KRW-toetsing omgevingsvergunning. onder de Omgevingswet. Niet aannemelijk gemaakt dat er geen sprake is van een (tijdelijke) achteruitgang van de waterkwaliteit. Schorsing van de omgevingsvergunning.
Casus
De minister heeft bij het bestreden besluit van 19 september 2025 een omgevingsvergunning verleend aan vergunninghoudster voor het gebruikmaken van de stortputten van Rijkswaterstaat in het Lauwersmeer voor het toepassen van baggerspecie na baggerwerkzaamheden in het Reitdiep tussen Groningen en Zoutkamp.
Verzoeksters betogen dat het Lauwersmeer een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Kaderrichtlijn Water (KRW) is. Daarmee rust in de visie van verzoeksters op de minister als bevoegd gezag de dwingende verplichting om op grond van artikel 8.84, derde en vijfde lid, van het Bkl en artikel 4, eerste lid, van de KRW te toetsen of de aangevraagde activiteit geen verslechtering van de huidige toestand veroorzaakt, en de realisatie van de KRW-doelen vóór 2027 niet in gevaar brengt.
Naar de mening van verzoeksters ontbreekt een dergelijke toets en eventuele motivering omtrent de toepassing van een uitzonderingsgrond in het bestreden besluit. Door deze toetsing achterwege te laten, heeft de minister volgens verzoeksters gehandeld in strijd met artikel 8.84, derde en vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en daarmee ook met het achteruitgangsverbod en de verbeterdoelstelling van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de KRW.
De minister stelt zich op het standpunt dat hij geen waterkwaliteitsbeheerder ten aanzien van het Lauwersmeer is en daarmee geen bevoegd gezag is voor de beoordeling van de waterkwaliteitsaspecten. Voor zover de activiteit gevolgen heeft voor de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen, zijn die gevolgen in ieder geval getoetst door het waterschap Noorderzijlvest (het waterschap), aldus de minister. Deze beoordeling heeft volgens de minister plaatsgevonden bij de behandeling van een melding die namens vergunninghoudster op 11 april 2025 bij het waterschap is gedaan.
Rechtsvraag
In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening tegen de verleende omgevingsvergunning voor het gebruikmaken van de stortputten van Rijkswaterstaat in het Lauwersmeer voor het toepassen van baggerspecie door vergunninghoudster.
Uitspraak
Onder de Omgevingswet (Ow) komen de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water (KRW) aan de orde in het kader van de omgevingsvergunning voor bepaalde wateractiviteiten (vergunningplichtige beperkingengebiedactiviteiten, lozingsactiviteiten, stortingsactiviteiten op zee of wateronttrekkingsactiviteiten). De beoordelingsregels voor de vergunning voor deze activiteiten zijn neergelegd in het Bkl. De doelstellingen uit – het voorheen geldende – artikel 2.1 van de Waterwet zijn daarbij één op één terug te vinden in artikel 8.84, eerste lid, van het Bkl. In dat artikel is bepaald dat een omgevingsvergunning enkel verleend wordt als de activiteit verenigbaar is met de aldaar genoemde belangen. In het tweede lid van artikel 8.84 van het Bkl is daarnaast opgenomen dat bij de beoordeling van de aanvraag rekening wordt gehouden met de waterbeheerprogramma’s, regionale waterprogramma’s, stroomgebiedsbeheerplannen, overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam (een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de KRW).
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS) volgt dat artikel 6.21 van de Waterwet een limitatieve opsomming kent van weigeringsgronden. Een eventuele weigering van de aangevraagde watervergunning is alleen mogelijk als de aanvraag niet verenigbaar is met de doelstellingen die worden genoemd in artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet.
Een verschil met de voorheen geldende Waterwet is dat het vereiste van een goede toestand van het oppervlaktewater respectievelijk een goed ecologisch potentieel en goede chemische toestand van het oppervlaktewater onder de Ow expliciet opgenomen is in artikel 8.84, derde lid, van het Bkl. Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er op grond van dat artikel – voor zover hier relevant – in ieder geval niet toe leiden dat a) niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, van het Bkl en 2.11, eerste lid, van het Bkl; b) een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Bkl niet wordt bereikt; en c) een minder strenge doelstelling dan de gestelde omgevingswaarden en het goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Bkl niet wordt bereikt. De omgevingswaarden uit artikel 2.10, eerste lid, van het Bkl en artikel 2.11, eerste lid, van het Bkl zien daarbij op het vereiste van een goede chemische en ecologische toestand van het oppervlaktewaterlichaam. Van een goede chemische toestand is sprake als voldaan wordt aan de eisen opgenomen in bijlage III bij het Bkl. Van een goede ecologische toestand is daarnaast sprake als de relevante kwaliteitselementen voldoen aan de definitie van een goede ecologische toestand zoals opgenomen in bijlage V bij de KRW.
Uit het Wezer-arrest van het HvJ volgt dat lidstaten, behoudens indien een afwijking wordt toegestaan op basis van leden vijf en zeven van artikel 4 van de KRW, hun goedkeuring voor een project moeten weigeren wanneer dat project een achteruitgang van de toestand van een oppervlaktewaterlichaam teweeg kan brengen. In het Wezer-arrest oordeelt het HvJ dat niet iedere verslechtering van de waterkwaliteit een achteruitgang is. Er is pas sprake van een ‘achteruitgang van de toestand’ van een oppervlaktewaterlichaam wanneer de toestand van minstens één van de kwaliteitselementen van bijlage V van de KRW één klasse achteruitgaat, bijvoorbeeld van goed naar matig. Wanneer het kwaliteitselement zich al in de laagste klasse bevindt, is iedere verslechtering een achteruitgang van de toestand.
Uit het arrest van 5 mei 2022 van het HvJ volgt dat de KRW met zich brengt dat een lidstaat verplicht is om ook tijdelijke achteruitgang te vermijden. Uit artikel 4, zesde lid, van de KRW volgt immers alleen de mogelijkheid van tijdelijke afwijking op basis van strikte voorwaarden. Het HvJ oordeelt in dit arrest dat de Uniewetgever een autonome status toekent aan de verplichting om achteruitgang te voorkomen, dat de drempel waarboven er sprake is van niet-nakoming van de verplichting om achteruitgang te voorkomen zo laag mogelijk moet zijn (Wezer-arrest) en dat de Europese beginselen, zoals het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat milieuaantastingen aan de bron moeten worden bestreden, in acht moeten worden genomen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet is gebleken dat de minister bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit getoetst heeft aan artikel 8:84, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bkl. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister is afgegaan op de beoordeling van de ingediende melding door het waterschap, terwijl gemachtigde Posthuma ter zitting heeft erkend dat hij niet de bij het waterschap ingediende melding en de onderliggende stukken in de beoordeling heeft betrokken. In zoverre lijkt de motivering van het bestreden besluit in tegenspraak met de hiervoor genoemde verklaring ter zitting van de gemachtigde. Daar komt bij dat de bij het waterschap ingediende melding en de onderliggende stukken niet tot de door de minister ingediende gedingstukken behoren en ook niet op een andere wijze kenbaar zijn voor de voorzieningenrechter en de overige partijen. Nog daargelaten dat het waterschap op grond van de Waterschapsverordening Noorderzijlvest eigen taken en bevoegdheden heeft, laat dit onverlet dat de minister bevoegd was tot het verlenen van de omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit voor het storten van baggerspecie in de stortputten van het Lauwersmeer met inachtneming van de beoordelingsregels van artikel 8.84, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:84, derde lid, van het Bkl. Dat door de minister gesteld is dat uit de totstandkomingsgeschiedenis van de Ow blijkt dat het de bedoeling is geweest van de wetgever om de bepalingen van de Waterwet beleidsneutraal om te zetten, maakt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders. Uit de voorgaande overwegingen volgt dat er in zoverre een motiveringsgebrek kleeft aan het bestreden besluit, zoals door de gemachtigde Slaafs ter zitting ook is erkend.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Noord-Nederland
Datum Uitspraak : 02-12-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBNNE:2025:4979
Odile Scholte