De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college naftaleen als een stofgebonden ZZS in de categorie MVP 1 heeft kunnen aanmerken.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo heeft aan een asfaltcentrale (ACT) een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat ACT de concentratie van MVP1-stoffen (minimalisatie-verplichte vaste stoffen) in het afgas dient te reduceren tot maximaal 0,05 milligram per normaal kubieke meter (mg/Nm3), zodat wordt voldaan aan de emissie-grenswaarde. ACT betoogt dat naftaleen niet is aan te merken als een stofgebonden ZZS in de categorie MVP1 maar als een ZZS in de categorie MVP2.

Rechtsvragen

1. Is het in strijd met de REACH-verordening dat naftaleen is aangemerkt als MVP1?
2. Zijn de emissiegrenswaarden uit artikel 2.5, eerste lid, van het Activiteitenbesluit van toepassing op een asfaltcentrale?
3. Is naftaleen een ZZS in categorie MVP1?

Uitspraak

1. De voorzieningenrechter volgt vooralsnog de redenering van ACT niet. Het college is tot de conclusie gekomen dat op grond van artikel 1.1, derde lid, van het Activiteitenbesluit Milieubeheer (Abm), in verbinding met artikel 2.3b, tweede lid, van het Abm en artikel 1.3c, eerste lid, van de Activiteitenregeling Milieubeheer (Arm) PAKs zijn aangewezen als ZZS via Bijlage III van de POP-verordening. Voor de stelling van ACT dat de artikelen 1.3b en 1.3c van de Arm in strijd zouden zijn met artikel 2.3b, eerste en tweede lid, van het Abm en daarom onverbindend zouden moeten worden verklaard dan wel buiten toepassing zouden moeten worden gelaten, ziet de voorzieningenrechter vooralsnog geen aanleiding omdat, anders dan ACT, de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel is dat de conclusie van het college niet enkel is gebaseerd op een lagere regeling dan het Abm maar ook op het Abm zelf, aangezien de grondslag daarvoor wordt gevonden in artikel 2.3b, tweede lid, van het Abm en daarmee een grondslag vormt van gelijke orde.
De voorzieningenrechter verwijst voorts nog naar de toelichting bij artikel 2.3b van het Abm, waarin is vermeld: ‘In dit artikel wordt aangesloten bij deze criteria (dat zijn de criteria uit artikel 57 REACH). Om te bepalen wanneer aan deze criteria wordt voldaan, wordt zo veel mogelijk aangesloten bij bestaande indelingen in internationale regelingen en verdragen. In de Activiteitenregeling zijn de zeer zorgwekkende stoffen aangewezen en zijn nadere bepalingen opgenomen over de identificatie van een zeer zorgwekkende stof.
Om de uitvoering van de voorschriften in afdeling 2.3 te faciliteren, zijn de stoffen die op basis van de genoemde criteria voor de toepassing van deze afdeling in ieder geval als zeer zorgwekkend worden aangemerkt, opgenomen in een niet-limitatieve lijst in de Activiteitenregeling. Met deze lijst wordt aangesloten bij artikel 57 REACH en de bijlagen uit de hierboven bedoelde wetgeving en verdragen (OSPAR-verdrag, POP-verordening en de Kaderrichtlijn water).’
Met die bijlagen heeft de wetgever bijlagen 12a en 12b van de Arm bedoeld en bijlage 12a wordt expliciet genoemd in artikel 1.3b, eerste lid, van de Arm.

2. Met betrekking tot de vraag of het college nog mag toetsen aan artikel 2.5, eerste lid, van het Abm aangezien, volgens ACT, in artikel 5.46, eerste lid, van het Abm een uitputtende regeling is bedoeld te geven voor de emissie van PAKs van ten hoogste 0,05 mg/Nm3 indien de massastroom van PAKs naar de lucht groter is dan 0,15 gram per uur en er daarmee geen ruimte meer zou zijn voor toetsing aan artikel 2.5, eerste lid, van het Abm, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter van deze rechtbank zoals gegeven in zijn uitspraak van 21 november 2023 (ECLI:NL:RBOVE:2023:4714) nog gevolgd kan worden. Daarbij wordt doorslaggevend geacht dat artikel 2.5, eerste lid, van het Abm niet is uitgesloten in artikel 2.3a, derde lid, van het Abm.
In artikel 2.3a, derde lid, van het Abm is namelijk aangegeven dat artikel 2.5, tweede, derde, vijfde en zevende lid, van het Abm niet van toepassing zijn op emissies van stoffen waarvoor in hoofdstuk 3, 4 of 5 van het Abm emissie-eisen aan de stoffen zijn gesteld. Voor asfalt is aangegeven dat de emissiegrenswaarde voor PAK8 is opgenomen in artikel 5.46 van het Abm. Met het college oordeelt de voorzieningenrechter dat artikel 2.5, tweede, derde, vijfde en zevende lid, van het Abm niet van toepassing zijn. Het eerste lid van artikel 2.5 van het Abm is naar het oordeel van de voorzieningenrechter wel van toepassing, ondanks dat er emissiegrenswaarden voor PAK8 zijn opgenomen in artikel 5.46 van het Abm. De voorzieningenrechter wijst nog op de Nota van Toelichting bij artikel 2.3a van het Abm (Staatsblad 2015, 337, p. 148), waarin is vermeld dat de sommatiebepaling uit artikel 2.5, eerste en vierde lid, van toepassing is op activiteiten in de hoofdstukken (toen nog alleen) 3 en 4. De voorzieningenrechter is niet gebleken dat dat standpunt nadien is gewijzigd. De voorzieningenrechter is aldus van oordeel dat de emissiewaarden van artikel 2.5, eerste lid, van de Abm onverminderd gelden naast de emissiewaarden van artikel 5.46 van het Abm.

3. Het college heeft verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 6 februari 2024, waarin wordt verwezen naar het aan haar uitgebrachte advies van de StAB en in rechtsoverweging 10.2 het volgende daarover heeft overwogen: ‘Voor het onderscheid vast/vluchtig wordt uitgegaan van een dampspanning van 0,01 kPa bij 293,15 K. Voor naftaleen geldt dat het op de rand zit van vluchtig/vast, maar de dampspanning van naftaleen bedraagt (net) meer dan 0,01 kPa bij 293,15 K, waardoor het een vaste stof betreft en dus in de stofklasse MVP-1 valt. Het onderscheid tussen vaste en vluchtige stoffen is gebaseerd op een objectief criterium, en eiseres heeft ook niet nader onderbouwd waarom hier niet van uit zou kunnen worden gegaan.’
De voorzieningenrechter is vooralsnog van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om bijlage 12a van de Arm onverbindend te verklaren dan wel buiten toepassing te laten. Nog afgezien dat een dergelijk oordeel niet past binnen een voorlopige voorzieningenprocedure ziet de voorzieningenrechter daartoe ook geen aanleiding, gelet op de hiervoor geciteerde overweging uit de uitspraak van de rechtbank Gelderland. De voorzieningenrechter gaat er daarom vooralsnog vanuit dat Naftaleen terecht in de categorie MVP1 is geplaatst in plaats van in de categorie MVP2 en dat het college daarvan uit heeft mogen gaan.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Overijssel
Datum Uitspraak : 17-04-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBOVE:2024:2106
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder