Last onder dwangsom in verband met het houden van meer dan vier honden. Verordening fysieke leefomgeving, uitvoeringsbesluit, rechtsgrond voor handhaving. Gestelde norm van vier honden, motivering van de norm, beoogde doel van de norm.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Dronten (het college) heeft op grond van artikel 2:21, eerste lid, onder c, van de Verordening fysieke leefomgeving gemeente Dronten 2025 (de Verordening) en artikel 2:60, tweede lid, sub c, van het Uitvoeringsbesluit Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Dronten 2011 (het Uitvoeringsbesluit) aan eisers een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van het verbod op het houden van meer dan vier honden in de gemeente Dronten. Bij het bestreden besluit op het bezwaar van eisers is het college bij het dwangsombesluit gebleven.

Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren in beroep aan dat het college niet bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen omdat artikel 2:60 van het Uitvoeringsbesluit alleen van toepassing is op wegen en niet op woningen. Ten tweede voeren zij aan dat de in het Uitvoeringsbesluit neergelegde norm van vier honden willekeurig is.

Het college stelt zich op het standpunt dat het college wel bevoegd was om te handhaven en dat in dit geval niet van handhaving afgezien kon worden.

Rechtsvragen

1. Was het college bevoegd handhavend op te treden?
2. Heeft het college de norm van vier honden voldoende gemotiveerd?

Uitspraak

1. Bij een belastend besluit zoals een last onder dwangsom, is in het kader van de rechtszekerheid belangrijk dat het college duidelijk maakt welke regel of regels zijn overtreden. Alleen als een van tevoren vastgelegde geldende regel is overtreden, is het college bevoegd om handhavend op te treden. De bestuursrechter beoordeelt dit ambtshalve.
Het college heeft aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat sprake is van een overtreding van artikel 2:21 van de Verordening gelezen in samenhang met artikel 2:60 van het Uitvoeringsbesluit. Het college heeft hierover tijdens de zitting toegelicht dat artikel 2:60 van de Algemene Plaatselijke Verordening Dronten 2024 (APV) is vervallen toen de Omgevingswet werd ingevoerd en als artikel 2:21 is opgenomen in de Verordening fysieke leefomgeving. Dat staat ook in de APV. Artikel 2:60 van het Uitvoeringsbesluit is ongewijzigd gebleven en moet volgens het college worden gelezen in samenhang met artikel 2:21 van de Verordening.
De rechtbank stelt vast dat artikel 2:60 van de APV over het houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren is vervallen. Dit artikel gaf het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen over het houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren. Dit heeft het college gedaan met het Uitvoeringsbesluit APV.
Het vervallen artikel 2:60 van de APV is opgenomen in artikel 2:21 van de Verordening. Op het moment van het opleggen van de last onder dwangsom en op het moment van het bestreden besluit was artikel 2:21 van de Verordening in werking getreden en gold artikel 2:60 van de APV niet meer. Artikel 2:21 van de Verordening is vrijwel gelijkluidend als het vervallen artikel 2:60 van de APV en geeft ook aan het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen over hinderlijke of schadelijke dieren. Dat heeft het college echter niet gedaan. Volgens het college zijn de nadere regels van artikel 2:60 van het Uitvoeringsbesluit namelijk nog van toepassing omdat in de APV staat dat artikel 2:60 van de APV is vervallen en is opgenomen in artikel 2:21 van de Verordening. Dat volgt de rechtbank niet, gelet op het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat in de APV wordt verwezen naar artikel 2:21 van de Verordening niet betekent dat de nadere regels van het Uitvoeringsbesluit daarop ook van toepassing zijn. In de Verordening is niet vastgesteld dat de nadere regels uit het Uitvoeringsbesluit voor wat betreft hinderlijke of schadelijke dieren nog steeds van toepassing zijn. De rechtbank stelt vast dat dit anders is voor andere artikelen die voorheen in de APV waren opgenomen en die inmiddels zijn opgenomen in de Verordening. In de toelichting bij de Verordening is voor een aantal andere artikelen namelijk wel expliciet vermeld dat in het Uitvoeringsbesluit nadere regels zijn opgenomen en dat die nog steeds van toepassing zijn (zie bijvoorbeeld de toelichting bij artikel 2:48 van de Verordening). Tijdens de zitting heeft het college niet kunnen toelichten waarom dit voor het vervallen artikel 2:60 van de APV niet is gedaan.
De rechtbank oordeelt daarom dat het college vanwege het ontbreken van een rechtsgrond voor handhaving, niet bevoegd was om te handhaven. Het beroep is daarom gegrond.

2. De rechtbank overweegt dat het mensen in beginsel vrij staat om een onbeperkt aantal huisdieren te houden. De gemeente kan regelgeving maken om te voorkomen dat er overlast ontstaat. De gemeente moet daarbij wel enige terughoudendheid toepassen om niet te ver in te grijpen in de privésfeer. De bedoeling van de regelgeving is om te kunnen optreden tegen mensen die door het houden van dieren geluidsoverlast, stank of andere hinder of schade veroorzaken. De rechtbank begrijpt dat het college vanuit het oogpunt van rechtszekerheid heeft gekozen voor een concrete norm, te weten een maximum van vier honden. Het college moet daarbij wel goed motiveren hoe het tot die norm is gekomen. Daarnaast zal het college bij het handhaven van die norm (zoals in dit geval in de vorm van een last onder dwangsom) steeds moeten beoordelen of het handhaven van die norm ook leidt tot het beoogde doel (in dit geval het voorkomen of beëindigen van hinder) en of handhaving evenredig is.
De rechtbank oordeelt dat het college niet concreet heeft toegelicht op welke manier de norm van maximaal vier honden is vastgesteld. Het college heeft niet concreet toegelicht waarom er bij het houden van meer dan vier honden sprake is van overlast. Daarbij heeft het college een norm van vier honden gesteld zonder er rekening mee te houden dat verschillende omstandigheden van invloed kunnen zijn op de vraag of de honden overlast veroorzaken, zoals de manier waarop de honden worden gehuisvest, of de woning in de bebouwde kom of daarbuiten ligt, hoeveel buren er in de omgeving wonen en hoe ver die uit elkaar wonen. Ook is geen rekening gehouden met het soort woning, of het gaat om een portiekflat of een vrijstaande woning, of met de grootte van de woning. Dit zijn allemaal omstandigheden die een rol zouden kunnen spelen bij het vaststellen van een dergelijke norm. De rechtbank overweegt dat de norm is vastgesteld met het doel om overlast te voorkomen, maar het college heeft niet deugdelijk gemotiveerd dat de norm van vier honden daarvoor passend en geboden is. Tijdens de zitting heeft het college ook niet kunnen toelichten hoe de norm van vier honden is vastgesteld en waarom er bij meer dan vier honden sprake zou zijn van overlast.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 05-11-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2025:5756
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder