Het college kon de afwijking van het bestemmingsplan, gelet op de afstanden die zijn opgenomen in de op de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) gebaseerde geurverordening, in overeenstemming achten met een goede ruimtelijke ordening.

Casus

Bij besluit van 29 maart 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadiel een omgevingsvergunning verleend voor het veranderen van een loon- en melkveehouderijbedrijf. Bij uitspraak van 1 september 2021 heeft de rechtbank Noord-Nederland het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en bepaald dat het college opnieuw op de aanvraag moet besluiten. Bij besluit van 28 juni 2022 heeft het college de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. De aanvraag betreft onder meer het vergroten van de melkveestal buiten het bouwvlak. Voor het oprichten van de inrichting is, gelet op het aantal te houden dieren, geen omgevingsvergunning milieu vereist. De melkveehouder heeft beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 1 september 2021.
In die uitspraak oordeelde de rechtbank onder meer dat het college, gelet op de wijziging van de aanvraag na een eerdere vernietigde vergunning, ten onrechte niet het ontwerpbesluit van de vergunning ter inzage had gelegd. Daarnaast oordeelde de rechtbank in die uitspraak dat het college de vergunning wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening wat betreft te verwachten geurhinder kon weigeren. De rechtbank heeft in dit kader overwogen dat de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Dantumadiel 2020’ (hierna: Geurverordening 2020), die is gebaseerd op de Wgv, niet rechtstreeks van toepassing is, omdat de omgevingsvergunning niet meer ziet op het oprichten of veranderen van een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Daarna heeft de rechtbank overwogen dat de Geurverordening 2020 echter wel doorwerkt als toepasselijk beleid in het kader van een goede ruimtelijke ordening, omdat het aspect milieu ook in dat kader moet worden beoordeeld.

Rechtsvragen

1. Moest na de uitspraak van de rechtbank een nieuw ontwerpbesluit ter inzage worden gelegd?
2. Is de omgevingsvergunning niet uitvoerbaar omdat de uitbreiding van de melkveehouderij niet voldoet aan de afstand van 100 m die op grond van artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit geldt?
3. Mocht het college zich op het standpunt stellen dat de vergroting van de melkveestal in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening?

Uitspraak

1. Na de vernietiging van het besluit van 29 maart 2017 door de rechtbank, moest het college opnieuw op de aanvraag besluiten. Hoewel, zoals [appellante sub 1] terecht stelt, na vernietiging van een besluit door de rechter in beginsel mag worden teruggevallen op het eerdere ontwerpbesluit, geldt dat niet zonder meer als nadien de aanvraag is gewijzigd. In dat geval moet worden voldaan aan het criterium dat de wijziging van ondergeschikte aard is of dat aannemelijk is dat geen derden zijn benadeeld door het niet ter inzage leggen van een nieuw ontwerpbesluit.
In dit geval heeft [appellante sub 1] na de vernietiging van het besluit van 29 maart 2017 de aanvraag gewijzigd in die zin dat een andere stalvloer is aangevraagd en niet langer een omgevingsvergunning voor het oprichten van een inrichting wordt aangevraagd. Daarbij heeft [appellante sub 1] te kennen gegeven dat de voorgenomen te houden veebezetting wijzigt van het houden van 250 melkkoeien en 160 stuks jongvee naar het houden van maximaal 200 melkkoeien en 140 stuks jongvee. Volgens de rechtbank is deze wijziging niet van onderschikte aard, alleen al omdat door de vermindering van het aantal dieren niet langer een omgevingsvergunning voor het oprichten van een inrichting nodig is.
Naar het oordeel van de Afdeling is de vermindering van het aantal dieren en het daardoor niet langer nodig zijn van een omgevingsvergunning voor het oprichten van een inrichting, geen wijziging waardoor een nieuw ontwerpbesluit ter inzage gelegd had moeten worden. Het gevolg van deze wijziging is dat er bij het besluit van 7 juli 2020 uiteindelijk minder is vergund dan in het ontwerpbesluit was beoordeeld, maar niet dat er iets is vergund wat bij het ontwerpbesluit niet was beoordeeld en waarover toen geen zienswijze naar voren gebracht kon worden. Door deze wijziging worden ook geen derden benadeeld, aangezien de vermindering van het aantal dieren uitsluitend positief is voor de omgeving.
De enige relevante wijziging van de aanvraag, waarvan moet worden beoordeeld of die wijziging van onderschikte aard is, is de wijziging van de stalvloer. In de brief van Omgevingsburo Wiegersma van 27 januari 2020 staat dat op grond van het Besluit emissiearme huisvesting aan nieuwe, strengere, emissie-eisen moet worden voldaan en dat daarom voor een ander vloersysteem is gekozen. Bij dat vloersysteem zal in de stal gebruik worden gemaakt van een zogenoemde mestrobot. Bij het besluit van 31 maart 2021 is vervolgens de ruimtelijke onderbouwing aangevuld met het memo ‘Akoestisch effect gebruik mestrobot in ligboxenstal van [appellante sub 1] aan [locatie 1] te Hurdegaryp’ van 11 maart 2021. In dit memo is berekend dat de akoestische bijdrage van de mestrobot op het binnenniveau in de stal nihil is en dat het binnenniveau dus 56 dB(A) blijft, zoals bij het voorheen aangevraagde vloersysteem zonder mestrobot het geval was. Aangezien de wijziging van de stalvloer niet zichtbaar en niet hoorbaar is buiten de stal en geen toename van emissies vanuit de stal tot gevolg heeft, is deze wijziging van ondergeschikte aard.
Verder heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat het grote tijdsverloop tussen de terinzagelegging van het ontwerpbesluit en het besluit van 7 juli 2020, de inbreng van nieuwe stukken, waaronder een nadere onderbouwing van de grondgebondenheid, en gewijzigde regelgeving maken dat het niet ter inzage leggen van een nieuw ontwerpbesluit onzorgvuldig is. Een groot tijdsverloop, inbreng van nieuwe stukken en gewijzigde regelgeving maken op zichzelf niet dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage moet worden gelegd. In het memo ‘berekening grondgebonden melkveehouderij in 2025’ van Accon avm adviseurs en accountants van 18 maart 2021 wordt onderbouwd dat het bedrijf nog steeds grondgebonden is. Ook na het ter inzage leggen van een ontwerpbesluit is een dergelijke nadere onderbouwing geoorloofd.
Gelet op het voorgaande mocht het college in dit geval terugvallen op het eerdere ontwerpbesluit. De rechtbank is ten onrechte tot de conclusie gekomen dat het college een nieuw ontwerpbesluit ter inzage had moeten leggen.

2. In deze overweging zal de Afdeling ingaan op het betoog van [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] dat de vergunde vergroting van de melkveestal niet uitvoerbaar is, omdat de uitbreiding van de melkveehouderij niet voldoet aan de afstand van 100 m die op grond van artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit geldt. Daarbij stelt de Afdeling voorop dat dat betoog enkel zou kunnen leiden tot het oordeel dat de gevraagde omgevingsvergunning niet verleend had mogen worden, als het college op voorhand had moeten inzien dat het aangevraagde project niet kon worden uitgevoerd.
Op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning, waren de artikelen 3.117 en 3.118 van het Activiteitenbesluit rechtstreeks van toepassing, zodat de inrichting daar in elk geval aan moest voldoen, los van de verleende omgevingsvergunning. Op grond van artikel 3.117 mag de vergroting van de melkveestal niet plaatsvinden als de afstand tussen die stal en een geurgevoelig object dat binnen de bebouwde kom is gelegen, daardoor minder dan 100 m komt te bedragen. Op grond van artikel 3.118 is artikel 3.117 echter niet van toepassing als bij een verordening op grond van artikel 6 van de Wgv een andere afstand is vastgesteld. In dat geval geldt de in die verordening vastgestelde afstand. Daarom geldt hier op grond van artikel 3.118 van het Activiteitenbesluit in samenhang met artikel 2 van de Geurverordening 2020 een afstand van ten minste 50 m. De afstand tussen de melkveestal na de vergunde vergroting daarvan en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object, te weten de woning van [appellant sub 2C] aan [locatie 5], bedraagt ongeveer 70 m. Aangezien met die afstand wordt voldaan aan de in dit geval geldende afstand van ten minste 50 m, bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het college op voorhand had moeten inzien dat de vergroting van de melkveestal niet uitvoerbaar is. Bij deze toets of dat op voorhand moest worden ingezien, mocht het college uitgegaan van de verbindendheid van de Geurverordening 2020.

3. In deze overweging zal de Afdeling ingaan op het betoog van [appellante sub 1] dat de door haar aangevraagde vergroting van de melkveestal in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en dat de rechtbank bij haar oordeel daarover ten onrechte enkel de toelichting, en niet de regels, van de Geurverordening 2020 heeft betrokken.
Hoewel de Geurverordening 2020 niet van toepassing is op de omgevingsvergunning, zoals onder 10.3 is besproken, kan deze verordening wel invulling geven aan wat in dit geval een goede ruimtelijke ordening is. Daarbij zijn zowel de in deze verordening vastgelegde normen als de toelichting daarbij van belang. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte zelfstandige betekenis toegekend aan de passage in de toelichting onder ‘Gebiedsvisie’ dat een mogelijke uitbreiding van een bedrijf de milieusituatie gunstiger moet maken dan voor de uitbreiding en dat deze uitbreiding is gelegen van de bestaande geurgevoelige objecten af. In diezelfde toelichting onder ‘Juridische aspecten’ staat uitdrukkelijk dat een gebiedsvisie op zichzelf geen juridische status heeft en dat de normen die volgen uit de gebiedsvisie daarom worden vastgelegd in de verordening. In bijlage 1 bij de Geurverordening 2020 is verder een inventarislijst van locaties opgenomen, waarin het bedrijf van [appellante sub 1] is opgenomen en daarbij is vermeld dat de bestaande afstand tot aaneengesloten bebouwing ongeveer 80 m is, dat de geldende norm een afstand van 100 m is, en dat na de afweging die in het kader van de Geurverordening 2020 is verricht een minimale afstand van 50 m geldt. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat de afstandsnorm in de Geurverordening 2020 van ten minste 50 m uitdrukkelijk is afgewogen voor het bedrijf van [appellante sub 1].
Uit de inventarislijst blijkt bovendien dat, anders dan [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] stellen, er wel onderzoek is gedaan naar de huidige en te verwachten geursituatie. In de toelichting bij de verordening is verder de geïntegreerde aanpak van de gemeenteraad toegelicht en onderbouwd. Tot slot hoefde het college, anders dan [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] stellen, geen overleg te voeren met de gemeente Tytsjerksteradiel over het bouwplan voor de melkveehouderij, aangezien het effect vanwege de bij de verordening vastgestelde andere afstand niet doorwerkt naar het grondgebied van die gemeente. Binnen een afstand van 100 m van de melkveestal zijn namelijk geen geurgevoelige objecten aanwezig of planologisch mogelijk in de gemeente Tytsjerksteradiel. Wat [appellant sub 2B] en [appellant sub 2C] hebben aangevoerd over de Geurverordening 2020 geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college die verordening en de daarin vastgelegde afstandsnorm van ten minste 50 m niet mocht betrekken bij zijn beoordeling of de vergroting van de melkveestal al dan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Aangezien de afstand tussen de melkveestal en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object in de aangevraagde situatie ongeveer 70 m bedraagt, wordt daaraan voldaan. Op basis van de Geurverordening 2020 kan daarom niet worden geoordeeld dat het college de aangevraagde vergroting van de melkveestal niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening kon achten. Het oordeel van de rechtbank hierover is onjuist.
Naar het oordeel van de Afdeling mocht het college zich op het standpunt stellen dat de vergroting van de melkveestal in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat, hoewel de melkveestal in de aangevraagde situatie dichter bij de omliggende woningen komt te liggen dan in de bestaande situatie, bij de dichtstbijzijnde woning nog steeds ruimschoots wordt voldaan aan de afstand van ten minste 50 m die geldt op grond van de Geurverordening 2020. De afstand in de bestaande situatie was ongeveer 80 m en neemt in de aangevraagde situatie slechts met 9 m af tot ongeveer 70 m. Verder is van belang dat het aantal dieren dat in de stal zal worden gehouden, slechts toeneemt met 10 stuks en dat die 10 dieren, samen met 46 dieren die al in de bestaande stal werden gehouden, zullen worden gehuisvest op een emissiearme stalvloer, waardoor de totale ammoniakemissie vanuit de stal afneemt. Gezien het verband tussen de emissie van ammoniak en geur, zal ook de emissie van geur vanuit de stal afnemen. Onder deze omstandigheden kon het college zich op het standpunt stellen dat de vergroting van de melkveestal het woon- en leefklimaat van de omwonenden niet in dusdanige mate negatief beïnvloedt dat die ontwikkeling in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.
De rechtbank heeft haar oordeel dat het betoog, dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening, slaagt, ten onrechte enkel gebaseerd op een passage uit de toelichting bij de Geurverordening 2020. Zij heeft daarbij ten onrechte niet het geheel van omstandigheden betrokken dat invloed heeft op de ruimtelijke ordening van de omgeving.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 15-01-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:121
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder