Het bewerken van drijfmest tot (gedeeltelijk) mineralenconcentraat en de afzet van dikke fractie kwalificeren volgens de rechtbank als een mogelijke nuttige toepassing.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Oss heeft een omgevingsvergunning verleend voor het wijzigen van een biomassavergistingsinstallatie naar een mestbewerkingsinstallatie. Bezwaarmakers hebben onder meer aangevoerd dat niet het college maar de provincie het bevoegd gezag is omdat het gaat om een IPPC-installatie als bedoeld in categorie 5.3 van bijlage 1 van de Richtlijn Industriële Emissies (2010/75/EU, hierna: RIE). Het college is ervan uitgegaan dat de dikke fractie en mineralenconcentraat worden ingezet als meststof- en bodemverbeteraar en dat is aan te merken als een nuttige toepassing. Daarmee is volgens het college geen sprake van een IPPC-installatie.
Rechtsvraag
Is sprake van een nuttige toepassing als bedoeld in de RIE?
Uitspraak
Het begrip ‘nuttige toepassing’ is niet gedefinieerd in de RIE. In rechtsoverweging 3 van de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:442, rechtsoverwegingen 3-3.9) in een zaak over de verlening van een watervergunning wordt het relevante Europeesrechtelijke kader op een rij gezet. Uit artikel 3 van Richtlijn nr. 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB 2008 L 312; hierna: de Kaderrichtlijn afvalstoffen) volgt dat sprake is van nuttige toepassing bij elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt. Bijlage II bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen bevat een niet-limitatieve lijst van nuttige toepassingen. Van verwijdering is sprake bij iedere handeling die geen nuttige toepassing is, zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen. Bijlage I bij de Kaderrichtlijn afvalstoffen bevat een niet-limitatieve lijst van verwijderingshandelingen. In de aangehaalde uitspraak wordt verwezen naar meerdere arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof), waarin het Hof heeft geoordeeld dat een nuttige toepassing in wezen wordt gekenmerkt door het feit dat het belangrijkste doel ervan inhoudt, dat de afvalstoffen een nuttige functie kunnen vervullen doordat zij in de plaats komen van andere materialen die voor deze functie hadden moeten worden gebruikt, waardoor de natuurlijke hulpbronnen worden beschermd en dat het behoud van natuurlijke hulpbronnen dus het belangrijkste doel moet zijn van de nuttige toepassing. Omgekeerd kan, wanneer het behoud van grondstoffen slechts een neveneffect is van een handeling die voornamelijk strekt tot verwijdering van de afvalstoffen, dit niet afdoen aan de kwalificatie van deze handeling als verwijderingshandeling. In een uitspraak van 13 oktober 20214 over een handhavingszaak hanteerde de Afdeling onder verwijzing naar bovengenoemde uitspraak. (…)
De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de dikke fractie bij derden in binnen- en buitenland kan worden afgezet omdat het wordt gehygiëniseerd ten behoeve van export. Dit wordt aangegeven in de ruimtelijke onderbouwing en is ook een van de verplichtingen ingevolge de inmiddels afgesloten overeenkomsten. (…)
De vervolgvraag is of de afzet van beide producten slechts een neveneffect is van een handeling die voornamelijk strekt tot verwijdering van de afvalstoffen. Eiseres merkt terecht op dat mineralenconcentraat maar een geringe prijs oplevert en dat het maar de vraag is of [naam] met de afzet van dikke fractie winst zal maken, omdat ingevolge de door [naam] overgelegde overeenkomsten de transportkosten voor rekening van [naam] lijken te komen. De rechtbank vindt de winstgevendheid echter niet doorslaggevend. Van belang is dat de inrichting er op is ingericht om een substantieel deel van de ingenomen en verwerkte drijfmest (35%) opnieuw te gebruiken. Het resterende water kan zo worden geloosd.
Onder deze omstandigheden is volgens de rechtbank in dit geval wel sprake van een nuttige toepassing die niet is genoemd in bijlage 1, onderdeel 5.3 sub b van de RIE. Daarom is geen sprake van een IPPC-installatie en is het college bevoegd om op de aanvraag te beslissen.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 19-10-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2023:4983
Jelle van de Poel