Onvoldoende gemotiveerd dat pZZS en Gelijkwaardige zorg-stoffen op basis van het voorzorgsbeginsel gelijk mogen worden gesteld met ZZS.

Casus

Eiseres exploiteert een inrichting waar onder meer weekmakers worden geproduceerd en een inrichting waar oxo-alcoholen worden geproduceerd. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland hebben op verzoek van eiseres voor beide inrichtingen een revisievergunning verleend. Verweerder heeft de aan deze omgevingsvergunningen verbonden voorschriften voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) uit voorzorg mede van toepassing verklaard op potentieel zeer zorgwekkende stoffen (pZZS) en Gelijkwaardige zorg-stoffen. Eiseres betoogt dat hiervoor geen grondslag bestaat.

Rechtsvraag

Is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor het voorzorgsbeginsel?

Uitspraak

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 16 maart 2023 (ECLI:NL:RBDHA:2023:3302) is de rechtbank van oordeel dat niet aan de toepassingsvoorwaarden voor het voorzorgsbeginsel is voldaan. De toepassing van het voorzorgsbeginsel vereist dat eerst een risico-evaluatie wordt gemaakt. Dit betekent dat een wetenschappelijke evaluatie van de mogelijke schadelijke gevolgen van een gebeurtenis moet zijn gemaakt. Die risico-evaluatie ontbreekt in dit geval. Verweerder heeft beleid opgesteld waarin elke stof die het RIVM op de pZZS-lijst plaatst – ongeacht de reden hiervoor – gelijkgesteld wordt met een ZZS. Deze generieke gelijkstelling van pZZS met ZZS ontbeert een evaluatie van de mogelijke schadelijke gevolgen van de verschillende pZZS voor het milieu en/of de volksgezondheid en de ernst, duur en onomkeerbaarheid van eventuele schadelijke gevolgen. Het is naar het oordeel van de rechtbank aan verweerder om door middel van een risico-evaluatie te onderzoeken welke schadelijke gevolgen kunnen optreden door uitstoot van de betrokken stoffen, of het onwenselijk is dat deze stoffen, gelet op het belang van de bescherming van het milieu en/of de volksgezondheid, worden uitgestoten en welke maatregelen bij onwenselijkheid hiervan getroffen moeten worden. Eerst nadat een dergelijk onderzoek is verricht, kan worden besloten of toepassing moet worden gegeven aan het voorzorgsbeginsel. Het voorgaande betekent dat verweerder de stoffen die door het RIVM op de pZZS-lijst zijn geplaatst, ten onrechte reeds om die reden heeft gelijkgesteld met ZZS. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook niet mogen volstaan met een enkele verwijzing naar de stofklasseadviezen van het RIVM om Gelijkwaardige zorg-stoffen op grond van het voorzorgsbeginsel gelijk te stellen met ZZS. Verweerder heeft daarmee niet voldaan aan de voor toepassing van het voorzorgsbeginsel vereiste risico-evaluatie. Uit de stofklasseadviezen blijkt dat de betrokken stoffen in meer of mindere mate zorgwekkende eigenschappen hebben, maar het is vervolgens aan verweerder om aan de hand van een risico-evaluatie nader toe te lichten welk mogelijk gevaar die eigenschappen opleveren voor het milieu en/of de volksgezondheid en in te gaan op de ernst, duur en onomkeerbaarheid van de eventuele schadelijke gevolgen. Zoals volgt uit de Mededeling (van de Commissie over het voorzorgsbeginsel, COM/2000/0001, 2 februari 2000) dient verweerder ook te onderzoeken wat de voordelen en lasten van al dan niet handelen zijn, alvorens maatregelen worden getroffen.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 31-10-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2023:17156
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder