat het college aan de gedeeltelijke weigering niet het bepaalde in artikel 2.31 en 2.31a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ten grondslag heeft gelegd. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt echter dat het bevoegd gezag moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend en de grondslag van de aanvraag dus niet mag verlaten. De mate waarin wordt afgeweken van de aanvraag is bepalend voor de vraag of de grondslag van de aanvraag wordt verlaten. Doorslaggevend is dus dat de verhouding tussen het gedeelte van de aanvraag dat is ingewilligd en het gedeelte dat is geweigerd niet zodanig is, dat moet worden geconcludeerd dat daarmee een andere inrichting ontstaat dan is aangevraagd.
Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat door de gedeeltelijke weigering van de aangevraagde dieraantallen geen wezenlijk andere inrichting, te weten een IPPC type C inrichting, ontstaat. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser met de verleende vergunning nog steeds 2.191 vleesvarkens en 640 gespeende biggen mag houden. Dit is een substantieel aantal varkens. Het geweigerde gedeelte van de dieraantallen, 1.494 vleesvarkens en 410 biggen, ligt lager dan het aantal vleesvarkens dat nog wel mag worden gehouden. Bovendien is door het college uitsluitend de uitbreiding van het aantal vleesvarkens en biggen geweigerd in verband met een overschrijding van de geurnorm. Het college heeft de aanvraag voor overige diersoorten wel volledig vergund. Dit brengt met zich dat eiser zijn melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee wel mag uitbreiden zoals aangevraagd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inrichting (een gemengde intensieve veehouderij) door de weigering niet van karakter verandert. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de rechtbank Oost Brabant van 19 december 2017. Gelet op het hiervoor beschreven toetsingskader mocht het college de aanvraag gedeeltelijk weigeren.

2. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat in de Wet stankemissie veehouderijen al een milieubeoordeling is uitgevoerd voor de in de Wgv opgenomen 50%-regeling. Voor zover artikel 3, vierde lid, van de Wgv zijn oorsprong vindt in de Wet stankemissie veehouderijen, ziet de rechtbank in de memorie van toelichting en het door eiser geciteerde deel daarvan geen strategische milieubeoordeling in de zin van de SMB-richtlijn. Uit de toelichting blijkt niet dat onderzoek is gedaan naar milieueffecten van de 50%-regeling en de soortgelijke regeling onder de Wet stankemissie veehouderijen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het oordeel van de rechtbank Oost-Brabant in de uitspraak van 16 juni 2023 dat aan de 50%-regeling in de Wgv ten onrechte geen strategische milieubeoordeling ten grondslag ligt, onjuist is.
(…)

Conclusie 50%-regeling
Uit de voorgaande overwegingen volgt dat het college naar het oordeel van de rechtbank de 50%-regeling terecht buiten toepassing heeft gelaten. Dit betekent dat het college in zijn bestreden besluit mocht overgaan tot een weigering van de uitbreiding van het aantal vleesvarkens en biggen in verband met een reeds bestaande overschrijding van de voorgeschreven geurnorm.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 15-05-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2025:2311
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder