Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag de raad er voor kiezen om in de voorwaardelijke verplichting te verwijzen naar de vereiste waterberging op grond van het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Casus
Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein aan de oostzijde van de kern van Koudekerk aan den Rijn. De totale oppervlakte van het bedrijventerrein bedraagt ongeveer 87.626 m2, waarvan ongeveer 64.530 m2 uitgeefbaar, zo staat in de plantoelichting. Het bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een bedrijventerrein aan de oostzijde van de kern van Koudekerk aan den Rijn. De totale oppervlakte van het bedrijventerrein bedraagt ongeveer 87.626 m2, waarvan ongeveer 64.530 m2 uitgeefbaar, zo staat in de plantoelichting.
Bij uitspraak van 1 mei 2024 heeft de voorzieningenrechter het besluit van 14 december 2023 tot vaststelling van het bestemmingsplan geschorst. De reden hiervoor is dat de voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat het bestemmingsplan er niet aan in de weg stond dat de gronden binnen het bestemmingsplan volledig kunnen worden verhard. Ook was in de planregels niet vastgelegd dat de beoogde 3.100 m2 aan extra open water wordt gegraven. Daarom was de realisatie van de waterberging, zoals beschreven in de plantoelichting, niet voldoende gewaarborgd in het publiekrechtelijke spoor.
De raad heeft beoogd om dit gebrek te herstellen door het bestemmingsplan te wijzigen bij het besluit van 24 oktober 2024. Dat heeft hij gedaan door aan de planregels een voorwaardelijke verplichting toe te voegen.
Rechtsvraag
Is met de voorwaardelijke verplichting in het wijzigingsbesluit voldoende gewaarborgd dat in voldoende waterberging zal worden voorzien?
Uitspraak
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de regulering van waterberging primair een zaak van het waterschap is. Het is niet aan de raad om bij de vaststelling van een bestemmingsplan te bepalen hoeveel waterberging nodig is bij welke mate van verharding. Zo is het voorschrift dat de zogenoemde 90 mm-regel (die inhoudt dat een bui van 90 mm in 24 uur geborgen moet kunnen worden) pas geldt bij verhardingen van groter dan 5.000 m2, waarover op de zitting is gesproken, een zaak van het waterschap. Het gaat erom dat de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan is nagegaan of voldoende is gewaarborgd dat bij gebruikmaking van de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, de eventueel door het waterschap nodig geachte waterberging ter compensatie zal worden gerealiseerd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter mag de raad er daarom voor kiezen om in de voorwaardelijke verplichting te verwijzen naar de vereiste waterberging op grond van het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland.
Voor zover de voorwaardelijke verplichting de mogelijkheid openlaat om bouwwerken of verhardingen te realiseren, zonder dat er al voldoende waterberging is gerealiseerd, ziet de voorzieningenrechter daarin geen aanleiding voor het oordeel dat de voorwaardelijke verplichting onvoldoende waarborg biedt. De kans dat een bouwwerk of verharding wel wordt gerealiseerd, terwijl deze vervolgens door het ontbreken van voldoende waterberging niet in gebruik zal (kunnen) worden genomen, is daarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter te theoretisch. Overigens is gebleken dat [verzoeker B] voor haar project binnen het plangebied intussen een waterstructuurplan heeft opgesteld en beschikt over een watervergunning. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat hiermee in dit geval aan de voorwaardelijke verplichting zal worden voldaan. Ook heeft [verzoeker B] op de zitting naar voren gebracht dat zij de waterberging al vóór het bouwrijp maken van de grond wil gaan realiseren.
Voor zover [verzoeker A] en anderen wijzen op het ontbreken van een sanctie, merkt de voorzieningenrechter op dat een afzonderlijke sanctiebepaling voor het afdwingen van de naleving van een voorwaardelijke verplichting niet is vereist. Een voorwaardelijke verplichting is handhaafbaar zoals ook andere gebruiksregels van een bestemmingsplan handhaafbaar zijn.
Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de aanleiding voor de eerdere schorsing van het bestemmingsplan bij de uitspraak van 1 mei 2024, door de toevoeging van de voorwaardelijke verplichting in artikel 3, lid 3.3.3, van de planregels niet langer aan de orde is.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 21-02-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:691
Odile Scholte