Overlast van vliegen ten gevolge van veehouderij, mest naar buiten gespoeld bij schoonmaakwerkzaamheden, geen schending van de zorgplicht uit het Activiteitenbesluit.
Casus
Eiseres heeft in mei 2023 bij het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel een handhavingsverzoek ingediend, waarin zij ook verzoekt de maatwerkvoorschriften die voorheen onder de Hinderwetvergunning waren opgenomen voor de melkveehouderij, opnieuw te stellen. De afstand van de woning van eiseres tot de melkveehouderij bedraagt ongeveer 15 meter. In het handhavingsverzoek wijst eiseres op de overlast die wordt ervaren door vliegen en ratten afkomstig van de melkveehouderij. Op 7 juni 2023 heeft een onaangekondigde controle door de toezichthouder plaatsgevonden. De toezichthouder heeft aangegeven dat hij een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.1, tweede lid, onder m, van het Activiteitenbesluit heeft geconstateerd. In het controlerapport staat dat er drijfmest aan de zijde van de oprit op de roosters stond en naar buiten over de oprit liep en dat er veel vliegen in de stal zaten. Tijdens een opvolgende controle door de ODR op 8 juni 2023 is geconstateerd dat de overtreding was beëindigd: de mestkelder was leeggemaakt en de stal schoongemaakt. Bij besluit van 25 oktober 2023 is de eerdere toewijzing van het handhavingsverzoek ingetrokken en alsnog afgewezen. Dit besluit is gebaseerd op een telefoongesprek van 13 september 2023 tussen de handhavingsjurist en de derde-partij. Volgens deze toelichting zou het geconstateerde mestoverschot berusten op een vergissing: de mest die uit de stallen liep, was niet veroorzaakt door een mestoverschot, maar doordat de stallen waren schoongemaakt met een hogedrukreiniger, waardoor mest naar buiten was gespoeld.
Rechtsvragen
1. Is er sprake van een overtreding?
2. Was het college bevoegd om maatwerkvoorschriften op te leggen?
3. Heeft het college dit in redelijkheid kunnen weigeren?
Uitspraak
1. De rechtbank stelt vast dat niet meer met zekerheid kan worden vastgesteld of op 7 juni 2023 sprake was van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, en artikel 2.1, tweede lid, onder m, van het Activiteitenbesluit. Uit het controlerapport blijkt dat er al langere tijd wordt geklaagd over stank, vliegen en ongedierte afkomstig van de melkveehouderij van de derdepartij. Tijdens de controle op 7 juni 2023 heeft de toezichthouder waargenomen dat er drijfmest aan de zijde van de oprit op de roosters stond en naar buiten over de oprit liep. Daarnaast heeft de toezichthouder opgemerkt dat er veel vliegen in de stal aanwezig waren. Op 8 juni 2023 heeft de toezichthouder opnieuw een controle uitgevoerd en geconstateerd dat de mestkelder leeg was en de stal was schoongemaakt. Het college heeft op basis van een telefoongesprek van 13 september 2023 tussen de handhavingsjurist van de ODR en de derde-partij geconcludeerd dat het mestoverschot zou berusten op een vergissing. De mest die uit de stallen liep, zou niet zijn veroorzaakt door een mestoverschot, maar doordat de stallen waren schoongemaakt met een hogedrukreiniger, waardoor mest naar buiten is gespoeld. Op grond van het Activiteitenbesluit heeft de derde-partij een zorgplicht en moet hij zorgen voor een goede staat van onderhoud van de inrichting. De rechtbank oordeelt dat wanneer gedurende korte tijd mest buiten de stallen ligt die door schoonmaakwerkzaamheden naar buiten is gespoeld maar daarna weer wordt opgeruimd, geen sprake is van een overtreding van de zorgplicht. De rechtbank kan echter niet meer nagaan wat de oorzaak was van de drijfmest die uit de stallen liep en hoe lang deze buiten de stallen heeft gelegen. Uit het controlerapport van een dag later blijkt in ieder geval dat de mest tijdens de tweede controle was opgeruimd en dat er geen sprake was van een mestoverschot in de mestkelders. Wat betreft de waargenomen vliegen in de stal op 7 juni 2023 is de rechtbank het eens met het oordeel van het college dat het enkele gegeven dat er vliegen zijn waargenomen nog niet maakt dat sprake is van een overtreding van de zorgplicht uit het Activiteitenbesluit. Het is in de regel gebruikelijk dat in een stal waar vee wordt gehouden vliegen aanwezig zijn.
2. De stelling van het college dat het geen wettelijke grondslag heeft om maatwerkvoorschriften te stellen, is onjuist. Het college is immers op grond van artikel 2.1, vierde lid, van het Activiteitenbesluit bevoegd om met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde verplichting maatwerkvoorschriften te stellen, voor zover het betreffende aspect niet bij of krachtens dit besluit uitputtend is geregeld. Er zijn geen uitputtende regels in het Activiteitenbesluit die betrekking hebben op het stallen van vee. Het opslaan van drijfmest is echter wél uitputtend geregeld in paragraaf 3.4.6. Op grond van artikel 3.51, twaalfde lid, kunnen, indien blijkt dat geurhinder een aanvaardbaar niveau overschrijdt, uitsluitend maatwerkvoorschriften worden gesteld over de situering van het mestbassin, het afdekken van het mestbassin en de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest en het digestaat. Artikel 3.51, twaalfde lid, is ook van toepassing op een mestkelder. Voor de opslag van drijfmest in een mestkelder bestaat daarom geen mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen, anders dan over de frequentie en het tijdstip van de aan- en afvoer van de opgeslagen drijfmest.
Eiseres wenst dat in de maatwerkvoorschriften de opslag van mest op het erf van april tot en met september wordt verboden, wat onder meer inhoudt dat er in die periode geen mest in de mestkelder mag worden opgeslagen. Dit valt buiten de mogelijkheden die artikel 3.51, twaalfde lid biedt voor het stellen van maatwerkvoorschriften. Daarnaast is niet gebleken dat er sprake is van geurhinder die een aanvaardbaar niveau overschrijdt, waardoor de grondslag voor het stellen van maatwerkvoorschriften ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat het college daarom alleen de mogelijkheid heeft om maatwerkvoorschriften te stellen over het moment waarop het vee op stal mag staan.
3. Het bevoegd gezag, in dit geval het college, komt beleidsruimte toe bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Uit de toelichting bij het Activiteitenbesluit volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven. Indien een aspect al uitputtend is geregeld in het Activiteitenbesluit, is het niet mogelijk om nog maatwerkvoorschriften te stellen. Van een uitputtende regeling is sprake indien er ten aanzien van een omschreven situatie of activiteit een limitatieve opsomming is opgenomen met eisen of voorschriften.
(…)
De rechtbank merkt op dat ook zonder maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit handhavend kan worden opgetreden tegen vliegenoverlast. Het college heeft dit ter zitting bevestigd en aangegeven de melkveehouderij regelmatig te zullen blijven controleren en handhaven wanneer daartoe aanleiding bestaat. Omdat het gebruik van maatwerkvoorschriften beperkt moet blijven tot bijzondere en incidentele gevallen, en het college duidelijk heeft gemaakt dat het toezicht scherp zal worden uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat maatwerkvoorschriften in dit geval niet passend zijn. Bovendien is niet aangetoond dat de vliegen op het erf van eiseres rechtstreeks te herleiden zijn tot de bedrijfsactiviteiten van de melkveehouderij. De rechtbank zal het motiveringsgebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 Awb passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres door dit gebrek niet in haar belangen is geschaad.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Gelderland
Datum Uitspraak : 22-12-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBGEL:2025:11274
Jelle van de Poel