De conclusie van het college dat op andere wijze in tegemoetkoming in de geleden planschade is voorzien, is naar het oordeel van de Afdeling, niet op grond van objectieve gegevens gerechtvaardigd.
Casus
Op 18 juni 2020 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om tegemoetkoming in planschade die hij in de vorm van waardevermindering van de woning heeft geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan Torensteepolder 2015. Dit bestemmingsplan is de planologische basis voor het realiseren van een nieuwe weg, met een rotonde ter hoogte van de woning, ten behoeve van de ontsluiting van een nieuwe woonwijk.
De planologische verandering heeft geleid tot een kleine toename van verkeersbewegingen ter hoogte van de woning. [Appellant] is in een zeer beperkt nadeliger planologische positie komen te verkeren. Het college is van oordeel dat de tegemoetkoming anderszins verzekerd is. Op 4 december 2018 hebben [appellant], Midstate en de rechtsvoorganger van de gemeente Hoeksche Waard een vaststellingsovereenkomst getekend in verband met een hogere grenswaarde voor de toelaatbare geluidbelasting vanwege lawaai van het verkeer op de nieuwe ontsluitingsweg. Voor het garanderen van een maximale binnenwaarde van de woning van 33 dB was het noodzakelijk om geluidwerende maatregelen in de woning te treffen. Midstate had daartoe op 4 april 2017 al een bedrag van € 10.737,54 (inclusief BTW) aan [appellant] betaald. In een later stadium heeft adviesbureau Tauw (hierna: Tauw) vastgesteld dat de kosten van adequate akoestische maatregelen € 3.488,43 bedragen. Midstate heeft het verschil van € 7.249,11 tussen het uitgekeerde bedrag en de werkelijke kosten niet teruggevorderd. Omdat er voldoende samenhang bestaat tussen de betaalde vergoeding en de schadeveroorzakende planologische wijziging, wordt het teveel betaalde bedrag beschouwd als compensatie voor de overige planschade. De rechtbank is van oordeel dat het college zich, gelet op alle omstandigheden, terecht op het standpunt heeft gesteld dat tegemoetkoming in de door [appellant] geleden schade anderszins is verzekerd en dat de aanvraag daarom terecht is afgewezen.
Appellant voert aan dat in de vaststellingsovereenkomst expliciet is opgenomen dat hij niets meer te vorderen heeft ter zake de vergoeding voor geluidwerende maatregelen. In die overeenkomst, die betrekking heeft op de vergoeding van de kosten om schadebeperkende maatregelen te treffen, is niet bepaald dat hij geen aanspraak kan maken op tegemoetkoming in planschade.
Rechtsvraag
Staat voldoende vast dat appellant compensatie heeft ontvangen voor de waardevermindering van de woning als gevolg van de planologische wijziging?
Uitspraak
Bij de beantwoording van de vraag of de tegemoetkoming in schade voldoende anderszins is verzekerd, moet rekening worden gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden. Voldoende voor de conclusie dat op andere wijze in tegemoetkoming in de geleden planschade is voorzien, is dat deze op grond van objectieve gegevens gerechtvaardigd is.
In een brief van 24 januari 2017 heeft Midstate aan [appellant] meegedeeld dat er vanwege de aanleg van de Oostelijke Rondweg maatregelen nodig zijn aan de geluidwering van de woning. In de brief is verder vermeld dat Midstate aan Tauw heeft gevraagd de gegevens voor de woning op papier te zetten en daarbij aan te geven welke akoestische werkzaamheden nodig zijn en welke kosten hiermee gemoeid zijn. In een rapport van 12 december 2016 heeft Tauw de kosten geraamd op € 8.074 (exclusief BTW). Midstate heeft [appellant] de keuze gegeven tussen optie A, waarbij hij dat bedrag ontvangt en de werkzaamheden zelf uitvoert, en optie B, waarbij Midstate ervoor zorgdraagt dat een gespecialiseerd bedrijf de werkzaamheden uitvoert. [Appellant] heeft met het antwoordformulier van 4 april 2017 gekozen voor optie A. Vervolgens heeft Midstate € 10.737,54 (het bedrag van de kosten, vermeerderd met € 800 voor de tijd en moeite om de werkzaamheden zelf te organiseren en met de BTW over € 8.874) aan [appellant] uitbetaald.
Uit artikel 1, eerste lid, van de vaststellingsovereenkomst van 4 december 2018, gelezen in samenhang met het antwoordformulier van 4 april 2017, volgt dat Midstate op 4 april 2017 een bedrag van € 10.737,54 aan [appellant] heeft betaald voor het treffen van geluidwerende voorzieningen, dat Tauw in een rapport van 21 februari 2018 de kosten van deze voorzieningen op een bedrag van € 3.488,43 heeft berekend en dat Midstate het teveel betaalde bedrag van € 7.249,11 niet van [appellant] zal terugvorderen.
In de vaststellingsovereenkomst is niet expliciet bepaald dat het teveel betaalde bedrag ter compensatie van de planschade is bedoeld. Midstate heeft op de zitting van de Afdeling desgevraagd toegelicht dat zij er ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst van is uitgegaan dat [appellant] het betaalde bedrag aan geluidwerende voorzieningen heeft besteed en dat zij het niet redelijk heeft gevonden om het teveel betaalde bedrag van [appellant] terug te vorderen. Verder heeft Midstate toegelicht dat zij op dat moment niet heeft beoogd dat het teveel betaalde bedrag betrekking had op eventuele latere planschade. Onder deze omstandigheden is de conclusie van het college dat op andere wijze in tegemoetkoming in de geleden planschade is voorzien, naar het oordeel van de Afdeling, niet op grond van objectieve gegevens gerechtvaardigd.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 05-02-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:441
Odile Scholte