Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3110: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning realiseren sportschool, geluid, toepassen bepaalde vloertypen, herstelbesluit, niet als voorwaarde verbonden aan de vergunning, richtwaarde, contactgeluid, voorschriften, “fatsoenlijke omgang”, toestellen en apparaten, ventilatieberekening, Bouwbesluit 2012, parkeren, parkeercapaciteit, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, zelf in de zaak voorzien (Rb Noord-Nederland 24/3525)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3186: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning nieuwbouw logistiek centrum, gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt, slopen woningen, kappen bomen, bedrijfshal, maximale bouwhoogte, landschappelijke inapssing, voorwaardelijke verplichting, plantoelichting, andere gebouwen/bestaande industrieterreinen, voorheen geldende plan/geen blijvende rechten ontlenen, stikstof, AERIUS-berekeningen, Instructie gegevensinvoer, heersende verkeersbeeld, cumulatietoets, ruimtelijke ontwikkeling, begrenzing plangebied, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, in stand laten rechtsgevolgen
# ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3168: Awb, Wro; provinciaal inpassingsplan, interne en externe maatregelen, Natura 2000-gebied, vernatting percelen, inrichtingsplan, nut en noodzaak, relativiteitsvereiste, aanwijzingsbesluit, behalen instandhoudingsdoelstellingen, treffen van maatregelen/Duitsland, achteruitgang aanwezige habitattypen, sociaal economische leefbaarheid, compensatie, artikel 6.3 Wnb, beleidsregel, normaal maatschappelijk risico, schadevergoedingsaspect, financieel-economische uitvoerbaarheid, hydrologisch onderzoek, grondwaterstanden, grondwatermodelberekeningen, gevolgen bedrijfsvoering, concreet initiatief, onafhankelijkheid STAB, onderzoeksvragen, vragen locatiebezoek, recreatiepark, alternatieven, gevolgen bouw- en gebruiksmogelijkheden, gebruiksovergangsrecht, landbouweffectrapportage, beweiden, bodemgeschiktheid, beweidingsverliezen, woon- en leefklimaat
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3181: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouw woning, verdergaande vernietiging bob, strijdigheid bpl, goede procesorde, onvoldoende tijd, inhoudelijk reageren op zitting, aanhouden zaak, vertraging zaak, goede rechtspleging, maximale bebouwingsoppervlakte, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde beoordeling rechtbank, bodemonderzoek, ouderdom gegevens en onderzoeken, memorie van toelichting, bodemrapport, nader besluit, geen gronden aangevoerd, beroep van rechtswege/ongegrond (Rb Midden-Nederland 22/4218)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3182: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning wijzigen gebruik, recreatieve appartementen/permanente bewoning, splitsing, VvE, ondersplitsing, omgevingsvergunning herroepen in bezwaar, geen belanghebbende, indiener verzoek/in beginsel belanghebbende, geen toestemming, onteigening, gedoogplicht, aanvraag, geen toestemming, niet als geheel verwezenlijkt, verwezenlijken aangevraagde wijziging, wijzigingen splitsingsakte (Rb Noord-Holland 22/393)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3178: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, dakopbouw op bestaande garage met carport, maximale goothoogte, hele vergunning vernietigen/alle activiteiten, afwijkend gebruik, carport/al dan niet bestaand, bouwtekeningen, uitzicht, waardevermindering, inbreuk eigendomsrecht, welstand, positieve welstandsadvies, geen concrete aanknopingspunten, geen deskundig tegenadvies, omgevingsdialoog, wettelijke regels/procedure behandeling rechtbank (Rb Zeeland-West-Brabant 23/1919)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3163: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, uitbreiding woning, bevoegdheid verlening omgevingsvergunning, onderdeel 1 kruimelgevallenregeling, beleidsruimte, beleidsnota, stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, beslissen op de aanvraag, wateroverlast, schaduw, privacy, waardedaling, welstand, welstandsadvies, geen tegenadvies, weigering handhavend optreden, overtreding, controlerapport toezichthouder, vloerpeil, waterpasstaat, peil, ten tijde bob/onbevoegd om handhavend op te treden, geen overtreding, ambtshalve beoordeling, bevoegdheid beslissen op bezwaar, wijzigingen van ondergeschikte aard, hoger beroep ingesteld, artikel 6:19 Awb, artikel 6:24 Awb, doorzenden bezwaarschrift, niet langer bevoegd, beroep van rechtswege, hetzelfde recht, Wabo van toepassing, Omgevingswet, judiciële lus (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3681 en 22/5416)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3188: Awb, Wro; bpl, nieuw gemeentehuis met parkeergelegenheid, aanleg nieuw natuurgebied, participatie, nut en noodzaak, businesscase, thuiswerken, alternatieve locaties, onderbouwing locatiekeuze, natuur en weidevogels, quick scan, situering gemeentehuis, bebouwingsmogelijkheden, verkeer, ontsluiting, verkeerstechnische aspecten, uitvoeringsaspecten, uitvoerbaarheid, aanvaardbare verkeerssituatie en verkeersafwikkeling, verkeersonderzoeken, parkeren, koplampen, inpassingsplan, boerderijen/uitbreidingsmogelijkheden, overlast, reflectie geluid, verlichting, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3193: Awb, Wro; bpl, groevegebied, winning zand en grind, recreatiepark, recreatieplas, horeca en welnessgebouw, zonneweide, zonnepanelen, parkeerplaats, ontvankelijkheid, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, Varkens in Nood, zienswijze, schijn van partijdigheid, draagvlak, ladder voor duurzame verstedelijking, behoefte, relativiteitsvereiste, groter ruimtebeslag, ladderonderbouwing, in stand laten rechtsgevolgen, Natura 2000, stikstof, soortenbescherming, kwaliteit grondwater, relativiteitsvereiste, hydrologische effecten, voorzorgsbeginsel, grondwaterstand, geohydrologisch rapport, uitloging, sanering verontreinigde locaties, eigen regelgeving, uitvoerbaarheid, verkeer, CROW-publicatie, aantal verkeersbewegingen, financiële uitvoerbaarheid, anterieure overeenkomst, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3171: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning, gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt, woningbouw, ondersteunend commercieel en maatschappelijk programma, herstelbesluit, stedenbouwkundige inpasbaarheid, beleidsruimte, bouwhoogtes, bestemmingsomschrijvingen, loopbrug, horecaterrassen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, rechtszekerheid plan, VNG-richtafstanden, duidelijkheid planregels, verkeer, verkeerssimulatie, verkeersmodel, verkeersstudie, kruispuntensimulatie, fietsparkeerbehoefte, fietsparkeerbewegingen, parkeren, vraagsturend parkeerbeleid, CROW-kentallen, lagere parkeernormering, parkeeroverlast, factoren, parkeergarage, NEN 2443, maatvoering parkeerplaatsen, parkeerdruk, monitoring, bezoekers woningen, bezoekers en werknemers van commerciële functies, binnenruimte, deelautoparkeerplaatsen, maatregelen en voorzieningen, privacy, windhinder, NEN 8100, kwaliteitsklasse, financieel-economische uitvoerbaarheid, milieueffectbeoordeling, voorschrift voorwaardelijke verplichting parkeren, zelf in de zaak voorzien
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3197: Awb, Wro; afwijzing verzoek om herziening bpl, detailhandelsbeleid, brancheverruiming, nieuwvestiging, detailhandelshoofdstructuur, Dienstenrichtlijn, beperking volumineuze goederen, detailhandel in meubels, dienst in de zin van de Dienstenrichtlijn, regeling/eis, noodzakelijkheid, dwingende reden van algemeen belang, stedelijk milieu, evenredigheid, betwisting evenredigheid, geschikt, noodzakelijk, evenwichtig
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3162: Awb, Wabo; handhaving, invordering, verbeurde dwangsommen, naleving lasten, opslag flessen, buien opslagvoorziening, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, staken en gestaakt houden vullen gasflessen, apparatuur, controlerapport, apparatuur afgekoppeld, (Rb Rotterdam 23/5240)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3172: Awb, Wro, Wgh; bpl, woningbouw, collectief particulier opdrachtgeverschapaanleg, nieuw hoofdveld (sportpark), besluit hogere waarden, Chw, kennisgeving Gemeenteblad, beroepsgronden in beroepschrift, niet-ontvankelijk, artikel 1.6a Chw, noodzaak sportpark, ladder voor duurzame verstedelijking, laddertoets, omvang bebouwing, bouwvlak, bouwhoogte, normering KNVB, landschappelijk inrichtingsplan, aantal parkeerplaatsen, beschermd dorpsgezicht, provinciale verordening, NNB, externe werking, groenbeleid, soortenbescherming, quickscan, aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, Besluit kwaliteit leefomgeving, uitvoerbaarheidstoets, activiteitenplan, geluid, akoestisch onderzoek, cumulatie, normering Activiteitenbesluit, voorwaardelijke verplichting, lichthinder, erfafscheiding/geluidwering, bedrijfssituatie, functioneel onderdeel sportpark, onderdeel inrichting, ontsluiting, stikstofonderzoek, koude start voertuigen, AERIUS Calculator, niet cijfermatig onderbouwd, landschapsinvesteringsregeling, aard gebreken, geen tussenuitspraak, zelf in de zaak voorzien/niet mogelijk, onlosmakelijk samenhang plandelen
