Appellant heeft alleen aanspraak op vergoeding van de dispositieschade die hij heeft geleden doordat hij op grond van het gewekte vertrouwen heeft gehandeld. Misgelopen inkomsten kunnen niet worden aangemerkt als dispositieschade. De gestelde misgelopen inkomsten zou hij zonder het gewekte vertrouwen immers ook niet hebben gehad omdat op grond van het bestemmingsplan woningsplitsing niet is toegestaan.

Casus

Appellant is eigenaar van een woning. Hij heeft deze woning gesplitst in twee appartementen zonder omgevingsvergunning. Volgens het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (het college) heeft appellant door de woning te splitsen in strijd gehandeld met het bestemmingsplan ‘Kerkrade Oost I’ (het bestemmingsplan). Bij besluit van 27 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 9 juli 2018, heeft het college appellant gelast om de woningsplitsing ongedaan te maken en de woning terug te brengen in de oorspronkelijke staat, zijnde één wooneenheid, waarbij de woning niet bouwkundig en/of functioneel gesplitst mag zijn in twee wooneenheden. Als de overtreding niet binnen zes weken wordt beëindigd, verbeurt appellant een dwangsom van € 1.500 per week of een gedeelte van de week dat niet aan de last wordt voldaan, met een maximum van € 9.000.

De rechtbank heeft het beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2018 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen ingesteld, waardoor het oordeel van de rechtbank in rechte vast is komen te staan.

Bij besluit van 27 mei 2019 heeft het college het bezwaar van appellant opnieuw ongegrond verklaard. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een concrete en ondubbelzinnige toezegging. Wat betreft de belangenafweging is de rechtbank volgens het college op de stoel van het bestuur gaan zitten. Het college komt opnieuw tot de conclusie dat het algemeen belang dat gediend is met handhavend optreden zwaarder weegt.

Bij uitspraak van 16 april 2021 heeft de rechtbank het door appellant tegen het besluit van 27 mei 2019 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellant met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank.

Bij besluit van 9 juni 2021 heeft het college ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank opnieuw op het bezwaar van appellant beslist, het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de motivering van het besluit van 27 februari 2018 aangepast. Appellant heeft over dit besluit naar voren gebracht dat het college zijn belang bij nakoming van het gewekte vertrouwen zwaarder had moeten laten wegen, omdat er geen concrete bedreigde belangen van enige betekenis kunnen worden aangewezen die zwaarder wegen.

Rechtsvragen

1. Heeft het college tot de conclusie kunnen komen dat belangen van derden bij handhaving zwaarder wegen dan het belang van appellant bij nakoming van het gewekte vertrouwen?
2. Heeft het college – in het kader van dispositieschade – kunnen volstaan met een bedrag voor verbouwkosten en het terugbrengen van de woning in de oorspronkelijke staat? Of had het college in dit verband ook misgelopen inkomsten moeten vergoeden?

Uitspraak

1. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Zwaarder wegende belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen daaraan in de weg staan.
Het college heeft toegelicht dat het vasthoudt aan het bestemmingsplan, omdat de belangen van derden anders in het geding komen. Volgens het college is de regel in het bestemmingsplan die woningsplitsing verbiedt bewust opgesteld met het doel om het belang dat derden hebben bij een goede leefomgeving, te beschermen. Het splitsen van een woning in meerdere wooneenheden leidt volgens het college tot een grotere ruimtelijke uitstraling op de omgeving en zorgt in zijn algemeenheid vanuit leefbaarheids- en veiligheidsoverwegingen voor meer negatieve gevolgen. Het college heeft aan dit belang daarom een zwaarwegend gewicht toegekend. Daarbij is betrokken dat het in dit geval gaat om een kleine tussenwoning die feitelijk ook niet geschikt is voor woningsplitsing. Hierbij heeft het college gewezen op de ouderdom van de woning en de bouwkundige situatie ter plaatse.
Gelet op deze toelichting is de Afdeling van oordeel dat het college een zwaarder gewicht mocht toekennen aan de handhaving van het bestemmingsplan. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het verbieden van woningsplitsing, vanwege de bescherming van de belangen van derden, in lijn is met bestendig gemeentelijk beleid inzake woningsplitsing waar het college op heeft gewezen.
De Afdeling oordeelt verder dat het college in zijn belangenafweging gewicht mocht toekennen aan het algemeen belang bij een goede woningmarkt die zowel kwalitatief als kwantitatief in balans is. Door het college is onder verwijzing naar verschillende beleidsstukken en aan de hand van concrete cijfers over de woningvoorraad en leegstand in Kerkrade deugdelijk toegelicht dat ten tijde van de besluitvorming voor de gemeente een opgave bestond om de woningvoorraad drastisch terug te dringen. Daarom wil het college geen uitzondering maken voor slechts één woning. De enkele stelling van appellant dat hij regelmatig wordt benaderd door woningzoekenden, biedt geen aanleiding om aan de juistheid van deze opgave of de door het college genoemde cijfers te twijfelen. Uit de beleidsregel en de verschillende woningbouwprojecten waar appellant op heeft gewezen, volgt ook niet dat deze opgave niet bestond. Het college heeft deugdelijk toegelicht dat de beleidsregel alleen van toepassing is op bijzondere gevallen waarbij onder strenge voorwaarden woningsplitsing wordt toegestaan. Ook ten aanzien van de woningbouwprojecten waar appellant op heeft gewezen heeft het college deugdelijk toegelicht dat deze niet vergelijkbaar zijn met de woningsplitsing van appellant, omdat die projecten voorzien in nieuwbouw waarmee wordt ingespeeld op de kwalitatieve woningvoorraad in Kerkrade en de vraag naar dit type woningen.

2. De Afdeling is van oordeel dat het college alle betrokken belangen deugdelijk heeft afgewogen en dat het zich na afweging hiervan op het standpunt mocht stellen dat aan het belang van appellant minder gewicht toekomt. Daarbij heeft het college in aanmerking mogen nemen dat appellant enkel een financieel belang heeft en dat hij een schadevergoeding krijgt van € 5.000 voor de verbouwkosten en voor het terugbrengen van de woning in de oorspronkelijke staat. Appellant heeft de hoogte van dit bedrag niet bestreden.
Ook het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de weigering om een omgevingsvergunning te verlenen en het opleggen van de last onder dwangsom is niet zodanig lang dat dit moet leiden tot een ander oordeel. Appellant heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat er gelijke gevallen bestaan waarin het college het belang van nakoming van het gewekte vertrouwen wel zwaarder heeft laten wegen, zodat ook dit niet tot een ander oordeel leidt.
Het college mocht verder afzien van het toekennen van schadevergoeding voor het mislopen van huurinkomsten. Appellant heeft alleen aanspraak op vergoeding van de dispositieschade die hij heeft geleden doordat hij op grond van het gewekte vertrouwen heeft gehandeld. In dit geval heeft hij naar aanleiding van het gewekte vertrouwen verbouwingskosten gemaakt die hij zonder de toezegging niet zou hebben gemaakt. Misgelopen inkomsten kunnen niet worden aangemerkt als dispositieschade. De gestelde misgelopen inkomsten zou hij zonder het gewekte vertrouwen immers ook niet hebben gehad omdat op grond van het bestemmingsplan woningsplitsing niet is toegestaan. Hij had de woning daarom in de situatie waarin geen toezegging zou zijn gedaan, ook niet kunnen verhuren als twee wooneenheden. De Afdeling merkt nog op dat de last er niet aan in de weg stond om het pand als één wooneenheid te verhuren.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 30-10-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:4384
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder