Alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime zijn van belang. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.

Casus

Bij besluit van 1 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Someren een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen. [Wederpartij] is sinds 17 oktober 1985 eigenaar van het perceel aan de [locatie] in Lierop en exploitant van een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee op dit perceel. De agrarische activiteiten op het pluimveebedrijf bestonden tot voor kort uit het grootbrengen van kuikens tot kippen. De gestelde schade als gevolg van het bestemmingsplan Vogelasiel Someren, dat voorziet in een vogelasiel op een afstand van ongeveer 1,1 km van het pluimveebedrijf, houdt verband met de kennisgeving van opfokorganisaties aan [wederpartij] dat zij vanwege de nabijheid van het vogelasiel en de daarbij behorende risico’s op verspreiding van dierziektes geen kuikens (meer) zullen plaatsen op het pluimveebedrijf.

Naar het oordeel van de rechtbank ligt het in de rede om in deze specifieke situatie een toerekening naar redelijkheid toe te passen, waarbij het antwoord op de vraag aan welke gebeurtenis of gebeurtenissen de schade wordt toegerekend, afhangt van diverse factoren en de omstandigheden van het geval. Het college is het niet eens met het oordeel van de rechtbank. Het college voert aan dat het alleszins aannemelijk is dat er een verband bestaat tussen de komst van het vogelasiel en de opzegging van contracten vanwege de vrees voor verspreiding van dierziektes, maar dat het daarbij slechts om een indirect of afgeleid gevolg gaat en niet om een rechtstreeks en ruimtelijk relevant gevolg van de planologische wijziging.

Rechtsvraag

Is wederpartij door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger planologische positie komen te verkeren en heeft wederpartij ten gevolge van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan schade geleden of zal wederpartij hierdoor schade lijden?

Uitspraak

Bij de beoordeling of sprake is van een nadeliger situatie ten gevolge van een planologische wijziging zijn slechts ruimtelijke gevolgen relevant.

Alleen de ten tijde van de inwerkingtreding van de desbetreffende planologische maatregel objectief te verwachten gevolgen van het nieuwe planologische regime zijn van belang. Subjectieve elementen spelen daarbij geen rol. In de planologische vergelijking wordt slechts rekening gehouden met zorgen over gezondheidsrisico’s als gevolg van een planologische maatregel, indien voor die zorgen aanwijzingen zijn te vinden in wetenschappelijke informatie die op de peildatum beschikbaar was.

In het besluit van 22 september 2021, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 juli 2021, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van een algemeen aanvaard wetenschappelijk onderzoek, of van een zwaarwegend advies van een autoriteit als de Gezondheidsraad, dat de vrees van de opfokorganisaties voor dierziektes in het pluimveebedrijf van [wederpartij] als gevolg van de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer van dat pluimveebedrijf objectiveert. [Wederpartij] heeft dit in beroep niet betwist. Wel heeft hij in de schriftelijke uiteenzetting aangevoerd dat uit het door het college bedoelde onderzoek van de Universiteit van Wageningen blijkt dat nog onbekend is hoe het virus, ondanks bijvoorbeeld een ophokplicht, in de stal bij het pluimvee terecht komt, dat de aanwezigheid van vogels in de omgeving daarbij als mogelijke oorzaak wordt gezien en dat een rechtstreeks verband tussen de aanwezigheid van het vogelasiel en het risico op verspreiding van dierziektes niet is uitgesloten.

Naar het oordeel van de Afdeling neemt deze reactie van [wederpartij] niet weg dat er op 24 februari 2018, ten tijde van de peildatum van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens of richtlijnen van overheidswege geen reden was om aan te nemen dat de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer het risico op verspreiding van dierziektes in het pluimveebedrijf doet toenemen. Hierbij betrekt de Afdeling dat zij in haar uitspraak van 20 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:886), waarbij zij het door [wederpartij] tegen het besluit tot vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, onder meer het volgende heeft overwogen.

Ten behoeve van dit plan heeft de raad laten onderzoeken of het mogelijk maken van een vogelasiel ter plaatse een risico inhoudt en op welke afstand zich eventueel gevolgen van een dergelijk gebruik zouden kunnen voordoen voor agrarische bedrijven in de omgeving. Uit dit onderzoek blijkt dat het voorzien in gebruik als vogelasiel ter plaatse op zichzelf geen risico inhoudt en er geen sprake is van gevolgen door de gebruiksmogelijkheden in het plan. De raad heeft gesteld dat, gelet hierop, geen sprake is van een onaanvaardbaar risico en onaanvaardbare aantasting van de belangen van [wederpartij]. De Afdeling heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich niet op dat standpunt heeft kunnen stellen. Daartoe is van belang dat uit het Beleidsdraaiboek Aviaire Influenza van het Ministerie van Economische Zaken uit september 2013, waarnaar [wederpartij] verwijst, niet het door hem gestelde risico blijkt, omdat dit draaiboek enkel betrekking heeft op de wijze waarop de autoriteiten moeten handelen na een uitbraak van vogelgriep, aldus de Afdeling in de uitspraak van 20 maart 2019.

Voor zover [wederpartij] op de zitting nog heeft aangevoerd dat het risico op verspreiding van dierziektes met name ontstaat door de handelwijze van het vogelasiel om herstelde vogels op verschillende plaatsen in de directe omgeving van het bedrijf van [wederpartij] uit te zetten, soms op slechts 100 m afstand, overweegt de Afdeling dat, wat daarvan overigens ook zij, dit feitelijk handelen van het vogelasiel betreft en geen ten tijde van de inwerkingtreding van de planologische maatregel objectief te verwachten gevolg van het nieuwe planologische regime.

Uit het voorgaande volgt dat het college, in de gemaakte vergelijking van het regime van het nieuwe bestemmingsplan met het daaraan voorafgaande planologische regime, terecht geen rekening heeft gehouden met de vrees van de opfokorganisaties voor dierziektes in het pluimveebedrijf van [wederpartij] als gevolg van de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer van dat pluimveebedrijf. Dit betekent dat [wederpartij] door de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingplan niet in een nadeliger planologische positie is komen te verkeren. Daarvan uitgaande, wordt, gelet op de beoordelingssystematiek, niet meer toegekomen aan de vraag of [wederpartij] ten gevolge van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, en dus ook niet aan de vraag naar de toerekening naar redelijkheid van die schade, of de omvang van die schade. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 17-12-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:6179
Odile Scholte

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder