Jurisprudentielijn Bluswaterrechtspraak. Eiseres is geen overtreder op grond van criteria Drijfmest-arrest. Geen risicoaansprakelijkheid.
Casus
Eiseres exploiteert een bedrijf waar kunststof pallets, bakken en boxen worden gereinigd en nieuwe worden verkocht. Op maandag 9 maart 2020 is op de betreffende bedrijfslocatie van eiseres, [adres] te [vestigingsplaats 1] (op bedrijventerrein [naam 5] ), een grote brand ontstaan. Daarbij zijn onder meer kunststof pallets verbrand. Op dinsdag 10 maart 2020 hebben toezichthouders van verweerder verontreiniging aangetroffen in de watergangen grenzend aan en op verdere afstand van het betreffende perceel. Vastgesteld is dat tijdens het blussen van de brand vervuild bluswater en vervuild gesmolten plastic in het omliggende oppervlaktewater terecht is gekomen.
Niet in geschil is dat de verbodsbepaling van artikel 6.2 van de Waterwet, te weten het brengen van stoffen in een oppervlaktewaterlichaam zonder vergunning, is overtreden. Als gevolg van de brand en het blussen van die brand, is vervuild bluswater en vervuild gesmolten plastic in het omliggende oppervlaktewater terechtgekomen.
Eiseres voert aan dat zij, op grond van de nieuwe jurisprudentielijn van de Afdeling over het overtrederbegrip, niet als overtreder kan worden aangemerkt. Eiseres heeft zelf geen vergunningvoorschriften of andere wettelijke voorschriften overtreden. Eiseres kan niet worden verweten dan wel worden toegerekend dat er brand was, deze door de brandweer geblust moest worden en dat door dit blussen verontreiniging in het water terecht zou zijn gekomen. Het blussen van de brand is niet in opdracht van eiseres uitgevoerd en voor de door de brandweer uitgevoerde brandbestrijding is sprake van een rechtvaardigingsgrond.
Verweerder voert aan dat eiseres, ook op grond van de nieuwe jurisprudentielijn van de Afdeling, als overtreder van artikel 6.2 van de Waterwet moet worden aangemerkt. De handelingen van de brandweer (bluswerkzaamheden) worden eiseres toegerekend. Het blussen van de brand hangt samen met het feit dat er zonder vergunning vervuild bluswater en vervuild gesmolten plastic in het omliggende oppervlaktewater terecht is gekomen. De brandweer is niet in dienst van eiseres. Dat neemt niet weg dat het blussen dienstig was aan (want in het belang van) eiseres en op haar bedrijf heeft plaatsgevonden.
Rechtsvraag
Kan eiseres als overtreder worden aangemerkt?
Uitspraak
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet als overtreder van artikel 6.2 van de Waterwet kan worden aangemerkt. Voor dit oordeel is het hierna volgende van belang.
Ingevolge artikel 5:1, tweede lid van de Awb wordt onder ‘overtreder’ verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt, waarbij volgens het derde lid van dit artikel overtredingen ook door rechtspersoon kunnen worden begaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht als overtreder aan te merken. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk heeft begaan, maar aan wie de gedraging is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en derhalve als overtreder worden aangemerkt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat noch de eigenaren noch de werknemers van eiseres de overtreding hebben begaan. De fysieke handelingen die verweerder eiseres toerekent, zijn door de brandweer verricht. Dat roept de vraag op of het handelen van de brandweer aan eiseres kan worden toegerekend. Dat zou het geval zijn indien eisers op de een of andere wijze verantwoordelijk zou kunnen worden gehouden voor het ontstaan van de brand. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Niet in geschil is dat de oorzaak van de brand onbekend is. Geconcludeerd is dat de brand is ontstaan ten gevolge van een calamiteit/ongeluk. Er is niet vast komen staan dat eiseres op enigerlei wijze blaam treft voor het ontstaan van de brand. De rechtbank is daarom van oordeel dat de bluswerkzaamheden door de brandweer niet langs die weg aan eiseres kunnen worden toegerekend.
Op grond van de jurisprudentie van de Afdeling werd in situaties als de onderhavige in het verleden een risico-aansprakelijkheid aangenomen voor degene ten behoeve van wie door de brandweer geblust werd, de zogenoemde ‘bluswaterrechtspraak’. Inmiddels ligt er de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal mr. P.J. Wattel (A-G), die adviseert deze rechtspraak te nuanceren. De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de A-G dat zowel voor de bestuurlijke boete als voor herstelsancties zo veel mogelijk moet worden aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap. Die aansluiting geldt zowel voor natuurlijke personen als voor rechtspersonen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in twee recente uitspraken van de Afdeling. Voor de zogenoemde ‘bluswaterrechtspraak’ betekent dit dat de rechtbank niet langer uitgaat van risicoaansprakelijkheid (risico-overtrederschap), nu daarvoor onvoldoende wettelijke basis bestaat.
De rechtbank zal voor de beoordeling van dit beroep daarom aansluiten bij de strafrechtelijke criteria voor het daderschap van rechtspersonen. Daarbij zijn van belang de criteria die door de Hoge Raad zijn geformuleerd in het Drijfmest-arrest van 21 oktober 2003. In zijn arrest van 26 april 2006 heeft de Hoge Raad hierover overwogen: ‘In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a. het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.’
De rechtbank overweegt allereerst dat in beperkte mate aan sub a is voldaan. Zoals hierboven is geconstateerd is het niet het handelen van de eigenaren of werknemers van eiseres geweest dat heeft geleid tot het lozen van vervuild water en het uitstromen van gesmolten plastic in het oppervlaktewater. Dat roept de vraag op of de brandweer uit andere hoofde werkzaam was ten behoeve van de rechtspersoon. De rechtbank constateert dat er geen contractuele relatie was tussen eiseres en de brandweer en dat eiseres de brandweer ook niet heeft gevraagd om te komen blussen. Op de zitting is met partijen besproken dat het handelen van de brandweer (de bluswerkzaamheden) wel het belang van eiseres kan dienen, bijvoorbeeld door het voorkomen van het uit- of afbranden van het pand, maar dat de brandweer in deze ook het algemeen belang dient door bijvoorbeeld verdere verspreiding van de brand te voorkomen. De rechtbank is van oordeel dat dit echter niet in de weg staat aan de conclusie dat de brandweer in deze ook werkzaam is geweest ten behoeve van de rechtspersoon. Het enkele feit dat het de brandweer niet is gelukt het pand te behouden maakt dit niet anders.
Met eiseres is de rechtbank verder van oordeel dat sub b zich hier niet voordoet. Het blussen past op geen enkele wijze in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon. Eiseres houdt zich bezig met het reinigen en verkopen van (nieuwe) kunststof pallets, bakken en boxen. Vuur speelt daarin geen enkele rol.
Naar het oordeel van de rechtbank doet sub c zich in dit geval ook niet voor. Hoewel het effectief blussen van een brand in zijn algemeenheid wel dienstbaar kan zijn áán een bedrijf doordat in het gunstigste geval wordt voorkomen dat het uitgeoefende bedrijf of de taakuitoefening moet worden beëindigd, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat het blussen als zodanig een rol speelt ín het uitgeoefende bedrijf of ín die taaktuitoefening.
Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat sub d zich niet voordoet. Eiseres kon niet erover beschikken dat de verboden gedraging – het blussen van de brand door de brandweer en daarmee het verontreinigen van het oppervlaktewater – kon plaatsvinden. Het al dan niet aanvaarden van de verboden gedraging is dan niet meer relevant.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er daarom onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan eiseres redelijkerwijs aansprakelijk kan worden gehouden voor de door de brandweer uitgevoerde bluswerkzaamheden en de daardoor ontstane vervuiling van het oppervlaktewater. Er is niet voldaan aan de criteria op grond waarvan geoordeeld kan worden dat, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, de desbetreffende gedraging in de sfeer van de rechtspersoon is verricht en daarom aan die rechtspersoon zou kunnen worden toegerekend. Dit betekent dat deze beroepsgrond van eiseres slaagt.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Noord-Nederland
Datum Uitspraak : 01-12-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RBNNE:2023:5111
Odile Scholte