Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5346: Awb, Wro, Chw; inpassingsplan, opwaardering treinverbinding, elektrificatie lijn, verbetering spoorweg, spoorverdubbeling, verruiming bochten, veiligheidsmaatregelen, ontvankelijkheid, spoorgeluid, gpp’s, trillingen, SBR-richtlijnen, aanvullend onderzoek, dubbelspoor, overweg, veiligheid, risicoanalyse, alternatieven, cumulatie van trillingen, maximale planologische mogelijkheden, stikstof, elektromagnetische straling, uitzicht, bereikbaarheid calamiteitenverkeer, sociale cohesie, railinzetplaats, evenredigheid, periode metingen, meer goederentreinen, trillingsschade, waterstoftreinen, cultuurhistorische waarden, landschappelijke waarden
¶ ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5216: Awb, Ow; instructiebesluit, geen regels in het omgevingsplan die testen luchtvaartuigen onevenredig belemmeren, uitbreiding recreatieterrein, herhaalde uitvoering, provinciaal belang, reikwijdte instructiebesluit, rechtszekerheid
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5324: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, bewoning door meer dan één huishouden, strijd met bpl, Dienstenrichtlijn, verbod gericht tot iedereen, dienstenactiviteit woning verhuren, territoriale beperking, vrij verkeer van werknemers, vertrouwensbeginsel, geen concreet zicht op legalisatie, belang arbeidsmigranten (Rb Den Haag 22/6033)
# ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5350: Awb, Wro, Wabo, Chw; bpl, omgevingsvergunning, herstelbesluit, restauratie tuinmuur kasteel, opstallen, kas, 13 patiowoningen, ommuurde kasteeltuin, opknippen besluitvorming, geen gebiedsgerichte benadering, Verdrag van Granada, architectonisch erfgoed, Verdrag van Florence, mer-beoordeling, noodzaak, versterking omgevingskwaliteit, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, omhulde leegte, gemeentelijk monument, verkeer, parkeren, woongenot, privacy, uitzicht, restauratieplan, bemalingsplan, bodemeffectanalyse, rioolaansluiting, verzakking, scheurvorming, waterhuishouding, erf- en perceelafscheidingen, onderhoud en beheer, quickscan flora en fauna, brandveiligheid, geotechnische risico’s
# ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5351: Awb, Wro; herontwikkeling kasteelcomplex, drie woningen, goede procesorde, Verdrag van Granada, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, geluid, verkeersveiligheid, bebouwingstypologie
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5360: Awb, Wro; bpl, paraplubpl, verbod woonsplitsing, woningomzetting, woninguitbreiding, kamerverhuur, hoogte drempel afwijkingsbepaling, huisvesting arbeidsmigranten, overgangsrecht, bestuurlijke lus, tussenuitspraak
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5241: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, recreatiepark, structureel recreatief nachtverblijf, groepshotels, goede procesorde, gevolgen voor bedrijfsvoering NLR, aantal vluchten, instructiebesluit, provinciaal belang, mer-beoordeling
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5361: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, vervangen woonark, drie zelfstandige woningen, verkleinen bestaande steiger, nieuwe toegangssteiger, afmeerpalen, strijdigheid met bpl, aanduidingsvlak, aantal woonverblijven, redelijke termijn
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5326: Awb, Wro, Chw; bpl, 32 woningen, communicatie, fietsbrug, geen evident privaatrechtelijke belemmeringen, alternatieve locatie
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5339: Awb, Wro; bpl, acht woningen, strijdigheid met provinciaal en gemeentelijk beleid, belangenafweging, mogelijkheden bedrijfsvoering
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5357: Awb, Wro; bpl, 71 woningen, voormalig agrarische percelen, alternatieve locaties, landschappelijke inpassing, watercompensatie, brandveiligheid, bekendmaking mer-beoordelingsbesluit
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5363: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, B&B met vijf parkeerplaatsen, onduidelijkheid vergunning, reformatio in peius, cumulatie met andere recreatie, omgevingsvisie, behoefte, begrip B&B, richtafstanden milieuzonering, parkeren, verkeer, Natura 2000, (Rb Limburg 23/3249)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5229: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, duidelijkheid toegestane bedrijfsactiviteiten, maximale geluidbelasting, milieucategorie, toepassing Wet geluidhinder, geluidonderzoek
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5345: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, gebruik brasserie als feestlocatie, strijdigheid met bpl, evenredigheid, algemeen belang, geen redenen om van handhaving af te zien, concreet zicht op legalisatie, legaliserende omgevingsvergunning (Rb Zeeland-West-Brabant 24/3050 en 24/3186)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5356: Awb, Wabo; handhaving, last onder bestuursdwang, verwijderen zaken, kostenverhaal, schadevergoeding, hoogte schadevergoeding (Rb Gelderland 23/1039)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5342: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, veranderen voormalig schoolgebouw naar 16 appartementen, in- of uitrit, parkeren, geluid, behoefte aan woonruimte, parkeerbehoefte in de avond en nacht, zijgevel, geluidimmissie, alternatieve parkeerindeling
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5341: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, kappen 76 bomen zonder omgevingsvergunning, controle, normaal onderhoud, geen vergunningplicht, bestemming “Bos”, herplantplicht
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5348: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl, gebruik eerste etage voor horeca, horecacategorie, lichte horeca, gelijkheidsbeginsel, evenredigheidsbeginsel (Rb Den Haag 21/3965)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5109: Awb, Waterwet; watervergunning, realiseren brug inclusief aansluitende infrastructuur, duikerbrug, bevoegdheid tot verlening, weigeringsgronden, afstand tussen bruggen, afstand tot stuw (Rb Overijssel 21/1059, 21/1161 en 21/1162)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5328: Awb, Wbb; weigering handhavingsverzoek, sanering grond, zink, saneringsplan, belang invordering, staken aanleg inrit, opheffing last onder dwangsom, graven voor beukenhaag, ontgraven in afwijking saneringsplan, gaatje in de grondkering
# ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5340: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, tankstation, verkoopruimte inclusief bereidingsruimte, reclamemast, bedrijventerrein, multifuel tankstation, afwijken bpl, aanwijzingsbesluit, duurzaamheidsvisie, veiligheid, domino-effecten, PGS-richtlijnen, BBT-informatiedocumenten, milieucategorie, alternatieven (Rb Rotterdam 21/6199)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5330: Awb, Wro; bpl, herstelbesluit, gezondheidscentrum, 26 zorgwoningen, huisartsenpraktijk, fysiotherapiepraktijk, sportschool, schrappen functie evenementen, verkeer, parkeren, geluid, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5108: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, brug inclusief aansluitende infrastructuur, duikerbrug, nut en noodzaak, toename verkeer, verkeersveiligheid, zwaar sluipverkeer, aanhaakplicht gebiedsbescherming, aanlegfase, gebruiksfase, soortenbescherming, grote gele kwikstaart, monumentale waarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden, geluid, financiële uitvoerbaarheid, kappen bomen (Rb Overijssel 21/1947, 21/2005, 21/2006, 21/2027 en 22/890)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5316: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, wijzigen pand naar 10 woningen, ex nunc toetsing na heroverweging, belangenafweging, onvoldoende onderbouwing voor heroverweging
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5315: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, bebouwing en in uitvoering zijnde bouwactiviteiten, aanbouw, bouwhoogte, maximale totale oppervlakte, bijgebouwen, goothoogte (Rb Limburg 22/4 en 22/5)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5309: Awb, Kernenergiewet; kernenergiewetvergunning, geregistreerd stralingsdeskundige, herstel gebrek, ongeplande en onvoorspelbare werkzaamheden, consistente terminologie, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5352: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, bedrijfsmatig houden en fokken van honden zonder vergunning, niet tijdig nemen besluit, afwijzing overgaan tot invordering, geen sprake meer van overtredingen (Rb Oost-Brabant 21/2794)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5239: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning varkenshouderij, KI-station, hondenfokkerij, strijd met bpl, enkel grondgebonden agrarisch verblijf toegestaan (Rb Oost-Brabant 21/3340)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5349: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning varkenshouderij en hondenfokkerij, bouw geluidscherm, strijd met bpl, partieel verleend voor houden van varkens, tekeningen bij vergunning, duiding voorschriften, houden van dieren, huisvestingssysteem (Rb Oost-Brabant 22/2530)
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5325: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, warmteoverdrachtsstation, hulpwarmtecentrale, strijd met bpl, herhaling gronden, circulaire economie, energiearmoede, voorwaardelijk incidenteel hoger beroepen (Rb Rotterdam 21/6389)
¶ ABRvS 8 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5250: Awb, Ow; vovo, TAM-omgevingsplan, 69 woningen, eerder verleende omgevingsvergunning, afstand tot perceelgrens, tegemoetkoming aan belangen
¶ Rechtbank Oost-Brabant 8 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6482: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, last onder dwangsom, verwijdering verdiept zwembad, afwijkingsmogelijkheid bpl, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel, geen reformatio in peius, evenredigheid, begunstigingstermijn
¶ Rechtbank Oost-Brabant 7 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6460: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning ingebruikname azc, tijdelijke vergunning, sociale veiligheid, algemeen belang, handhavingsinzet
* ABRvS 4 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5237: Awb, Wro; vovo, bpl, herstelbesluit, definitie “woning”, tweede woninggebruik, bestaand legaal gebruik
* ABRvS 4 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5235: Awb, Wabo; vovo, handhaving, last onder dwangsom, gebruik gronden in strijd met bpl, geen hobbymatig gebruik, zeven paardenboxen, verhuur, vaste gedragslijn, mestopslag
* Rechtbank Noord-Nederland 2 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3813: Awb, Waterwet; watervergunning, herinrichten recreatiepark, gebruikmaking van kern- en beschermingszone primaire waterkering, inspraak, Verdrag van Aarhus, Habitatrichtlijn, passende beoordeling
¶ Rechtbank Gelderland 2 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6843: Awb, Ow; vovo, afwijzing handhavingsverzoek, bouw- en aanlegactiviteiten woningbouwproject, geen omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit, overgangstermijn 18 december-uitspraak
* Rechtbank Noord-Nederland 2 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3811: Awb, Wnb; ontheffing ’s nachts bestrijden vos, verlengingsbesluit, geen andere bevredigende oplossing, afrasteren gebieden, verbeteren biotoop, noodzakelijkheid, bufferzone
¶ Rechtbank Oost-Brabant 2 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6330: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning realisatie fietspad, cultuurhistorische waarden, waterhuishoudkundige waarden, functie waterkering
¶ Rechtbank Oost-Brabant 2 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6331: Awb, Ow; vovo, handhavingsverzoek, realisatie fietspad, specifieke zorgplicht Bal, vergunning reeds geschorst
¶ Rechtbank Noord-Nederland 1 september 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3810: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen, dakopbouw, welstandsadvies niet op schrift, geen externe deskundige, nadere eisen
¶ Rechtbank Gelderland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6720: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning herinrichting terrein, ophoging en egaliseren van gronden, afgraven van bodem, aanleggen en dempen watergangen, sloten en andere waterpartijen, wateroverlast, overlag muggen en knutten, geen extra vernatting van het gebied
* Rechtbank Midden-Nederland 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6195: Awb, Wabo; omgevingsvergunning handelen in strijd met regels RO, transformeren gemeentelijk monument naar appartementen, woongebruik in afwijking bpl, parkeren, strijdigheid met paraplubestemmingsplan, uitvoerbaarheid
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:7719: Awb, Ow, Erfgoedwet; afwijzing handhavingsverzoek, slopen gemeentehuis zonder sloopvergunning, cultureel erfgoed, noodzaak, geen dreigende overtreding, geen beschermd cultureel erfgoed, Bbl
¶ Rechtbank Noord-Holland 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11331: Awb, Ow; omgevingsvergunning renoveren bestaand gebouw, geen zienswijzemogelijkheid, toetsen gebruik pand als coffeeshop aan omgevingsplan, toetsen op aangevraagde activiteit
#! Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 augustus 2026, 26/2224: Awb; weigering verstrekken subsidie aanleg regelbare drainage, aanmerking als samengesteld regelbaar systeem, uitvoerbaarheid doelmatig beheer, begrip “samengesteld”, verzameldrain, centraal regelpunt
¶ Rechtbank Noord-Holland 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11364: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning realiseren vier padelkooien, toetsing aan bpl, etfal, binnenplanse afwijking, civielrechtelijke belemmeringen, ontbrekende natuurtoets, parkeren, zorgplicht dierenwelzijn, planschade, financiële haalbaarheid, nut en noodzaak, maatschappelijk belang, stedenbouwkundig oordeel, welstand, geluid, verkeersbewegingen, belangenafweging
¶ Rechtbank Den Haag 21 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23857: Awb, Ow; vovo, handhaving, last onder dwangsom, monumentale bollenschuur, monument in verval, evenredigheid, begunstigingstermijn, uitvoerbaarheid last
* Rechtbank Den Haag 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23241: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning legaliseren 2 bedrijfswoningen, gefaseerde aanvraag, strijd met bpl, noodzakelijkheid, gebruiksovergangsrecht, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Noord-Nederland 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:3544: Awb, TwG; vergoeding mijnbouwschade, hoogte vergoeding immateriële schade, persoonsaantasting, gestandaardiseerde methode
* Rechtbank Den Haag 18 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23206: Awb, Wabo, Chw; omgevingsvergunning bouwen, appartementencomplex, supermarkt, eengezinswoningen, 100% sociale woningbouw, inspraakdocument, te laat ingediende beroepsgronden
# Rechtbank Overijssel 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5318: Awb, Wabo; omgevingsvergunning oprichten inrichting, pyrolyseinstallatie, omzet plastic naar chemicaliën, kwalificatie afval(mee)verbrandingsinstallatie, uitgangspunten aard en kwalificatie, thermische olieketels, aantal installaties, Richtlijn industriële emissies en veehouderijen
¶ Rechtbank Overijssel 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5319: Awb, omgevingsvergunning oprichten pluimveestal, overeenstemming Habitatrichtlijn, gelijktijdigheid vergunning Natura 2000-activiteit
¶ Rechtbank Rotterdam 5 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10328: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning plaatsen en exploiteren terras, bopa, etfal, geluid, voorschrift verbonden aan vergunning
¶ Rechtbank Rotterdam 5 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10330: Awb, Ow; vovo, handhaving, last onder dwangsom, afgraafwerkzaamheden verricht vóór inwerkingtreding omgevingsvergunning, hoogte dwangsom, effectiviteit maatregel, controlerapport
* Rechtbank Rotterdam 4 augustus 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10212: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, splitsen woning in 3 appartementen, 2 dakterrassen, beoogd gebruik, geluidsoverlast, contact- en leefgeluiden, planologische toelaatbaarheid dakterras, cultuurhistorische waarden, aanduiding “karakteristiek”, beeldbepalend pand, welstand
* Rechtbank Rotterdam 31 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10976: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning bouwen en gebruiken azc, afwijken bpl, ontvankelijkheid, ruimtelijke onderbouwing, algemeen belang, aantal asielzoekers, sociale veiligheid, waardedaling, alternatieven
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5324: Awb, Wabo; handhaving, last onder dwangsom, bewoning door meer dan één huishouden, strijd met bpl, Dienstenrichtlijn, verbod gericht tot iedereen, dienstenactiviteit woning verhuren, territoriale beperking, vrij verkeer van werknemers, vertrouwensbeginsel, geen concreet zicht op legalisatie, belang arbeidsmigranten (Rb Den Haag 22/6033)
5.5. Naar het oordeel van de Afdeling is de verbodsbepaling dat een woning niet bewoond mag worden door meer dan één huishouden niet uitdrukkelijk gericht tot dienstverrichters, maar gericht tot iedereen. Maar het verbod is gelet op zijn effecten wel specifiek van invloed op de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in de zin van de Dienstenrichtlijn. De Afdeling licht dat hieronder toe.
Het verbod wordt overtreden als er meer dan één huishouden gebruikmaakt van een bedrijfswoning, woning of wooneenheid. Het gebruikmaken van een bedrijfswoning, woning of wooneenheid, of een gedeelte daarvan, is op zichzelf geen dienstenactiviteit in de zin van de Dienstenrichtlijn. Maar het verhuren voor bewoning van (een gedeelte van een) bedrijfswoning, woning of wooneenheid, waardoor meer dan één huishouden daarvan gebruikmaakt, is dat wel. Ook als een particulier een woning of een gedeelte daarvan verhuurt, treedt deze op als dienstverrichter in de zin van de Dienstenrichtlijn. Het is aannemelijk dat het niet of nauwelijks voorkomt dat de verbodsbepaling van invloed is op een andere situatie dan waarbij (een deel van) een bedrijfswoning, woning of wooneenheid wordt verhuurd. Uit de plantoelichting blijkt dat dit juist mede het doel was van de vaststelling van het bestemmingsplan “Herziening begrippen”. De planregels over wonen zijn vrijwel uitsluitend erop gericht om kamergewijze (onder)verhuur te beperken en te reguleren. Onder deze omstandigheden oordeelt de Afdeling dat de verbodsbepaling specifiek van invloed is op de toegang tot of de uitoefening van de dienstenactiviteit om woonruimte te verhuren. Omdat het college in het besluit op bezwaar heeft geconcludeerd dat de Dienstenrichtlijn niet van toepassing is, kent dit besluit in zoverre een motiveringsgebrek. Het besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank is ten onrechte niet tot dit oordeel gekomen.
(…)
6.3. Naar het oordeel van de Afdeling is de verbodsbepaling een territoriale beperking in de zin van artikel 15 van de Dienstenrichtlijn. Zoals onder 5.5 is overwogen heeft de verbodsbepaling specifiek effecten op de toegang tot of de uitoefening van de dienstenactiviteit om woonruimte te verhuren. De verbodsbepaling beperkt de gebieden waar dienstverrichters hun activiteiten uit kunnen oefenen. De rechtbank is dan ook ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de planregel geen territoriale beperking bevat.
(…)
8.2. De Afdeling heeft eerder overwogen dat, gelet op de appellabiliteit van het bestemmingsplan en de rechtszekerheid en belangen van derden, het gerechtvaardigd is dat de bestuursrechter bij beroepen tegen besluiten over omgevingsvergunningen en over handhaving, de verbindendheid van bestemmingsplanregels alleen maar exceptief toetst op de wijze zoals weergegeven in onder meer haar uitspraak van 19 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:520, onder 5.4. Dat houdt in dat de bestemmingsregeling slechts onverbindend dient te worden geacht of buiten toepassing moet worden gelaten, als de bestemmingsregeling evident in strijd is met de hogere regeling. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2947, onder 5.4.
Een planregel is alleen evident in strijd met hoger recht als de rechter zonder nader onderzoek kan vaststellen dat zich strijd met de hogere rechtsnorm voordoet. Dit is bijvoorbeeld het geval als iedere motivering ontbreekt. Indien beargumenteerd strijd met artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn wordt aangevoerd en een motivering dat aan de in dat artikellid genoemde vereisten is voldaan ontbreekt, kan desondanks geen evidente strijd met de Dienstenrichtlijn worden aangenomen indien het college alsnog een deugdelijke onderbouwing geeft dat aan de vereisten van artikel 15, lid 3, van de Dienstenrichtlijn is voldaan. De onderbouwingsplicht van het college in deze procedure gaat daarbij niet zo ver dat het de beperking moet onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens, zoals bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 24 juli 2019 ECLI:NL:RVS:2019:2569. Geeft het college niet alsnog een onderbouwing dan zal de planregeling buiten toepassing worden gelaten of onverbindend worden verklaard. De Afdeling verwijst hiervoor naar de genoemde uitspraak van 19 februari 2020.
8.3. De Afdeling stelt voorop dat in de plantoelichting geen onderbouwing is gegeven die gericht is op de vraag of de verbodsbepaling voldoet aan de vereisten uit artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn. In het besluit op bezwaar is het standpunt ingenomen dat er geen evidente strijd is met de Dienstenrichtlijn. Daarbij wordt beargumenteerd dat de planregeling geen onderscheid maakt naar nationaliteit. Het college heeft dit standpunt in hoger beroep nader onderbouwd in de schriftelijke uiteenzetting. De Afdeling zal daarom aan de hand van die aanvullende onderbouwing beoordelen of de verbodsbepaling evident in strijd is met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn.
8.4. Eisen waarop de Dienstenrichtlijn van toepassing is en die dienstverrichters direct of indirect discrimineren, zijn in strijd met artikel 15, derde lid, aanhef en onder a, van de richtlijn en kunnen niet gerechtvaardigd worden (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834, onder 5).
8.5. Eisen die aan dienstverrichters gesteld worden en die niet op voorhand verboden zijn, moeten in overeenstemming met artikel 15, derde lid, aanhef en onder b en c, van de Dienstenrichtlijn gerechtvaardigd worden. Dit houdt in dat de eisen nodig zijn om een dwingende reden van algemeen belang. Verder moeten zij ten opzichte van dat belang evenredig zijn. Dat laatste houdt in dat de eisen geschikt moeten zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt (zie de uitspraak van de Afdeling van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6007, onder 8.6).
8.6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834, onder 8, ziet het discriminatieverbod in artikel 15, derde lid, aanhef en onder a, van de Dienstenrichtlijn op discriminatie van dienstverrichters. De verbodsbepaling maakt geen direct of indirect onderscheid naar gelang de nationaliteit, vestigingsplaats of verblijfplaats van de dienstverrichters. Daarom is de Afdeling van oordeel dat de verbodsbepaling niet in strijd is met het discriminatieverbod uit artikel 15, derde lid, onder a van de Dienstenrichtlijn.
8.7. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kan een goede ruimtelijke ordening een dwingende reden van algemeen belang opleveren die een planregeling, die als een eis in de zin van de Dienstenrichtlijn is aan te merken, kan rechtvaardigen. De Afdeling verwijst daarvoor naar haar uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834, onder 5.2. Of dat in het voorliggende geval zo is, hangt af van het antwoord op de vraag of de raad deugdelijk heeft gemotiveerd dat de planregeling nodig is om het beoogde ruimtelijke doel te bereiken.
8.8. Het college heeft in hoger beroep toegelicht dat de verbodsbepaling dient ter bescherming van het stedelijk milieu en het woon- en leefklimaat in Lisse. De planregeling beoogt overbewoning te voorkomen, omdat dit onder meer kan leiden tot overlast voor de omgeving. Daarmee beoogt de verbodsbepaling een ruimtelijk doel te bereiken. Naar het oordeel van de Afdeling dient de verbodsbepaling dan ook ter bescherming van het stedelijk milieu en daarmee een dwingende reden van algemeen belang.
8.9. Het is naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat bewoning door meer dan één huishouden in de regel zal leiden tot meer bewoners in een woning. Aangezien de verbodsbepaling de bewoning door meerdere huishoudens verbiedt, is deze planregel ook geschikt om overbewoning tegen te gaan en daarmee het doel van bescherming van het stedelijk milieu te bereiken.
8.10. Het college heeft verder toegelicht dat de verbodsbepaling niet tot doel heeft om bedrijfsmatige kamerverhuur categorisch te verbieden, maar om dit te reguleren met het oog op de ruimtelijke effecten daarvan. Door het opnemen van een vergunningstelsel kunnen de ruimtelijke effecten van geval tot geval worden bekeken. In artikel 2.13.2, van de planregels van het bestemmingsplan “Herziening begrippen” is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen waardoor bedrijfsmatige kamerverhuur in (een deel van een) woning, of een bedrijfs- of dienstwoning, onder omstandigheden vergund kan worden.
8.11. Mployment heeft aangevoerd dat deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid door het college nooit wordt toegepast als het gaat om arbeidsmigranten. Maar de Afdeling ziet daarin onvoldoende aanknopingspunten om zonder verder onderzoek tot het oordeel te kunnen komen dat de verbodsbepaling in strijd is met artikel 15, derde lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn. Gelet op de aanvullende onderbouwing van het college ziet zij daarom geen grond voor het oordeel dat de verbodsbepaling evident verder gaat dan nodig is om het doel van overbewoning te voorkomen of anderszins onevenredig is.
8.12. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834, onder 10.4, heeft overwogen kan een (indirect) discriminerende bepaling op zichzelf nooit evenredig zijn. Artikel 20 van de Dienstenrichtlijn bepaalt ook dat de lidstaten erop toezien dat op de afnemer geen discriminerende eisen op grond van zijn nationaliteit of verblijfplaats van toepassing zijn. De Afdeling begrijpt het betoog van Mployment zo, dat zij aanvoert dat de verbodsbepaling discrimineert richting de huurders, en dus afnemers van de dienst, omdat dit hoofdzakelijk arbeidsmigranten zullen zijn.
De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat hier evident sprake is van een (indirect) discriminerende bepaling richting arbeidsmigranten als huurders of afnemers. De verbodsbepaling is een planregel. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. De verbodsbepaling heeft betrekking op de huisvesting van eenieder. De verbodsbepaling maakt in die zin geen onderscheid tussen arbeidsmigranten en andere mogelijke bewoners van een bedrijfswoning, woning of woonruimte die niet samen één huishouden vormen.
In tegenstelling tot wat Mployment betoogt, acht de Afdeling het niet zonder meer aannemelijk dat arbeidsmigranten in het bijzonder worden benadeeld door de verbodsbepaling. De Afdeling overweegt daarvoor eerst dat de verbodsbepaling ziet op bedrijfswoningen, woningen en woonruimtes, en dat er een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid is opgenomen waarmee bewoning door meer dan één huishouden alsnog toegestaan kan worden. Daardoor is niet zonder verder onderzoek aan te nemen dat arbeidsmigranten door de verbodsbepaling niet binnen Lisse gehuisvest kunnen worden. Verder ziet de verbodsbepaling niet alleen op kamerverhuur, maar op alle vormen van bewoning waarbij een woning door meer dan één huishouden wordt bewoond. Daarbij zijn arbeidsmigranten niet de enige groep bewoners waarbij een woning wordt bewoond door meer dan één huishouden. De verbodsbepaling treft daarmee ook andere groepen, zoals studenten, jongvolwassenen of alleenstaanden met een beperkt inkomen die aangewezen zijn op onzelfstandige woonruimte.
