Voor een plattelandswoning mag gemotiveerd een lager beschermingsniveau aangehouden worden voor zowel geluid als gewasbescherming. Geen reden voor nader onderzoek naar de gezondheidsrisico’s van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen voor de bewoners van de plattelandswoning.

Casus

Bij besluit van 23 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen een wijzigingsplan vastgesteld dat voorziet in de wijziging van de bestaande agrarische bedrijfswoning bij een glastuinbouwbedrijf tot plattelandswoning. Appellante heeft het glastuinbouwbedrijf in 2003 gekocht, terwijl de bedrijfswoning in eigendom bleef van de voormalige eigenaar van het bedrijf. Appellante kan zich niet verenigen met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – plattelandswoning’ die is toegekend aan de woning. Het perceel waarop deze woning staat grenst aan het perceel waarop haar glastuinbouwbedrijf staat. Zij vreest voor beperkingen in haar bedrijfsvoering.

Appellante betoogt dat het wijzigingsplan op het punt van geluid leidt tot een onevenredige beperking van haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Vanwege de geluidsbelasting van haar glastuinbouwbedrijf ter plaatse van het plangebied kan geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Zij betwist in dit kader de conclusies over de geluidsbelasting in het aan het wijzigingsplan ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek. Appellante stelt onder andere dat meerdere transporten per dag plaatsvinden, vaak in de avond en regelmatig in de nachtelijke uren. Hierdoor zijn de overschrijdingen van de maximale geluidsniveaus frequenter en de geluidsniveaus van laad- en losactiviteiten ook hoger dan in het akoestisch onderzoek is berekend.

Verder betoogt appellante dat het wijzigingsplan leidt tot een onevenredige beperking van haar bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden in verband met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in haar kassen en op haar agrarische gronden waarop appellante in de toekomst snijbloemen wil telen. De kassen en gronden liggen alle op korte afstand van de (plattelands)woning. Ook hierdoor is een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet gegarandeerd bij de (plattelands)woning en in de tuin. Voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de agrarische gronden had een spuitzone van minimaal 50 m aangehouden moeten worden. Ook heeft het college ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de gezondheidsrisico’s van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen voor de bewoners van de (plattelands)woning.

Rechtsvragen geluid

1. Mocht verweerder voor een plattelandswoning in dit geval in het kader van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat uitgaan van een lager beschermingsniveau voor geluid dan bij een normale burgerwoning?
2. Mocht verweerder de overschrijding van de piekniveaus (zoals genoemd in het Activiteitenbesluit) aanvaardbaar achten in het kader van het woon- en leefklimaat bij de plattelandswoning, nu de pieken niet frequent voorkomen en met gevelwering van de woning een acceptabel binnenniveau behaald kan worden?

Rechtsvragen gewasbescherming

1. Mocht verweerder in het kader van het woon- en leefklimaat en gezondheid een afstand van 10 en 20 m van de kassen tot de tuin van de plattelandswoning aanvaardbaar achten, nu al een andere woning op kortere afstand in dezelfde richting ligt en bovendien voor een plattelandswoning een lager beschermingsniveau aangehouden mag worden?
2. Mocht verweerder in het kader van het woon- en leefklimaat en de gezondheid een afstand van 17 m van de agrarische gronden tot de plattelandswoning aanvaardbaar achten, nu het Activiteitenbesluit bepaalde technieken en een teelvrije zone voorschrijft en bovendien voor een plattelandswoning een lager beschermingsniveau aangehouden mag worden?

Uitspraak geluid

1. De Afdeling overweegt, onder verwijzing naar haar uitspraak van 19 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:166, onder 3.3), dat, indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als plattelandswoning, deze in planologisch opzicht nog steeds deel uitmaakt van de inrichting en dat deze niet wordt beschermd tegen de milieuemissie van deze inrichting. De inrichting wordt op deze manier niet in zijn bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de (voormalige) agrarische bedrijfswoning als burgerwoning. Dit betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Of daarvan sprake is, dient door het college te worden beoordeeld. Bij deze beoordeling moet niet alleen rekening worden gehouden met de bestaande situatie, maar moet ook rekening worden gehouden met de maximale planologische mogelijkheden van het plan. Dit neemt niet weg dat een plattelandswoning een lager beschermingsniveau geniet ten opzichte van de milieuemissie van de inrichting waartoe de voormalige agrarische bedrijfswoning behoorde dan een normale burgerwoning. Het college zal bij een plattelandswoning daarom sneller mogen oordelen dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat dan bij een normale burgerwoning.

2. Volgens het akoestisch onderzoek worden de richtwaarden voor de maximale geluidniveaus van 70, 65 en 60 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode bij de plattelandswoning overschreden door bewegingen van vrachtwagens, overdag met hooguit 5 dB(A) en in de avond met 9 dB(A). Wat de overschrijding in de dagperiode betreft, kan volgens de plantoelichting echter worden aangesloten bij het Activiteitenbesluit, waarin piekniveaus ten behoeve van laden en lossen overdag zijn uitgezonderd van toetsing aan de grenswaarden. Gezien de beperkte bewegingen van vrachtwagens zal volgens de plantoelichting in de praktijk sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In de nachtperiode kan volgens de plantoelichting bij het betrokken maximale geluidniveau het binnenniveau in de woning worden gegarandeerd door geluidwering aan de gevel, en is met gebruikelijke constructies en maatregelen zoals dubbel glas, goede kierdichting en gedempte ventilatie, voldoende geluidwering haalbaar. Appellante heeft niet bestreden dat deze geluidsreducerende maatregelen moeten worden getroffen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te garanderen.

Uitspraak gewasbescherming

1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de kas. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. Op een ander naburig perceel rust de bestemming ‘Wonen’. Dit perceel grenst direct aan de gronden van appellante, en de kortste afstand tussen de perceelsgrens en kas bedraagt ongeveer 5 m. Appellante moet bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de kas al rekening houden met het woon- en leefklimaat ter plaatse van deze woonbestemming. Verder overweegt de Afdeling dat de percelen behorende bij de plattelandswoning in dezelfde zuidelijke richting en op grotere afstand van de kas liggen dan het perceel met de woonbestemming. Zo bedraagt de kortste afstand tussen het perceel waarop de tuin van de plattelandswoning zich bevindt en de kas van appellante ongeveer 20 m en de kortste afstand tussen het perceel dat eveneens als tuin gebruikt zou kunnen worden en de kas ongeveer 10 m.
De Afdeling is van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat op beide tuinpercelen kan worden gegarandeerd. De Afdeling wijst daarbij op de omstandigheid dat appellante bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen al rekening moet houden met het woon- en leefklimaat op het direct aan de kas grenzende perceel met de woonbestemming en de omstandigheid dat deze woonbestemming in dezelfde zuidelijke richting ligt als de twee bij de plattelandswoning behorende percelen en deze twee percelen verder van de kas gelegen zijn dan het direct aan de kas grenzende perceel. De Afdeling betrekt daarbij voorts dat een plattelandswoning een lager beschermingsniveau geniet dan een perceel met de bestemming ‘Wonen’.

2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het wijzigingsplan niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat vanwege het mogelijke gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op het perceel (de agrarische gronden waarop appellante snijbloemen wil telen). Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. De afstand tussen dit perceel en de plattelandswoning bedraagt ongeveer 17 m, met daartussen een weg en een sloot. Gezien de situatie ter plaatse, de omstandigheid dat ingeval van teelt van gewassen in de open lucht op grond van paragraaf 3.5.3 van het Activiteitenbesluit driftreducerende technieken moeten worden toegepast en langs het oppervlaktewater van de sloot een teeltvrije zone moet worden aangehouden, heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat niet aannemelijk is dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op dit perceel zodanige effecten zal opleveren, dat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd ter plaatse van de plattelandswoning. De Afdeling betrekt daarbij de omstandigheid dat een plattelandswoning een lager beschermingsniveau geniet dan een perceel met de bestemming ‘Wonen’. Gelet hierop heeft het college geen nader onderzoek hoeven verrichten naar de gezondheidsrisico’s van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen voor de bewoners van de plattelandswoning in het kader van open teelt op de betrokken gronden.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 22-11-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2023:4331
Jos Legierse

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder