Site icoon STAB

Jurisprudentie – week 18

Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2394: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouw gezondheidscentrum, levensloopbestendige appartementen, spoedeisend belang, schorsing uitspraak rechtbank, besluit tot verlening vergunning/herleeft, gebruikmaken vergunning, negatief besluit/geen onomkeerbare gevolgen (Rb Oost-Brabant 23/86, 23/140, 23/194, 23/295, 23/237, 23/255)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2396: Awb, Wegenwet; vovo, afsluiten parkeerterrein, karakter openbare weg, belangenafweging, toewijzing verzoek (Rb Oost-Brabant 23/250 en 23/272)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2358: Awb, Wro; vovo, bpl, beslist op beroep, geen sprake meer van geding, afwijzen verzoek
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2340: Awb, Wro; vovo en kortsluiten, bpl, supermarkt, woningbouw, parkeren, vervallen parkeerplaatsen, compensatie, privé-parkeerplaatsen, planologische mogelijkheden, representatieve invulling, gebruiksmogelijkheden, oppervlakte supermarkt, parkeerbehoefte ontwikkeling, oplossen bestaand parkeertekort, parkeerbalans, bruikbaarheid parkeerplaatsen, gemeentelijk beleid
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2410: Awb, Ontgrondingenwet; goedkeuring eindplan, zandwinningsgroeve, inrichting gebied na afronden zandwinning, voorschriften, provinciaal beleid, uitspraken Afdeling/oordeel maatschappelijke meerwaarde, referentiesituatie, natuurlijke inrichting gebied, ecotypen, vegetatie, infrastructuur, waterrecreatie, zandstrand en zwemgelegenheid/onduidelijkheid exploitatie, veiligheid, hellingen, borging treffen maatregelen, afspraken SOK, handhaving via publieke recht, concessiegrenzen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
# ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2438: Awb, Wro; wijzigingsplan, agrarische percelen, natuurbestemming, natuurontwikkeling, herinrichting stroomgebied, melkveebedrijf, gevolgen bedrijfsvoering, verbouwen mais en aardappelen, vernatten, ontvankelijkheid beroep, beroepschrift te laat, verschoonbaarheid termijnoverschrijding, bijzondere omstandigheden, publicatie digitale gemeenteblad, verkeerde been, wijzigingsvoorwaarde, aantasting gebruiksmogelijkheden nabijgelegen gronden, grondwaterstandsverandering, opbrengstderving, mitigerende maatregelen, hinder, veranderen grondwaterstanden, projectplan, koppeling, statische verwijzing, volgende fases herinrichtingsproject, geen bestuurlijke lus
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2441: Awb, Wro; bpl, buitengebied, actualisatie bestemmingsplannen, grotendeels conserverend, individuele ontwikkelingen, gebiedsbescherming, Natura 2000, stikstof, voortoets, significante effecten, passende beoordeling, natuurlijke kenmerken, objectieve gegevens, verschilberekening, ecologisch (veld)onderzoek, bouwverbod, stikstofneutraal, intern salderen, rechtspraakwijziging, afwijkingsbevoegdheid, referentiesituatie, gebruiksregels, provinciale verordening, werkzaamheden/gelegaliseerd, NNB, gewijzigde vaststelling, recreatiewoningen, omgevingsvergunning verleend, cultuurhistorische waarden, kinderdagverblijf/veehouderijen, GGD-advies, ladder voor duurzame verstedelijking, geen stedelijke ontwikkeling, shiitake-teelt/planologische mogelijkheden, gebruiksmogelijkheden, andere soorten paddenstoelen, natuurwaarden, ecologische waarden en kenmerken, geen bestuurlijke lus, snellere besluitvorming, buitenplanse omgevingsplanactiviteit, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2424: Awb, Wabo, Wet Bibob; intrekking omgevingsvergunning, transformatie naar kantoorgebouw, strafbaar feite, advies LBB, misbruik van procesrecht, procesbelang, Bibob-onderzoek, andere procedures, artikel 2.20 Wabo, betrokkene, feitelijke zeggenschap en invloed, ernstig gevaar, eerdere bouwactiviteiten, strafbare feiten, geen kennelijk onredelijk gebruik procesrecht, geen veroordeling proceskosten (Rb Midden-Nederland 21/340)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2411: Awb, Wabo; omgevingsvergunning slopen bestaande woning en realiseren nieuwe woning met bijgebouw, uitleg planregels, definitie “bijbehorend bouwwerk”, woonbestemming, hoofdfunctie, vergroten grondoppervlak, afwijkingsmogelijkheid, monumenten- en welstandscommissie, cultuurhistorische en ruimtelijke waarden, redengevende omschrijving, kruimelgevallenregeling, onderdeel 1, realiseren groter hoofdgebouw, uitbreiding bestaand gebouw, historische lintbebouwing, beschermd dorpsgezicht, uitspraak na judiciële lus
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2412: Awb, Wro; bpl, woningbouw, parkeren, parkeerdruk, herstelbesluit, plantoelichting, bezetting parkeerplaatsen, parkeerdruk, omvang geding, overwegingen tussenuitspraak/uitzonderlijke gevallen, afbakening directe omgeving, loopafstand, afwijking eigen uitgangspunt, nieuwe berekening, herstel geconstateerde gebrek, aantal parkeerplaatsen, parkeervakken, meetmomenten, representatief beeld, in stand laten rechtsgevolgen, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2437: Awb, Waterwet; handhaving, dwangsom, agrarisch bedrijf, telen gewassen, spoelbehandeling, overtreding, oppervlaktewaterlichaam, perceelsloot, watergang, legger, KRW, vrijstelling, Activiteitenbesluit milieubeheer, lozingsverbod, spoelproces, overtreder, controlerapport, analyse watermonsters, strekking last, invordering, controleerbare vaststelling/feiten en omstandigheden, deskundige persoon, bewijsmateriaal, rapportage/ondertekening, stroomsnelheid, analyserapport, bedrijfsvoering, toezicht, personeelshandboek (Rb Noord-Nederland 22/1182)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2430: Awb, Scheepvaartverkeerswet, Gmw, Wabo; verkeersbesluit, instellen ligplaatsverbod, woonboot, steiger, nautisch belang, externe veiligheidsrisico’s, veiligheid zwemmers, specialiteitsbeginsel, geen imperatief karakter, belangenafweging, afwijzing handhavingsverzoek bpl, uitleg bpl, begrip “extensief medegebruik”, geen definitie, normaal spraakgebruik, rechterlijke uitspraken, nauwelijks druk omgeving, feitelijke beoordeling, situatie ter plaatse, intensief medegebruik, afwijzing handhavingsverzoek APV, restcategorie, hinder, stemgebruik, nieuwe besluiten, verkeersbesluit/belangenafweging, handhavingsbesluit/opleggen last onder dwangsom, geen beroepsgronden, begunstigingstermijn (Rb Amsterdam 22/2207, 22/2208 en 22/4169)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2408: Awb, Wegenwet; afwijzing verzoek onttrekken aan openbaar verkeer, eigendom bebouwde kom, snelheidslimiet, profielverlegging, effecten nauwelijks minder, onrechtmatig handelen gemeente/burgerlijke rechter, belangenafweging, bpl/onherroepelijk, verkeersbestemming, luchtkwaliteit, geur, geluid, trillingen, afweging planologisch relevante aspecten/een gegeven (Rb Oost-Brabant 23/412)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2402: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, legaliseren bijgebouw, opstelplaatsen warmtepomp, airco-units, beoogd gebruik, reeds voltooid bouwwerk, omschrijving aanvraag, controlerapport, beleidsregels, stedenbouwkundig advies, devolutieve bespreking, belangenafweging, zicht, stedelijke omgeving, advies welstandscommissie (Rb Zeeland-West-Brabant 23/2535)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2422: Awb, Wro; bpl, uitbreiding akkerbouwbedrijf, vergroten bouwvlak, belangenafweging, bevestiging medewerker gemeente, vertrouwen, geldend bpl/geen blijvende rechten ontlenen, gewijzigde planologische inzichten, noodzaak, alternatieven, veranderingen regelgeving, Actieprogramma Nitraatrichtlijn, kalenderlandbouw, pesticiden, gemeentelijk beleid, verkeersveiligheid, verkeersbewegingen, geluid, trillingen, VNG-brochure, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, landelijke inpassing, soortenbescherming, participatie, wettelijke procedure, bekendmaking
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2409: Awb, Wabo; buiten behandeling stellen aanvraag omgevingsvergunning, opdelen woning, studiowoningen, ontbrekende gegevens, aanvullende gegevens, voldoende gegevens/beoordelingsruimte, aanvraag incompleet, aanvraagformulier gevolgen beschermde monumenten, overzichts- en detailfoto’s, alle gegevens aangeleverd, architect/professioneel gemachtigde, verschillende ambtenaren, tegenstrijdige of afwijkende informatie (Rb Den Haag 22/1631)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2415: Awb, Waterwet; bezwaar niet-ontvankelijk, projectplan, maatregelen verbeteren watersysteem, besluit, deel wijzigingen feitelijk uitgevoerd, verplichting vaststellen plan, belanghebbende, objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang, louter gevoel betrokkenheid, gevolgen van enige betekenis, afstand, gids, veel verblijven in projectgebied, sterk gevoel betrokkenheid, gelijkheidsbeginsel (Rb Zeeland-West-Brabant 24/194 en 24/195)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2421: Awb, Wro; bpl, woningbouw, planregels, waarborgen cultuurhistorische belangen, verkeer, en waterhuishouding, rechtszekerheidsbeginsel, herstelbesluit, voorwaardelijke verplichting/niet langer nodig, beschermende regeling, bouwvlakken/flexibiliteit, waterbergingsnorm, waterbergingscapaciteit, verhard oppervlak, berekening capaciteit, geen zienswijze, geen beroepsgronden, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2406: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, bouwen bedrijfswoning, strijd bpl, bestaande agrarische bedrijf, realisatie derde bedrijfswoning, uitleg planregels, letterlijke uitleg, rechtszekerheid, tekst op zichzelf voldoende duidelijk, afzonderlijk agrarisch bedrijf, melding Activiteitenbesluit milieubeheer, inschrijving KvK, UBN-nummer, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Noord-Nederland 22/2993)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2403: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; eis tot naleving, Arbeidsomstandighedenbesluit, blootstelling gevaarlijke stoffen, schoonmaken tankcontainers en tankopleggers, handschoenen/PVC, veiligheidsinformatieblad, werkgever, zorgen veiligheid en gezondheid werknemers, gevaarlijke stoffen, beschermingsmaatregelen, etiket product, polyvinyl alcohol, nitrile rubber, safety data sheet, onderzoeken (Rb Rotterdam 23/71)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2419: Awb, Wro; bpl, herziening, omissies, borgen vergunningen, nieuwe bestemmingen, ontbreken bouwvlak, stal, 93 jaar aanwezig, agrarisch bouwvlak, voorgaande bestemmingsplannen, overgangsrecht, nieuwe ontwikkelingen, gemeentelijk beleid, vertrouwensbeginsel, toerekening, begrenzingen bpl, beleidsruimte, ruimtelijke samenhang, kadastrale grens, aangrenzend aan bebouwde gebieden
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2427Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, schutting, bouwen en afwijken bpl, gelijkheidsbeginsel, gelijke behandeling gelijke gevallen, in relevant opzicht gelijk, omgevingsvergunning van rechtswege, geen ruimtelijke afweging, fout, niet herhalen fout, voorgevel, definitie planregels, bloemkoolwijk, kronkelende karakter weg, voordeur (Rb Zeeland-West-Brabant 23/156)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2432: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, vervangen ramen en kozijnen, strijd bpl, gevelindeling, gevelopeningen, letterlijk uitleggen planregels, rechtszekerheid, systematiek, begrip “gevelindeling”, niet gedefinieerd, aanwijzingen plansystematiek en plantoelichting, geen betekenis algemeen spraakgebruik, afwijking bestaande situatie, negatief advies, niet identiek aan oorspronkelijke ramen en kozijnen, materiaal en kleurstelling, evenredigheid (Rb Noord-Holland 23/1860)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2417: Awb, Gmw; exploitatievergunning, alcoholverstrekkend bedrijf, looptijd drie jaar, vergund terras/ingetrokken, karakter horecagelegenheid, bpl, definitie, maaltijdverstrekking, informele eetgelegenheid, menukaart, openingstijden, overlastmeldingen, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking, onjuist of onvolledig (Rb Amsterdam 22/4991 en 23/598)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2439: Awb, Wro; bpl met verbrede reikwijdte, BuChw, transformatie winkelcentrum, wijzigen toegelaten functies, aanpassen bouwmogelijkheden, woningbouw, verplaatsen supermarkt, huidige/toekomstige locatie, niet bestemd, exploitatie supermarkt/overgangsrecht, einde huurovereenkomst, geen belang behoud supermarktbestemming, initiatief, voldoende concreet, tijdig kenbaar gemaakt, clustering retail en horeca, concentratiegebieden, afwijkingsbevoegdheid, geen zienswijze, geëigende moment, gesprekken, behoefte, distributie-planologisch onderzoek
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2354: Awb, Wro; bpl, woningbouw, schoolgebouwen/gesloopt, beroepschrift ingediend, inhoud webformulier, parkeren, verdwijnen parkeerterrein, parkeernormennota, parkeerbehoefte, parkeertellingen, parkeerdruk, alternatief, geluidsreflecties, bomenkap
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2423: Awb, Gmw; afwijzing aanvraag parkeervergunning, gemeentelijke parkeerverordening, omgevingsvergunning eerdere eigenaar/onherroepelijk, garagebox eigen terrein, bouwtekening, normauto, parkeergelegenheid eigen terrein, afmeting, bouwverordening, vertrouwensbeginsel, herhalen gemaakte fout (Rb Noord-Holland 24/4302)
* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2433: Awb, Wro; bpl, uitbreiding fruitteeltbedrijf, bouw schuur met koelcel, belanghebbende, Varkens in Nood-jurisprudentie, zienswijze, relativiteitsvereiste, bieden inspraak, wettelijke procedure, fruitboomgaard, gebruiksovergangsrecht, uitzicht, provinciale verordening , tegengaan verstening en versnippering, woon- en leefomgeving
Rechtbank Oost-Brabant 29 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2691: Awb, Ow; bezwaar niet-ontvankelijk, programma, RES, duurzame polder, MER, afdeling 3.4 Awb, bezwaarschrift doorzenden/rechtbank, bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, rechtstreekse titel activiteit, memorie van toelichting/Invoeringswet Omgevingswet, niets direct mogelijk gemaakt, andere besluit, rechtbank, besluit/Awb, negatieve lijst
* Rechtbank Midden-Nederland 29 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1974: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, recycleplan, beleidsregel, invulling wettelijke bevoegdheid, artikel 229 Gemeentewet, heffing, inzameling en verwijdering afval, bestaande bestuursbevoegdheid, niet algemeen verbind, geen bindende werking derden, bestreden besluit/gebrek, passeren gebrek, exceptieve toetsing/geen besluit
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:178: Awb, Wet dieren; handhaving, invordering dwangsommen, Bhd, geen bezwaar dwangsombesluit, rechtmatigheid/staat in beginsel vast, uitzonderlijk geval, evident geen overtreding, onuitvoerbaarheid last, overtreder, geen houder, feitelijk en juridisch niet mogelijk/uitvoeren maatregelen, voortdurende of herhaalde handelingen, andermans woning
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:179: Awb, Wet dieren; handhaving, invordering dwangsommen, Bhd, bevoegdheid RVO, verbeuren dwangsommen, gronden/lod, uitzonderlijke gevallen, rapport van bevindingen, toezichthouder, ambtseed of ambtsbelofte, matiging, draagkrachtmeting, financiële gegevens
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:174: Awb, Msw; boete, rundveebedrijf, naleving gebruiksnormen, materiële bewijslast, grote kamer CBb, bewijsmaatstaf, memorie van toelichting, Uitvoeringsbesluit meststoffenwet, jaarlijkse mestproductie graasdieren, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, voeropname, forfaitaire normen, CDM, mestproductie, vrije bewijsleer, bedrijfsspecifieke gegevens, niet volledig, onvoldoende controleerbaar, correctie, stikstofvervluchtiging, forfaits, verschillende berekeningswijzen, legaliteitsbeginsel, bewijs, waarderen bewijsmiddelen, matiging boete/bijzondere omstandigheden, overschrijding redelijke termijn/matiging
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:181: Awb, Msw; boete, gebruiksnorm dierlijke meststoffen, landbouwbedrijf, melkvee, Handreiking BEX, materiële bewijslast, grote kamer CBb, bewijsmaatstaf, memorie van toelichting, stikstofcorrectie, vrije bewijsleer, correctie, stikstofvervluchtiging, bedrijfsspecifieke mestprocedure, geschikt en wetenschappelijk aanvaard, algemene wetenschappelijke rapporten, gelijkheidsbeginsel, legaliteitsbeginsel
* ABRvS 24 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2352: Awb; vovo, handhaving, dwangsom, spoedeisend belang, belangenafweging, belang schorsing, belang uitvoering lasten, niets afbreken, verbeurte dwangsommen, voorkomen huisvesten meer dan twee arbeidsmigranten, betrekkelijk eenvoudige wijze, invorderingsbesluiten, onomkeerbare gevolgen, afwijzing verzoek (Rb Oost-Brabant 25/2263 en 26/14)
Rechtbank Noord-Nederland 24 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1451: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, detailhandel, bouwen bouwwerk, belangen verzoekers, financiële belangen, verlies opgebouwde klantenkring, geen inkomsten/financiële verplichtingen, belangen college, voorlopig rechtmatigheidsoordeel, letterlijke uitleg planregels, rechtszekerheid, vervaardiging meubels en goederen, definitie meubelhandel, verkoop particulieren, onderzoek zicht op legalisering, bouwwerk, overtreding niet ter discussie, belangenafweging, inkomensschade, afwijzing verzoek
Rechtbank Midden-Nederland 24 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1831: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, verwijderen en verwijderd houden informatiebord, makelaarskantoor, overtreding, omgevingsplanactiviteit, omgevingsplan, bouwactiviteit, Besluit bouwwerken leefomgeving, vergunningplichtig, overgangsrecht, overtrederschap, eigenaar perceel, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, vertrouwensbeginsel, invordering, financiële draagkracht, betrouwbaar en volledig inzicht, financiële situatie, betalen verhaalde kosten
Rechtbank Midden-Nederland 24 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1798: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, brandveiligheidsvoorschriften, Besluit bouwwerken leefomgeving, kinderopvang, weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (WBDBO), nieuwbouw, verbouwen bouwwerk, rechtens verkregen niveau, motiveringsbeginsel, onjuiste verwijzing, gewijzigde gegevens en bescheiden, gebruiksmelding, feitelijke situatie, deuren, inwendige scheidingsconstructie, rookdoorgang, zelfsluitend, constateringen brandweer, brandwerende platen, Wet kinderopvang/adequate ventilatie slaapruimte, beginselplicht tot handhaving, vertrouwensbeginsel, toezegging, brandweercontrole, evenredigheid, enkel tijdsverloop, grote belang brandveiligheid, hoogte dwangsom, invordering, bijzondere omstandigheden, financiële draagkracht, financiële situatie, betalingsregeling, niet onrechtmatig, geen recht op schadevergoeding
* Rechtbank Overijssel 23 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2278: Awb, Msw; bestuurlijke boete, melkveehouderij, gebruiksnorm dierlijke mest, stikstofgebruiksnorm, fosfaatgebruiksnorm, mestverwerkingsplicht, verstrekken gegevens, mestvoorraad en mestproductie, Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, formele rechtskracht, forfaitaire normen, stikstofvervluchtiging, berekening bedrijfsspecifieke excretie, opbrengst snijmais, krachtvoer, gebruiksruimte/landbouwgrond, bevoegd tot opleggen boete, geen gronden voor matiging
* Rechtbank Noord-Holland 23 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4020: BW; kort geding, pastorie, gemeente/eigenaar aangrenzend gebouw, theater, akoestische en/of bouwkundige voorzieningen, geluidnormen omgevingsplan, Activiteitenbesluit milieubeheer, toezegging, spoedeisend belang, grondslag vordering, niet onrechtmatige hinder, nakoming gedane toezegging, meting, erfdienstbaarheid, akoestisch rapport, vele toezeggingen/prikkel kan niet worden gemist, dwangsom
* Rechtbank Midden-Nederland 23 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1977: BW; kort geding, voorgenomen verkoop door gemeente, perceel grond, Didam-arresten, openbare selectieprocedure, objectieve, toetsbare en redelijk criteria, abbb, gelijkheidsbeginsel, studentenhuisvesting, voldoende belang, rechtsvordering, niet-ontvankelijk, publicatie, vervaltermijn, verkoop grond overheidslichaam/geen vervaltermijn, aanbestedingsrecht, rechtsverwerking, enige serieuze gegadigde, selectiecriteria, oneigenlijke koppeling/verkoop en beleid, achteraf gekozen middel, vereiste objectiviteit, verzekeren onpartijdige behandeling, voorkomen willekeur, gebod/intrekking publicatie, verbod/uitvoering geven koopovereenkomst, gebod/voldoen vereisten Didam-arresten
* Rechtbank Midden-Nederland 22 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1796: BW; kort geding, incidentele vordering voeging, opvang asielzoekers, meewerken realisatie noodopvang, gedoogbesluit, geen bestuursrechtelijk middel, belanghebbende, verzoek tot preventieve handhaving, rechtsingang bestuursrechter, civiele rechter, restrechter, ontvankelijkheid vordering, crisis asielopvang, noodoproep minister van Asiel en Migratie, zwaarwegend humanitair en maatschappelijk belang, migratieopgave, bestemming/omgevingsplan, omgevingsvergunning, gedoogbeschikking/bestuursrechtelijke bescherming in de knel, tijdelijke maatregel, maatschappelijk belang, afwijzing vordering
* Rechtbank Amsterdam 22 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4051: Awb; vovo, evenementenvergunning, eindtijden, geluidsnormen, gemeentelijk geluidbeleid, dance achtig muziekprofiel, minimale rusttijd, advies omgevingsdienst, belangenafweging, treffen voorlopige voorziening
Rechtbank Oost-Brabant 22 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2502: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, realisatie bedrijfsverzamelgebouw, parkeren, parkeerregels omgevingsplan, parapluplan, parkeerbeleid, gebruiksfunctie, feitelijke gebruik bestaande bouw, bedoeling planregelgever, maximale planologische gebruik, CROW, afmetingen parkeerplaatsen, letterlijke uitleg planregel, rechtszekerheid, bruikbaarheid, Bpb-regelgever, indienen bezwaarschrift, tekst en totstandkomingsgeschiedenis, professionele gemachtigde, betekenisvolle aanvulling, zelf in de zaak voorzien/voorschrift
* Rechtbank Overijssel 21 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2200: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, grondwateronttrekking, vergunning, niet tijdig beslissen/alsnog beslist, geen afzonderlijk belang, niet-ontvankelijk, vergroting grondwateronttrekking, voortzetting, plaats waar en voorwaarden waaronder, continuïteit en identiteit, Aquapri, aanleg nieuwe transportleiding, reinwaterkelder, bestaande infrastructuur, nieuw project, overeenkomst, feitelijk gebruik, juridisch begrensd, juridische realiteit, referentiedatum
* Rechtbank Overijssel 21 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2199: Awb, Wnb; afwijzing verzoek treffen passende maatregelen, grondwateronttrekking, verslechteringsverbod, habitattype, vochtige alluviale bossen, NDA, model, peilbuizen, 0-meting, verslag ecologenoverleg, voorlopige resultaten, definitieve resultaten, te onzeker, onvoldoende onderbouwd
* Rechtbank Gelderland 21 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3030: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, veranderen overkapping buurperceel, bijgebouw, plaatsing vierde wand, lichte bouwvergunning, vergunningvrij, bijlage II bij het Bor, bpl, plankaart, begrenzing bestemmingsvlak, verschil lijndikte, gebruik bijgebouw, recreatieve doeleinden/niet toegestaan, foto’s toezichthouder, fiets, geen slaapverblijf, foto’s derde-partij, geen overtreding
* Rechtbank Gelderland 21 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3083: Awb; opleggen maatwerkvoorschriften, aanleveren geluidsonderzoek, melding Activiteitenbesluit milieubeheer, veranderen horecabedrijf, realiseren hotelkamers, ontbijtruimte en keuken, luchtbehandelingskasten en warmtepompen, ambtshalve beoordeling, BV/bezwaar, andere BV/beroep ingesteld, geen bezwaar gemaakt, niet gesteld/rechtsopvolger, verwijtbaar/geen bezwaar gemaakt, beroep niet-ontvankelijk
Rechtbank Gelderland 21 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3056: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bewoning bedrijfswoning, strijd omgevingsplan, last onder dwangsom ingetrokken, verhuizing en intrekking, procesbelang, onrechtmatige daad, burgerlijke rechter, feitelijke betekenis, belang van principiële aard, geen rechtens te respecteren belang, schade, onvoldoende aannemelijk gemaakt, verhuiskosten/vergoeding bijzondere bijstand, huur opslagbox, kosten omgevingsvergunning, servicekosten, bestuurlijke besluitvorming, eigen keuze, immateriële schade, kosten beroepsprocedure, niet-ontvankelijk
Rechtbank Gelderland 21 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3037: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, kamerverhuur onzelfstandige woonruimtes, TAM-voorbereidingsbesluit/vergunningplicht, parkeren, parkeerdruk, restcapaciteit, beleidsregels parkeren, parkeerbehoefte, deskundigenonderzoek, feitelijk geteld, woon- en leefmilieu, handhavend optreden politie, brandveiligheid, Besluit bouwwerken leefomgeving, financiële belangen omwonenden, verzoek om nadeelcompensatie, sociale veiligheid
Rechtbank Gelderland 21 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3020: Awb, Ow; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, honden, omgevingsplan, tijdelijk deel, bruidsschat, bestemmingsplannen, woonbestemming, ruimtelijke uitstraling, aard, omvang en intensiteit gebruik, beginselplicht tot handhaving, toepassen spoedeisende bestuursdwang, meldingen overlast, controles toezichthouders, gezondheid, acute sluiting en ontruiming, welzijn, geen bijzondere omstandigheden, controlerapport, kostenverhaalsbesluit, opvang, extra zorgkosten, Besluit houders van dieren/identificatiedocument, tarief, inflatie, marktomstandigheden, ontwikkelingen beroepspraktijk, daadwerkelijke kosten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3238: Awb, Ow; aanwijzing wateren als zwemwaterlocatie, badseizoen, procesbelang, ambtshalve beoordeling, zwemseizoen afgelopen, toekomstige besluitvorming, elk jaar aanwijzen, PFAS, zwemwaterrichtlijn, lidstaten, microbiologische parameters, Besluit kwaliteit leefomgeving, klasse “aanvaardbaar”, omgevingswaarde, controles, advieswaarden/geen omgevingswaarden, zorgplicht
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3254: Awb, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, APV, verwijdering deel conifeerhaag, belemmering bruikbaarheid weg, openbare weg, bestemming, open norm, passeren twee auto’s, te beperkte benadering, praktijk, plaatselijk beperking, objectieve maatstaven, weginrichting, verkeersveiligheid, geen overtreding, geen bevoegdheid tot handhavend optreden, zelf in de zaak voorzien, afwijzen handhavingsverzoek
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3234: Awb, Wabo; omgevingsvergunning energiehub met zonneweide, energie-opslagsysteem, Chw, ontvankelijkheid beroepen, Varkens in Nood-jurisprudentie, zienswijze ingediend, belanghebbende, communicatie, participatie, ladder voor duurzame verstedelijking, geen nieuwe stedelijke ontwikkeling, provinciale verordening, landschappelijke inpassing, zonneladder, RES, geluid, draagvlak, externe veiligheid, advies veiligheidsregio, lithium-ion accu’s, PGS 37-1, Wnb/relativiteitsvereiste
* Rechtbank Oost-Brabant 20 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2459: Awb, Wnb; afwijzing aanvraag tegemoetkoming vraatschade, grauwe gans, gewasschade, beleid, taxatie, bewijslast gestelde omvang schade/aanvrager, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, taxatieverslagen, taxatievoorschriften/richtlijnen, taxatieverantwoording, taxateursopleiding, schadebeeld, foto’s, beeldmateriaal, uitwerpselen, taxatieperiode
* Rechtbank Noord-Nederland 17 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1496: Awb, Wvw 1994; weigering nemen verkeersbesluit, afsluiten (gedeelte) weg, zwaar agrarisch verkeer, ontvankelijkheid beroep, beroepschrift niet ondertekend, mogelijkheid herstellen verzuim, ontvangstbevestiging griffier, goede procesorde, nadere stukken, BABW, plaatsen bord, schouwrapport, onderhouds- en zorgplicht, rechtszekerheid, burgerlijke rechter, staat weg, alternatieve route, beleidsregels, overleg, minnelijke oplossing, precedentwerking
* Rechtbank Rotterdam 17 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4919: Awb, Wabo, Woningwet; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, gevaarlijke situatie bij brand, intermediate bulkcontainers (IBC), Bor, Bouwbesluit 2012, overtreding, bevoegdheid, terstond, checklist handhaving met foto’s, metingen, gevaarsymbolen, veiligheidsbladen, veiligheidsregio, zeecontainer, kostenverhaal, hoogte bedrag, vervoersmiddelen, transportdocumenten, proefberekening, opvragen verschillende offertes/kiezen beste aanbod, bijzondere omstandigheden
Rechtbank Overijssel 17 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2129: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, nokverlegging, strijd bpl, geen bereidheid tot afwijken/bopa, overschrijding beslistermijn, bouwtekeningen, wijzigingen van ondergeschikte aard, wijziging aanvraag, bezwaarfase, stedenbouwkundige beeld, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, Besluit kwaliteit leefomgeving, beleidsruimte, stedenbouwkundige waarde symmetrische ensemble, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Overijssel 17 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2128: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, dakrandafscheiding (een balustrade) voor dakterras, bevoegdheid verlenen omgevingsvergunning, bindend adviesrecht, positief, vastgestelde lijst van gevallen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, nieuw/bestaand bouwwerk, bestaande bijbehorende bouwwerk, oude recht, technische bouwactiviteit, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, privacy, inkijk
Rechtbank Gelderland 17 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2997: Awb, Ow; omgevingsvergunning binnenplanse omgevingsplanactiviteit, toepassing binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, kamergewijze verhuur eengezinswoning, vluchtelingen met verblijfsvergunning, belanghebbende, procesbelang, gezamenlijk één beroepschrift, praktische overwegingen, toepassing binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, bpl/tijdelijk deel omgevingsplan, woon- en leefmilieu, verkeer, parkeren, verkeerskundige, beperking aantal bewoners, minimale vloeroppervlakte van woonruimtes/Besluit bouwwerken leefomgeving, geen eigenaar of gebruiker woning, relativiteitsvereiste
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3081: Awb, Wm; opleggen maatwerkvoorschriften, Activiteitenbesluit milieubeheer, niet uitputtend geregeld, limitatieve opsomming, algemene maatwerkmogelijkheid, zorgplichtbepaling, lithium-ion energiedragers, energieopslagsystemen, beleidsruimte, belangenafweging, inidentele gevallen, tussentijds bijladen, controleren en opladen voor opslag, PGS 37-1/PGS 37-2, Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers, motivering, herroepen primaire besluit, Besluit activiteiten leefomgeving
* Rechtbank Noord-Nederland 16 april 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5921: Awb, Wabo; bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk, gebruik adviesrecht, artikel 6.1 Bor, geen besluit, advies niet gericht op rechtsgevolg, voorbereidingsbeslissing/artikel 6.3 Bor, motiveringsbeginsel, passeren gebrek, vergoeden griffierecht
Rechtbank Limburg 16 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3614: Awb, Ow; weigering verlenen (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, zorgboerderij, omvang geschil, agrarisch volwaardig bedrijf, overgangsrecht, bouwtekeningen, hoogte en oppervlakte, van rechtswege verleende omgevingsvergunning, vertrouwensbeginsel, evenredigheidsbeginsel
Rechtbank Oost-Brabant 16 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2385: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouw, recreatief bouwwerk, niet-ontvankelijk, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, zicht, hoogte schuur, bomen, omgevingsplan, gebruik stal, gehinnik, luid en frequent, geluiddempend, inrichting schuur, honden, geblaf honden, frequentie en intensiteit, beroep ongegrond
Rechtbank Oost-Brabant 16 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2384: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning bopa, carport, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, Besluit kwaliteit leefomgeving, beleidsruimte, belangenafweging, ontsteningsbeleid, locatiespecifieke kenmerken aanvraag, zwaarte algemeen belang, belang eiser realisatie carport
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3012: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, tijdelijke woonunit, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, één perceel, feitelijke actuele situatie, inrichting en wijze gebruik grond, bijgebouw, tijdelijk deel omgevingsplan, aanvullende voorschriften, brandveiligheidseisen, feitelijke uitvoering, handhavingskwestie, ETFAL/open norm, beleidsruimte, BW, evidente privaatrechtelijke belemmering, woon- en leefklimaat, verkoopbaar woning, privacy, wonen tijdens bouwwerkzaamheden
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3072: Awb, Msw; bestuurlijke boetes, groothandel bestrijdingsmiddelen en meststoffen, bevoegdheid minister, verantwoordings- en mestverwerkingsplicht, bewijslast, artikel 6 EVRM, bewijs leveren, feiten deugdelijk vaststellen, toezichthouderrapport, bevoegde toezichthouder, geen erkende mestverwerker, hoogte boetes, boeteberekeningen, punitieve sanctie, geringe financiële draagkracht, bijzondere omstandigheid, verdergaande matiging, boetbeleid, failliet (dreigen te) gaan, tussenuitspraak
Rechtbank Gelderland 15 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2934: Awb, Ow; aanvraag legalisering plaatsen chalets, wijzigingen aanvraag/niet van ondergeschikte aard, uiterlijke verschijningsvorm, ruimtelijke uitstraling, Omgevingswet van toepassing, omgevingsplanactiviteit, bouwactiviteit, tijdelijk deel omgevingsplan, aantal recreatieverblijven, deugdelijke en verifieerbare manier, geen nadere controle, veiligheid, brandveiligheidsvoorschriften, Besluit bouwwerken leefomgeving, bereikbaarheid brandweervoertuigen en ambulances, parkeren, gemeentelijke parkeernormen, afmetingen parkeerplaatsen/gangbare personenauto’s, mededeling/niet gericht op rechtsgevolg, tussenuitspraak
* Rechtbank Den Haag 15 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9034: Awb, Erfgoedwet, Gmw; afwijzing aanvraag aanwijzen gemeentelijk monument, rooms-katholieke begraafplaats, gemeentelijke erfgoedverordening, Omgevingswet, Invoeringswet Omgevingswet, bepalen monumentale waarde onroerende zaak, beoordelingsruimte, beleidsruimte, belangenafweging, alternatieve mogelijkheden, deskundigenadvies, waarderingsmatrix, geobjectiveerde waarderingssystematiek, puntenscore, actualisatie waardestelling/volledige heroverweging, Verdrag van Faro, geen dwingende regels
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3007: BW; cateringbedrijf, standplaatsvergunning horecakraam, voorwaarde/persoonsgebonden en niet overdraagbaar, overwegingen tussenvonnis, Excel-bestand/indicatie, schadebegroting, wettelijk kader schadebegroting, feitelijke scenario/hypothetische scenario, goede en kwade kansen, rechter/aanzienlijke mate van vrijheid, stelplicht en bewijslast, winstderving, schadeperiode, aantal bezoekers, (weers)omstandigheden, gemiddelde besteding klant, wettelijke rente, deskundigenkosten, rapporten niet geheel bruikbaar, onjuist uitgangspunt, gedeeltelijke toewijzing, veroordeling betaling schadevergoeding
* Rechtbank Limburg 14 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3502: Awb; handhavingsverzoek niet in behandeling genomen, opslaan van bouwmaterialen op openbare wegen, belanghebbende, objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, geen zicht op gestelde overtredingen, gestelde hinder, Unierecht, EVRM, civiele rechter, effectieve rechtsbescherming, verzoek om compensatie, geen onrechtmatig besluit
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3001: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, gebruik gronden en bouwwerken voor houden paarden, horen bezwaarfase, voorbereidingsprocedure, ontwerpbesluit, inpassingsplan, gebruik woord “paardenhouderij”, passeren gebrek, objectieve en verifieerbare bewijsstukken, geen inrichting, Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit milieubeheer
* Rechtbank Limburg 14 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3499: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, strijd bpl, plaatsen caravan, aanhanger en oplegger, vergunningplicht bouwen bouwwerk en strijd bpl, begrip “bouwwerk”, modelbouwverordening, overtreding, niet inherent aan agrarisch gebruik, Europees recht, eigendomsrecht, rechtvaardiging inbreuk, verbod op discriminatie, geen andere bijzondere omstandigheden, reikwijdte last, gelijkheidsbeginsel, geen aanleiding stellen prejudiciële vragen, schadevergoeding/compensatie, niet onrechtmatig, bestuursrechter niet bevoegd, burgerlijke rechter
* Rechtbank Limburg 13 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3486; Awb, Woningwet; afwijzing handhavingsverzoek, stookgedrag, Bouwbesluit 2012, bevoegdheid handhavend optreden/overtreding wettelijk voorschrift, geen concrete, algemeen geldende regels, rook houtkachels, artikel 7.22, overmatige hinder, zorgvuldigheid onderzoek, objectieve waarnemingen, kantooruren, aard, inhoud en frequentie van de uitgevoerde controles, fijnstofmetingen, WHO, geen algemeen aanvaarde inzichten, geen medische stukken, causaal verband, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Rechtbank Limburg 13 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3483: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, parkeren auto in voortuin, strijd bpl, beginselplicht tot handhaven, bijzondere omstandigheden, vertrouwensbeginsel, stappenplan, toezegging, welbewuste standpuntbepaling, passage brief college, algemeen gedoogbeleid, toerekening bestuursorgaan, dagelijks bestuur gemeente, functie ambtenaar, officieel gemeentelijk briefpapier, belangenafweging, goede parkeervoorziening, verminderen parkeerdruk, alternatieve parkeerplaatsen, zicht, individuele belang, algemeen belang
* Rechtbank Midden-Nederland 10 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1465: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning aanbrengen gevelreclame, onverwijlde spoed, afwachten beslissing op bezwaar, eigen risico, eigen rekening, onomkeerbare aantasting, eenvoudig en zonder blijvende gevolgen/verwijderen, treffen spoedmaatregel, belanghebbende, voordeel van de twijfel, machtiging, uittreksel KvK, niet evident onrechtmatig, kennelijk ongegrond, afwijzen verzoek
* Rechtbank Midden-Nederland 10 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1461: Awb; verzoek veroordeling proceskosten, gewijzigde beslissing op bezwaar, intrekking beroep, geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen beroep, nieuwe bob, omgevingsvergunning in stand laten, tegemoetkomen beroep, geen proceshandelingen, kennelijk ongegrond, afwijzing verzoek, vergoeden betaalde griffierecht
Rechtbank Den Haag 10 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9144: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, dakuitbouw/zijkant woning, Besluit bouwwerken leefomgeving, brandveiligheid, hoofdstuk 6 Bbl/gebruik bouwwerken, hoofdstuk 3 Bbl/instandhouden bestaande bouwwerken, brandwerendheid, overslaan brand, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, Rijksbeschermd stadsgezicht, technische bouwactiviteit, dwangsom/bestuursdwang, geheel afzien handhavend optreden, mogelijkheid opleggen lob, geen nieuw besluit, gewijzigde motivering, volledige en gedegen afweging, welke overtredingen/hoe die zich tot elkaar verhouden
* Rechtbank Noord-Nederland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1465: Awb, TwG, BW; afwijzing aanvraag schadevergoeding, mijnbouwactiviteiten, scheuren badkamer, bewijsvermoeden, aantoonbaar/andere schadeoorzaak, keuze wetgever, afbakening gebied, advies panel deskundigen, grenzen effectgebied, 2 mm/s-criterium, trillingsterkte, Besluit Tijdelijke wet Groningen, trillingssnelheid, overschrijdingskans, empirisch model, sensorwaarnemingen, lokale amplificatie van trillingen, bodemopbouw
* Rechtbank Midden-Nederland 9 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1398: Awb, Wrakkenwet; verwijderen vaartuig, onverwijld opruimen wrak, gezonken vaartuig, Leidsche Rijn, wrak/artikel 1 Wrakkenwet, rapportage en foto’s, spoedeisend, voorkomen kleine kans, lekken vloeistof, aantasting waterkwaliteit, nader onderzoek, hoeveelheid gevaarlijke stoffen, losdrijvende onderdelen, stroming
Rechtbank Midden-Nederland 8 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1424: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bouwen dakkapel, voor- en achterkant woning, aanvraag omgevingsplanactiviteit, strijd omgevingsplan, beoordelingskader Besluit kwaliteit leefomgeving, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, negatief stedenbouwkundig advies, woning/hoofdgebouw, wijzigen hoofdgebouw, bouwregels, bijbehorend bouwwerk, toetsen aan beide regels, onderscheid planwetgever, bouwhoogte, stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, daklandschap, eenheid, verrommeling
* Rechtbank Rotterdam 8 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4832: Awb, Wabo; revisievergunning, voorschriften, logistieke dienstverlening, transport en opslag, niet-ADR geclassificeerde stoffen en ADR geclassificeerde stoffen, overeenstemming bereikt, ander standpunt/geen gewijzigde omstandigheden, vereiste zorgvuldigheid, zelf in de zaak voorzien, druppellekkage, calamiteitenplaats, plasbrand, verspreiding verontreiniging, toxische stoffen/gevaarlijke stoffen, geen impliciete weigering, beperking uitvoering aangevraagde activiteiten, belang bescherming milieu
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3107: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, handhavingsverzoek, groen- en verlichtingselementen grondwallen, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, foto’s dossier, voordeel van de twijfel, afstand, relatief korte afstand, geen volledig zicht, groot deel grondwallen te zien, specifieke planologische uitstraling, beroep gegrond
* Rechtbank Noord-Nederland 31 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1461: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, twee parkeerplaatsen aangewezen voor opladen elektrische voertuigen, herstelbesluit, ondertekend door niet-bevoegde medewerker, gegrond beroep, parkeerdruk, ruime beslisvrijheid, woningen, parkeergelegenheid op eigen terrein, belangenafweging, discretionaire bevoegdheid, alternatieve locaties, rechtsgevolgen in stand laten
* Rechtbank Noord-Nederland 31 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1206: Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, APV, verkeerssituatie, verkeersbesluit, onverwijlde spoed, acute financiële noodsituatie, begunstigingstermijn verstreken, (maximale) dwangsom/verbeurd, moment indiening verzoek, risicosfeer verzoekers, voornemen invordering, zienswijze, verwijderen wegversperringen, geen onomkeerbare situatie, niet evident onrechtmatig, kennelijk ongegrond, afwijzing verzoek om voorlopige voorziening
* Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1411: Awb; ingebrekestelling, uitblijven beslissing op bezwaar, weigering omgevingsvergunning, dwangsom, herroepen primaire besluit, schriftelijke ingebrekestelling, geen aanvraag, vaststellen verschuldigde dwangsom, één keer verbeuren, wettelijke rente, geen tweede dwangsombesluit, niet tijdig nemen dwangsombesluit, rechtszekerheid, verschuldigde geldsom, horen in bezwaar, afzien van horen, volledig tegemoetkomen aan bezwaar, voorzitter commissie, mededeling belanghebbende/niet gedaan, procedureel gebrek, samenstelling commissie, beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand laten
Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1474: Awb, Ow; omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, voortplantings- of rustplaatsen das, kwalitatieve noodzaak, positief effect verhuisbewegingen woningmarktregio, dwingende reden van groot openbaar belang, behoefte woningbouw, Habitatrichtlijn, Bkl, grondgebonden koopwoningen, data CBS, hoge segment, omvang project, verstoring foerageergebied, mitigerende maatregelen, alternatieven, bestemmingswijziging, minder woningen, in stand laten rechtsgevolgen, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Nederland 25 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1391 en Rechtbank Noord-Nederland 25 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1405: Awb, Wvw 1994, Wegenwet, Gmw; vovo en kortsluiten, handhaving, bestuursdwang, groen en overhangende bomen (laten) snoeien, bevoegdheid handhavend optreden, weg in de zin Wegenwet, verkeersbanen/functie afwikkelen openbare verkeer, eigenaar, ander recht, begrip “wegen” Wvw 1994, jurisprudentie, gedeeltelijk overlap, aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep, vuilniswagen, opheffing getroffen voorlopige voorziening, beslissen op beroep, finale geschilbeslechting, zelf in de zaak voorzien, herroepen primaire besluiten
* Rechtbank Noord-Holland 4 februari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:940: BW; koopovereenkomst perceel grond met stacaravan, notaris, verzorgen levering eigendom, vooraankondiging invordering dwangsom, niet-recreatieve doeleinden, huisvesting arbeidsmigranten, bezwaar en beroep invorderingsbesluit, aansprakelijkheid notaris, bevoegdheid rechtbank, arrondissement, (vermeend) tekortschieten zorgplicht, publiekrechtelijke beperkingenbesluit, verklaringen verkopende partij en notaris, redelijk handelend en redelijk bekwaam notaris, gevorderde veroordeling/werkelijke proceskosten, buitengewone omstandigheden, niet evident ongegrond, niet gebaseerd op onjuiste stellingen, Kamer voor het Notariaat/in het gelijk gesteld, afwijzing vorderingen
* Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:107: Sr, Wed, Wm; overbrenging schepen sloopwerf, EVOA, kaderrichtlijn afvalstoffen, kwalificatie afvalstof, jurisprudentie HvJEU, zich ontdoen van, begrip “afvalstof”/niet restrictief uitleggen, vereiste kennisgeving en/of toestemming, rechtspersoon, gedragingen leidinggevenden, in dienst, (in)direct bestuurder, sfeer rechtspersonen, dienstig, toerekening, feitelijk leidinggeven, rechtsdwaling, gespecialiseerde en onafhankelijke jurist/vragen om advies, bewezenverklaring, bewijsvoering, strafbaarheid, Scheepsrecyclingsverordening, geen verandering wetgeving, geen strafbaarstelling, handhaving bestuursrecht, ILT, strafrechtelijke aansprakelijkheid, ten tijde plegen strafbare feit, strafmotivering
* Rechtbank Midden-Nederland 16 december 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7881: Awb; vergunning exploiteren discotheek, beroep niet-ontvankelijk, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, bebouwing, geen zicht, onderscheiden van anderen, mogelijke drugsoverlast, regiezitting
* Rechtbank Midden-Nederland 31 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:7874: Awb, Wvw 1994; afwijzing aanvraag parkeervergunning, gemeentelijk beleid, adressenlijst, geen mogelijkheid verkrijgen vergunning, gelijkheidsbeginsel, overgangstermijn, parkeervoorziening eigen terrein, aanwijzingsbesluit, evenredigheidsbeginsel, parkeerproblemen openbare ruimte, nieuwbouw, geen onbeperkte mogelijkheden parkeerplekken, inherent wonen in stad, juridische relevante gevallen/ongelijk behandeld, geen bijzonder geval, andere parkeer- of reismogelijkheden, drukke stad
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9845: BW; cateringbedrijf, standplaatsvergunning horecakraam, voorwaarde/persoonsgebonden en niet overdraagbaar, boete, vordering/betaling geldsom, APV, begrip “overdragen”, algemeen spraakgebruik, inschakelen personeel, rechtspersoon, fysiek eten en drinken verkopen, inleenovereenkomst, naamsvermelding, opbrengsten verkoop, economische overdracht, pinterminal, vergunninghouder, gebruikmaken vergunning, genieten winst, eigen schuld, aanmerken als overtreder, causaal verband, condicio sine qua non-verband, voorzienbaar, schade, hypothetische situatie, strijd vergunning, niet-rechtmatig belang, aktes, tussenvonnis
* Gerechtshof ‘s-Gravenhage 17 december 2003, ECLI:NL:GHSGR:2003:732: Sr, Wed, Wm, Wvo; afvalstoffenverwerkingsbedrijf, milieuvergunningen, voorschriften, bewezenverklaring, bewijsvoering, bewijsmiddelen, strafbaarheid bewezenverklaarde, strafbaarheid verdachte, strafmotivering, verontreiniging milieu

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2410: Awb, Ontgrondingenwet; goedkeuring eindplan, zandwinningsgroeve, inrichting gebied na afronden zandwinning, voorschriften, provinciaal beleid, uitspraken Afdeling/oordeel maatschappelijke meerwaarde, referentiesituatie, natuurlijke inrichting gebied, ecotypen, vegetatie, infrastructuur, waterrecreatie, zandstrand en zwemgelegenheid/onduidelijkheid exploitatie, veiligheid, hellingen, borging treffen maatregelen, afspraken SOK, handhaving via publieke recht, concessiegrenzen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
11.4. De Afdeling is van oordeel dat dit betekent dat de veiligheid wat betreft de door de stichting en het bewonerscollectief genoemde hellingen onvoldoende in het eindplan is geborgd. Het college erkent immers zelf dat er mogelijk nog meer maatregelen nodig zijn om een veilige situatie te verzekeren, maar dat niet in het eindplan is geborgd dat deze maatregelen ook zullen worden getroffen. De Afdeling overweegt dat dit betekent dat de openstelling van het gebied, de belangrijkste pijler voor de maatschappelijke meerwaarde, ten aanzien van dit aspect onvoldoende in het plan is geborgd. Het feit dat in de SOK wel afspraken zijn gemaakt over nadere veiligheidsmaatregelen, maakt dit niet anders. Dit maakt namelijk niet dat met het eindplan is geborgd dat het gebied veilig kan worden opengesteld. Voor afspraken uit de SOK kan niet door de stichting en het bewonerscollectief, of andere derden, via het publieke recht om handhaving worden verzocht. Omdat de veiligheid de openstelling van het gebied belemmert, heeft het college niet kunnen oordelen dat de beoogde inrichting maatschappelijke meerwaarde heeft. Het betoog slaagt.

* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2441: Awb, Wro; bpl, buitengebied, actualisatie bestemmingsplannen, grotendeels conserverend, individuele ontwikkelingen, gebiedsbescherming, Natura 2000, stikstof, voortoets, significante effecten, passende beoordeling, natuurlijke kenmerken, objectieve gegevens, verschilberekening, ecologisch (veld)onderzoek, bouwverbod, stikstofneutraal, intern salderen, rechtspraakwijziging, afwijkingsbevoegdheid, referentiesituatie, gebruiksregels, provinciale verordening, werkzaamheden/gelegaliseerd, NNB, gewijzigde vaststelling, recreatiewoningen, omgevingsvergunning verleend, cultuurhistorische waarden, kinderdagverblijf/veehouderijen, GGD-advies, ladder voor duurzame verstedelijking, geen stedelijke ontwikkeling, shiitake-teelt/planologische mogelijkheden, gebruiksmogelijkheden, andere soorten paddenstoelen, natuurwaarden, ecologische waarden en kenmerken, geen bestuurlijke lus, snellere besluitvorming, buitenplanse omgevingsplanactiviteit, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
7.2. Uit artikel 2.8 van de Wnb, gelezen in samenhang met artikel 2.7 van de Wnb, volgt dat de raad in een voortoets moet onderzoeken of de ruimtelijke ontwikkeling waarin een bestemmingsplan voorziet, op zichzelf, of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Bij die beoordeling mogen de positieve gevolgen van inherente standaardonderdelen van de ruimtelijke ontwikkeling worden betrokken. Als uit de voortoets volgt dat significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling niet op voorhand op grond van objectieve gegevens kunnen worden uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. Het plan kan dan worden vastgesteld als uit de passende beoordeling de zekerheid wordt verkregen dat de ruimtelijke ontwikkeling waarin het bestemmingsplan voorziet de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000¬-gebieden niet zal aantasten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, onder 14 en 15).
7.4. De Afdeling stelt voorop dat in het rapport aan de hand van objectieve gegevens is beoordeeld of kan worden uitgesloten dat het plan significante gevolgen heeft voor de omliggende Natura 2000-gebieden. De conclusie van deze voortoets is dat dit niet kan. Een verdere passende beoordeling met bijvoorbeeld een verschilberekening of een inhoudelijk, ecologisch (veld)onderzoek is niet gemaakt.
7.5. Zoals hiervoor is weergegeven is het plan een in hoofdzaak conserverend bestemmingsplan. Deze conserverende regeling neemt niet weg dat het plan, gelet op de bouwregels die in de artikelen 3.2, 3.3, 4.2 en 4.3 van de planregels zijn opgenomen, mogelijkheden biedt om met een afwijkingsvergunning bebouwing ten behoeve van veehouderijen uit te breiden.
7.6. Door in het plan op te nemen dat alleen van het bouwverbod kan worden afgeweken als dat stikstofneutraal gebeurt, heeft de raad beoogd te regelen dat toch uitgesloten is dat het plan significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft. In de kern wordt zodoende intern gesaldeerd.
In de planregels is stikstofneutraal als volgt gedefinieerd:
“Bouwen, gebruiken en/of aanleggen waarbij geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, hierbij geldt dat de (vermeende) stikstofdepositie moet worden afgezet tegenover hetgeen ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan legaal aanwezig, gebruikt en/of aangelegd is c.q. mag zijn;”.
7.7. In de uitspraak van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193, heeft de Afdeling haar rechtspraak over intern salderen in het kader van bestemmingsplannen gewijzigd. De Afdeling overweegt in die uitspraak dat bij plannen die voorzien in ruimtelijke ontwikkelingen, de referentiesituatie niet mag worden betrokken bij de vraag of significante gevolgen van de ruimtelijke ontwikkeling op voorhand zijn uitgesloten (de voortoets). Onder de referentiesituatie moet de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan worden verstaan. Intern salderen met de referentiesituatie mag, onder voorwaarden, wel als mitigerende maatregel betrokken worden in de passende beoordeling. Deze rechtspraakwijziging heeft gevolgen voor het plan. Ontwikkelingen waarbij wordt gesaldeerd met de referentiesituatie, voldoen op grond van het plan namelijk aan het criterium van stikstofneutraliteit. Voor deze ontwikkelingen kan een afwijkingsvergunning worden verleend door het college van burgemeester en wethouders. Naar het oordeel van de Afdeling moet de raad al bij de vaststelling van het plan afwegen of de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden aanvaardbaar is. Deze afweging kan niet pas plaatsvinden op het moment dat van de afwijkingsbevoegdheid gebruik wordt gemaakt. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1261, onder 41.4. Gelet op de uitspraak van 14 januari 2026 bestaat niet op voorhand de zekerheid dat significante effecten zijn uitgesloten bij de toepassing van deze afwijkingsbevoegdheden. Het plan maakt daarom ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die gelet op de uitkomst van de voortoets passend hadden moeten worden beoordeeld. Dat is ten onrechte niet gebeurd.
7.8. Daar komt bij dat de raad in de definitie van stikstofneutraliteit is uitgegaan van een onjuiste referentiesituatie. Door de zinsnede “c.q. mag zijn”, wordt de stikstofdepositie van de ruimtelijke ontwikkeling namelijk ten onrechte afgezet tegen een situatie die planologisch gezien wel mag worden gerealiseerd, maar feitelijk nog niet is gerealiseerd. Ook heeft de raad onvoldoende inzicht gegeven in de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie van de agrarische bedrijven in het plangebied waaraan met dit plan de functieaanduiding “specifieke vorm van agrarisch – veehouderij” is toegekend. Op grond van het voorheen geldende plan “Buitengebied Teteringen” gold voor de percelen van een groot deel van die agrarische bedrijven de bestemming “Agrarisch bouwvlak A”. Percelen met die bestemming mogen niet alleen worden gebruikt voor de uitoefening van een veehouderij, maar ook voor de uitoefening van een akkerbouwbedrijf en vice versa. De raad heeft op de zitting erkend dat de weergave van de verschillende typen agrarische bedrijven in het plangebied onjuistheden bevat. Het is daarom niet uitgesloten dat op de locaties waarop ten tijde van de vaststelling van het plan een akkerbouwbedrijf was gevestigd, nu een veehouderij is toegestaan. Samengevat betekent dit dat voor het bepalen van de referentiesituatie het ten onrechte mogelijk is dat niet gerealiseerde activiteiten worden meegenomen en mogelijk wordt uitgegaan van een onjuist type agrarisch bedrijf.
7.9. Verder maakt het plan ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk die gelet op de uitkomst van de voortoets ook passend moeten worden beoordeeld. De voorwaarde dat de in het plan voorziene ontwikkelingen stikstofneutraal moeten plaatsvinden, is namelijk alleen gekoppeld aan de bouwregels van het plan en niet aan de gebruiksregels. Weliswaar is in de definitie van stikstofneutraliteit wel opgenomen dat gronden alleen mogen worden gebruikt als er geen sprake is van een toename van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied, maar deze definitie is niet gekoppeld aan de gebruiksregels van het plan. Het is niet uitgesloten dat de maximale capaciteit van reeds gebouwde stallen ten tijde van de vaststelling van het plan nog niet was bereikt, zodat uitbreiding van de veestapel zonder vergunningplichtige bouwwerkzaamheden mogelijk is. Zoals de vereniging en anderen terecht aanvoeren, leidt dit ertoe dat het plan ook meer beweiding mogelijk maakt ten opzichte van de referentiesituatie.
7.10. De onder 7.7 beschreven rechtspraakwijziging heeft ook gevolgen voor het plan, voor zover dat ziet op de realisatie van het kinderdagverblijf aan het Bergse Pad 5 en de uitbreiding van de veehouderij aan de [locatie 4]-[locatie 5]. Aan deze twee plandelen heeft de raad een voortoets ten grondslag gelegd, waarin intern is gesaldeerd met de referentiesituatie. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026 kunnen significante effecten als gevolg van deze ontwikkelingen op voorhand niet worden uitgesloten, zodat ook deze ontwikkelingen passend hadden moeten worden beoordeeld. Gelet op het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden van de vereniging en anderen die gaan over de effecten van deze twee ontwikkelingen op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, geen bespreking.
16. De raad heeft op de zitting aangegeven de gebreken met een bestuurlijke lus te willen repareren. De Afdeling vindt een reparatie aan de hand van een bestuurlijke lus in dit geval echter niet wenselijk. De raad zal namelijk moeten beoordelen of hij de mogelijkheid tot gebruikmaking van intern salderen bij de uitbreidingsmogelijkheden in het plan wil behouden. Als dat het geval is, dan zal de raad een passende beoordeling aan het plan ten grondslag moeten leggen. Daarbij geldt dat intern salderen alleen als mitigerende maatregel in de passende beoordeling mag worden betrokken als, onder meer, voor die maatregel is voldaan aan het additionaliteitsvereiste (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193). Ook geldt daarbij dat de feitelijk aanwezige, planologisch legale situatie van alle agrarische bedrijven in het plangebied ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan in kaart moet worden gebracht. Het is daarom niet aannemelijk dat een bestuurlijke lus in dit geval leidt tot snellere besluitvorming. Bovendien heeft de raad op de zitting aangegeven dat initiatieven, waarvan de raad wenst dat zij eerder doorgang kunnen vinden, ook aan de hand van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk kunnen worden gemaakt. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.

* ABRvS 29 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2430: Awb, Scheepvaartverkeerswet, Gmw, Wabo; verkeersbesluit, instellen ligplaatsverbod, woonboot, steiger, nautisch belang, externe veiligheidsrisico’s, veiligheid zwemmers, specialiteitsbeginsel, geen imperatief karakter, belangenafweging, afwijzing handhavingsverzoek bpl, uitleg bpl, begrip “extensief medegebruik”, geen definitie, normaal spraakgebruik, rechterlijke uitspraken, nauwelijks druk omgeving, feitelijke beoordeling, situatie ter plaatse, intensief medegebruik, afwijzing handhavingsverzoek APV, restcategorie, hinder, stemgebruik, nieuwe besluiten, verkeersbesluit/belangenafweging, handhavingsbesluit/opleggen last onder dwangsom, geen beroepsgronden, begunstigingstermijn (Rb Amsterdam 22/2207, 22/2208 en 22/4169)
6.2. De Afdeling volgt het college niet in de stelling dat bij het nemen van het besluit het specialiteitsbeginsel in de weg staat aan het meewegen van andere dan de in artikel 3 van de Scheepvaartverkeerswet genoemde belangen. Dit artikel heeft gezien de bewoordingen ervan geen imperatief karakter. Doordat de bepaling geen verplichting met zich mee brengt, bestaat ruimte voor een belangenafweging. In zoverre levert dat dus geen strijd op met het specialiteitsbeginsel. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3709, overweging 5. Hieruit volgt uiteraard niet hoe de belangen ten opzichte van elkaar moeten worden gewogen. Ook volgt de Afdeling de stelling van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet. Bij het nemen van een (scheepvaart)verkeersbesluit kan een algemeen belang voor gaan boven het belang van een individu dat daarmee geschaad wordt. Daar dient in de besluitvorming wel gemotiveerd op te worden ingegaan.
9. Op de Borneokade is het bestemmingsplan ‘Borneo Sporenburg en Rietlanden 2017’ van toepassing. In dit bestemmingsplan heeft het specifieke gebied rondom de steiger de bestemming ‘water’. De steiger zelf heeft de functieaanduiding ‘steiger’. Voor de bestemming ‘water’ is in artikel 17.1 een bestemmingsomschrijving opgenomen. Uit dat artikel volgt dat hieronder ook wordt verstaan het onder ‘w.’ genoemde extensief medegebruik. In de planregels is geen nadere definitie opgenomen van dit criterium. Het bestemmingsplan bevat ook geen nadere beschrijving welk gebruik op de bestemming ‘water’ is toegestaan.
9.1. Voor de invulling van dit criterium moet daarom worden gekeken naar wat in het normaal spraakgebruik en in bestaande rechterlijke uitspraken hieronder wordt verstaan. Uit de door beide partijen aangehaalde uitspraken volgen aanwijzingen die kunnen bijdragen aan de conclusie dat het medegebruik in dit geval extensief is. Dat maakt echter niet, zoals de rechtbank terecht onder 22 heeft overwogen, dat de aanwezigheid van die omstandigheden per definitie doorslaggevend zijn. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen moet het bij extensief medegebruik gaan om medegebruik waarbij nauwelijks druk wordt uitgeoefend op de omgeving (zie de uitspraak van 20 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ1681, overweging 4.1). Dit betekent dat zeker bij het ontbreken van een nadere omschrijving in de planregels, in tegenstelling tot wat het college betoogt, het noodzakelijk is om een feitelijke beoordeling te maken van de situatie ter plaatse.
9.2. Het gebied waarop binnen dit bestemmingsplan de bestemming water rust is een groot gebied. Dat wellicht in dat hele gebied gezwommen zou kunnen worden, doet niet af aan het feit dat het slechts op een beperkt aantal plekken ook veilig mogelijk is. De Afdeling volgt het college niet in het standpunt dat bij de beoordeling of dit extensief medegebruik is de aantallen zwemmers moet worden afgezet tegen het gehele oppervlakte van het als water bestemde gebied. Feitelijk kan namelijk in een groot deel van het gebied niet (veilig) in dat water worden gezwommen. Vast staat dat juist deze steiger een gewilde plek is om toegang te hebben tot het water. Door middel van het verkeersbesluit van 19 augustus 2021, waardoor schepen niet meer aan de steiger mogen aanmeren, maar ook het plaatsen van drenkelingentrappetjes en gele boeien is het gebied rondom de steiger feitelijk een aantrekkelijke en veilige plek geworden om te zwemmen. Het feit dat op warme dagen juist die steiger uitnodigt om het afgezette gebied te gebruiken als water voor recreatie maakt dat op een relatief klein gebied rondom de steiger een grote druk wordt uitgeoefend door het medegebruik. Naar het oordeel van de Afdeling kan er dan ook niet meer gesproken worden van extensief medegebruik, maar is sprake van intensief medegebruik.
12. De grondslag van het handhavingsverzoek is artikel 5.5 van de APV. Dit artikel staat in hoofdstuk 5, getiteld ‘Milieu’. De bepaling zelf draagt de titel ‘Hinder van toestellen, machines, e.d.’. Dit artikel en de toelichting daarop erkennen het bestaan van een restcategorie. Het artikel is volgens de toelichting daarom opzettelijk zodanig ruim geformuleerd dat ook tegen andere vormen van hinder kan worden opgetreden, zoals hinder in de vorm van trillingen of licht. In dit geval bestaat de ervaren overlast uit stemgeluid dat wordt geproduceerd bij het in niet-georganiseerd verband recreëren op de steiger en zwemmen in het water. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld, anders dan de rechtbank heeft overwogen, dat gelet op de titel van de bepaling en plaats in de APV hinder die enkel door stemgebruik wordt veroorzaakt niet valt binnen die specifieke restcategorie.

Rechtbank Oost-Brabant 29 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2691: Awb, Ow; bezwaar niet-ontvankelijk, programma, RES, duurzame polder, MER, afdeling 3.4 Awb, bezwaarschrift doorzenden/rechtbank, bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, rechtstreekse titel activiteit, memorie van toelichting/Invoeringswet Omgevingswet, niets direct mogelijk gemaakt, andere besluit, rechtbank, besluit/Awb, negatieve lijst
4.2. Op basis van artikel 8:5, eerste lid, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit in artikel 1 van bijlage 2 (de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak). Hierin zijn besluiten genoemd op grond van de artikelen 3.4, 3.6 tot en met 3.10, 3.14 en 3.15 van de Omgevingswet (Ow), voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan. De uitzondering geldt indien (en voor zover) het programma een rechtstreekse titel geeft voor een activiteit. In die gevallen is geen afzonderlijk toestemmingsbesluit meer nodig. Hierover is in de memorie van toelichting bij de Invoeringswet Omgevingswet (TK 34 986 nr. 3 p. 351 en 352) het volgende opgemerkt.: “Het besluit tot vaststelling van een omgevingsvisie of programma is in de regel geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb en om die reden niet appellabel. Om ieder misverstand hierover uit te sluiten worden die besluiten eveneens opgenomen op de negatieve lijst. (…) Onder de Omgevingswet wordt daarentegen wel beroep opengesteld tegen delen van programma’s met specifieke rechtsgevolgen. Dit geldt voor programma’s die een rechtstreekse titel geven voor activiteiten. Voor die activiteiten volgt geen afzonderlijk toestemmingsbesluit meer voor het aspect (de omgevingswaarde of andere doelstelling voor de fysieke leefomgeving) waarop het programma ziet. Zo staat tegen die onderdelen van het beheerplan voor Natura 2000-gebieden in de Wet natuurbescherming ook beroep open. Het beroep tegen die onderdelen van dat beheerplan kan alleen betrekking hebben op de beschrijving van de activiteiten die in dat programma zijn opgenomen.”
4.3. Het besluit tot vaststelling van het Programma is een besluit dat is genomen op basis van artikel 3.4 van de Ow. Naar het oordeel van de rechtbank bevat het Programma geen beschrijvingen van activiteiten die daarna geen toestemming meer nodig hebben. Ook de door eiser genoemde paragraaf 1.4, 3.2, 3.3 en hoofdstuk 4 van het Programma bevatten geen dergelijke toestemmingen. In paragraaf 1.4 wordt een definitie van de opwekdoelstelling gegeven. Hiermee wordt niets direct mogelijk gemaakt. Hoofdstuk 3 bevat bestuurlijke uitgangspunten en een voorkeursalternatief. Hierbij wordt onder meer verwezen naar een projectfase. Er wordt niets direct mogelijk gemaakt. |Dat zal moeten gaan gebeuren in de projectfase. Hoofdstuk 4 bevat beoordelingscriteria bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag maar maakt evenmin iets direct mogelijk zonder vergunning. Ook in de overige delen van het Programma kan geen beschrijving worden gevonden van een activiteit waardoor later geen vergunning of andere toestemming nodig is. Met andere woorden: het Programma maakt de bouw van windmolens niet direct mogelijk. Daarvoor is een ander besluit nodig. Tegen dát besluit kan worden geprocedeerd bij de bestuursrechter, tegen het Programma zelf kan dus geen beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld. De rechtbank zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het beroep kennis te nemen.

* College van Beroep voor het bedrijfsleven 28 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:178: Awb, Wet dieren; handhaving, invordering dwangsommen, Bhd, geen bezwaar dwangsombesluit, rechtmatigheid/staat in beginsel vast, uitzonderlijk geval, evident geen overtreding, onuitvoerbaarheid last, overtreder, geen houder, feitelijk en juridisch niet mogelijk/uitvoeren maatregelen, voortdurende of herhaalde handelingen, andermans woning
3.1 Het College stelt vast dat appellant geen bezwaar heeft gemaakt tegen het dwangsombesluit. Dit betekent dat de rechtmatigheid van dit besluit en van de daarin aan appellant opgelegde maatregelen in beginsel vaststaat. Een belanghebbende kan in een procedure tegen een invorderingsbesluit in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan alleen in uitzonderlijke gevallen. Van een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld sprake zijn als evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is. Een ander uitzonderlijk geval kan de onuitvoerbaarheid van een last betreffen. De opgelegde last blijkt dan om technische of juridische redenen evident niet uitvoerbaar te zijn (zie de uitspraak van het College van 9 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:454, onder 4.1).
3.3 Het College oordeelt dat in dit geval van een uitzonderlijk geval sprake is, omdat appellant evident geen overtreder is en omdat de last voor hem evident niet uitvoerbaar was. Het College licht dit oordeel hieronder toe.
3.4 Op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt. De minister heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat appellant bepalingen uit de Wet dieren en het Bhd heeft overtreden. Voor de vraag wie als overtreder moet worden aangemerkt op grond van de Wet dieren of het Bhd, is van belang wie de houder is van de dieren. Op grond van artikel 1 van de Wet dieren, wordt onder houder verstaan: eigenaar, houder of hoeder. Uit de uitspraak van het College van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) volgt dat voor de vraag wie als houder van een dier kan worden aangemerkt niet doorslaggevend is wie de eigenaar van het dier is, maar wie het dier in feitelijke zin onder zich heeft.
3.9 Uit het voorgaande volgt dat appellant niet als houder in de zin van artikel 1 van de Wet dieren kan worden aangemerkt, zodat hij ook niet als overtreder van de aan de last ten grondslag gelegde bepalingen van de Wet dieren en het Bhd kan worden aangemerkt.
3.10 Omdat de honden werden gehouden in de woning van de vader van appellant, was het voor appellant daarnaast ook feitelijk en juridisch niet mogelijk om de maatregelen uit te voeren. Omdat appellant geen eigenaar, huurder of bewoner was van de woning had hij geen zeggenschap over of invloed op de wijze waarop de honden werden gehuisvest. De maatregelen moesten daarnaast ook in stand worden gehouden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Het schoonhouden van de hokken, het ventileren van de ruimten en het verstrekken van water aan de honden, waartoe de maatregelen strekken, vergen echter voortdurende of herhaalde handelingen die appellant feitelijk niet kon uitvoeren in andermans woning. De last was daarom voor appellant evident onuitvoerbaar.
3.11 Omdat appellant evident geen overtreder is en de last voor hem evident onuitvoerbaar was, had de minister moeten afzien van de invordering bij appellant van de verbeurde dwangsommen. Het betoog slaagt.

Rechtbank Oost-Brabant 22 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2502: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, realisatie bedrijfsverzamelgebouw, parkeren, parkeerregels omgevingsplan, parapluplan, parkeerbeleid, gebruiksfunctie, feitelijke gebruik bestaande bouw, bedoeling planregelgever, maximale planologische gebruik, CROW, afmetingen parkeerplaatsen, letterlijke uitleg planregel, rechtszekerheid, bruikbaarheid, Bpb-regelgever, indienen bezwaarschrift, tekst en totstandkomingsgeschiedenis, professionele gemachtigde, betekenisvolle aanvulling, zelf in de zaak voorzien/voorschrift
5.4.1. Het parkeerbeleid bepaalt niet hoe moet worden bepaald welke gebruiksfunctie op een gebouw van toepassing is. Hiervoor ontbreken ook aanknopingspunten in het Parapluplan en de toelichting daarbij. De rechtbank is van oordeel dat het parkeerbeleid zo moet worden uitgelegd, dat bij de beoordeling van de toepasselijke gebruiksfunctie moet worden uitgegaan van het feitelijk gebruik van de bestaande bouw. Dat doet namelijk het meest recht aan de bedoeling van de gemeenteraad als planregelgever en vaststeller van het parkeerbeleid: ervoor zorgen dat de parkeerbehoefte van een gebouw, gegeven de gebruiksfunctie daarvan, op eigen terrein wordt opgelost.
5.4.2. Er hoeft dus niet te worden gekeken naar het maximale planologische gebruik van de bestaande bouw. Als de planregels zo zouden moeten worden uitgelegd, dan zou dat het niet voor de hand liggende gevolg hebben dat het onderscheid in verschillende gebruiksfuncties dat de regelgever in de tabel in paragraaf 11.2 heeft gemaakt, feitelijk nooit toepassing zou vinden. Het omgevingsplan kan namelijk niet bepalen of een gebouw bijvoorbeeld dure koop is of goedkope huur en ook niet hoe een gebouw in de praktijk wordt gebruikt en dus of dat gebruik extensief is of niet. Een woning zou dan altijd moeten worden beschouwd als dure koop met de bijbehorende norm en bedrijfsgebouwen zouden nooit gebruiksextensief kunnen zijn. Als de planregelgever of de beleidsregelgever zo’n een methodiek voor ogen zou hebben gestaan waarin het beleid voor een deel op voorhand niet kan worden toegepast, dan had het op zijn weg gelegen om dat te expliciteren.
5.11. Artikel 3.1 van het Parapluplan stelt als eis dat parkeervoorzieningen in voldoende mate op eigen terrein worden gerealiseerd om in de parkeerbehoefte te voorzien, maar in het Parapluplan worden hierover verder geen criteria gegeven. Op pagina 6 van de plantoelichting wordt vermeld dat sprake is van ‘voldoende’ parkeergelegenheid, indien wordt voldaan aan de in het parkeerbeleid genoemde functies met bijbehorende normen. Daarmee heeft de planregelgever echter nog geen duidelijkheid verschaft over de bruikbaarheidseisen waar een parkeerplaats aan moet voldoen. In het parkeerbeleid zijn hiervoor ook geen aanknopingspunten te vinden.
5.12. Uit het voorgaande volgt dat de planregelgever niet heeft geregeld aan welke eisen een parkeerplaats moet voldoen, maar slechts dat een aantal parkeerplaatsen moet worden gerealiseerd in overeenstemming met de geldende parkeernorm. Het college komt beoordelingsruimte toe bij beantwoording van de vraag wanneer een parkeerplaats plantechnisch kan worden meegerekend als parkeervoorziening. De rechtbank is van oordeel dat het college zich bij het beoordelen van een parkeersituatie in redelijkheid kan beperken tot de vraag of de te benutten parkeerplaatsen bereikbaar zijn. Het college heeft ook beoordelingsruimte bij het bepalen van de bereikbaarheid van een parkeerplaats. Het rapport van VAGN biedt weliswaar aanknopingspunten voor het oordeel dat de parkeersituatie krap zal zijn, maar het college hoefde hierin geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de parkeerplaatsen feitelijk niet bereikbaar zijn.
6.4. In artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de bijlage bij het Bpb is limitatief opgesomd welke proceshandelingen voor vergoeding van kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand in aanmerking komen. De bijlage van het Bpb noemt onder A5 als proceshandeling ‘bezwaarschrift’, met verwijzing naar artikel 6:4 van de Awb, dat gaat over het maken van bezwaar door middel van het indienen van een bezwaarschrift. Ook de totstandkomingsgeschiedenis van Bpb-regeling rondom de proceskostenvergoeding in bezwaar wijst erop dat de Bpb-regelgever ervan uit is gegaan dat deze vergoeding betrekking heeft op het indienen van een bezwaarschrift. Zie daarvoor de Nota van Toelichting bij het Besluit van 25 februari 2002 tot wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht in verband met de vergoeding van kosten van bezwaar en administratief beroep (Stb. 2002, 113).
6.5. De Bpb-regelgever heeft echter niet verhelderd wat wel en wat niet geacht kan worden geschaard onder ‘het indienen van een bezwaarschrift’. De Bpb-regelgever heeft ook geen aandacht besteed aan een situatie als deze, waarin een bezwaarschrift in eerste instantie is ingediend zonder een professionele gemachtigde, waarop het bezwaarschrift vervolgens door een professionele gemachtigde in betekenisvolle mate wordt aangevuld. Het college wijst er dus weliswaar terecht op dat het indienen van een aanvulling op een bezwaarschrift in deze regeling als zodanig niet is genoemd, maar de tekst en de totstandkomingsgeschiedenis van de regeling wijzen er evenmin met zoveel woorden op dat de regelgever hiervoor een vergoeding heeft willen uitsluiten. De rechtbank is van oordeel dat het Bpb zo moet worden uitgelegd, dat ook aanleiding bestaat voor een vergoeding voor het indienen van een bezwaarschrift indien een professionele gemachtigde een betekenisvolle aanvulling doet op een door een bezwaarmaker zelf ingediend bezwaarschrift. De strekking van artikel 7:15 van de Awb is immers dat een bezwaarmaker een vergoeding krijgt voor kosten die hij redelijkerwijs heeft moeten maken in het kader van de behandeling van het bezwaar.
6.6. Het college had, nu hij in bezwaar het besluit van 26 november 2024 heeft herroepen, een proceskostenvergoeding moeten toekennen voor het indienen van de aanvulling op het bezwaarschrift. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen voor zover het college dit heeft nagelaten en zal zelf in de zaak voorzien door eisers een vergoeding toe te kennen van € 666,-. Dat is het bedrag dat ten tijde van het bestreden besluit overeenkwam met één punt in bezwaar.

* Rechtbank Overijssel 21 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2200: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, grondwateronttrekking, vergunning, niet tijdig beslissen/alsnog beslist, geen afzonderlijk belang, niet-ontvankelijk, vergroting grondwateronttrekking, voortzetting, plaats waar en voorwaarden waaronder, continuïteit en identiteit, Aquapri, aanleg nieuwe transportleiding, reinwaterkelder, bestaande infrastructuur, nieuw project, overeenkomst, feitelijk gebruik, juridisch begrensd, juridische realiteit, referentiedatum
36. Volgens rechtspraak van het HvJ EU is het zo dat, wanneer een activiteit die significante gevolgen kan hebben voor een beschermd gebied reeds in de projectfase is vergund, de voortzetting van die activiteit slechts kan worden aangemerkt als een nieuw of afzonderlijk project waarvoor krachtens artikel 6, lid 3, eerste volzin, van de Habitatrichtlijn een nieuwe beoordeling moet worden verricht, indien er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit – met name gelet op de aard van deze activiteiten alsook op de plaats waar en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd – geen continuïteit en identiteit bestaat. Zie het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 november 2022, ECLI:EU:C:2022:864 (Aquapri).
37. Ten aanzien van de werkzaamheden die door Vitens zijn uitgevoerd (het aanleggen van een nieuwe transportleiding en een reinwaterkelder) oordeelt de rechtbank dat deze werkzaamheden niet maken dat er, gelet op de aard van de activiteiten, de plaats en de voorwaarden waaronder zij worden uitgevoerd, geen continuïteit en identiteit meer bestaat tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit. Het is de rechtbank namelijk niet gebleken dat de aanleg van een nieuwe transportleiding en reinwaterkelder noodzakelijk zijn geweest om de grondwateronttrekking te kunnen verhogen van 3 miljoen m3 naar 4 miljoen m3 water per jaar. (…)
38. De rechtbank komt echter alsnog tot de conclusie dat sprake is van een nieuw project vanwege het volgende. Vitens beschikte sinds 1988 over een grondwateronttrekkingsvergunning voor een maximum van 4 miljoen m3 water per jaar. Omdat de grondwateronttrekking ten behoeve van drinkwater is gestuurd door de vraag naar drinkwater, heeft de daadwerkelijke onttrekking in de periode na 1988 sterk geschommeld tussen 2,5 miljoen m3 en bijna de volledige 4 miljoen m3. Vanaf 2003, na het sluiten van de overeenkomst tussen Vitens en de provincie Overijssel dat Vitens maximaal 3 miljoen m3 water per jaar mocht onttrekken wegens de (mogelijke) gevolgen op de omgeving en dan met name op het Natura 2000-gebied en het prioritaire habitatstype vochtige alluviale bossen, is de grondwateronttrekking enigszins gestabiliseerd rond de 3 miljoen m3 water per jaar. Door middel van het sluiten van deze overeenkomst heeft de provincie Overijssel het feitelijke gebruik van Vitens juridisch begrensd. Dit was dan ook de juridische realiteit zoals die gold ten tijde van de Europese referentiedatum 7 december 2004 en die moet naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als de op de Europese referentiedatum bestaande situatie. Door deze overeenkomst in 2021 op te zeggen en er daardoor mee in te stemmen dat het (juridisch) toegestane maximale onttrekkingsdebiet weer wordt verhoogd naar 4 miljoen m3 water per jaar, kan niet meer gezegd worden dat er tussen de vergunde activiteit en de voortgezette activiteit continuïteit en identiteit bestaat. De voorwaarden (de maximaal toegestane grondwateronttrekking) waaronder de activiteit plaatsvindt, zijn namelijk gewijzigd.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3238: Awb, Ow; aanwijzing wateren als zwemwaterlocatie, badseizoen, procesbelang, ambtshalve beoordeling, zwemseizoen afgelopen, toekomstige besluitvorming, elk jaar aanwijzen, PFAS, zwemwaterrichtlijn, lidstaten, microbiologische parameters, Besluit kwaliteit leefomgeving, klasse “aanvaardbaar”, omgevingswaarde, controles, advieswaarden/geen omgevingswaarden, zorgplicht
6.2. Op 15 februari 2006 is de Zwemwaterrichtlijn vastgesteld. De lidstaten moeten elk jaar alle zwemwateren aanwijzen en de duur van het badseizoen bepalen (artikel 3, eerste lid, van de Zwemwaterrichtlijn). De Zwemwaterrichtlijn verdeelt wateren in verschillende klassen op basis van de concentratie van de microbiologische parameters intestinale enterokokken en enscherichia coli in de wateren. In artikel 3.2 van het Bkl is bepaald dat GS is belast met het aanwijzen van zwemwaterlocaties. Een zwemwaterlocatie moet in ieder geval voldoen aan de klasse ‘aanvaardbaar’ in de zin van de Zwemwaterrichtlijn (artikel 2.19, eerste lid, van het Bkl). In artikel 2.19, derde lid, van het Bkl is bepaald dat bij omgevingsverordening voor de kwaliteit van een zwemlocatie een aanvullende of afwijkende omgevingswaarde die strenger is dan de omgevingswaarde, bedoeld in het eerste lid, kan worden vastgesteld. Bij de vaststelling daarvan worden de economische effecten betrokken.
6.4. Daarnaast voert GS diverse controles uit bij de zwemwaterlocaties op de aanwezigheid van PFAS. In de grotere wateren wordt twaalf keer per jaar gemeten op PFAS. Op de overige locaties wordt niet periodiek gemeten, maar wordt aanvullend bemonsterd. De vastgestelde waardes worden daarbij vergeleken met de advieswaarden die zijn vastgesteld door het RIVM over de aanwezigheid van PFAS in zwemwater en de effecten daarvan op de gezondheid. Deze advieswaarden zijn bij geen enkele controle overschreden. GS heeft op zitting toegelicht dat deze advieswaarden geen omgevingswaarden zijn in de zin van artikel 2.19, derde lid, van het Bkl. Eiseres heeft dit op zitting ook erkend. De concentratie van PFAS in de wateren is geen norm waaraan GS zou moeten toetsen bij de vaststelling van de zwemwaterlocaties.
6.5. Daarnaast hebben derden-partijen op zitting toegelicht dat er een aanzienlijk belang bestaat bij de aanwijzing van de zwemwaterlocaties. Naast hun commercieel belang, bestaat er een belang voor de veiligheid en gezondheid van de zwemmers. De locaties die zijn aangewezen als zwemwaterlocatie worden voortdurend gecontroleerd. Als de locaties niet zouden worden aangewezen, zou daarmee de verplichting tot controle en informatieverstrekking vervallen. In het geval dat de advieswaarden van het RIVM overschreden zouden worden, kan dit bovendien niet leiden tot het terugdraaien van de aanwijzing als zwemwaterlocatie. GS en de beheerders van oppervlaktewaterlichamen kunnen, als een onderzoek naar de veiligheid daartoe aanleiding geeft, maatregelen treffen om de veiligheid van zwemwaterlocaties te borgen en te verbeteren. De provinciale omgevingsverordening bevat een zorgplicht voor de houder van aangewezen zwemlocaties om maatregelen te treffen. Op basis van artikel 2.38 van de Omgevingswet is GS bevoegd om voor oppervlaktewaterlichamen een negatief zwemadvies te geven of een zwemverbod in te stellen met het oog op het waarborgen van de veiligheid of het beschermen van de gezondheid. Dit zijn echter andere handelingen en/of besluiten. Dergelijke handelingen en/of besluiten zijn niet genomen (en waren ook niet genomen ten tijde van het bestreden besluit) en geven alleen al daarom geen aanleiding voor het oordeel dat GS de zwemwaterlocaties niet mocht aanwijzen. Controle op het voeren van een Blauwe Vlag wordt uitgevoerd door de Stichting Keurmerk Milieu, Veiligheid en Kwaliteit en is niet een aspect dat GS bij het bestreden besluit kan betrekken laat staan verbieden. Deze beroepsgrond slaagt daarom ook niet.

* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3081: Awb, Wm; opleggen maatwerkvoorschriften, Activiteitenbesluit milieubeheer, niet uitputtend geregeld, limitatieve opsomming, algemene maatwerkmogelijkheid, zorgplichtbepaling, lithium-ion energiedragers, energieopslagsystemen, beleidsruimte, belangenafweging, inidentele gevallen, tussentijds bijladen, controleren en opladen voor opslag, PGS 37-1/PGS 37-2, Circulaire risicobeheersing lithium-ion energiedragers, motivering, herroepen primaire besluit, Besluit activiteiten leefomgeving
4. In artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Am) wordt een maatwerkvoorschrift gedefinieerd als een voorschrift (voor zover relevant) als bedoeld in artikel 8.42, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm) inhoudende een beschikking waarbij het bevoegd gezag aanvullende eisen stelt of een ontheffing waarbij het bevoegd gezag de daarbij aangewezen bepalingen niet van toepassing verklaart, al dan niet onder het stellen van beperkingen of voorwaarden. Uit artikel 8.42 van de Wm blijkt dat maatwerkvoorschriften alleen kunnen worden vastgesteld door een bestuursorgaan, wanneer die bevoegdheid in het Am aan dat bestuursorgaan is toegekend.
4.1. Het bevoegd gezag kan aanvullende maatwerkvoorschriften opleggen wanneer blijkt dat het betreffende aspect bij of krachtens het Am niet uitputtend is geregeld (artikel 2.1, vierde lid, van het Am). Van een uitputtende regeling is sprake wanneer ten aanzien van een omschreven situatie een limitatieve opsomming is opgenomen van eisen en voorschriften, maar ook wanneer het Am voor een aspect weliswaar geen concrete voorschriften bevat, maar wel de mogelijkheid biedt tot het stellen van een op het desbetreffende aspect toegesneden maatwerkvoorschrift. Ook dan kan dus geen gebruik worden gemaakt van de algemene maatwerkmogelijkheid, gekoppeld aan de zorgplichtbepaling van artikel 2.1 Am.
4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat in het Am geen uitputtende voorschriften ten aanzien van lithium-ion energiedragers in energieopslagsystemen zijn gegeven. Het college was daarmee bevoegd om maatwerkvoorschriften vast te stellen.
4.3. Het bestuursorgaan komt volgens vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) beleidsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of het gebruik maakt van de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen en dat het daarbij een belangenafweging dient te maken. Uit de toelichting bij het Am (Nota van toelichting, blz. 116; Stb. 2007, 415) volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven.
4.4. Het college heeft bij de vaststelling van de maatwerkvoorschriften aansluiting gezocht bij de algemene zorgplicht uit artikel 2.1, eerste lid en tweede lid, onder l, van het Am.
4.5. Die zorgplicht houdt in dat degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd (artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer).
4.6. Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu wordt verstaan: het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel voor zover dat niet mogelijk is het zoveel mogelijk beperken van risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan (artikel 2.1, tweede lid, onder l, van het Activiteitenbesluit milieubeheer).
5.2. Deze beroepsgrond slaagt. De rechtbank heeft in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 17 oktober 2024 in rechtsoverweging 8.5 in het midden gelaten welke PGS van toepassing is op het bedrijf van eiseres. Eiseres maakt gebruik van lithium-ion energiedragers. In PGS 37-2 is opgenomen dat deze PGS niet van toepassing is op EOS’en met lithiumhoudende energiedragers, hiervoor is de PGS 37-1 van toepassing. Het doel van deze PGS 37-1 is om vast te leggen met welke maatregelen de risico’s van lithiumhoudende energieopslagsystemen te beheersen zijn. De rechtbank constateert dat opslag van (lithiumhoudende) EOS’en wel weer onder het toepassingsgebied van deze PGS 37-2 valt.
5.3. Uit de beslissing op bezwaar blijkt dat het tijdelijk gebruik van de EOS’en door ze te controleren en op te laden voorafgaand en tijdens de opslag doorslaggevend is geweest voor de keuze voor PGS 37-1 als uitgangspunt voor het stellen van de maatwerkvoorschriften. Ter zitting is door zowel eiseres als het college toegelicht dat EOS’en bij de opslag standaard zijn aangesloten om ze regelmatig tot een bepaald niveau bij te laden. Ze moeten altijd tot een minimaal laadniveau opgeladen zijn om ze veilig op te kunnen blijven slaan. Dat houdt in naar het oordeel van de rechtbank in dat dit opladen een gebruikelijk en ook noodzakelijk onderdeel is van de opslag van EOS’en. De rechtbank is daarom van oordeel dat dit tussentijds bijladen dan ook niet gezien kan worden als actief gebruik als bedoeld in PGS-37-1 en 2. Het controleren en opladen ten behoeve van opslag valt daarmee onder opslag van EOS’en als bedoeld in PGS 37-2. Dat betekent dat het college bij het stellen van de maatwerkvoorschriften en de onderbouwing van het bestreden besluit niet van PGS 37-1 had mogen uitgaan, maar PGS 37-2 als uitgangspunt had moeten nemen.
6.1. Het college wijst erop dat het gebruik van de standaardvoorschriften wel degelijk is gemotiveerd en daarnaast zijn grondslag vindt in de Circulaire. Alle voorschriften zijn ook gericht op externe veiligheid. De reden om de maatwerkvoorschriften hier te stellen is dus niet alleen gebaseerd op de vermelding in PGS 37-1.
6.2 Deze beroepsgrond slaagt ook. Het college is bevoegd om, los van de circulaire en de Publicaties Gevaarlijke Stoffen, maatwerkvoorschriften op te leggen. Dit moet dan wel goed gemotiveerd worden. De rechtbank constateert dat het college voor de motivering van het besluit vooral verwijst naar PGS 37-1. Doordat het college ten onrechte is uitgegaan van PGS 37-1 in plaats van PGS 37-2 is het toepassen van deze voorschriften onvoldoende onderbouwd. Als voor de onderbouwing slechts wordt verwezen naar de verkeerde regels, kan deze geen stand houden. Het beroep is dus gegrond.
8. Zoals hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. Dat houdt in dat de motivering van het besluit niet klopt. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en het primaire besluit van 10 mei 2023 herroepen. Dat betekent dat er geen maatwerkvoorschriften meer gelden. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat eiseres, gelet op de zorgplichtbepaling van artikel 2.1 Am en haar eigen belang bij de veilige opslag van EOS’en en het vooruitzicht dat de meeste eisen alsnog in het Bal zullen worden opgenomen, de EOS’en verantwoord op blijft slaan.

Rechtbank Overijssel 17 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2128: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, dakrandafscheiding (een balustrade) voor dakterras, bevoegdheid verlenen omgevingsvergunning, bindend adviesrecht, positief, vastgestelde lijst van gevallen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, nieuw/bestaand bouwwerk, bestaande bijbehorende bouwwerk, oude recht, technische bouwactiviteit, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, privacy, inkijk
9. De rechtbank moet beoordelen of het college bevoegd was om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aangevraagde project. Dat geldt ook als daarover geen beroepsgronden zijn ingediend. Daarbij is onder meer van belang of de raad van de gemeente Hengelo (hierna: de raad) in dit geval een bindend adviesrecht heeft. Als dat het geval is, is het college alleen bevoegd om de vergunning te verlenen na een positief advies van de raad. Zo’n advies is in dit geval niet gegeven. Vergelijk de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 september 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9135. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen sprake is van een bindend adviesrecht. Het realiseren van een dakrandafscheiding voor een dakterras staat niet op de door de raad vastgestelde lijst van gevallen waarin advies moet worden gevraagd. Dit volgt uit de artikelen 16.15a, aanhef en onder b, onderdeel 1, en artikel 16.15b van de Ow, artikel 4.21, eerste lid, van het Omgevingsbesluit en de “Regeling inzake het adviesrecht voor de gemeenteraad ten behoeve van buitenplanse omgevingsplanactiviteiten” van 5 oktober 2022, gepubliceerd op de website van de gemeente Hengelo.
13. De rechtbank is van oordeel dat het dakterras moet worden aangemerkt als een uitbreiding van het bestaande bijbehorende bouwwerk. Zij zal dit hierna uitleggen. Daarbij zal zij ook ingaan op wat [eiser 1] e.a. verder hebben aangevoerd in het kader van deze beroepsgrond.
13.1. Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) dat een dakterras geen afzonderlijk bouwwerk, geen gebouw zijnde, is, maar dient te worden aangemerkt als onderdeel van het bestaande gebouw. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1801, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 5. Deze rechtspraak is tot stand gekomen onder het oude recht dat was neergelegd in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het Bor. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om hier in het kader van de Omgevingswet anders over te oordelen. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het dakterras moet worden aangemerkt als onderdeel van het bijbehorende bouwwerk waarop het wordt gerealiseerd. Dat het dakterras geen dak heeft, is daarbij niet van belang. Ook de omstandigheid dat in het Bor een regeling was opgenomen voor het vergunningsvrij realiseren van een dakterras is in dit geval niet relevant.

Rechtbank Overijssel 17 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2129: Awb, Ow; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, nokverlegging, strijd bpl, geen bereidheid tot afwijken/bopa, overschrijding beslistermijn, bouwtekeningen, wijzigingen van ondergeschikte aard, wijziging aanvraag, bezwaarfase, stedenbouwkundige beeld, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, Besluit kwaliteit leefomgeving, beleidsruimte, stedenbouwkundige waarde symmetrische ensemble, gelijkheidsbeginsel
7. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond van [eiseres] dat het college de beslistermijn heeft overschreden niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het college heeft erkend dat het niet tijdig heeft beslist op de aanvraag. Dit heeft echter geen rechtsgevolgen. Het overschrijden van de termijn om op een aanvraag te beslissen leidt onder de Ow niet langer tot het van rechtswege verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning. (…)
10. De rechtbank oordeelt dat de in de bezwaarfase ingediende bouwtekeningen leiden tot een wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard en dat het college deze terecht heeft betrokken in de heroverweging in bezwaar. Zij legt dit hierna uit.
10.1. Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:743, rechtsoverweging (hierna: r.o.) 7.1) en is in het besluit van 5 december 2024 dus terecht uitgegaan van de oorspronkelijke bouwtekeningen.
10.2. De hoofdregel is dat bij de heroverweging in het kader van het bezwaar rekening moet worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden zoals die zich op het moment van die heroverweging voordoen. Dat betekent echter niet dat iedere wijziging van een aanvraag in de bezwaarfase ertoe leidt dat het uitgangspunt dat een bestuursorgaan moet beslissen op de grondslag van de ingediende aanvraag moet worden verlaten. De wijziging van een aanvraag kan alleen in de heroverweging worden betrokken als deze van ondergeschikte aard is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:3019, r.o. 6.
10.3. [eiseres] heeft in de bezwaarfase nieuwe bouwtekeningen van 14 januari 2025 ingediend. Op deze bouwtekeningen staat dat de goot- en bouwhoogte na het realiseren van de nokverlegging 7.790 mm respectievelijk 8.400 mm zullen zijn. Deze nieuwe tekeningen leiden tot een wijziging van het aangevraagde bouwproject. Partijen zijn het erover eens dat de nieuwe tekeningen niet leiden tot een wijziging van de verschijningsvorm van het bouwproject maar enkel tot een wijziging van de maatvoering, in die zin dat de goot- en bouwhoogte minder groot worden. De rechtbank constateert dat de afwijking van het omgevingsplan door deze wijziging in ieder geval niet groter wordt. Gelet op dit alles is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van de aanvraag van ondergeschikte aard. Daarom was het niet nodig om voor deze wijziging een nieuwe aanvraag in te dienen en kon het college deze wijziging van de aanvraag betrekken in de heroverweging op grondslag van het bezwaar.

Rechtbank Gelderland 15 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2934: Awb, Ow; aanvraag legalisering plaatsen chalets, wijzigingen aanvraag/niet van ondergeschikte aard, uiterlijke verschijningsvorm, ruimtelijke uitstraling, Omgevingswet van toepassing, omgevingsplanactiviteit, bouwactiviteit, tijdelijk deel omgevingsplan, aantal recreatieverblijven, deugdelijke en verifieerbare manier, geen nadere controle, veiligheid, brandveiligheidsvoorschriften, Besluit bouwwerken leefomgeving, bereikbaarheid brandweervoertuigen en ambulances, parkeren, gemeentelijke parkeernormen, afmetingen parkeerplaatsen/gangbare personenauto’s, mededeling/niet gericht op rechtsgevolg, tussenuitspraak
Is er sprake van een wijziging van ondergeschikte aard?
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
4.1. In dit geval heeft de derde-partij op 28 november 2023 een aanvraag ingediend. Omdat deze aanvraag is ingediend voor 1 januari 2024 en op dat moment de Wabo gold is die wet daarop van toepassing. Naderhand is echter een (gewijzigde) aanvraag ingediend op 11 oktober 2024. Op dat moment was de Omgevingswet in werking getreden. Het college heeft deze tweede aanvraag beoordeeld naar het recht zoals dat gold ten tijde van de eerste aanvraag van 28 november 2023 (de Wabo), omdat het van mening is dat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn en het moment van indiening van de eerste aanvraag dus bepalend bleef voor het toepasselijk recht. Wanneer de aanpassingen in de tweede aanvraag echter niet als ondergeschikte wijzigingen kunnen worden aangemerkt, moet die aanvraag als een nieuwe aanvraag worden aangemerkt en is daarop de Omgevingswet van toepassing. De rechtbank zal daarom nagaan of de gewijzigde aanvraag van 11 oktober 2024 moet worden gezien als een nieuwe aanvraag.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de vraag of sprake is van een wijziging van ondergeschikte aard per concreet geval worden beoordeeld in relatie tot het bouwplan (ECLI:NL:RVS:2018:378 ).Als de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.
Ter illustratie: het bouwplan van de eerste aanvraag (links) en dat van de gewijzigde aanvraag (rechts).
4.3. De rechtbank oordeelt dat de wijzigingen niet van ondergeschikte aard zijn. De rechtbank komt tot dit oordeel omdat de positionering van de tuin is veranderd, de chalets op een andere plek komen te staan en er 5 extra parkeerplaatsen bijkomen. De uiterlijke verschijningsvorm van het voorziene bouwplan, en daarmee de ruimtelijke uitstraling ervan, is zodanig veranderd dat niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken. De aanvraag van 11 oktober 2024 moet daarom als een nieuwe aanvraag worden gezien. Dit is door het college ten onrechte niet onderkend. De rechtbank zal de aanvraag daarom beoordelen naar het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, namelijk de Omgevingswet. Voor de beoordeling van de aanvraag maakt dit echter geen verschil, omdat het inhoudelijke toetsingskader niet is gewijzigd zoals hierna onder 5 en 5.1 zal worden uitgelegd.

Rechtbank Midden-Nederland 8 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1424: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bouwen dakkapel, voor- en achterkant woning, aanvraag omgevingsplanactiviteit, strijd omgevingsplan, beoordelingskader Besluit kwaliteit leefomgeving, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, negatief stedenbouwkundig advies, woning/hoofdgebouw, wijzigen hoofdgebouw, bouwregels, bijbehorend bouwwerk, toetsen aan beide regels, onderscheid planwetgever, bouwhoogte, stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, daklandschap, eenheid, verrommeling
10. De rechtbank stelt voorop dat de woning het hoofdgebouw is. Als gevolg van het bouwplan zal het hoofdgebouw wijzigen. Tussen partijen is in geschil of het bouwplan getoetst moet worden aan de bouwregels van hoofdgebouwen of van bijbehorende bouwwerken. Het college heeft de aanvraag getoetst aan de bouwregels voor hoofdgebouwen. De rechtbank is het met eisers eens dat de dakkapellen ook voldoen aan de definitiebepaling van een bijbehorend bouwwerk. De rechtbank vindt hiervoor ook steun in rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) (uitspraak van 13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4650). Vervolgens is de vraag of dit betekent dat het bouwplan alleen getoetst moet worden aan de bouwregels van bijbehorende bouwwerken, zoals eisers betogen, of (ook) aan de bouwregels van een hoofdgebouw. De rechtbank volgt eisers op dit punt niet. Naar het oordeel van de rechtbank moet het bouwplan getoetst worden aan zowel de bouwregels van hoofdgebouwen als die van bijbehorende bouwwerken. Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 24 februari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:626), oordeelt de rechtbank dat het toetsen aan beide regels verenigbaar is met het onderscheid dat de planwetgever in dit omgevingsplan heeft gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Gelet op de definitie van hoofdgebouw in artikel 1.50 van de planregels, is het bouwplan in dit geval aan te merken als een bijbehorende bouwwerk zijnde een uitbreiding van het hoofdgebouw. Dat maakt dat de uitbreiding naar het oordeel van de rechtbank ook getoetst moet worden aan de bouwregels voor hoofdgebouwen. Bouwen ziet gelet de definitie uit artikel 1.31 van de planregels niet alleen op het oprichten van een bouwwerk, maar ook op het veranderen of vergroten van een bouwwerk.

Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1474: Awb, Ow; omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, voortplantings- of rustplaatsen das, kwalitatieve noodzaak, positief effect verhuisbewegingen woningmarktregio, dwingende reden van groot openbaar belang, behoefte woningbouw, Habitatrichtlijn, Bkl, grondgebonden koopwoningen, data CBS, hoge segment, omvang project, verstoring foerageergebied, mitigerende maatregelen, alternatieven, bestemmingswijziging, minder woningen, in stand laten rechtsgevolgen, einduitspraak na tussenuitspraak
14. De rechtbank overweegt dat gedeputeerde staten zich voor de noodzaak van het bouwproject baseren op een dwingende reden van groot openbaar belang, gelegen in de behoefte aan woningbouw. Een behoefte aan woningbouw kan onder omstandigheden een dwingende reden van groot openbaar belang opleveren. Het belang moet dan zowel “openbaar” als “groot” zijn, wat impliceert dat dit belang zo groot is dat het kan worden afgewogen tegen de door de Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna) nagestreefde doelstelling van instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna. Voor deze zaak betekent dit dat de rechtbank moet beoordelen of de aard van de beoogde woningbouw en de door gedeputeerde staten aangevoerde belangen zodanig groot en openbaar zijn dat zij als voldoende zwaarwegend kunnen worden aangemerkt in verhouding tot de belangen die door artikel 8:74l, eerste lid, onder b, onder 3° van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden beschermd. De rechtbank sluit hiervoor aan bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), waarin zij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over dwingende redenen van groot openbaar belang in het kader van gebiedsbescherming bij toepassing van de Habitatrichtlijn, ook van toepassing verklaart in het kader van soortenbescherming. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2588 (Circuit Zandvoort), overweging 6.4 en het daarin aangehaalde arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, ECLI:EU:C:2012:82 (Solvay), punten 73-77.
15. In het herstelbesluit hebben gedeputeerde staten zich, anders dan in het bestreden besluit, op het standpunt gesteld dat er lokaal in Soest geen behoefte is grondgebonden koopwoningen in het hoge segment. Daarentegen is met het Stec-rapport inzichtelijk gemotiveerd dat deze behoefte in de woningmarktregio, waartoe Soest behoort, wel bestaat. Uit het Stec-rapport volgt dat ongeveer 24 procent van de verhuisbewegingen in de woningmarktregio plaatsvindt. Tezamen met de verhuisbewegingen in Soest vormt dit het overgrote deel van het aantal verhuisbewegingen in en naar Soest. De rechtbank kan daarmee volgen dat gedeputeerde staten zich voor hun onderbouwing hebben gebaseerd op de vastgestelde woningmarktregio voor de onderbouwing van de behoefte aan woningen. Dat de woningmarktregio volgens eisers ten onrechte te breed is vastgesteld om daarmee het belang van Soest als vestigingsplaats te benadrukken, volgt de rechtbank niet. Met de in het Stec-rapport weergegeven verhuisbewegingen is inzichtelijk gemaakt dat een relevant aandeel van de verhuisbewegingen plaatsvindt van omliggende gemeenten naar Soest. Dit is onderbouwd met data van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS). Gedeputeerde staten mochten zich in het herstelbesluit op de behoefte in de woningmarktregio baseren. Bij de rechtbank is geen rechtspraak bekend (en ook eisers hebben dat niet aangedragen) waaruit volgt dat een groot openbaar belang bij het realiseren van woningen uitsluitend kan worden onderbouwd door een bestaande lokale behoefte. Ook als het bouwproject in deze zaak uitsluitend in een regionale behoefte voorziet, kan daarmee nog steeds sprake zijn van een groot openbaar belang voor het realiseren van de woningen. Dat het realiseren van woningen in Soest voorziet in een regionale behoefte is met het Stec-rapport en de toelichting in het herstelbesluit voldoende deugdelijk gemotiveerd.
17. De rechtbank overweegt ten slotte dat zij bij haar beoordeling het belang van woningbouw moet wegen tegenover het belang van de das om ongestoord gebruik te maken van zijn foerageergebied. Daarbij betrekt de rechtbank dat het in deze zaak om een relatief klein bouwproject gaat waarin vijf woningen worden gerealiseerd. De bijdrage die het project levert aan de behoefte op de woningmarkt is daarmee beperkt. Gezien de beperkte omvang van het project is echter de verstoring van het beschermde foerageergebied van de das ook beperkt. De woningen worden gerealiseerd op één perceel in een landelijke omgeving, maar die wel al is omgeven door woningen. Bovendien wordt met de mitigerende maatregelen, in de vorm van vervangend foerageergebied nabij het bestaande foerageergebied, voldoende compensatie geboden voor de aantasting van het foerageergebied van de das.
19. De rechtbank oordeelt dat gedeputeerde staten in het herstelbesluit ook voldoende concreet en inzichtelijk hebben gemotiveerd dat er geen andere bevredigende oplossing bestaat met minder verstrekkende gevolgen. De rechtbank overweegt daarover dat gedeputeerde staten 21 alternatieve locaties op geschiktheid hebben onderzocht. (…) Uit de beoordeling volgt dat geen van de onderzochte locaties een redelijk en op korte termijn bruikbaar alternatief biedt. De rechtbank kan deze toelichting volgen. Eisers hebben nog aangevoerd dat de bestemming van de beoordeelde percelen niet in de weg zou mogen staan aan de geschiktheid van het alternatief. Het huidige plangebied was oorspronkelijk immers ook niet bestemd voor woningbouw. Deze stelling van eisers leidt echter niet tot een ander oordeel. Een bestemmingsplanwijziging kan immers een tijdrovende procedure zijn waardoor een eventuele alternatieve locatie niet op korte termijn beschikbaar is. Bovendien kan de bereidheid van het college om mee te werken aan een bestemmingswijziging in de weg staan aan de bruikbaarheid van een alternatieve locatie. Dit betekent dat gedeputeerde staten de bestaande bestemming van de alternatieve locaties wel degelijk bij het beoordelen van de alternatieve locaties mochten betrekken. De rechtbank overweegt ten slotte dat gedeputeerde staten de mogelijkheid van het realiseren van minder woningen op de voorgenomen locatie in redelijkheid niet bij de beoordeling van de alternatieven hebben hoeven betrekken. Vergunninghoudster heeft al in een eerder stadium toegelicht dat het realiseren van minder woningen voor haar als ontwikkelaar geen optie is, omdat het project ook rendabel moet blijven. Gedeputeerde staten moeten de aanvraag beoordelen zoals deze door vergunninghoudster is ingediend. Dat het realiseren van minder woningen op het voorgenomen plangebied niet bij de beoordeling van de alternatieven is betrokken, leidt daarom niet tot een ander oordeel.

Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site

Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Den Haag 27 maart 2026 Ow, handhaving, algemene zorgplicht, vangnetkarakter, alleen aan de orde bij handelen onmiskenbaar in strijd met de zorgplicht
Rb Midden-Nederland 12 maart 2026 Omgevingsvergunning bouwen en afwijken bestemmingsplan, evidente privaatrechtelijke belemmering
Rb Gelderland 5 maart 2026 Planschade, voorzienbaarheid Masterplan niet doorbroken door nieuw bestemmingsplan

Mobiele versie afsluiten