8.13. Gelet op de aanvullende onderbouwing die het college in hoger beroep heeft gegeven, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de verbodsbepaling in artikel 12.2, onder b van de planregels evident in strijd is met artikel 15, derde lid, van de Dienstenrichtlijn.
9.1. De Afdeling overweegt dat als een nationale maatregel verband houdt met verschillende vrijheden van verkeer, de betrokken maatregel in beginsel alleen maar uit het oogpunt van een van deze vrijheden wordt onderzocht als in het licht van het doel van die maatregel blijkt dat de andere vrijheden volledig ondergeschikt zijn aan die vrijheid en daarmee kunnen worden verbonden. De Afdeling verwijst daarvoor naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 24 oktober 2019, ECLI:EU:C:2023:878, onder 19.
9.2. Naar het oordeel van de Afdeling is het vrij verkeer van werknemers hier verbonden met het vrij verkeer van diensten en daaraan volledig ondergeschikt. De verbodsbepaling richt zich namelijk op de manier waarop een bedrijfswoning, woning of woonruimte mag worden bewoond door één huishouden. Zoals onder 6.3 is overwogen vormt de verbodsbepaling als zodanig een beperking van de vrijheid van de dienstverlening die hier aan de orde is, namelijk het verhuren van woonruimten in Lisse. Daarbij is Mployment dienstverrichter en zijn haar huurders, waaronder eventuele arbeidsmigranten, dienstontvangers en geen werknemers. De afnemers van de diensten genieten in die hoedanigheid bescherming onder afdeling 2 van hoofdstuk 4 van de Dienstenrichtlijn, waaronder artikel 20. Omdat het vrij verkeer van werknemers hier volledig ondergeschikt is aan het vrij verkeer van diensten, wordt de verbodsbepaling alleen uit het oogpunt van het vrij verkeer van diensten onderzocht. Het beroep op artikel 45 van het VWEU en artikel 9 van de verordening behoeft daarom geen bespreking. Hetzelfde geldt voor het door het college ingenomen standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan de vernietiging van het bestreden besluit op bezwaar vanwege strijd met het gebruik verkeer van werknemers.
¶ ABRvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5216: Awb, Ow; instructiebesluit, geen regels in het omgevingsplan die testen luchtvaartuigen onevenredig belemmeren, uitbreiding recreatieterrein, herhaalde uitvoering, provinciaal belang, reikwijdte instructiebesluit, rechtszekerheid
6. Het college van GS heeft op grond van artikel 2.33 van de Ow onder meer de bevoegdheid om, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, aan de gemeenteraad een instructie te geven over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Ow. Verder volgt uit artikel 2.3, tweede lid, onder a, van de Ow dat deze bevoegdheid alleen mag worden uitgeoefend als dat nodig is vanwege een provinciaal belang en dat belang niet op een doelmatige en doeltreffende wijze door de gemeenteraad kan worden behartigd. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college van GS van de noodzaak van het geven van de instructie heeft mogen uitgaan. Verder beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.
(…)
10.1.3. Lavendel B.V. doet een beroep op de norm van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Ow. Dat artikel strekt tot bescherming van het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak over het relativiteitsvereiste van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.7, ziet de norm van een goede ruimtelijke ordening onder meer op het behouden en herstellen van een uit ruimtelijk oogpunt goed ondernemersklimaat.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het aanpassen van deze rechtspraak wanneer, zoals in dit geval, de norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geldt. Dat betekent dat appellanten tegen een besluit waarvoor deze norm geldt, beroepsgronden naar voren kunnen brengen die ertoe strekken aan te tonen dat dat besluit kan leiden tot een minder goed ondernemersklimaat voor een appellant.
Het instructiebesluit kan gevolgen hebben voor het ondernemersklimaat van Lavendel B.V. De Afdeling komt daarom toe aan een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond van Lavendel B.V.
10.2. In artikel I van het instructiebesluit staat dat het college van GS besluit vast te stellen het aan de raad te geven “Instructiebesluit Behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen MITC/NLR”, zoals is aangegeven in Bijlage A. Bijlage A maakt dus integraal deel uit van het instructiebesluit.
In Bijlage A staat dat het college van GS aan de raad opdraagt: “Geen regels op te nemen in het omgevingsplan die het testen van of het oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen binnen het werkingsgebied’ ‘Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’ onevenredig belemmeren, tenzij uit een advies vanuit het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Defensie blijkt dat daartegen geen bezwaar bestaat.
Daarbij geldt dat een omgevingsplan ook een plan omvat dat valt onder artikel 4.6, lid 2, onder a, onder 2 Invoeringswet Omgevingswet. Onder dit artikel vallen bestemmingsplannen die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gestart, maar nu nog moeten worden vastgesteld. Uiteindelijk vastgestelde bestemmingsplannen maken van rechtswege deel uit van het omgevingsplan.”
10.3. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 2.33, tweede lid, van de Ow een instructie door het college van GS alleen kan worden gegeven aan de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Ow. Op grond van artikel 4.6, eerste lid, aanhef en onder g, van de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) in samenhang gelezen met de artikelen 2.4 en 22.1 van de Ow, maakt een in werking getreden bestemmingsplan vanaf 1 januari 2024 deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van een gemeente. Bestemmingsplannen – zoals het bestemmingsplan “Landelijk gebied, Leemringweg 19-21 te Kraggenburg (NETL)” – die worden vastgesteld na 1 januari 2024 maar waarvan het ontwerp al wel voor die datum ter inzage is gelegd, gaan pas ná inwerkingtreding daarvan deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De Afdeling verwijst in dat kader naar haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174. Naar het oordeel van de Afdeling maakt een nog vast te stellen bestemmingsplan, anders dan waarvan in het instructiebesluit wordt uitgegaan, dus nog geen deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dat gebeurt zoals gezegd pas na inwerkingtreding daarvan. Dit alles betekent dat in het instructiebesluit ten onrechte is bepaald dat de instructie ook geldt voor nog vast te stellen bestemmingsplannen.
Voor zover het college van GS nog heeft gewezen op artikel 4.109 van de Iw Ow en dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling zou volgen dat de wetgever de mogelijkheid heeft opengehouden dat een instructie ook kan gelden voor een bestemmingsplan, overweegt de Afdeling als volgt. Artikel 4.109 van de Iw Ow bevat overgangsrecht voor een provinciale aanwijzing als bedoeld in artikel 4.2 van de Wro en bepaalt dat als op 1 januari 2024 nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd ter uitvoering van een dergelijke aanwijzing, de aanwijzing geldt als een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de Ow. Dat betekent dat de raad in dat geval alsnog gevolg moet geven aan de vóór 1 januari 2024 gegeven provinciale aanwijzing, maar dan door middel van het wijzigen van het omgevingsplan. Uit de tekst van artikel 4.109 van de Iw Ow noch uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling kan naar het oordeel van de Afdeling worden ontleend dat het van toepassing is op de omgekeerde situatie, namelijk dat een instructie ook zou kunnen gelden voor een bestemmingsplan dat valt onder de werking van artikel 4.6, tweede lid, van de Iw Ow.
De betogen slagen.
¶ Rechtbank Noord-Holland 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:11331: Awb, Ow; omgevingsvergunning renoveren bestaand gebouw, geen zienswijzemogelijkheid, toetsen gebruik pand als coffeeshop aan omgevingsplan, toetsen op aangevraagde activiteit
Had het college moeten toetsen of het gebruik van het pand als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan?
5.1 Eisers voeren aan dat het college had moeten toetsen of de activiteit in strijd is met de in het omgevingsplan gestelde regels over het gebruik van het bouwwerk. Dit volgt uit artikel 22.26 van het omgevingsplan in samenhang met artikel 22.29 van het omgevingsplan. Eisers kunnen het standpunt van het college niet volgen dat de aanvraag niet ziet op het exploiteren van een coffeeshop. Eisers stellen dat het college eraan voorbijgaat dat een bepaald gebruik moet worden meegenomen als redelijkerwijs is aan te nemen dat een bouwwerk anders zal worden gebruikt, ook als dit niet volgt uit de aanvraag. Eisers verwijzen in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 8 april 2020. Er zijn in dit geval voldoende omstandigheden waardoor kan worden aangenomen dat is beoogd de locatie te gebruiken als coffeeshop. De belangrijkste omstandigheid is dat op 22 mei 2024, voor het besluit van 16 januari 2025, een exploitatievergunning en een gedoogbesluit is aangevraagd voor de verkoop van softdrugs. Op 12 juni 2025 heeft de burgemeester besloten om de exploitatievergunning te verlenen en de verkoop van softdrugs te gedogen. Nu het gebruik van het gebouw als coffeeshop aannemelijk is, had het college dit gebruik moeten toetsen. Het feit dat in de aanvraag in aangegeven dat het gebouw op dit moment wordt gebruikt volgens de functieaanduiding horeca en nergens anders voor gebruikt gaat worden, doet daaraan niet af. Niet toetsen of het gebruik als coffeeshop in strijd is met het omgevingsplan, is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
5.2 De rechtbank overweegt dat het college moet beslissen op aanvraag die is ingediend. De rechtbank stelt vast dat de aanvraag van eiser alleen ziet op de renovatie van het pand. Vergunninghouder wil het bestaande gebouw renoveren en daarbij de kozijnen vervangen, het dak vernieuwen en pleisterstucwerk aanbrengen op de gevel. Het volume van het gebouw blijft daarbij hetzelfde. In de aanvraag staat dat het bouwwerk momenteel wordt gebruikt voor horeca en dat dit gebruik niet veranderd.
5.3 Gelet op de gegevens uit de aanvraag, heeft het college mogen concluderen dat de bouwactiviteit (de renovatie) – conform artikel 22.29 van ‘de bruidsschat’ (nu artikel 3.14 van het omgevingsplan) – niet in strijd is met de in het omgevingsplan daarvoor gestelde regels. Dit artikel is namelijk een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, sub c en d van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het gaat dus om de vraag of de aangevraagde activiteit, in dit geval dus de renovatie, in strijd is met het omgevingsplan.
5.4 Anders dan eisers aanvoeren, gaat de vraag of het gebruik van het pand als coffeeshop in overeenstemming is met het planologisch toegestane gebruik de omvang van deze procedure te buiten. De aanvraag van eiser ziet namelijk enkel op de renovatie van het pand (een omgevingsplanactiviteit bouwen en een (technische) bouwactiviteit). De aangevraagde renovatie hangt niet onlosmakelijk samen met een bepaald gebruik. Eiser heeft daarnaast een exploitatievergunning en een gedoogbeschikking aangevraagd voor de exploitatie van het pand als coffeeshop. Partijen discussiëren in het kader van de lopende bezwaarprocedure tegen die vergunningen (ook) over de vraag of het gebruik van het pand als coffeeshop in overeenstemming is met het planologisch toegestane gebruik. De beroepsgrond slaagt niet.
# Rechtbank Overijssel 13 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5318: Awb, Wabo; omgevingsvergunning oprichten inrichting, pyrolyseinstallatie, omzet plastic naar chemicaliën, kwalificatie afval(mee)verbrandingsinstallatie, uitgangspunten aard en kwalificatie, thermische olieketels, aantal installaties, Richtlijn industriële emissies en veehouderijen
8.1 Op de zitting is gebleken dat tussen partijen niet in geschil is dat de gehele op te richten inrichting aan de [adres] als één IPPC-installatie moet worden gezien. Partijen verschillen nog wel van mening over de vraag of de installatie één doel heeft en of deze onder één of onder meerdere categorieën van de Richtlijn Industriële Emissies (Ri. 2010/75/EU; hierna: RIE) valt. Volgens BlueAlp moet het pyrolysegas worden gezien als bijproduct en moet de verbranding van pyrolysegas worden beschouwd als een stookinstallatie op een niet-reguliere brandstof. Volgens het college kan het pyrolysegas niet worden aangemerkt als een bijproduct en is sprake van een afvalverbrandingsinstallatie dan wel van een afvalmeeverbrandingsinstallatie.
8.2. De rechtbank overweegt dat de bestuursrechter in beginsel mag afgaan op de inhoud van het advies van een door hem benoemde deskundige als bedoeld in artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat is slechts anders indien dat advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen of anderszins zulke gebreken bevat, dat het niet aan de oordeelsvorming ten grondslag mag worden gelegd.
8.3. De StAB heeft bij de beantwoording van de aan haar gestelde vragen aangegeven dat het voor de hand ligt om de pyrolyse-installatie inclusief TOK’s als één installatie te beschouwen en dat deze installatie, als deze lijn wordt gevolgd, als geheel niet voldoet aan alle kenmerken van een afvalverbrandingsinstallatie. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat dit advies onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en ook geen andere gebreken bevat, die maken dat zij niet van dit advies kan uitgaan. De rechtbank zal dit advies dan ook aan haar oordeelsvorming ten grondslag leggen.
8.4. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling ook de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de destijds geldende afvalverbrandingsrichtlijn 2000/76/EG. Uit die rechtspraak volgt dat de kwalificatie als verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie moet plaatsvinden aan de hand van het hoofddoel van de installatie. Verder volgt daaruit dat de enkele omstandigheid dat uit de thermische behandeling van afval een gasvormige stof ontstaat die vervolgens wordt verbrand, niet zonder meer beslissend is voor die kwalificatie. Kortom, van belang is hoe de gasproductie en de daaropvolgende verbranding zich verhouden tot het productieproces als geheel. Dat deze rechtspraak is gewezen onder richtlijn 2000/76/EG maakt dit niet anders, omdat de regeling voor afvalverbranding in de RIE is voortgezet.
8.5.De rechtbank is van oordeel dat het hoofddoel van de op te richten installatie aan de [adres] , gelet op de beschrijving van het productieproces, niet het verbranden dan wel meeverbranden van afval is. Het hoofddoel is het door middel van pyrolyse omzetten van plastic in chemicaliën. De productie en de daaropvolgende verbranding van pyrolysegas maken onlosmakelijk deel uit van het geïntegreerde productieproces. Daarbij acht de rechtbank van belang dat ook volgens de StAB de pyrolyse-installatie en de TOK’s als één installatie moeten worden beschouwd en dat deze installatie als geheel niet aan alle kenmerken van een afval(mee)verbrandingsinstallatie voldoet.
Samenvattingen van jurisprudentie op STAB-site
Op de website van STAB wordt recente jurisprudentie ook samengevat.
De volgende uitspraken zijn deze week nieuw geplaatst:
Rb Oost-Brabant 21 augustus 2026 Handhaving, specifieke zorgplicht mba, lekkage van een opgeslagen winbag (mestzak) met spuiwater van luchtwassers
Rb Oost-Brabant 21 augustus 2026 Omgevingsvergunning mba voor nieuw luchtwassysteem, voorwaarde realisatietermijn gelet op de omstandigheden toegestaan
vzr Rb Oost-Brabant 4 augustus 2026 Omgevingsvergunning bopa voor kleinschalig begeleid wonen, voorwaarde betreffende leeftijdscategorie in beginsel niet mogelijk