Vislood. Ontbreken causaliteit en klaarblijkelijk gevaar om preventieve last onder dwangsom op te leggen.
Casus
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft op 20 juni 2022 de Provincie Zeeland verzocht om een preventieve last onder dwangsom (PLOD) op te leggen aan [HSV]. [HSV] organiseert hengelsportwedstrijden en alle sportvissers gebruiken vislood tijdens de wedstrijden. Eiseres wenst met het handhavingsverzoek het overbodige gebruik van lood tegen te gaan en daarmee het verlies van lood in een [natuurgebied] te voorkomen. De provincie heeft het handhavingsverzoek – voor zover dat betrekking heeft op de Waterwet (Wtw) – aan de minister doorgestuurd. Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft de minister het handhavingsverzoek afgewezen.
Eiseres voert aan dat lood een Zeer Zorgwekkende Stof (ZZS) is, waarvan het gebruik en de emissie vermeden dienen te worden en dat het gebruik van vislood niet nodig is. [HSV] en de individuele vissers beschikken niet over een vergunning om lood te mogen lozen in het oppervlaktewater en dienen als overtreders te worden beschouwd. [HSV] stimuleert haar leden niet om te vissen zonder vislood.
Rechtsvraag
Geldt er een vergunningplicht voor het gebruik van vislood? Is er sprake van een overtreding? Wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht?
Uitspraak
Over de kwestie of er in deze zaak regels zijn overtreden, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank in de uitspraak van 4 juli 2023. Daarin is in een vergelijkbare kwestie uitspraak gedaan over een verzoek van eiseres tot handhaving in relatie tot de artikelen 6.1, 6.2, 6.8 en 6.9 van de Wtw. Kort en zakelijk weergegeven, heeft de rechtbank – onder verwijzing naar de definitie van ‘lozen’ uit artikel 6.1 van de Wtw – geoordeeld dat bij het vissen met vislood sprake is van een vergunningplichtige lozing in de zin van artikel 6.2, eerste lid, van de Wtw. De rechtbank verwijst hiervoor naar de toelichting van de wetgever bij het nog in werking te treden Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). In het Bal zijn regels opgenomen over activiteiten in de fysieke leefomgeving. In de toelichting is uitdrukkelijk overwogen dat alleen voor de potentieel minst bezwaarlijke lozingen is gekozen voor de specifieke zorgplicht, terwijl voor het aanwijzen van vergunningplichten is uitgegaan van de systematiek ‘algemene regels, tenzij’. Hierdoor komt een einde aan het gedogen van lozingen die niet vanuit uitstroomvoorzieningen plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld bij het gebruik van vislood het geval is. Aangezien het Bal nog niet in werking is getreden, geldt op dit moment voor het gebruik van vislood een vergunningplicht op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wtw. De in artikel 6.2, eerste lid, van de Wtw opgenomen vergunningplicht heeft betrekking op de sportvissers en zij dienen een vergunning op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wtw aan te vragen. Zij zijn namelijk degenen die stoffen in een oppervlaktewaterlichaam brengen als zij vissen met vislood. De norm uit dit artikel ziet niet op de hengelsportvereniging.
Voor wat betreft artikel 6.8 van de Wtw [zorgplicht] heeft de rechtbank overwogen dat dit artikel zich richt tot diegene die handelingen verricht of nalaat en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen of het nalaten daarvan de bodem of oever van een oppervlaktewater kan worden verontreinigd of aangetast. Diegene is gehouden alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem gevergd kunnen worden om de verontreiniging of aantasting te voorkomen dan wel de gevolgen te beperken en zo veel mogelijk ongedaan te maken. Bovendien is diegene gehouden om de beheerder in kennis te stellen van de verontreiniging of aantasting, alsook welke maatregelen al genomen zijn dan wel diegene nog voornemens is om te nemen. Deze artikelen richten zich wel tot een hengelsportvereniging en ook tot de sportvissers.
Aangezien de rechtbank, in tegenstelling tot de minister, constateert dat er wel sprake is van een overtreding, moet de rechtbank vervolgens beoordelen of de minister in redelijkheid heeft afgezien van het opleggen van een PLOD. Hiervoor is vereist dat er sprake is van een gevaar, door overtreding van een concreet bij of krachtens de wet gesteld voorschrift, dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden als die overtreding in het besluit kan worden omschreven met een mate van duidelijkheid die op grond van rechtszekerheid is vereist. Aan deze voorwaarde is volgens de rechtbank niet voldaan. De rechtbank verwijst naar het door de minister aangehaalde onderzoek van 601 getoetste KRW-lichamen. Uit dit onderzoek volgt dat in slechts drie gevallen niet aan de norm wordt voldaan en dat in zoutwater überhaupt geen overtredingen zijn gemeten. Weliswaar verwijst eiseres in haar bezwaarschrift naar het waterkwaliteitportaal voor chemische analyse voor lood in de Westerschelde, maar de rechtbank kan uit de betreffende gegevens niet afleiden op welke wijze het lood in het viswater terecht is gekomen. Dat kan door vissers, maar het kan ook op een andere wijze. Voor wat betreft het door eiseres aangehaalde onderzoek van Stichting Wageningen Research maakt de rechtbank uit de website van het onderzoeksinstituut op dat dit instituut het realistische risico voor waterdieren van opgelost lood dat vrijkomt uit vislood als ‘nog lastig in te schatten’ betitelt. Er is nagenoeg geen onderzoek gedaan naar bijvoorbeeld de looddichtheid op populaire vislocaties, de mate waarin het vislood aan de sedimentoppervlakte ligt, de verdunningsfactor, de sedimentatiesnelheid van zwevende deeltjes en de invloed van baggeren. Er dient nog nader onderzoek naar deze punten te worden gedaan. Alles overwegende ziet de rechtbank dan ook onvoldoende aanleiding om een zodanig klaarblijkelijk gevaar aan te nemen dat het opleggen van een PLOD gerechtvaardigd is. De minister heeft het preventieve handhavingsverzoek dan ook in redelijkheid afgewezen.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum Uitspraak : 08-12-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RBZWB:2023:8686
Odile Scholte