Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2760: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, rechtszekerheid, redelijke termijn, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2728: Awb, Wro; provinciaal inpassingsplan, gevolgen bedrijfsvoering, niet onevenredig nadelig, plattelandswoning, VNG-brochure, afstand tot kassen 14m
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2755: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, boomkwekerijloods, “reëel agrarisch bedrijf”, advies Agrarische Beoordelingscommissie niet duidelijk (Rb Zeeland-West-Brabant 22/4958)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2772: Awb, Wro; bpl, dertien woningen in plaats van agrarische bedrijfsbebouwing, spuitzone gewasbeschermingsmiddelen, ten onrechte niet uitgegaan van maximale planologische mogelijkheden, omgevingsverordening, zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkeling stedelijk gebeid, ruimte-voor-ruimteregeling, waterhuishouding, verkeer, woon- en leefklimaat, natuurcompensatie, relativiteit, redelijke termijn
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2761 : Awb, Wvg; uitbreiden bedrijven- en industrieterrein, niet vervallen, structuurvisie binnen drie jaar, provinciaal inpassingsplan, geen verval van rechtswege, globaal beeld, onzekerheid geplande ontwikkeling, belangenafweging (Rb Noord-Nederland 22/3190, 22/3208 en 22/3215)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2756: Awb; exploitatievergunning, café, (verenigings)activiteiten, evenementen, feesten en bruiloften, apv, woon- en leefsituatie, openbare orde, voorschriften, bezoekerscapaciteit, aantal publieksevenementen, eerdere uitspraak Afdeling, niet op ontoelaatbare wijze nadelig beïnvloed
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2766: Awb, Chw, Wro; bpl, kerkgebouw en woon-zorgcomplex met 34 woningen, verkeer, capaciteit weg, parkeerbehoefte, kencijfers CROW, inclusief bevoorrading, geluid, wegverkeer, stemgeluid, kerkklok, geluid voor toekomstige bewoners, landschappelijke gevolgen, tussenuitspraak
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2729: Awb, Chw, Wabo; bpl, omgevingsvergunning, woongebouw met 100 woningen, parkeervoorziening en commerciële functies, nieuwe beroepsgronden, hoogbouwvisie, aantasting stadsgezicht, alternatief plan, hittestress
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2752: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, beperkingen gebruik pluktuin,
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2733: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, illegale prostitutie in woning, eigenaar, woning verhuurd via Airbenb, gebruik in strijd met bestemming, overtreding apv, functioneel daderschap, voldoende zorg betracht, uitleg begrip “gebruik”, niet laten gebruiken, geen overtrede, in strijd met (Rb Zeeland-West-Brabant 23/10331)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2732, ECLI:NLRVS:2026:2731 en ECLI:NL:RVS:2026:2730: Awb, Wegenwet; handhaving, last onder dwangsom, melkveehouderij, deel weg niet begaanbaar, bosschages, inzaaien gras, apv, openbaar, wegenlegger, 30 jaar niet voor eenieder toegankelijk, getuigenverklaringen, foto’s, luchtfoto’s, gebruik voor beweiden van koeien in strijd met apv, beginselplicht handhaving, geen bijzondere omstandigheden, duidelijkheid last (Rb Overijssel 22/401, 22/399 en 22/403)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2745: Awb, Wro; bpl, herontwikkeling binnenruimte van parkeerplaats naar woningen, goede procesorde, nader stuk, alternatieven, parkeren, dynamische verwijzing, rechtszekerheid, zelf in de zaak voorzien, parkeergelegenheid voorwaarde wijzigingsbevoegdheid, mogelijkheid voldoende parkeerplaatsen niet onderbouwd, geen berekening, geen onderzoek, toelichting in verweerschrift, bouwhoogte, voorwaarden wijzigingsbevoegdheid
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2759: Awb, Wro; wijzigingsplan, 3 seniorenwoningen, een twee-onder-één-kapwoning en vrijstaande woning, ontwikkelingsvisie, aantasting openheid landschap, stedenbouwkundig beeld
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2727: Awb; afwijzing verzoek handhaving, voetbalkooi, geluidsoverlast, apv, periode meting, representatief beeld, zelfde gronden als in beroep (Rb Noord-Nederland 23/705)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2742: Awb, Wro; paraplubpl, plattelandswoningen, wijzigingsbevoegdheid, belemmering bedrijfsvoering en ontwikkelmogelijkheden glastuinbouwbedrijven, ten onrechte geen plattelandswoning
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2617: Awb, Wabo; handhaving, opslag grasbalen ten behoeve van bedrijf op andere locatie, uitleg bpl, maar één agrarisch bedrijf toegestaan (Rb Noord-Nederland 23/408)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2753: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, sleufsilo, uitleg bpl, maar één agrarisch bedrijf toegestaan (Rb Noord-Nederland 23/1390)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2747: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, evenement, geen procesbelang, laatste evenement (Rb Amsterdam 24/1582)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2754: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, evenement, ontvankelijkheid bezwaar, stichting, belanghebbende, geen procesbelang, stichting bestaat niet meer, laatste evenement (Rb Amsterdam 23/1426 en 23/1350)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2744: Awb, Chw, Wro; bpl, 24 woningen voor senioren, participatie, ladder voor duurzame verstedelijking, behoefte, geel locaties binnen bestaand stedelijk gebied, omgevingsverordening, verkeer, ontsluiting,
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2726: Awb; nadeelcompensatie, tracébesluit, Programma Hoog Frequents Spoorvervoer, vaststellingsovereenkomst, bloemenwinkels, Beleidsregel nadeelcompensatie I en W, zelfde gronden als in beroep (Rb Amsterdam 24/6494)
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2757: Awb, TwG; mijnbouwschade, vaste vergoeding, geen vergoeding bijkomende kosten, vertrouwensbeginsel (Rb Noord-Nederland 25/221)
* ABRvS 12 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2696: Awb, Wro; vovo, bpl, herinrichting weg en kruising, belangenafweging, verkeersveiligheid, subsidie, voorwaarde realisatie in 2026, stikstofdepositie, Natura 2000, ecologische beoordeling
