Het college was niet bevoegd om met toepassing van artikel 18.10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet de verleende omgevingsvergunning in te trekken. Het college heeft niet dan wel onvoldoende aangetoond dat sprake is van een onjuiste of onvolledige opgave.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Nieuwegein (het college) heeft een verleende omgevingsvergunning ingetrokken. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het intrekkingsbesluit. Bij het bestreden besluit heeft het college dit bezwaar ongegrond verklaard.
Rechtsvraag
Was het college bevoegd om met toepassing van artikel 18.10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet de omgevingsvergunning in te trekken?
Uitspraak
De omgevingsvergunning voor het wijzigen van de bestemming is verleend toen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nog gold. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden en is de Wabo ingetrokken. De verleende omgevingsvergunning wordt van rechtswege een vergunning onder de Omgevingswet. Dit is geregeld in artikel 4.13, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.
Het college kan een omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk intrekken als de vergunning is verleend op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Dit is geregeld in artikel 18.10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet. Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet was deze bevoegdheid opgenomen in artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. De rechtbank zal voor haar beoordeling aansluiten bij de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over de toepassing van dat artikel nu beide artikelen nagenoeg overeenkomen en de strekking hetzelfde is.
Uit die rechtspraak volgt dat voor de intrekking van een omgevingsvergunning wegens een onjuiste of onvolledige opgave noodzakelijk is dat vast staat dat de vergunning juist wegens de onjuistheid of onvolledigheid in de overgelegde gegevens is verleend. Het is aan het college om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor de uitoefening van zijn bevoegdheid tot intrekking is voldaan. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de ABRvS van 7 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:720, van 17 april 2021: ECLI:NL:RVS:2019:1156 en van 11 december 2013: ECLI:NL:RVS:2013:2407. In deze zaak rust dus op het college de bewijslast om aan te tonen dat er een onjuiste of onvolledige opgave in de aanvraag is gedaan.
(…)
De rechtbank vindt dat niet is komen vast te staan dat de omgevingsvergunning wegens onjuiste gegevens is verleend. Uit de besluitvorming en de zitting is haar gebleken dat het pijnpunt van het college voornamelijk zit in de onduidelijkheden ten aanzien van de scheidingsmuren in de tekeningen die zijn aangeleverd bij de aanvraag om een omgevingsvergunning. Op de tekening van de bestaande situatie zijn volgens het college een aantal aspecten niet juist of niet duidelijk weergegeven. Verder heeft het college gesteld dat de tekening van de nieuwe situatie op een aantal punten ‘wazig’ is en niet goed te zien is dat de scheidingsmuren aansluiten op vensters. Bij de controle door de toezichthouders is gebleken dat een aantal werkzaamheden die moeten zorgen voor een brandveilige situatie niet of niet conform die tekening uitgevoerd (kunnen) worden.
Naar het oordeel van de rechtbank gaat het in deze zaak niet zozeer om een onjuiste opgave bij de aanvraag, maar om een constatering van het college dat hij – achteraf gezien – de bouwtekeningen onduidelijk vond. Daarbij is van belang dat in de vergunningaanvraag is aangegeven dat het gaat om een verbouwing van ruimtes in het pand. De buitenmuren met de daarin aanwezige vensters bleven dus ongewijzigd. Indien de positie van de (bestaande) vensters en de aansluiting van de scheidingsmuren daarop voor het college onduidelijk was, had het op de weg van het college gelegen om aan eiseres duidelijkere (detail)tekeningen te vragen, voordat hij overging tot het verlenen van de vergunning. Juist ook omdat de beoordeling van de compartimentering van de zorgruimtes vanuit het oogpunt van brandveiligheid voor de opvang van deze kwetsbare doelgroep belangrijk is. Voor zover het college erop heeft gewezen dat de scheiding van verschillende (zorg)ruimtes niet volledig brandwerend worden uitgevoerd, geldt dat ook dit niet een reden is om de vergunning in te trekken. De rechtbank merkt daarover op dat op de tekening van de nieuwe toestand staat aangegeven dat de (zorg)ruimtes worden voorzien van een subbrandcompartimentering van 30 min WBDBO en dat deuren en kozijnen voldoen aan SA-classificatie rookwerendheid en deuren zelfsluitend zijn. Het is aan eiseres om ervoor te zorgen dat het pand na oplevering hieraan ook voldoet, of indien een wijziging van de vergunning daarvoor nodig is, deze aan te vragen. Op het moment dat vaststaat dat het pand niet conform de vergunning is verbouwd of in gebruik wordt genomen, dan kan het college gebruik maken van de handhavingsmogelijkheden die hij heeft wegens handelen in strijd met artikel 5.1 van de Omgevingswet.
Nu het college niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat sprake is van een onjuiste of onvolledige opgave, is de rechtbank van oordeel dat het college niet bevoegd was om de bij besluit van 4 maart 2024 verleende omgevingsvergunning met toepassing van artikel 18.10, vierde lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet in te trekken.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Midden-Nederland
Datum Uitspraak : 10-06-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBMNE:2026:3213
Ruud Veenhof