Omgevingsvergunning mba voor nieuw luchtwassysteem. Voorwaarde realisatietermijn gelet op de omstandigheden toegestaan.
Casus
Het college van gedeputeerde staten van Reusel-De Mierden heeft een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit verleend voor het plaatsen van nieuwe luchtwassystemen op de aanwezige varkensstallen. Eiseres is het niet eens met een aan de omgevingsvergunning verbonden voorschrift dat bepaalt dat de luchtwassystemen zes maanden nadat de vergunning in werking is getreden gerealiseerd en in werking moeten zijn.
Rechtsvraag
Heeft het college dit voorschrift aan de vergunning kunnen verbinden?
Uitspraak
De rechtbank is van oordeel dat het college voorschrift 1.3.1 heeft kunnen stellen. Naar het oordeel van de rechtbank is voorschrift 1.3.1 namelijk niet in strijd met artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet. Dat artikel bepaalt dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan intrekken als gedurende een jaar of een in de vergunning bepaalde langere termijn geen activiteiten zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De bevoegdheid uit artikel 5.40 van de Omgevingswet om een omgevingsvergunning in te trekken, staat los van de realisatietermijn uit voorschrift 1.3.1. Bovendien doet voorschrift 1.3.1 niet af aan de termijn van één jaar voordat tot intrekking kan worden overgegaan, zoals bepaald in artikel 5.40 van de Omgevingswet. De vrees van eiseres dat het college direct de omgevingsvergunning intrekt wanneer zij de luchtwasser niet binnen zes maanden heeft gerealiseerd is dus ongegrond, omdat artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet daaraan in de weg staat.
De rechtbank heeft verder begrip voor de situatie waarin eiseres verkeert. Het plaatsen van de vergunde luchtwassers vraagt om een niet-geringe financiële inspanning van eiseres, terwijl er tegelijkertijd twijfel bestaat over de effectiviteit en de mate van emissiereductie van het luchtwassysteem dat eiseres wil toepassen. Om die reden is dit type luchtwassysteem ook niet opgenomen op de ‘menukaart’ neergelegd in Bijlage VI bij de Omgevingsverordening Noord-Brabant en waar artikel 3.98 van die Omgevingsverordening naar verwijst. Dat betekent dat eiseres met de vergunde luchtwassers mogelijk niet voldoet aan de bepalingen uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Eiseres wil voorkomen binnen afzienbare termijn opnieuw te moeten investeren in andere luchtwassers, en dat is logisch. Eiseres heeft echter zelf dit type luchtwasser aangevraagd, terwijl de twijfels over de effectiviteit en de mate van emissiereductie van het luchtwassysteem op dat moment al bekend waren. Bovendien heeft eiseres ter zitting aangegeven dat ook wanneer de realisatietermijn zou zijn gesteld op drie jaar, zoals door eiseres verzocht, de aangevraagde luchtwassers mogelijk niet worden gerealiseerd.
Tegenover het belang van eiseres staat het belang van de derde-partij en dat van de andere omwonenden. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in de uitspraak van 17 maart 2025 al geoordeeld dat de lasten onder dwangsom die het college aan eiseres heeft opgelegd om kortgezegd de emissiepunten van de bestaande luchtwassers in overeenstemming te brengen met de vergunde situatie en de luchtwassystemen in werking te brengen en te houden, overeind konden blijven. Juist naar aanleiding van die procedure heeft eiseres de nieuwe luchtwassers aangevraagd, om de gevolgen van het voortduren van de overtreding voor de omgeving te voorkomen. Voor de rechtbank staat daarmee vast dat eiseres geuroverlast veroorzaakt, en die geuroverlast is voor het college aanleiding geweest om voorschrift 1.3.1 te stellen. De rechtbank acht de termijn in voorschrift 1.3.1 kort, maar onder deze omstandigheden en gezien de gehele voorgeschiedenis niet onevenredig. Dat de termijn van zes maanden nooit haalbaar zou zijn, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. Dat eiseres een afspraak heeft met het college dat zij pas de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe luchtwassers zou aanvragen nadat de onderhavige omgevingsvergunning onherroepelijk is, heeft zij niet aangetoond. Het college betwist die afspraak, en stelt dat slechts is afgesproken dat eiseres de omgevingsvergunning voor het bouwen van de nieuwe luchtwassers zou aanvragen zodra de onderhavige omgevingsvergunning was verleend.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 21-08-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2026:5980
Jelle van de Poel