* Rechtbank Midden-Nederland 12 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2324: vovo en kortsluiten, verzoek handhaving, herinrichting park, hondenlosloopgebied, geen aanwijzing, geen besluit, plaatsen hek, strijd met apv, geen belanghebbende, geen besluit
* ABRvS 11 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2671: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, intrekken omgevingsvergunning, herbouw bedrijfswoning, in 2005 begonnen met bouw, niet onevenredig, belang omwonenden, vertrouwensbeginsel (Rb Oost-Brabant 24/1486)
* ABRvS 11 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2672: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, woning, alternatief, gevolgen voor monumentaal naastgelegen klooster, ruimtelijke onderbouwing (Rb Limburg 23/3688)
¶ Rechtbank Den Haag 11 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10791: Awb, Ow; afwijzing verzoek handhaving, mobiele bodemberoerende visserij in Natura 2000-gebied Doggersbank, gemeenschappelijk visserijbeleid EU, EEZ, overtreding, uitzondering in Bal, onverbindend wegens strijd met Habitatrichtlijn, beginselplicht handhaving
* Rechtbank Midden-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2268: Awb, Wnb; goedkeuring faunabeheerplan voor de jacht, toetsingscriteria, wildsoorten, verschil met beschermde soorten, toetsen aan staat van instandhouding niet vereist
* ABRvS 7 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2623 en ABRvS 7 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2622: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning, bouw 26 appartementen, 6 extra appartementen, herstelbesluit, parkeren, parkeeronderzoek, kencijfers CROW, aanwezigheidspercentages, parkeertellingen, fietsparkeren, anterieure exploitatieovereenkomst, toezeggingen (Rb Overijsel 24/2782, 24/3031 en 24/2975 en Rb Overijssel 24/3234 en 24/3264 )
* ABRvS 7 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2648: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning (10 j), bouw 50 flexwoningen, Bro, woon- en leefklimaat, wateroverlast, verkeers- en parkeerproblematiek, omgevingsverordening, woningnood (Rb Overijssel 24/3398, 25/586)
¶ Rechtbank Limburg 7 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4495: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning, BOPA, technische bouwactiviteit, monument, 34 appartementen, advies gemeenteraad niet verplicht, participatie, vormvrij, privacy, bezonning, hittestress
¶ Rechtbank Limburg 7 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4500: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning BOPA, kademuren, bescherming bedrijven tegen hoogwater, belanghebbende, participatie, noodzaak, waterveiligheid, trillingen en geluid, ETFAL, flora- en fauna-activiteit, uitvoerbaarheid, quickscan
* Rechtbank Limburg 7 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4492: Awb, Wabo, Belemmeringenwet Privaatrecht; vovo, gedoogplicht en omgevingsvergunning uitvoeren werk, ondergrondse drinkwatertransportleiding, biologisch landbouwbedrijf, belangenafweging, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl niet vereist
* Rechtbank Limburg 6 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4410: Awb; vovo, afwijzing verzoek handhaving, parkeren camper, apv, overtreding, voorgevelrooilijn, definitie in apv
¶ Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4774: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, intrekken omgevingsvergunning uit 1969, wijzigen winkelpand, aankoop in 2023, bevoegdheid, jaar geen werkzaamheden, hoeft niet jaar voor intrekking, redelijkheid, werkzaamheden, in kennis gesteld van mogelijke intrekking, vertrouwensbeginsel
* Rechtbank Limburg 6 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4428: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, verbouw bestaand pand tot hotel, oprichten brasserie en realiseren parkeerplaats, bouw- en sloopwerkzaamheden, ligging parkeerplaatsen, geluidshinder, visuele hinder
¶ Rechtbank Amsterdam 6 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4374: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder dwangsom, dakterras en buitentrap, niet gebleken dat terras is vergund, ‘plat’ op tekening onvoldoende, belangenafweging
¶ Rechtbank Oost-Brabant 6 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2932: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder dwangsom, gebruik bedrijfswoning als burgerwoning, verbouwen en gebruik loods, verharding en opslag containers buiten het bouwvlak, teelt en verkoop tuinbouwgewassen, bewoning alleen door beheerder, voorwaarde in besluit, bewoning loods door meer dan 12 arbeidsmigranten, jaarrond gebruik wel toegestaan, geen aanvraag voor legalisatie verharding, evenredigheid
* Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 mei 2026, ECLI:NL:OGHACMB:2026:86: Awb; bouwvergunning, 28 appartementen, bouwverordening, Eilandelijk Ontwikkelingsplan, bouwhoogte, belangenafweging, geen toeristisch project, woningdichtheid
¶ Rechtbank Oost-Brabant 4 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2777: Awb, Ow; vovo, afwijzing handhavingsverzoek, verhuurbedrijf bouwkranen, bomen kap, werkzaamheden, realisering bedrijfsbebouwing, bevoegd gezag, geen overtredingen, spoedeisend belang, behoud bomenrij, bodemverontreiniging, schutting, belemmeringen bedrijfsvoering buurperceel
* Rechtbank Gelderland 4 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3493: Awb, Wabo; omgevingsvergunning uitvoeren werk en afwijken bpl, plaatsen 35 chalets, uitleg begrip “bouwwerk voor recreatief gebruik”, toelichting bpl, verkeer, parkeren, stikstof, relativiteit
* Rechtbank Noord-Nederland 1 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1728: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 3 padelbanen, mandaat, bestemmingsplan ten tijde van beslissen op bezwaar, bestemming “sport”, geen lawaaisport, algemeen spraakgebruik
¶ Rechtbank Midden-Nederland 1 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2124: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, transparante en wegschuifbare balkonbeglazing, negatieve welstandsadviezen, woongenot, discretionaire bevoegdheid
¶ Rechtbank Gelderland 1 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3432: Awb, Ow; handhaving, grondwerkzaamheden, bouw serrre, niet omgevingsvrij, bruidsschat, overtreding, overgangsrecht, vergunningcheck, archeologische waarden, voorrangsbepaling omgevingsplan, evenredigheid, gelijkheidsbeginsel
¶ Rechtbank Overijssel 1 mei 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2381: Awb, Ow; afwijzing verzoek handhaving, evenement, kortdurend en incidenteel, niet in strijd met omgevingsplan, terrasschermen, apart besluit, beperkte verandering ruimtelijke uitstraling horeca-activiteit,
* Rechtbank Gelderland 1 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3447: Awb, Wabo; handhaving, bedrijventerrein, bouwwerken zonder vergunning, overtreding, invorderingsbesluiten, legaliseringstraject
* Rechtbank Gelderland 1 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3433: Awb, Wabo; handhaving, demping watergang, aanvraag watervergunning, oorspronkelijke staat, herstelmaatregel, invordering, geen bijzondere omstandigheden
* Rechtbank Gelderland 30 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3392: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, vleeskalverenhouderij, norm goede ruimtelijke ordening, relativiteit, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid ziet niet op intensieve veehouderij, overschrijding bouwvlak, niet op basis van binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, natuurwaarden, MER, luchtkwaliteit, aanhaakverplichting gebiedsbescherming
* Rechtbank Overijssel 30 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2380: Awb, Arbowet; vovo, boete, overtreding asbestregels, eerder asbestinventarisatieonderzoek
* Rechtbank Gelderland 29 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3355: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, voedselbos, grondgebonden landbouw, geen vvgb vereist, strijd met bestemmingsplan, productieboomgaard, geen “agrarisch bedrijf”, Van Dale, toegangspad, omvang totale verharding, vergunningplicht, vertrouwensbeginsel, goede ruimtelijke ordening, verkeersveiligheid
¶ Rechtbank Oost-Brabant 29 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2704: Awb, Ow; sloopvergunning, sloop bedrijfshallen en funderingen, archeologische waarden, bodemverontreiniging, parapluplan, toetsingskader, doel planregels
¶ Rechtbank Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10078: Awb, Ow; handhaving, lasten onder dwangsom, invordering, geluidsnormen omgevingsplan, sprotschool, oorzaak geluid, videobeelden sportschool, deugdelijke vaststelling feiten en omstandigheden, deugdelijke vaststelling ontbreekt bij twee invorderingsbesluiten en tweede last onder dwangsom, videobeelden niet betrokken
* Rechtbank Den Haag 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9637: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, bouw schuur, bestemming natuur, aannemingsbedrijf, aanvraag, weigering vvgb, gebruik voor andere doeleinden, gelijkheidsbeginsel
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3311: Awb, Ow; handhaving, beweiding waterkering met runderen, overtreding, waterschapsverordening, evenredigheidsbeginsel, vertrapping en verruiging grasmat, waterveiligheid, overgangsrecht
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3314: Awb, Ow; handhaving, Apv, bpl, illegale prostitutieactiviteiten, overtreding, overtrederschap, gelijkheidsbeginsel
¶ Rechtbank Den Haag 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10144: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, legaliseren dakkapel aan voorzijde, stedenbouwkundig advies, ETFAL
¶ Rechtbank Den Haag 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10143: Awb, Ow; omgevingsvergunning BOPA, verschuiven in- en uitrit parkeergarage, realiseren deel fietsenstalling buiten bouwvlak, verkeersonderzoek, ETFAL
¶ Rechtbank Midden-Nederland 20 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1632: Awb, Ow; omgevingsvergunning, kappen 25 bomen, belangenafweging, uitgevoerde kap, procesbelang bij herplantplicht
¶ Rechtbank Midden-Nederland 20 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1631: Awb, Ow; omgevingsvergunning, kappen 3 bomen, belanghebbendheid, afstand, vleermuizen, adviezen boomtechnisch adviseur/ecologisch adviesbureau
* Rechtbank Noord-Nederland 17 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1675: Awb, Wabo; afwijzing verzoek handhaving, mestvergistingsinstallatie, overlast geur en geluid, eerdere raspporten, voorschriften nageleefd, geuronderzoek niet vereist, geluidrapporten, grenswaarde laagfrequent geluid, energetische middeling, niet overeenkomstig Handleiding meten en rekenen industrielawaai
# Rechtbank Noord-Nederland 17 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1674: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, veranderingsvergunning, mestvergister, cumulatie van geur, mestverhouding
¶ Rechtbank Den Haag 17 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9976: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, realiseren 5 trekkershutten/25 kampeerplaatsen/bedrijfsgebouwen, diverse activiteiten, afwijken planregels, participatie, uitzicht, verkeerstoename, lichthinder, verbod detailhandel, alternatieven
¶ Rechtbank Den Haag 14 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9986: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, bouwen/gebruiken loods en geluidswering, belanghebbendheid,, zichtlijnen, woon- en leefklimaat, relativiteitsvereiste
* Rechtbank Noord-Nederland 8 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1672: Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding, vierde verbrandingsinstallatie, geen bekendmaking in Duitsland, Verdrag van Aarhus, geen attenderingsservice, één project, intern salderen, geen passende beoordeling, niet voldoende op concrete plan toegespitst, aanvulling op eerdere beoordeling, additionaliteit, “andere stoffen”
¶ Rechtbank Midden-Nederland 3 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1666: Awb, Ow; omgevingsvergunning, veranderen gevelpaneel, aanvraag, strijdig gebruik, geen kamerbewoning
* Rechtbank Noord-Holland 8 januari 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:47: Awb, Wabo; omgevingsvergunning uitvoeren werk en bouwen en afwijken bpl, 4 woningen, geen evidente privaatrechtelijke belemmering, goede ruimtelijke ordening
* Rechtbank Noord-Nederland 14 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1151:nAwb, Ow; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en milieu, twee vleeskalverenstallen, provinciale verordening, geur, geluid
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2733: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, illegale prostitutie in woning, eigenaar, woning verhuurd via Airbenb, gebruik in strijd met bestemming, overtreding apv, functioneel daderschap, voldoende zorg betracht, uitleg begrip “gebruik”, niet laten gebruiken, geen overtrede, in strijd met (Rb Zeeland-West-Brabant 23/10331)
4.3. De burgemeester en het college hebben de last onder dwangsom mede gebaseerd op overtreding van artikel 97 van de APV. [wederpartij] is een particulier verhuurder die incidenteel zijn woning via Airbnb verhuurt. Tijdens verhuur in het verleden heeft [wederpartij] contact onderhouden met zijn buurvrouw om op de hoogte te blijven van mogelijke overlast van gasten. De wijze waarop [wederpartij] zijn woning heeft verhuurd aan [huurder] is niet ongebruikelijk voor het verhuurplatform Airbnb. Evenmin zijn er aanwijzingen dat [wederpartij] onvoldoende zorg heeft betracht door zijn woning aan [huurder] te verhuren. [huurder] had een door Airbnb geverifieerd profiel, wat betekent dat hij de identiteitsverificatie van het platform heeft doorlopen. Uit dat profiel kon [wederpartij], naar niet in geschil is, niet opmaken dat [huurder] in het verleden overlast had veroorzaakt of gehuurde woningen illegaal heeft gebruikt. Ook heeft [huurder] vooraf betaald via een bankoverschrijving. Zijn woning zou verder voor slechts vijf dagen worden verhuurd, wat een niet ongebruikelijke huurperiode is voor verhuur via Airbnb. [wederpartij] heeft tot slot [huurder] in een chatgesprek erop gewezen dat hij geen feesten mag organiseren en niet mag roken in de woning. [wederpartij] heeft daarmee gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mag worden bij de verhuur van zijn woning via Airbnb. Anders dan de burgemeester en het college stellen, hoeft onder de gegeven omstandigheden niet van [wederpartij] te worden verwacht dat hij [huurder] erop wijst dat het verboden is zijn woning als seksinrichting te gebruiken. Niet gebleken is dat de woning voor 16 oktober 2022 illegaal is gebruikt, bijvoorbeeld als seksinrichting, toen [wederpartij] deze eerder verhuurde via Airbnb. Dat eiser de sleutel van de woning niet fysiek heeft overgedragen, leidt ook niet tot het oordeel dat hij onvoldoende zorg heeft betracht. Hij had bij een fysieke sleuteloverdracht niet noodzakelijk aan de huurder of één van de andere personen kunnen zien dat zij de woning illegaal gingen gebruiken. Verder acht de Afdeling van belang dat [wederpartij], nadat hij op de hoogte was gesteld van het illegale gebruik van zijn woning, de verhuur direct heeft beëindigd en zijn woning heeft verwijderd van het platform Airbnb. De Afdeling is van oordeel dat onder de genoemde omstandigheden de burgemeester en het college niet hebben aangetoond dat [wederpartij] de overtreding van artikel 97 van de APV heeft aanvaard.
4.4. De burgemeester en het college hebben de last onder dwangsom naast overtreding van artikel 97 van de APV ook gebaseerd op overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, wegens het gebruiken van de woning in strijd met het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, betekent de enkele omstandigheid dat [wederpartij] het pand niet zelf in strijd met het bestemmingsplan gebruikt, niet dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt. De Afdeling wijst er in dit verband op dat, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, onder “gebruiken van gronden” als bedoeld in deze bepaling mede moet worden verstaan het “laten gebruiken van gronden” (Kamerstukken II 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 94). Daarbij is het aan de eigenaar om aannemelijk te maken dat hij niet wist en ook niet kon weten dat zijn eigendom in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 14 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:628, onder 5.3.
4.5. [wederpartij] heeft aangevoerd dat hij een particulier verhuurder is die incidenteel zijn woning via Airbnb verhuurt, wat voorafgaand aan de verhuur aan [huurder] niet tot illegaal gebruik heeft geleid. Verder voert hij aan dat hij voorafgaand aan de verhuur aan [huurder], zijn profiel heeft gecheckt. Ook wijst [wederpartij] erop dat de huurperiode van vijf dagen niet ongebruikelijk is, dat [huurder] vooraf op de gebruikelijke wijze via een bankoverschrijving de huur heeft betaald en dat hij hem er in een chatgesprek op heeft gewezen dat hij in de woning geen feesten mag organiseren en niet mag roken. De Afdeling is van oordeel dat [wederpartij] met de door hem aangedragen feiten en omstandigheden erin is geslaagd om aannemelijk te maken dat hij niet als overtreder kan worden aangemerkt van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Daaruit, bezien in combinatie met de overige hiervoor onder 4.3 weergegeven feiten en omstandigheden, kan namelijk niet worden opgemaakt dat [wederpartij] wist of kon weten dat zijn woning vanaf 16 oktober 2022 als seksinrichting gebruikt ging worden. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat [wederpartij] de woning in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo voor sekswerk heeft laten gebruiken.
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2745: Awb, Wro; bpl, herontwikkeling binnenruimte van parkeerplaats naar woningen, goede procesorde, nader stuk, alternatieven, parkeren, dynamische verwijzing, rechtszekerheid, zelf in de zaak voorzien, parkeergelegenheid voorwaarde wijzigingsbevoegdheid, mogelijkheid voldoende parkeerplaatsen niet onderbouwd, geen berekening, geen onderzoek, toelichting in verweerschrift, bouwhoogte, voorwaarden wijzigingsbevoegdheid
9.3. De Afdeling is van oordeel dat in het plan niet is onderbouwd dat in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien. In dat opzicht kon de raad zich redelijkerwijs niet op het standpunt stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een ruimtelijke ordening. De redenen hiervoor zijn als volgt.
Voorop staat dat opname van een wijzigingsbevoegdheid en een afwijkingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Daarom dient reeds bij de vaststelling van het plan te worden onderzocht of een invulling van de wijzigingsbevoegdheid en de afwijkingsbevoegdheid mogelijk is waarbij sprake is van een aanvaardbare planologische situatie. In dit geval is relevant dat het college door gebruik te maken van de wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden in totaal maximaal 110 extra woningen kan toestaan in het plangebied.
De Afdeling constateert dat in de toelichting niet is berekend wat het vereiste aantal benodigde parkeerplaatsen is voor deze extra woningen. Bovendien staat in paragraaf 4.1.2 van de plantoelichting dat het waarschijnlijk is dat niet de volledige parkeerbehoefte in het bouwplan kan worden opgelost. Dan kan onderzocht worden of de parkeerbehoefte gefaciliteerd kan worden door gebruik te maken van bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Hiernaar is echter geen onderzoek gedaan. Ook zijn geen concrete oplossingen aangedragen waarmee aan de parkeerbehoefte kan worden voldaan. Weliswaar zijn enkele opties gesuggereerd, maar dat is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende concreet om te kunnen vaststellen of sprake kan zijn van een aanvaardbare planologische situatie.
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2617: Awb, Wabo; handhaving, opslag grasbalen ten behoeve van bedrijf op andere locatie, uitleg bpl, maar één agrarisch bedrijf toegestaan (Rb Noord-Nederland 23/408)
7.1. Voor het antwoord op de vraag of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is en ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever.
(…)
7.4. De Afdeling stelt voorop dat artikel 4.1, aanhef en onder a, van de planregels niet spreekt over het vestigen van het agrarisch bedrijf, maar van de uitoefening van het agrarisch bedrijf. De rechtbank heeft daar ook terecht op gewezen. In de tekst van deze bepaling wordt ‘het agrarisch bedrijf’ in enkelvoud gebruikt. Dit duidt erop dat een beperking is gesteld aan het aantal bedrijven dat op de gronden mag worden uitgeoefend. Maar in dit geval zou met de gebruikte formulering ook kunnen worden gedoeld op de uitoefening van agrarische bedrijvigheid in zijn algemeenheid. Naar het oordeel van de Afdeling is de planregel op zichzelf bezien daarom niet duidelijk over hoeveel bedrijven op het hier aan de orde zijnde perceel mogen worden uitgeoefend. De betekenis van de bepaling wordt ook niet duidelijk als deze, zoals de rechtbank heeft gedaan, wordt gelezen in samenhang met artikel 6.1 van de planregels. In dat artikel wordt weliswaar ook de formulering ‘uitoefening van het agrarisch bedrijf’ gebruikt, maar dit artikel gaat over de gebiedsbestemming “Agrarisch met waarden” terwijl artikel 4 een bestemming op perceelsniveau is, wat ook blijkt uit de verbeelding. Naar het oordeel van de Afdeling komt daarom betekenis toe aan de plantoelichting. In de toelichting staat onder meer dat de bestemming “Agrarisch – Agrarisch Bedrijf” is gegeven aan alle volwaardige agrarische bedrijven en dat per afzonderlijk bedrijf een bouwvlak is aangegeven. De Afdeling leidt uit de toelichting af dat het de bedoeling is geweest dat op gronden met de bestemming “Agrarisch – Agrarisch Bedrijf” en de aanduiding “bouwvlak” maar één agrarisch bedrijf mag worden uitgeoefend. Hieruit vloeit naar het oordeel van de Afdeling voort dat ook maar één agrarisch bedrijf agrarische activiteiten mag uitoefenen. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen.
* ABRvS 13 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2742: Awb, Wro; paraplubpl, plattelandswoningen, wijzigingsbevoegdheid, belemmering bedrijfsvoering en ontwikkelmogelijkheden glastuinbouwbedrijven, ten onrechte geen plattelandswoning
8.1. (…)
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning van [appellant sub 2] en [appellant sub 1] is aangemerkt als een zogenoemde categorie 1 woning, ofwel een noodzakelijk uit te plaatsen woning. Het bestemmingsplan geeft voor die woning het college niet de bevoegdheid om de woning als plattelandswoning aan te duiden. Die mogelijkheid heeft het college wel als het gaat om zogenoemde woningen in de categorie 3, ofwel niet noodzakelijk uit te plaatsen woning, en woningen in de categorie 2, ofwel gewenst uit te plaatsen woning. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad niet deugdelijk gemotiveerd waarom de raad aan de ene kant het college de bevoegdheid heeft gegeven om het gebruik van woningen als plattelandswoningen toe te staan, maar dit voor bepaalde woningen heeft uitgesloten. Ook heeft de raad niet bezien waarom het voor de woningen waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet, op een afstand van minder dan 10 m van een glastuinbouwbedrijf, ruimtelijk aanvaardbaar is om die als plattelandswoning te kunnen gebruiken. De raad heeft weliswaar in dat kader in artikel 4 van de planregels voorwaarden gesteld, maar gelet op de inhoud van die voorwaarden de onderzoeksplicht doorgeschoven naar het moment waarop de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast. Het bestemmingsplan is gelet op het voorgaande in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet zorgvuldig voorbereid en niet deugdelijk gemotiveerd.
¶ Rechtbank Den Haag 11 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10791: Awb, Ow; afwijzing verzoek handhaving, mobiele bodemberoerende visserij in Natura 2000-gebied Doggersbank, gemeenschappelijk visserijbeleid EU, EEZ, overtreding, uitzondering in Bal, onverbindend wegens strijd met Habitatrichtlijn, beginselplicht handhaving
8.4. Artikel 11.16, aanhef en onder b, van het Bal, maakt een categorische uitzondering op de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten wanneer het gaat om visserij-activiteiten die onder het GVB vallen en die plaatsvinden in de EEZ.
(…)
8.11. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de Europese Unie exclusief bevoegd is met betrekking tot het vaststellen en uitvoeren van het GVB en dat het natuurbelang een rol speelt bij het vaststellen van de maatregelen die in het kader van het GVB worden getroffen. Het natuurbelang kan op grond van de Visserijwet 1963 en de daarop gebaseerde regelgeving ook worden meegewogen bij de regulering van de zeevisserij op nationaal niveau. Dit laat echter onverlet dat Nederland gehouden is tot het naleven van de verplichtingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn. Het GVB laat naar het oordeel van de rechtbank ook nadrukkelijk de ruimte aan de lidstaten om de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen uit de Habitatrichtlijn na te leven, ook als die maatregelen betrekking hebben op visserij-activiteiten die onder het GVB vallen en plaatsvinden binnen de EEZ. Die maatregelen zullen wel genomen moeten worden met inachtneming van de eisen die hieraan worden gesteld in artikel 11, eerste lid, van de Basisverordening.
8.12. Artikel 11.16, aanhef en onder b, van het Bal vormt een ingrijpende beperking van de ruimte om aanvullende maatregelen te treffen om te voldoen aan de Habitatrichtlijn, nu deze bepaling visserij-activiteiten die onderwerp zijn van het GVB en die plaatsvinden in de EEZ op voorhand geheel uitzondert van de vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit. Dat betekent dat die activiteiten nu mogen plaatsvinden, terwijl geen passende beoordeling is gemaakt van de effecten daarvan. Een dergelijke categorische uitzondering van het verbod om een project niet eerder toe te staan dan nadat de zekerheid is verkregen dat dit de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank niet met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Dat betekent dat artikel 11.16, onder b, van het Bal in strijd is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn en om die reden onverbindend moet worden verklaard.
8.13. Nu artikel 11.16, onder b, van het Bal onverbindend moet worden geacht, heeft verweerder deze bepaling ten onrechte ten grondslag gelegd aan het bestreden besluit. De onverbindendheid van artikel 11.16, onder b, van het Bal brengt mee dat de visserij-activiteiten waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft, niet mogen plaatsvinden zonder omgevingsvergunning. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet is op deze visserij-activiteiten onverkort van toepassing.
* Rechtbank Midden-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2268: Awb, Wnb; goedkeuring faunabeheerplan voor de jacht, toetsingscriteria, wildsoorten, verschil met beschermde soorten, toetsen aan staat van instandhouding niet vereist
16. De Wnb heeft voor de soorten die zijn aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de bijlage bij de Wnb, het uitgangspunt deze in stand te houden en te beschermen. Dit betekent dat het in beginsel verboden is om deze beschermde soorten te doden of te verstoren. Dit beschermingsregime is opgenomen in de paragrafen 3.1 tot en met 3.3 van de Wnb. Op dit beschermingsregime kan een uitzondering gemaakt worden door het verlenen van een ontheffing of vrijstelling. In dat kader moet worden beoordeeld of er een andere bevredigende oplossing bestaat, of er een noodzaak is tot het verlenen van de ontheffing of vrijstelling en of het verlenen van de vrijstelling of ontheffing niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de soort. Uit de Wnb volgt niet dat dit beschermingsregime ook van toepassing is op wildsoorten. Deze wildsoorten zijn een in artikel 3.20, tweede lid, van de Wnb apart aangewezen categorie waarvoor het juist in afwijking van dit beschermingsregime is toegestaan ze te doden, te vangen of te verontrusten.
17. Gelet op het hiervoor beschreven onderscheid dat de Wnb maakt tussen beschermde soorten en de jacht op wildsoorten zijn de uitspraken van de Afdeling van 7 april 2021 en 19 april 2023 naar het oordeel van de rechtbank niet van toepassing op het goedkeuringsbesluit van het faunabeheerplan voor de jacht. (..)
18. De rechtbank volgt eiseres niet in haar standpunt dat de goedkeuring van een faunabeheerplan voor de jacht nodig is om op een wildsoort te kunnen jagen. Voor beschermde soorten geldt wel dat een vrijstelling pas kan worden gebruikt na goedkeuring van het faunabeheerplan. Voor wildsoorten is de bevoegdheid om te jagen in de Wnb echter niet gekoppeld aan de goedkeuring van het faunabeheerplan, maar aan het openstellen van de jacht op een wildsoort. Uit artikel 3.22 van de Wnb volgt dat de minister bevoegd is om de jacht op de wildsoorten open te stellen. De minister kan daarbij beperkingen stellen voor het jagen op wildsoorten naar tijd en plaats. Uit artikel 3.22, vijfde lid, van de Wnb volgt dat de jacht op een soort niet wordt opengesteld wanneer de staat van instandhouding in het geding is. Voor de wildsoorten is in de Wnb de beoordeling van de staat van instandhouding dus gekoppeld aan de bevoegdheid van de minister om de jacht al dan niet open te stellen en niet aan de goedkeuring van een faunabeheerplan. Gelet daarop hoeven gedeputeerde staten de staat van instandhouding niet bij de goedkeuring van het faunabeheerplan voor de jacht te betrekken. Eiseres heeft verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 september 200911, waaruit volgt dat de opening van de jacht moet worden getoetst aan artikel 7, vierde lid, van de Vogelrichtlijn. Ook die verwijzing maakt het voorgaande niet anders, nu de bevoegdheid tot het openen van de jacht bij de minister ligt, en niet volgt uit de goedkeuring van het faunabeheerplan.
19. De rechtbank ziet, anders dan eiseres betoogt, ook geen aanleiding voor het oordeel dat uit artikel 3.20, derde lid, van de Wnb volgt dat de staat van instandhouding van een wildsoort bij de goedkeuring van een faunabeheerplan voor de jacht moet worden betrokken. In dit artikel is een zorgplicht voor de jachthouder geformuleerd om in zijn jachtveld een redelijke stand van het aanwezige wild te handhaven en om schade te voorkomen. De redelijke wildstand kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk gesteld worden met de staat van instandhouding van een soort zoals die volgt uit de Habitatrichtlijn.
¶ Rechtbank Gelderland 1 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3432: Awb, Wabo; handhaving, grondwerkzaamheden, bouw serrre, niet omgevingsvrij, bruidsschat, overtreding, overgangsrecht, vergunningcheck, archeologische waarden, voorrangsbepaling omgevingsplan, evenredigheid, gelijkheidsbeginsel
8.2 (…) Op grond van artikel 22.22 van het omgevingsplan, zoals dat ten tijde van het bestreden besluit gold, is sprake van een vrijstelling van archeologisch onderzoek omdat de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Volgens eisers gaat dit artikel voor op de bepalingen in het facetbestemmingsplan. (…)
8.3. Dit betoog slaagt niet. In artikel 22.22 van het omgevingsplan is kort samengevat bepaald dat regels over het verrichten van archeologisch onderzoek voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, niet van toepassing zijn als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2, of een afwijkende andere oppervlakte als die in het bestemmingsplan is opgenomen. Ten eerste volgt uit het facetbestemmingsplan dat bij de bestemming “Waarde – Archeologie 1” voor alle activiteiten waarbij sprake is van een bodemingreep, hoe beperkt ook, een omgevingsvergunning nodig is. Dit is anders bij de bestemmingen “Waarde – Archeologie 2” en “Waarde – Archeologie 3” waar wel een aantal m2 is opgenomen waarbinnen geen omgevingsvergunning nodig is. In de zin van artikel 22.22 van het omgevingsplan geldt binnen de bestemming “Waarde – Archeologie 1” dus een afwijkende oppervlakte, namelijk 0 m2, zodat geen sprake is van strijd met dit artikel.
Ten tweede is van belang dat als wél sprake zou zijn van strijd met artikel 22.22 van het omgevingsplan, sprake zou zijn van strijd tussen die bepaling en de bepalingen in het facetbestemmingsplan. Op dat moment wordt de voorrangsbepaling in artikel 22.1, eerste lid van het omgevingsplan van belang. In die voorrangsbepaling staat kort samengevat dat als de regels van de bruidsschat in strijd zijn met het facetbestemmingsplan, de regels van het facetbestemmingsplan in de meeste gevallen voorgaan. Artikel 22.22 valt onder deze hoofdregel, zodat in dit geval de verbodsbepalingen van het facetbestemmingsplan voorrang krijgen en blijven gelden. In zoverre is dus geen sprake van omgevingsvergunningvrije activiteiten.
¶ Rechtbank Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10078: Awb, Ow; handhaving, lasten onder dwangsom, invordering, geluidsnormen omgevingsplan, sprotschool, oorzaak geluid, videobeelden sportschool, deugdelijke vaststelling feiten en omstandigheden, deugdelijke vaststelling ontbreekt bij twee invorderingsbesluiten en tweede last onder dwangsom, videobeelden niet betrokken
11.1. Aan invorderingsbesluit II heeft het college de geluidsmeting van de ODH van 26 november 2024 tot en met 2 december 2024, neergelegd in het rapport van 5 december 2024, ten grondslag gelegd. Uit de door eiseres gemaakte vergelijking met de camerabeelden van de sportschool, volgt dat er op twee momenten waarop door de ODH een geluidspiek is gemeten, op de camerabeelden geen personen te zien zijn in de sportschool. Het gaat om beeld nummer 4 van 30 november 2024 in de nachtperiode en om beeld nummer 9 van 2 december 2024 in de nachtperiode. Eveneens volgt uit de vergelijking met de meting van 24 tot en met 27 januari 2025, die het college aan invorderingsbesluit III ten grondslag heeft gelegd, dat er op een moment waarop door de ODH een geluidspiek is gemeten, op beeld geen personen in de sportschool te zien zijn. Het gaat daar om beeld nummer 15 van 27 januari 2025 in de nachtperiode.
11.2. Naar het oordeel van de rechtbank had het college hierin – anders dan bij de hangende bezwaar overgelegde camerabeelden waarin wel personen in de sportschool waren te zien – aanleiding moeten zien om nader onderzoek te doen naar de gemeten geluidspieken en de bron daarvan. Op de camerabeelden is, naar niet is betwist, de gehele sportzaal te zien. Wanneer geluidspieken worden gemeten op momenten dat geen personen aanwezig zijn in de sportzaal, geeft dat aanleiding voor twijfel aan de bevindingen. Zonder nader onderzoek dat die twijfel wegneemt, is onvoldoende onderbouwd dat de gemeten piekgeluiden in die gevallen afkomstig zijn van activiteiten in de sportschool. De rechtbank volgt het college daarmee niet in zijn standpunt dat het buiten zijn onderzoeksplicht ligt om camerabeelden in zijn onderzoek te betrekken. Ook discrepantie tussen de tijdstippen van de metingen en van de camerabeelden, is onvoldoende om deze camerabeelden zonder meer buiten beschouwing te laten. Deze discrepantie betreft, naar de rechtbank begrijpt uit de vergelijking van eiseres, seconden. Dit verschil heeft eiseres geprobeerd te ondervangen door camerabeelden van een breder tijdsbestek te gebruiken in de vergelijking dan alleen het moment van de gemeten geluidspiek door de ODH. Als het college twijfelt over de juistheid van de tijdstippen op de camerabeelden, ligt het op de weg van het college om die tijdstippen te verifiëren.
* Rechtbank Noord-Nederland 8 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1672: Awb, Wnb; natuurvergunning, uitbreiding, vierde verbrandingsinstallatie, geen bekendmaking in Duitsland, Verdrag van Aarhus, geen attenderingsservice, één project, intern salderen, geen passende beoordeling, niet voldoende op concrete plan toegespitst, aanvulling op eerdere beoordeling, additionaliteit, “andere stoffen”
7.2.4. In de PAS-uitspraak van de Afdeling, heeft de Afdeling samengevat aan welke vereisten een passende beoordeling moet voldoen:
– Uit de passende beoordeling moet de wetenschappelijke zekerheid zijn verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Deze wetenschappelijke zekerheid is er wanneer uit volledige, nauwkeurige en definitieve constateringen en conclusies elke redelijke wetenschappelijke twijfel over de gevolgen van het plan of project voor het betrokken beschermde gebied zijn weg[ge]nomen;
– Het onderzoek moet omwille hiervan logischerwijs voldoende op het concrete plan of project zijn toegespitst;
– De positieve gevolgen van instandhoudings- en passende maatregelen (maatregelen die op grond van artikel 6, lid 1 en 2, Habitatrichtlijn nodig zijn voor het behoud of herstel van de gunstige staat van instandhouding) mogen in beginsel niet worden betrokken in een passende beoordeling ter mitigatie van eventuele schadelijke gevolgen van een plan of project. De positieve gevolgen van deze maatregelen kunnen wel worden betrokken bij de beoordeling van de staat van instandhouding van een habitat of soort waaraan de effecten van een plan of project worden getoetst;
– Hetzelfde geldt voor de positieve gevolgen van autonome ontwikkelingen, zoals het schoner worden van het verkeer op de weg. Deze mogen wel in de passende beoordeling worden betrokken om de staat van instandhouding te beoordelen, maar niet ter mitigatie van eventuele schadelijke gevolgen;
– Positieve gevolgen van mitigerende maatregelen (in de zin van artikel 6, lid 3, Habitatrichtlijn) en van autonome maatregelen mogen in de passende beoordeling worden betrokken als de verwachte voordelen van die maatregelen ten tijde van de passende beoordeling vaststaan;
– Bij (technische) beschermingsmaatregelen die functioneel verbonden zijn aan de uitvoering van het plan of project (zoals een stilstandvoorziening of een geluidscherm), is het geen vereiste dat deze ten tijde van de passende beoordeling al volledig ten uitvoer zijn gelegd. Wel moeten de verwachte voordelen daarvan vaststaan om ze te kunnen betrekken in de passende beoordeling;
– Enkel de positieve effecten van mitigerende maatregelen, die niet óók nodig zijn voor het behalen van een gunstige staat van instandhouding van het Natura 2000-gebied als bedoeld in de artikelen 6, lid 1 en 2 Habitatrichtlijn, mogen in de passende beoordeling worden betrokken als mitigerende maatregel (het additionaliteitsvereiste).
7.2.5. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een passende beoordeling waaruit de zekerheid is verkregen dat de natuurlijke kenmerken van betrokken Natura 2000-gebieden niet zal worden aangetast. Daarmee is het bestreden besluit in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.
Er is geen sprake van een passende beoordeling die voldoende op het concrete plan is toegespitst. Het college heeft immers een passende beoordeling gemaakt voor de derde verbrandingslijn. Deze passende beoordeling is een aanvulling op de passende beoordeling die is gemaakt voor de eerste en tweede verbrandingslijn. Voor de aanvraag van de vierde lijn heeft het college daar weer een aanvulling op laten maken. Alhoewel de rechtbank goed mogelijk acht dat een passende beoordeling in diverse documenten tezamen ligt besloten, is er thans geen sprake van een passende beoordeling die het gehele project na wijziging beschrijft en beoordeelt. Anders dan verweerder stelt, volgt uit de Natuurtoets niet een (integrale) beoordeling waaruit kan worden afgeleid dat de Update 3de lijn ook na toevoeging van een vierde installatie voor het gehele project de passende beoordeling vormt voor ‘andere stoffen’. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een versnipperde beoordeling, waarbij het ontbreekt aan een complete en totale analyse van een ter zake kundige.
Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Midden-Nederland 21 april 2026 Handhaving, exceptieve toetsing planregeling, schaarse rechten, systeem met verdelingsmechanisme, evidente strijd met rechtszekerheidsbeginsel
Rb Zeeland-West-Brabant 17 april 2026 Maatwerkvoorschriften voor de opslag van energieopslagsystemen, Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS) 37. Opladen is onderdeel van opslag energieopslagsystemen, geen actief gebruik
vzr Rb Rotterdam 3 april 2026 Omgevingswet, handhaving, vervallen regels tijdelijk deel omgevingsplan, verschillende regels die zien op hetzelfde onderwerp, rechtszekerheid.
STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates
Ruud Veenhof, adviseur bij STAB, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 15 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2092). In deze uitspraak heeft de Afdeling een aantal inhoudelijke oordelen gegeven over een besluit tot wijziging van een omgevingsplan. In deze annotatie wordt ingegaan op artikel 16.83 van de Omgevingswet en het oordeel van de Afdeling hierover. Vervolgens komt het onderwerp geluid aan de orde, waarbij langer wordt stilgestaan bij het oordeel van de Afdeling over de beroepsgrond aangaande artikel 5.78af van het Besluit kwaliteit leefomgeving over zogenoemde indirecte akoestische effecten. Tot slot wordt het oordeel van de Afdeling over het beoordelen van hetgeen het wijzigingsbesluit maximaal mogelijk maakt, besproken.
Julian Kramer, advocaat bij Pels Rijcken, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:1202). Het is de eerste (inhoudelijke) uitspraak in een geschil over een projectbesluit zoals bedoeld in artikel 5.44 van de Omgevingswet (Ow). Het betreft het projectbesluit “Kaderrichtlijn Water (KRW) Maas, maatregelen Bokhovense waard, oever Casterens Hoeve en oever Benedenwaarden” van de minister van Infrastructuur en Waterstaat. Tegen het projectbesluit is beroep ingesteld door een melkveehouderij die vreest dat het besluit negatieve gevolgen voor de bedrijfsvoering heeft. In de annotatie wordt toegelicht dat deze uitspraak een goede eerste indruk geeft van hoe de Afdeling projectbesluiten zal gaan beoordelen, of in ieder geval waar zij de nadruk op legt in die toetsing. Het bepaalde in artikel 5.6 van het Omgevingsbesluit lijkt hierin een sleutelrol te (gaan) spelen.