Omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Artikel 22.281 van het omgevingsplan en artikel 8.0a lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Geen (deugdelijke) toets aan ETFAL.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk (het college) heeft een omgevingsvergunning verleend voor het vestigen van een kinderopvang. Verzoeker heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit op het bezwaar van verzoeker is de omgevingsvergunning in stand gebleven onder aanvullende motivering ten aanzien van de parkeerdruk.
Rechtsvragen
Wat is de betekenis van artikel 22.281 van het omgevingsplan in relatie tot toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid? En heeft het college op een deugdelijke wijze getoetst of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties?
Uitspraak
Een activiteit die in strijd is met het bestemmingsplan en dus met het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Dit volgt uit bijlage A behorend bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, waarin het begrip ‘omgevingsplanactiviteit’ is gedefinieerd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het voorliggende geval is specifiek sprake van een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Zie artikel 22.280 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In het bestemmingsplan is namelijk in artikel 5.5.2 van het bestemmingsplan een bevoegdheid opgenomen waarmee het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning kan afwijken van het bepaalde in artikel 5.1, onder a, van het bestemmingsplan ten behoeve van het gebruik van de verdieping voor functies die zijn toegestaan op de begane grond, mits aan een bepaald aantal voorwaarden is voldaan. Op de begane grond is onder meer een maatschappelijke voorziening toegestaan. Hier valt de buitenschoolse opvang onder.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Uit artikel 22.281 van het omgevingsplan volgt echter dat deze verplichting als bevoegdheid gelezen moet worden. De wetgever heeft daarmee willen ondervangen dat vanwege artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl per 1 januari 2024 geen mogelijkheid meer bestaat (zoals onder het oude recht wel het geval was) om de omgevingsvergunning voor een activiteit die voldoet aan de binnenplanse beoordelingsregels uit het tijdelijk deel van een omgevingsplan, op andere gronden te kunnen weigeren. Hiermee is dus beoogd om het oude recht te continueren, met dien verstande dat vanaf 1 januari 2024 sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) in plaats van de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent concreet dat het college de keuze heeft om zijn bevoegdheid tot afwijking van het omgevingsplan al dan niet te gebruiken. De voorzieningenrechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs tot zijn besluit heeft kunnen komen. Het college moet de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de beleidsruimte goed motiveren. Zie ook de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4624, waarin uitgebreider is stilgestaan bij artikel 22.281 van de bruidsschat.
(…)
De voorzieningenrechter overweegt dat onder het oude recht in het kader van de goede ruimtelijke ordening bij de toets daarvan aandacht moest worden besteed onder meer aan milieugevolgen en ruimtelijke aspecten, waaronder de aspecten geluid en verkeer c.q. parkeerdruk. De wetgever heeft bedoeld voor de invulling van het begrip etfal de onder het oude recht geldende norm van een goede ruimtelijke ordening te continueren. Dit betekent dat het college bij zijn besluitvorming ook milieugevolgen en ruimtelijke aspecten moest betrekken. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit geen aandacht heeft besteed aan de vraag of de aangevraagde activiteit past in een etfal. Het college wijst slechts naar de ruimtelijke onderbouwing voor de vraag of zij de etfal hebben overwogen. Dit is onvoldoende in het licht van de aangevoerde bezwaren. Een expliciete afweging, waarbij de toets van etfal wordt gedaan in het kader van de aangevoerde bezwaren ontbreekt in het bestreden besluit. De voorzieningenrechter constateert ambtshalve dat dit een gebrek is in het bestreden besluit.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum Uitspraak : 01-06-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBZWB:2026:4860
Ruud Veenhof