Omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Waterhuishoudkundige aspecten. Artikelen 8.0b en 5.37 Besluit kwaliteit leefomgeving. Wateroverlast. Waterafvoervoorzieningen.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft de bouw van seniorenwoningen in afwijking van het omgevingsplan vergund (buitenplanse omgevingsplanactiviteit). Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.

Eiser voert aan dat het college bij de vergunningverlening onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met de door hem gevreesde toename van wateroverlast. Daarnaast voert hij aan dat het onvoldoende is geborgd dat de ontwikkellocatie hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd.

Rechtsvraag

Heeft het college bij verlening van de omgevingsvergunning voldoende rekening gehouden met de door eiser gevreesde toename van wateroverlast? En is voldoende geborgd dat de ontwikkellocatie hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd?

Uitspraak

Het gaat in deze zaak om de vergunning van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het college mag een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen vergunnen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het bepalen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, moet het college ook kijken naar de waterhuishoudkundige aspecten van de te vergunnen activiteit. Dat valt niet alleen binnen de algemene toets van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar daartoe is het college ook verplicht op grond van de instructieregel van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Aan deze instructieregel moet het college bij het vergunnen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op grond van artikel 8.0b van het Bkl ook toetsen. In artikel 5.37 van het Bkl staat dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen.

Het college heeft beoordelingsruimte bij het wegen van de waterbelangen in de beoordeling van de evenwichtigheid van de toedeling van functies aan locaties. Daarbij geldt in het algemeen dat een ontwikkeling niet hoeft te voorzien in een oplossing voor eventuele bestaande wateroverlast. Wel moet het college zich ervan verzekeren dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast ter plaatse van de naburige percelen. Als daarvoor vereist is dat er waterafvoervoorzieningen worden gerealiseerd, dan moeten deze voldoende zijn verzekerd in de vergunningverlening. Dit is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Deze maatstaf is bijvoorbeeld – met verwijzing naar andere uitspraken – terug te vinden in de uitspraak van de Afdeling van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1708, overweging 33.2.
(…)
De rechtbank constateert echter dat de genoemde maatregelen weliswaar in de watertoets zijn gesuggereerd en ook in de bouwtekeningen zijn genoemd, maar dat deze maatregelen als zodanig niet zijn vergund omdat ze – zoals het college heeft erkend – niet vergunningplichtig zijn. De vergunning bevat ook geen concrete voorschriften die de uitvoering van deze maatregelen verzekeren. De vergunning bevat weliswaar een voorschrift met de inhoud dat het ontwerp met de exacte locatie en oppervlakte van de te plaatsen infiltratiekratten vóór plaatsing ter goedkeuring aan de gemeente wordt aangeboden, maar daarmee is niet gegarandeerd dat de plaatsing van de kratten daadwerkelijk plaats zal vinden en dat de waterberging goed zal worden onderhouden. Evenmin is verzekerd dat de overige voorgenomen maatregelen worden gerealiseerd. Ook blijft onduidelijk of een overstortvoorziening noodzakelijk is voor het borgen van de hydrologische neutraliteit.

Het bestreden besluit is dus in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel genomen voor zover het college heeft nagelaten om vergunningvoorschriften op te nemen die de hydrologische neutraliteit van de ontwikkeling verzekeren. De rechtbank zal het college in de gelegenheid stellen om dit gebrek te herstellen. Het college moet bezien hoe deze voorschriften moeten worden geformuleerd. Daarbij moet het college ten aanzien van de ophoging concretiseren welke mate van ophoging aanvaardbaar is en ten aanzien van de overstortvoorziening beoordelen of deze noodzakelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank voert eiser terecht aan het college in het bestreden besluit onvoldoende oog heeft gehad voor de toename van wateroverlast die eiser van de openbare weg ervaart. Op basis van de toelichtingen van eiser en de vergunninghouder – die door het college niet inhoudelijk zijn weersproken – kan niet worden uitgesloten dat de ontwikkeling van de seniorenwoningen onder uitzonderlijke weersomstandigheden zou kunnen leiden tot een verergering van de bestaande wateroverlast op het perceel van eiser. Het college heeft deze omstandigheid niet kenbaar in zijn afweging betrokken, maar heeft volstaan met een handhaving van zijn verweer dat de ontwikkeling hydrologisch neutraal wordt uitgevoerd en dat dit uit de watertoets blijkt. De hydrologische neutraliteit van het ontwikkelperceel staat echter los van de vraag of de ontwikkeling op een andere wijze leidt tot een onaanvaardbare toename van wateroverlast ter plaatse van de naburige percelen, zoals op de wijze waarop eiser dit heeft omschreven. De watertoets gaat hier niet op in. Daarom kon het college niet volstaan met een verwijzing naar de watertoets. De door eiser gevreesde verstoring van de waterhuishouding is wel een aspect dat het college kenbaar in zijn beoordeling van de evenwichtigheid van toedeling van functies aan locaties moet betrekken. De motivering van het bestreden besluit schiet dus tekort.

Het college zal ook op dit punt in de gelegenheid worden gesteld om het gebrek te herstellen. Dat kan het college doen door op kenbare wijze de aanvaardbaarheid te beoordelen van het door eiser aangevoerde risico op een verergering van de reeds ervaren overlast. Daarbij ligt het op de weg van het college om ook het standpunt van de vergunninghouder te betrekken dat het door eiser aangevoerde risico van verstoring zich slechts onder uitzonderlijke omstandigheden voor zal doen en dat de invloed van de bouw van de seniorenwoningen op de bestaande overlast van de openbare weg ook dan beperkt zal zijn.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 29-05-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2026:3630
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder