De artikelen 2.7, tiende lid, en 2.8, vierde lid, van het Activiteitenbesluit vormen geen kaderstellend plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Hengelo heeft aan een asfaltcentrale maatwerkvoorschriften opgelegd in verband met de controle op de emissies van een aantal stoffen vanuit het bedrijf. De maatwerkvoorschriften zijn gebaseerd op de artikelen 2.7 en 2.8 van het Activiteitenbesluit. Het bedrijf stelt dat uit de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001) volgt dat voorafgaand aan de vaststelling van de artikelen 2.7, tiende lid, en 2.8, vierde lid, van het Activiteitenbesluit een plan-milieueffectrapportage dan wel een plan-milieueffectrapportage-beoordeling had moeten worden gemaakt. Volgens het bedrijf zijn deze bepalingen onverbindend omdat dit niet is gebeurd.

Rechtsvraag

Zijn de artikelen 2.7, tiende lid en 2.8, vierde lid, van het Activiteitenbesluit onverbindend omdat bij de totstandkoming van deze artikelen de SMB-richtlijn niet in acht is genomen?

Uitspraak

De rechtbank volgt dit betoog niet. Voor toepasselijkheid van de SMB-richtlijn is vereist dat een regeling inhoudelijk het kader vormt voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten als bedoeld in bijlage I of II van richtlijn 2011/92/EU. Dat betekent dat de regeling voldoende gedetailleerde en richtinggevende regels moet bevatten over de inhoud, voorbereiding of uitvoering van projecten.
De artikelen 2.7, tiende lid, en 2.8, vierde lid, van het Activiteitenbesluit voldoen niet aan die maatstaf. Zij bevatten geen inhoudelijke normen over emissies of projectkenmerken, maar bieden het bevoegd gezag ruimte om toezicht te houden en maatwerkvoorschriften te stellen. Zij zien daarmee uitsluitend op de controle van emissies, niet op de emissies zelf. Hierdoor sturen zij niet de aard, omvang of situering van projecten, maar regelen uitsluitend de wijze van controle. Regels die uitsluitend betrekking hebben op toezicht en naleving, zonder dat zij richting geven aan de besluitvorming over concrete projecten, kwalificeren naar het oordeel van de rechtbank niet als kaderstellend in de zin van de SMB-richtlijn.
Hieruit volgt dat de genoemde bepalingen geen kaderstellend plan of programma vormen in de zin van de SMB-richtlijn. Het ontbreken van een plan-mer of plan-mer-beoordeling leidt dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet tot onverbindendheid. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Overijssel
Datum Uitspraak : 13-10-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RBOVE:2025:6026
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder