Afwijzing verzoek om actualisatie van Hinderwetvergunning en milieuvergunning voor motorsportactiviteiten. Actualisatieplicht, geen BBT-conclusies van toepassing.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard heeft een verzoek tot actualisatie van de Hinderwetvergunningen en milieuvergunning die in 1993 en 1999 zijn verleend voor motorsportactiviteiten afgewezen. Eiseres stelt dat het college ingevolge de Omgevingswet (Ow) verplicht is regelmatig te bezien of de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit nog toereikend zijn gezien de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Het college stelt dat uit onderzoek van de omgevingsdienst weliswaar volgt dat er mogelijkheden en noodzaak tot actualisatie bestaan, maar dat dit niet efficiënt zou zijn. Het college stelt dat het beter is eerst het bestemmingsplan te actualiseren. Naar aanleiding van het nieuwe bestemmingsplan zullen namelijk ook nieuwe omgevingsvergunningen voor het circuit moeten worden verleend.

Rechtsvragen

1. Rust op het college een actualisatieplicht?
2. Geldt de actualisatieplicht ook als er geen BBT-conclusies van toepassing zijn?
3. Binnen welke termijn moet het college de vergunning actualiseren?

Uitspraak

1. Tussen partijen is in geschil of op het college een actualisatieplicht rust. De rechtbank zal dit daarom hieronder beoordelen. In de wetsgeschiedenis van artikel 5.38, eerste lid, van de Ow is aangegeven: ‘Onderdeel CS (artikel 5.38, eerste lid, Omgevingswet). Het eerste lid van dit artikel bevat de zogeheten actualiseringsplicht voor de omgevingsvergunning. Deze plicht geldt onder meer voor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit’.
Ook bevatten artikel 5.38, eerste lid, en artikel 5.39 van de Ow de woorden ‘beziet’ en ‘wijzigt’. In de wetsgeschiedenis van de voorgangers van artikel 5.38 van de Ow, artikel 2.31, in samenhang met artikel 2.30 van de Wabo is aangegeven: ‘Artikel 2.30, eerste lid, Wabo bevat een onderzoeksplicht. Deze plicht houdt in dat het bevoegd gezag regelmatig moet nagaan of de bestaande vergunningvoorschriften nog toereikend zijn. Toetsing geschiedt aan de ontwikkelingen op het gebied van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu (beste beschikbare technieken) en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu. Artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, Wabo bevat vervolgens een actualiseringsplicht. Indien uit het onderzoek van artikel 2.30 is gebleken dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet meer toereikend zijn, dan is het bevoegd gezag in bepaalde gevallen verplicht deze ambtshalve aan te passen.’ De rechtbank oordeelt dan ook dat op het college de verplichting tot actualisering van de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit rust.
Nu op het bevoegd gezag een actualisatieplicht rust, dient het bevoegd gezag op grond van artikel 8.99, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) de vergunningvoorschriften te actualiseren als de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu daartoe aanleiding geven. Artikel 8.99 van het Bkl biedt dus geen ruimte om de voorschriften van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit om andere redenen niet te actualiseren of de actualisatie uit te stellen vanwege bijvoorbeeld een nieuw bestemmingsplan of vanwege efficiency. De actualisatieplicht houdt bovendien in dat het bevoegd gezag geen ruimte heeft om de actualisatie uit te stellen als de voorschriften van de omgevingsvergunning niet toereikend zijn. Nu vaststaat dat de vergunningvoorschriften niet meer toereikend zijn, kan het college de actualisatie daarom niet uitstellen. De rechtbank oordeelt daarom dat het college de aanvraag van eiseres ten onrechte heeft afgewezen.

2. Echter, het feit dat geen BBT-conclusies van toepassing zijn, ontslaat het college niet van de verplichting om te bezien of actualisatie noodzakelijk is en als actualisatie noodzakelijk is, ook daadwerkelijk daartoe over te gaan. Artikel 8.99, derde lid, onder a, van het Bkl bepaalt namelijk dat ook sprake is van ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu als er geen BBT-conclusies van toepassing zijn, maar belangrijke veranderingen in de BBT een aanzienlijke beperking van de emissies mogelijk maken. De rechtbank oordeelt dan ook dat het college dit had dienen te beoordelen.

3. Artikel 8.99, derde lid, van het Bkl bevat weliswaar geen concrete termijn voor de actualisatie van de vergunningvoorschriften, maar dit ontslaat het bevoegd gezag er niet van om de voorschriften van de omgevingsvergunning zo snel als redelijkerwijs mogelijk is te wijzigen als uit het actualisatieonderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is. Dit vloeit namelijk voort uit artikel 5.38, eerste lid, van de Ow, waarin is aangegeven dat het college ‘regelmatig’ beziet of de voorschriften van de vergunning nog toereikend zijn. Het college zal gedurende een aanzienlijke periode bezig zijn met vergaren van relevante feiten, omstandigheden en gegevens over de actualisatie vergunningvoorschriften. Daarnaast zal het college hiertoe de nodige onderzoeken moeten (laten) verrichten en adviezen van deskundigen moeten inwinnen. Te denken valt aan onderzoeken over onder andere geluid, trillingen, stof, uitstoot en nieuwe regels en technieken. Het college zal voorts moeten onderzoeken en zich ervan moeten vergewissen dat de verzamelde informatie, onderzoeken en adviezen volledig en juist zijn. Het college moet uiterlijk op 30 december 2026 bezien of de omgevingsvergunningen aan de minimale hoogwaardigheid van verwerking van afzonderlijke afvalstoffen of categorieën afvalstoffen zoals beschreven in het CMP voldoen. Als uit dit onderzoek blijkt dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften moeten worden gewijzigd, zal het college dit ook uiterlijk op 30 december 2026 moeten doen. Eiseres en de NRV en MVM zullen bovendien in de gelegenheid moeten worden gesteld hun zienswijze kenbaar te maken tegen het voorgenomen besluit van het college en het college zal de zienswijzen bij de definitieve besluitvorming moeten betrekken. Daar komt bij dat sprake is van een langlopende en complexe situatie. Dit alles maakt dat het college voldoende tijd moet hebben om tot een zorgvuldig besluit te komen. Alles afwegende acht de rechtbank een termijn van 12 maanden hiertoe redelijk. De rechtbank zal bepalen dat het college binnen die termijn een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen. Op grond van artikel 16.65, eerste lid, onder a, en tweede lid, onder a, van de Ow, in samenhang met artikel 10.24 van het Omgevingsbesluit is op de wijziging van de omgevingsvergunningen de reguliere procedure van toepassing.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 11-09-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2026:6571
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder