Van toepassen van immobilisaat als bouwstof is alleen sprake als het overeenkomstig de toepassingsvoorschriften wordt toegepast. Bij toepassing in strijd met de toepassingsvoorschriften is het een afvalstof.
Casus
Verzoekers zijn voornemens om een distributiecentrum te bouwen. In dat kader zijn zij bezig met het aanbrengen van een funderingsconstructie ten behoeve van de aanleg van een bedrijfsvloer en het buitenterrein van het toekomstige distributiecentrum. In het project wordt door verzoekers immobilisaat toegepast. Het college van burgemeester en wethouders van Moerdijk merkt beschadigd en/of niet voldoende vormvast aangebracht immobilisaat aan als afvalstof. Het college heeft aan verzoekers een last onder dwangsom opgelegd, vanwege verschillende overtredingen van de Omgevingswet (Ow) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het college schrijft dat verzoekers herhaling van de geconstateerde overtredingen kunnen voorkomen door onvoldoende vormvast aangebracht immobilisaat en immobilisaat dat door bewerking, beschadiging of anderszins niet langer voldoende samenhangend en verdicht is, direct te verwijderen. Tevens dienen verzoekers ervoor zorg te dragen dat de verwerkingsvoorschriften worden gevolgd.
Rechtsvragen
1. Heeft het college kunnen besluiten dat van het toepassen van een bouwstof (immobilisaat) alleen sprake is wanneer het wordt toegepast met inachtneming van de toepassingsvoorschriften en is uitgehard en dat sprake is van een afvalstof, wanneer de stof in strijd met die toepassingsvoorschriften wordt toegepast?
2. Wordt zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit verricht die in het Bal is aangewezen als vergunningplichtig?
Uitspraak
1. Een ‘immobilisaat’ wordt in het Bal gedefinieerd als: ‘vormgegeven bouwstoffen die het product zijn van een methode van verwerking waarbij de chemische of fysische eigenschappen van een afvalstof worden gewijzigd met het primaire doel daarin aanwezige verontreinigende stoffen vast te leggen’. Uit die definitie volgt dat immobilisaat een bouwstof is.
In het Bal is het op of in de bodem toepassen van bouwstoffen aangewezen als een milieubelastende activiteit. Voor deze milieubelastende activiteit is geen omgevingsvergunning vereist. Dit volgt uit artikel 3.48n van het Bal (richtingaanwijzer). Bij het uitvoeren van deze milieubelastende activiteit moet immers worden voldaan aan de regels uit paragraaf 4.123 van het Bal.
Uit de Nota van Toelichting op het Bal volgt dat zolang wordt voldaan aan de voorschriften voor het toepassen van bouwstoffen uit die paragraaf, het niet relevant is dat bouwstoffen afvalstoffen zijn of daaruit zijn vervaardigd. De regels in deze paragraaf bieden voldoende bescherming tegen eventuele nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Op grond van die regels mogen bouwstoffen, voor zover de bouwstoffen een afvalstof zijn, alleen toegepast worden als sprake is van een nuttige toepassing. Met het oog op het beschermen van het milieu worden alleen bouwstoffen toegepast die voldoen aan de voor bouwstoffen geldende kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 25d, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit. Dit artikel regelt dat alleen bouwstoffen worden toegepast die aan kwaliteitseisen voldoen en dat dit moet worden aangetoond met een milieuverklaring bodemkwaliteit. Die kwaliteitseisen zijn vastgesteld in de Regeling bodemkwaliteit 2022. Uit het door partijen overgelegde ‘[toepassingsvoorschrift product]’ van [producent] leidt de voorzieningenrechter af dat wordt voldaan aan die kwaliteitseisen, wanneer die toepassingsvoorschriften in acht worden genomen. Daarnaast leidt de rechtbank uit de memo ‘omgang met gemorst immobilisaat’ van [adviesbureau] van 23 april 2024 af dat immobilisaat pas voldoet aan die kwaliteitseisen, wanneer het uithardingsproces is voltooid.
Onderdeel van immobilisaat is een afvalstof. Afvalstoffen zijn alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Afvalstoffen kunnen een ‘einde-afvalstatus’ krijgen. Afvalstoffen die een behandeling van recycling of andere nuttige toepassing hebben ondergaan, worden niet langer als afvalstoffen beschouwd, indien (o.a.) de stoffen, mengsels of voorwerpen voldoen aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen.
Gelet op die definities heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs kunnen besluiten dat uitsluitend sprake is van het toepassen van een bouwstof (immobilisaat), wanneer het wordt toegepast met inachtneming van de toepassingsvoorschriften en is uitgehard. Uit de hiervoor genoemde definities leidt de voorzieningenrechter daarnaast af dat het college ook redelijkerwijs heeft kunnen vaststellen dat sprake is van een afvalstof, wanneer de stof in strijd met die toepassingsvoorschriften wordt toegepast.
2. Het is op grond van artikel 5.1, tweede lid, onder b, van de Ow verboden zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, wanneer een activiteit als zodanig staat aangewezen in het Bal. In artikel 3.40b, eerste lid, van het Bal staat het op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen aangewezen als milieubelastende activiteit. Op grond van artikel 3.40c, eerste lid, van het Bal is voor die activiteit een omgevingsvergunning vereist.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college voldoende gemotiveerd dat is vastgesteld dat op het terrein bedrijfsafvalstoffen zonder daarvoor vereiste omgevingsvergunning op de bodem zijn gebracht. De voorzieningenrechter heeft hierboven overwogen dat de toezichthouder op verschillende momenten heeft geconstateerd dat een afvalstof – in de vorm van onsamenhangend immobilisaat – op de bodem van het terrein aanwezig was. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de toezichthouder op zitting aannemelijk gemaakt dat die afvalstof aangemerkt kan worden als bedrijfsafvalstof, omdat het bodemas bevat dat afkomstig is uit een afvalenergiecentrale. Verzoekers stellen ten onrechte dat uit pagina 823 van de toelichting op het Bal blijkt dat pas sprake is van ‘het op of in de bodem brengen van een afvalstof’ als is bedoeld om de stof daar te laten. De pagina uit de toelichting waar verzoekers naar verwijzen ziet niet op deze milieubelastende activiteit, maar op het storten van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen op een stortplaats als bedoeld in artikel 3.84 van het Bal.
Voor deze overtreding is verder niet relevant dat door het college moet worden aangetoond dat de bedrijfsafvalstof zou leiden tot een gevaar voor de bodem en/of het milieu, maar is gelet op de wettelijke bepalingen uitsluitend relevant of een bedrijfsafvalstof op of in de bodem is gebracht.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum Uitspraak : 26-11-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBZWB:2024:8061
Jelle van de Poel