De in de omgevingsvergunning vastgelegde emissienorm voor geur is volgens vergunninghouder niet haalbaar. BBT-conclusie 34 van het BREF Waste Treatment (afvalbehandeling) is en blijft echter van toepassing.

Casus

Op verzoek van MOB heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Flevoland de emissie-eisen voor geur van composteerbedrijf Orgaworld aangescherpt op basis van BBT-conclusie 34 uit de BREF Waste Treatment (Afvalbewerking). Voor de geurconcentratie bij de biologische behandeling van afval is hierin een BBT-range van 200 – 1.000 ouE/Nm3 opgenomen. Orgaworld stelt dat deze BBT-norm niet haalbaar is voor compostering. De vergunde geurvracht van 84 miljoen ouE/Nm3/uur is gebaseerd op een geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3. Op basis van deze norm kan Orgaworld de bovengrens van de BBT-range voor de geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 overschrijden, terwijl zij binnen de grenzen van het bestreden besluit blijft.
Zowel Orgaworld als MOB heeft beroep ingesteld.

Rechtsvragen

1. Is vergunningvoorschrift 3.1.1 voldoende concreet?
2. Stelt Orgaworld terecht dat de BBT-range van 200 – 1.000 ouE/Nm3 niet haalbaar is voor composteerbedrijven?
3. Dient het college de haalbaarheid van de geuremissie-eis te onderbouwen?
4. Wat betekent het als de geuremissie-eis niet haalbaar is, omdat dit zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen?
5. Was het toegestaan om alleen de geurvracht (en niet de geurconcentratie) te limiteren?

Uitspraak

1. Vergunningvoorschrift 3.1.1 van het bestreden besluit luidt: ‘Tenzij anders voorgeschreven moet vergunninghouder voldoen aan de BBT-conclusies van 10 augustus 2018 (UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/1147).’
Het bevoegd gezag moet emissiegrenswaarden in een omgevingsvergunning vaststellen die waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de van toepassing zijnde met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus. BBT-conclusies vormen de referentie voor toetsing en vaststelling van vergunningsvoorschriften en actualisatie van deze voorschriften.
Dit betekent dat het aan gedeputeerde staten is om de normen uit het Uitvoeringsbesluit voor Orgaworld te vertalen naar bruikbare en praktisch hanteerbare vergunningvoorschriften, afgestemd op de specifieke installatie(s) en bedrijfsproces(sen) van de inrichting. Zij moeten daarbij ook bepalen welke specifieke emissiegrenswaarde binnen de range uit een BBT-conclusie van toepassing is, zodat duidelijk is aan welke waarde een bedrijf gebonden is. Met voorschrift 3.1.1. is die vertaalslag overgeslagen en zijn de BBT-conclusies, en dus de range als geheel, rechtstreeks van toepassing verklaard. Dat is in strijd met het systeem van de wet.

2. Het is volgens de rechtbank niet aan het bevoegd gezag, of aan de rechtbank, om in een individuele vergunningprocedure te toetsen of de BBT-norm zelf rechtens juist en uitvoerbaar is. Een andere uitleg zou er toe leiden dat bij elke actualisatie de noodzaak en legitimiteit van de BBT zelf ter discussie zouden kunnen worden gesteld en dat is niet de bedoeling, gelet op de ontstaansgeschiedenis van BBT-conclusies die zijn ontwikkeld om een gelijk speelveld te creëren en milieunormen in de Europese Unie te harmoniseren.

3. Het is aan het bevoegd gezag om te motiveren dat een geuremissie-eis die is opgenomen in een vergunningvoorschrift onder normale bedrijfsomstandigheden haalbaar is. Als immers redelijkerwijs niet kan worden bereikt dat een inrichting hieraan kan voldoen, behoort een vergunning te worden geweigerd of (in het kader van actualisering) te worden ingetrokken. Op gedeputeerde staten rust dus de verantwoordelijkheid om te beoordelen of de gestelde emissiegrenswaarde voor Orgaworld haalbaar is. Het is aan Orgaworld om gedeputeerde staten hiertoe te voorzien van alle benodigde gegevens.

4. Als moet worden geconcludeerd dat de geuremissie-eis niet haalbaar is, omdat dit zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, dan kunnen gedeputeerde staten volgens de rechtbank in specifieke gevallen minder strenge emissiegrenswaarden vaststellen.

5. Door alleen de geurvracht te maximeren hebben gedeputeerde staten volgens de rechtbank aan Orgaworld (binnen die randvoorwaarde) de ruimte gelaten om zelf de verhouding te bepalen tussen concentratie (ouE/Nm3) en debiet (Nm3/per uur). Dit betekent dat Orgaworld er bijvoorbeeld voor kan kiezen om per uur 84.000 normale kubieke meters met een concentratie van elk 1.000 ouE uit te stoten, maar er bijvoorbeeld ook voor kan kiezen om per uur 42.000 normale kubieke meters met een concentratie van elk 2.000 ouE uit te stoten, als de totale geurvracht maar niet hoger is dan 84 miljoen ouE/Nm3/uur.
De rechtbank stelt vast dat het gedeputeerde staten vrij staat om andere emissiegrenswaarden, perioden of referentieomstandigheden vast te stellen dan uit de BBT-conclusie volgt. Dit is echter alleen toegestaan zolang de monitoringsresultaten van de emissie één keer per jaar worden beoordeeld. Deze monitoring moet een vergelijking met de BBT-waarden mogelijk maken en de resultaten moeten beneden de bovenkant van de bandbreedte van de BBT-range blijven. De rechtbank is niet gebleken dat gedeputeerde staten met het bestreden besluit in deze wijze van monitoring hebben voorzien. Hierdoor kan het dus zijn dat Orgaworld de bovengrens van de BBT-range voor geurconcentratie van 1.000 ouE/Nm3 overschrijdt, terwijl zij binnen de grenzen van het bestreden besluit blijft.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 01-05-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2026:2120
Ronald de Vogel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder