Het lozen van trifluorazijnzuur is niet impliciet vergund, er is dus sprake van een overtreding.

Casus

Het college van gedeputeerde staten van Zuid Holland heeft aan verzoekster een last onder dwangsom opgelegd vanwege het lozen van met trifluorazijnzuur (TFA) verontreinigd afvalwater. Dit is volgens het college een overtreding van het verbod om zonder omgevingsvergunning een inrichting of de werking daarvan te veranderen. Het RIVM heeft voor TFA een indicatieve drinkwaterrichtwaarde afgeleid van 2.200 ng/l (2,2 µg/l). Uit rapportages van SGS blijkt dat de door verweerder gemeten concentratie in ieder geval meer dan 50 µg/l bedraagt. Verzoekster betoogt dat de lozing van TFA met de omgevingsvergunning van 2 oktober 2021 (de zogenoemde Aquarius‑vergunning) impliciet is vergund.

Rechtsvraag

Is de lozing van TFA impliciet vergund?

Uitspraak

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is het lozen van TFA ook niet impliciet vergund. Uit de Aquarius-vergunning en de daartoe strekkende aanvraag kan niet worden afgeleid dat het indirect lozen van TFA impliciet is aangevraagd en vergund en dat dit (ongelimiteerd) is toegestaan zodra deze stof gedetecteerd wordt. Integendeel, uit voorschrift 1.4.1 van de Aquarius-vergunning blijkt dat voor andere PFAS (andere dan de in voorschrift 1.1.1 genoemde, dus nog onbekende PFAS) een onderzoeksverplichting geldt. Op grond van dit voorschrift dient verzoekster iedere vijf jaar informatie aan verweerder voor te leggen over onder meer het al dan niet bestaan van een methode om de aanwezigheid van andere PFAS aan te tonen en maatregelen om het ontstaan van andere PFAS te voorkomen. Het standpunt dat verzoekster inneemt, staat haaks op de onderzoeksverplichting van voorschrift 1.4.1. Als het indirect lozen van andere PFAS al vergund zou zijn als onderdeel van het productieproces, zou die onderzoeksverplichting immers zinledig zijn.
Uit de aanvraag van de Aquarius-vergunning blijkt dat verzoekster dit destijds ook zelf onderkende:
Voor de PFAS stoffen waarvoor (nog) geen commercieel beschikbare analysemethode is en voor de PFAS stoffen waar wel een analysemethode voor beschikbaar is maar die niet zijn aangetoond in het afvalwater worden geen jaarvrachten en concentraties aangevraagd. Mocht in de toekomst door technische ontwikkelingen mogelijk zijn om deze PFAS stoffen alsnog te analyseren en blijken ze dan voor te komen in het afvalwater, dan zal op dat moment een vergunning aanvraag worden ingediend voor de betreffende PFAS-stof.
Hieruit blijkt dat de aanvraag (en daarmee ook de Aquarius-vergunning) geen betrekking heeft op andere PFAS, zoals TFA, en dat als in de toekomst toch een andere PFAS blijkt voor te komen in het afvalwater voor het indirect lozen daarvan op dat moment een vergunning wordt aangevraagd. Uit de vergunningsystematiek blijkt dus dat ook als het indirect lozen van TFA inherent zou zijn aan de vergunde activiteiten (hetgeen de voorzieningenrechter in deze procedure niet kan vaststellen), die lozing niet moet worden geacht te zijn aangevraagd en vergund. Van het impliciet vergunnen van een indirecte lozing van TFA in de Aquarius-vergunning is daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake.
Gelet op het voorgaande is het indirect lozen van TFA expliciet noch impliciet vergund.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 22-12-2023
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2023:20494
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder