Uit de begripsomschrijving en de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijkt dat het nieuwe begrip ‘gebouwerf’ inhoudelijk gelijk is aan het begrip ‘erf’ uit bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht. De wetgever heeft beoogd dat dit begrip in de rechtspraktijk ongewijzigd wordt toegepast. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de jurisprudentie over het begrip ‘erf’ uit bijlage II bij het Bor ook relevant is voor de uitleg en toepassing van het begrip ‘gebouwerf’ binnen het stelsel van de Omgevingswet.
Casus
Bij besluit van 2 december 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (het college) de verzoeker om een voorlopige voorziening gelast om uiterlijk 28 januari 2025 (1) de geplaatste carport te verwijderen en verwijderd te houden en (2) om de geplaatste erfafscheiding te verlagen naar maximaal 1 meter.
In het bestreden besluit is overwogen dat de carport en de erfafscheiding niet voldoen aan de uitzonderingssituaties als genoemd in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en artikel 22.27 van de Bruidsschat. De bouwwerken zijn daarom vergunningplichtig voor de omgevingsplanactiviteit.
Rechtsvragen
1. Is voor de uitleg van het begrip ‘gebouwerf’ uit het Bbl de jurisprudentie over het begrip ‘erf’ uit bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang?
2. Is sprake van een overtreding?
Uitspraak
Relevante bepalingen
Ingevolge artikel 22.1 van de Omgevingswet (Ow) geldt ter plaatse het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Westland, bestaande uit het onderdeel ‘Glastuinbouwgebied Westland’ en de zogeheten Bruidsschat. De carport en de erfafscheiding zijn gebouwd op gronden met de functie ‘Agrarisch-Glastuinbouw’.
Op grond van artikel 3.1 van de regels van het omgevingsplan zijn de voor ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ aangewezen gronden bestemd voor (voor zover relevant) een volwaardig en doelmatig glastuinbouwbedrijf.
Op grond van artikel 3.2 van de regels van het omgevingsplan mogen op deze gronden ten behoeve van de bestemming uitsluitend worden gebouwd of uitgevoerd (voor zover relevant) bouwwerken, geen gebouw zijnde, zoals watertanks, watersilo’s, (natte) koeltorens, wkk installaties en installaties voor de winning van warmte.
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Een omgevingsplanactiviteit wordt in de bijlage bij de Ow gedefinieerd als:
a. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die niet in strijd is met het omgevingsplan,
b. een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten en die in strijd is met het omgevingsplan, of
c. een andere activiteit die in strijd is met het omgevingsplan.
Ingevolge artikel 22.26 van de Bruidsschat is het verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.
Ad 1 en ad 2
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een carport en een erfafscheiding hoger dan 1 meter niet zijn vermeld in artikel 2.29 van het Bbl en dus op basis daarvan niet vergunningvrij zijn.
Ingevolge artikel 22.27, aanhef en onder a, van de Bruidsschat geldt het verbod, bedoeld in artikel 22.26 van de Bruidsschat, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan (voor zover relevant) de volgende eisen:
1. op de grond staand;
2. gelegen in achtererfgebied.
Ingevolge artikel 22.27, aanhef en onder f, van de Bruidsschat geldt het verbod, bedoeld in artikel 22.26 van de Bruidsschat, niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:
1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Op grond van artikel 22.27 van de Bruidsschat is het verzoeker dus alleen toegestaan om zonder omgevingsvergunning een carport te bouwen, in stand te houden en te gebruiken als die zich bevindt in het achtererfgebied. Een erfafscheiding is zonder omgevingsvergunning te bouwen als deze in functionele relatie staat met de woning van verzoeker en zich bevindt achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied.
Ingevolge artikel 1.1 van de Bruidsschat zijn de begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in (voor zover relevant) bijlage 1 bij het Bbl, van toepassing op hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.
Ingevolge bijlage 1 bij het Bbl wordt onder ‘achtererfgebied’ verstaan: gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn voor het verrichten van de op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel wel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij openbaar toegankelijk gebied.
Zoals hiervoor is overwogen zijn de carport en de erfafscheiding gebouwd op perceelsgedeelten met de functie ‘Agrarisch-Glastuinbouw’. Voor het antwoord op de vraag of deze perceelsgedeelten tot het achtererfgebied behoren, is van belang of deze kunnen worden aangemerkt als gebouwerf in de zin van bijlage 1 bij het Bbl.
Ingevolge bijlage 1 bij het Bbl wordt onder ‘gebouwerf’ verstaan: bebouwd of onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, waarbij het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt.
Uit deze begripsbepaling en de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijkt dat het nieuwe begrip ‘gebouwerf’ inhoudelijk gelijk is aan het begrip ‘erf’ uit bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor). De wetgever heeft beoogd dat dit begrip in de rechtspraktijk ongewijzigd wordt toegepast:
‘De begrippen “achtererfgebied”, … “gebouwerf”, … houden alle verband met afdeling 2.3 afbakening vergunningplichten. Deze begrippen zijn overgenomen uit bijlage II bij het Besluit Omgevingsrecht en worden niet inhoudelijk gewijzigd. Beoogd is dan ook dat deze begrippen in de rechtspraktijk ongewijzigd kunnen blijven worden toegepast.
…
Het begrip “erf” uit het Besluit omgevingsrecht is in dit besluit inhoudelijk gelijk omgezet naar het nieuwe begrip “gebouwerf”. Dit is gedaan om te voorkomen dat het uit het Besluit omgevingsrecht afkomstige begrip binnen het stelsel van de Omgevingswet een bredere reikwijdte krijgt en ook van toepassing wordt op andere regels die verwijzen naar het erf zoals dat in het spraakgebruik gebruikt wordt. Aangezien het wel wenselijk blijft dat gemeenten via lokale invulling van het erfbegrip kunnen sturen op de mogelijkheden rond vergunningvrij bouwen, is besloten in afdeling 2.3 Bbl van de specifiekere term “gebouwerf” te spreken. Deze term werkt ook door in de begripsomschrijvingen van “achtererfgebied” en “voorerfgebied”.’ (Stb. 2020, 400, p. 1532)
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de jurisprudentie over het begrip ‘erf’ uit bijlage II bij het Bor ook relevant is voor de uitleg en toepassing van het begrip ‘gebouwerf’ binnen het stelsel van de Omgevingswet.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) onder het Bor volgt dat het voor het antwoord op de vraag of een perceelsgedeelte tot het achtererfgebied behoort, van belang is of het kan worden aangemerkt als erf in de zin van artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor. Het uitgangspunt van de definitie voor erf is volgens de nota van toelichting bij artikel 1, eerste lid, van bijlage II bij het Bor dat het gehele perceel bij een hoofdgebouw in beginsel als erf kan worden aangemerkt en dat uit de systematiek van een bestemmingsplan kan voortvloeien dat bepaalde verder van het hoofdgebouw afgelegen delen van een perceel niet als erf aangemerkt kunnen worden (Stb. 2010, 143, p. 134-135). Als een gedeelte van een perceel een bestemming heeft die niet gerelateerd is aan de woning en dat perceelsgedeelte slechts mag worden bebouwd en ingericht met bouwwerken ten behoeve van die bestemming, dan volgt uit de plansystematiek dat dat perceelsgedeelte niet kan worden aangemerkt als erf, omdat het bestemmingsplan de inrichting als erf verbiedt. Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1481, r.o. 2.3 en 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2200, r.o. 7.2.
De perceelsgedeelten waarop de carport en erfafscheiding van verzoeker staan mogen ingevolge artikel 3.2 van de regels van het omgevingsplan slechts worden bebouwd en ingericht met bouwwerken ten behoeve van de functie ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. Deze functie is niet gerelateerd aan de woning van verzoeker. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt daarom uit de plansystematiek dat deze perceelsgedeelten niet kunnen worden aangemerkt als gebouwerf, omdat het omgevingsplan de inrichting als gebouwerf verbiedt.
De voorzieningenrechter volgt niet het standpunt van verzoeker dat artikel 3.2 van de planregels niet bepaalt dat uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de bestemming mogen worden gebouwd omdat ‘uitsluitend’ niet vóór ‘ten behoeve van de bestemming’ staat maar daarna. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter blijkt uit dit artikel voldoende duidelijk dat op gronden met de functie ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ uitsluitend bouwwerken ten behoeve van deze functie mogen worden gebouwd. De uitleg van verzoeker zou ertoe leiden dat aan het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de functie wel voorwaarden worden gesteld, maar aan het bouwen van bouwwerken die dat niet zijn niet. Deze uitleg, waartoe een letterlijke lezing van de planregel niet dwingt, is evident in strijd met de plansystematiek.
De voorzieningenrechter volgt ook niet het standpunt van verzoeker dat de carport en de erfafscheiding zijn toegestaan nu artikel 3.4.1 van de planregels slechts privégebruik van gronden en bouwwerken met een grotere oppervlakte dan 1.000 m2 tot een strijdig gebruik rekent. Het gaat hier immers om een gebruiksregel, die geen afbreuk doet aan de bouwregels van artikel 3.2 van de planregels.
Nu de perceelsgedeelten waarop de carport en de erfafscheiding staan niet als gebouwerf kunnen worden aangemerkt, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat deze perceelsgedeelten niet tot het achtererfgebied behoren. De erfafscheiding staat ook niet in functionele relatie tot de woning van verzoeker, omdat deze als gezegd is gebouwd op perceelsgedeelten met de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ en het perceel waarop de woning is gelegen de bestemming ‘Wonen’ heeft (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2619, r.o. 2.3-2.4). Omdat daarom geen sprake is van een van de in artikel 22.27 van de Bruidsschat genoemde uitzonderingen op de vergunningplicht, is gelet op artikel 22.26 van de Bruidsschat voor het bouwen van deze bouwwerken een omgevingsvergunning vereist. De bouwwerken zijn bovendien in strijd met artikel 3.2 van de regels van het omgevingsplan. Het bouwen daarvan is ook om die reden een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit. Nu verzoeker de carport en erfafscheiding heeft gebouwd zonder omgevingsvergunning, is sprake van een overtreding van het verbod van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow. Het college was op grond van artikel 18.2, tweede lid, van de Ow bevoegd om hiertegen handhavend op te treden.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 21-02-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2025:2659
Ruud Veenhof