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3189: Awb, Wro; bpl, woningbouw, woon- en leefklimaat, provinciale verordening, ruimte-voor-ruimte woningen, ontwikkelingsrichting gebied, goede omgevingskwaliteit, ruimte-voor-ruimte certificaten, gemeentelijk ruimte-voor-ruimte beleid, voorwaardelijke verplichting, planregels, stedenbouwkundige- en landschappelijke karakteristiek, beeldkwaliteitsplan, structuurvisie, geldend bpl/geen blijven rechten, ruimtelijke kwaliteit, belangenafweging, uitzicht, maximale bouwhoogte, afstand, behandeling zienswijzen
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3174: Awb, Wro; bpl, doorfietsroute, deelgebied, fietsbrug, gemotoriseerd verkeer, exploitanten horecagelegenheid, bereikbaarheid, wegcapaciteit, mobiliteitstoets, doorstroming verkeer, HOV, busverkeerbewegingen, analyse reistijden, nadelige gevolgen, tegemoetkomingen, redelijke alternatieven, parkeervoorzieningen, parkeerbehoefte, uitvoerbaarheid, onderhandelingen, wegbestemmen bouwwerk, tweede maal overgangsrecht, bestuurlijke lus, tussenuitspraak
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3185: Awb, Ow; omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, verwijderen ooievaarspaal, wegnemen nest, aanleg padelbanen, voorschrift, bezwaren niet-ontvankelijk, belanghebbende, afstand, goede procesorde, beoordelingskader, Besluit activiteiten leefomgeving, rechtspraak Wnb, voortzetten onder de Ow, natuurlijke persoon, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, ruimtelijke uitstraling, project, aangrenzend perceel, geen meervoudige aanvraag, toepassing artikel 8:86 Awb (Rb Gelderland 25/158 en 25/159)
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3195: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, gemotoriseerd verkeer, ontsluiting, omweg, rapport Veilig Verkeer Nederland, verkeersveiligheid, rechtszekerheid, wensen bewoners, draagvlak, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, gelijkheidsbeginsel (Rb Gelderland 24/289)
ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3180: Awb, Ow; wijzigingsbesluit omgevingsplan, exploitatieplan/tijdelijk deel omgevingsplan, intrekking exploitatieplan, belangen eigenaren bewoners gebouwde of nog te bouwen woningen, zonder voldoende recreatief groen, zonder speelvoorzieningen, belanghebbende, geen zienswijze, artikel 6:13 Awb, Varkens in noord, Ow/omgevingsrechtelijke zaak, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, statuten, grondexploitatieovereenkomst, feitelijke werkzaamheden, relativiteitsvereiste, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, participatieverordening, kostenverhaal/anderszins verzekerd, weigeringsgrond verlening omgevingsvergunning, basis handhavingsverzoek, privaatrechtelijke afspraken, prioritaire weg, (nog niet) alle functies gerealiseerd
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3180: Awb, Wm, Gmw; toepassen spoedeisende bestuursdwang, op schrift stellen, gemeentelijke afvalstoffenverordening, Uitvoeringsbesluit aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, verwijderen kartonnen doos, ondergrondse afvalcontainer, bewijsvermoeden, adreslabel/naam en adresgegevens, logerende huisgenoot, toerekening, zorgvuldigheid bezwaarprocedure, termijn van orde, hoorplicht, persoonlijke financiële situatie
* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3164: Awb, Wm, Gmw; aanwijzing locatie plaatsen ondergrondse inzamelcontainers, hoogbouwcomplexen, PMD, GFT, procedure, inzamelvoorzieningen in de buurt, geschiktheid locatie, verkeersveiligheid, veiligheid spelende kinderen, alternatieve locatie, bestuurlijke lus, tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 1 juni 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6293: Awb, Wabo, Wnb; weigering omgevingsvergunning bouwen, 3 windturbines, weigering verklaring geen bedenkingen provincie, gebruik gronden in strijd met bpl, verkeersveiligheid, hoge rijtaakbelasting, geen natuurtoestemming, vleermuis, uitvoerbaarheid, belangenafweging
Rechtbank Midden-Nederland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2928: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, recyclebedrijf, brandblussers, PFAS, IPPC-installaties, open loodsdeur, regels uit het Bal i.p.v. vergunning, geen overtreding geconstateerd
Rechtbank Noord-Nederland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2142: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning splitsen gebouwen, 21 appartementen, bopa, aandacht voor flora en fauna, beschermde diersoorten, participatie, woningtoename, aantasting wijk, afspraken verkeersreductie, strijdigheid met gemeentelijk beleid,
ABRvS 28 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3076: Awb, Ow; vovo, niet voldaan aan mobiliteitsplan bij omgevingsvergunning, parkeren, deelmobiliteit, belangenafweging (Rb Oost-Brabant 25/1659 en 25/2058)
* Rechtbank Noord-Holland 28 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5954: Awb, Wabo, Gmw; omgevingsvergunning kap bomen, verordening fysieke leefomgeving, verbouwing museum, wisselexpositieruimte, advies, natuur- en milieuwaarden, ecosysteem, voorschriften, herplantplicht, vogels of vleermuizen, uitzicht, beeldbepalende waarde, moment kap
* Rechtbank Gelderland 28 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4258: Awb; vovo, opvang asielzoekers, uitspraak zonder zitting, kennelijk onbevoegd, strijd tijdelijk omgevingsplan, omgevingsvergunning bopa nodig, (nog) geen besluit, kennisgeving Gemeenteblad, niet op rechtsgevolg gericht, geen besluit, rechtsbescherming, burgerlijke rechter
Rechtbank Gelderland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4200: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning (technische) bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit, bopa, verbouwen bestaande woning met bedrijfsruimte/woningen, spoedeisend belang, onverwijlde spoed, inpandig, grote werkzaamheden/hoge kosten, geen aannemer, hoorzitting, beslissing op bezwaar, geen onomkeerbare werkzaamheden, afwachten bob, overlast, schade, afwijzen verzoek
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4647: Awb, Ow; handhaving, gebruik panden als pension/b&b, strijd met omgevingsplan, controlerapport, gebruik, evenredigheid, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Noord-Nederland 27 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1980: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, woning, bopa, inschakelen deskundige tegenadvies, hoorzitting voor einde bezwaartermijn, publicatie, geldigheid bodemonderzoeken, beeldkwaliteitsplan, aantal bouwlagen, bouwhoogte, welstand, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4645: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bestuursdwang, asbest, melding, asbestinventarisatierapport, Besluit bouwwerken leefomgeving, slopen, definitie Ow, Van Dale, demonteren, redelijke inschatting, Asbestverwijderingsbesluit 2005, ouderdom, objectieve en verifieerbare bewijsstukken, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, hoogte dwangsom
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4644: Awb, Wabo, Woningwet; handhaving, dwangsom, verbouwen en gebruik woning, logiesgebouw, artikel 6:13 Awb, herstelsanctie, omgevingsvergunning van rechtswege, aanvraagformulier, brandveilig gebruik, Besluit omgevingsrecht, Bouwbesluit 2012, brandveiligheidseisen, brandmeldinstallatie, objectieve en verifieerbare bewijsstukken, beginselplicht tot handhaving, verloop van jaren, vertrouwensbeginsel, verzoek intrekken primaire besluit/afgewezen, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4621: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bopa, tandartspraktijk, ontvankelijkheid beroep, belanghebbende, Wabo, aangrenzend perceel, bevoegdheid tot verlenen vergunning, adviesrecht raad, aanwijzingsbesluit, vergunde/aanvraagformulier, omgevingsplan, een aan huis verbonden bedrijf, parkeren, omvang tandartsenpraktijk, in- en uitrit, APV, verkeersveiligheid, doelmatig gebruik weg, aanleggen, geen vergunning, tijdelijk deel omgevingsplan, relativiteitsvereiste, welstand, schade, bestuurlijke lus/niet geschikt
Rechtbank Noord-Holland 26 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5957: Awb, Ow; omgevingsvergunning technische bouwactiviteit en bopa, twee gebouwen verbonden met (parkeer)bruggen, appartementen, commerciële ruimten, aangewezen gevallen, aanwijzingsbesluit, bestemmingsplan, juridisch bindend voorschrift, rechtstreeks werkende regels, adviesrecht, beeldkwaliteitsplan, ten onrechte geen advies, niet tot beslissen op aanvraag, herstellen gebrek, tussenuitspraak
Rechtbank Gelderland 26 mei 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:4149: Awb, Ow; vovo, handhaving, last onder dwangsom, asbest, schuur, inventarisatierapport onvoldoende, sanering, situatie veiliggesteld, geen spoedeisend belang
Rechtbank Noord-Holland 26 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5595: Awb, Ow; handhaving, last onder dwangsom, bouwactiviteiten zonder omgevingsvergunning, strijd met omgevingsplan, tiny house, bouwwerken, feitenonderzoek, bouwstop, evenwichtigheid, voorkeursrecht, hoogte dwangsom
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4624: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, mantelzorgwoning, privacy, verwijdering groenvoorzieningen, maatregel, privacy-doek, geen spoedeisend belang
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4609: Awb, Wvw 1994; weigering ontheffing nul-emissiezone, verkeersbesluit, nul-emissiezone gemeente, verkeersbord, RVV 1990, beleidsregels, bijzondere omstandigheden, actieradius, aanschafkosten elektrisch voertuig, artikel 4:84 Awb, evenredigheid, verdisconteerde omstandigheden, bedrijfsvoering, vergelijkbare ondernemers
Rechtbank Overijssel 26 mei 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2901: Awb, Ow; handhavings, last onder bestuursdwang, aarden wallen, vijvers, verharding zonder vergunningen, bevoegdheid tot handhavend optreden, evenredigheid, begunstigingstermijn
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4350: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, woningbouw, tijdelijk deel omgevingsplan, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omvang van het geding, participatie, Besluit kwaliteit leefomgeving, zicht, schaduwwerking, parkeerbehoefte, bestaand tekort, segment, binnenplanse afwijking, rechtsgevolgen in stand laten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4319: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen, optoppen met 2 bouwlagen, verbouwen appartementen, bopa, gestapeld wonen, bestaande kapvorm, aantal bouwlagen, bouwhoogte, etfal, buitenruimte, privacy, zoninval, bestuurlijke lus, tussenuitspraak
Rechtbank Oost-Brabant 18 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3296: Awb, Ow; omgevingsvergunning herinrichting plein, verplaatsing historische waterpomp, waterput, cultuurhistorische en archeologische waarden, bereikbaarheid winkel
Rechtbank Oost-Brabant 18 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3295: Awb, Ow; omgevingsvergunning gebruik bedrijfswoning als woning, geen functionele binding, bloemenbedrijf, spuitzones, geluid, ten onrechte toetsing aan VNG-brochure, geluidwering gevel, ETFAL, plattelandswoning, overschrijding nachtperiode, Omgevingsverordening
* Rechtbank Den Haag 15 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12170: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, wijzigen parkeeroplossing, grondslag eerdere vergunning, bouwplan niet gewijzigd
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4132: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen, uitbreiding bestaand gebouw, oprichting woning op verdieping, bopa, etfal, bouwhoogte buitentrap, bebouwingspercentage, parkeren
Rechtbank Noord-Holland 13 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5909: Awb, Ow; handhaving, last onder dwangsom, niet-recreatieve bewoning recreatieverblijf, overtrederschap, evenredigheid hoogte dwangsommen, evenredigheid handhaving
* Rechtbank Noord-Holland 13 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6046: Awb, Wabo; handhaving, invordering, omgevingsvergunning/verbouw naar koopappartementen, huisvesting arbeidsmigranten, bijzondere omstandigheden, zwaarwegend gewicht/belang invordering, gezinsverband, professionele verhuurder, overleggen identiteitsbewijzen, uitkomsten controles/op de hoogte stellen, hoogte dwangsom, beroepsgronden over lod/uitzonderlijke gevallen, evident gebrek, berekening inkomsten, geen geringe aard en ernst
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3098: BW; kort geding, schorsing executie en dwangsommen, geluidoverlast warmtepomp, geluidmetingen, loonbeslag, meetmethode
* Rechtbank Midden-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2328: Awb; vovo, niet-ontvankelijk verklaring bezwaar, aanpassing speeltuin, verzoek kennelijk ongegrond, geen onomkeerbare gevolgen
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4331: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bouwen, uitbreiding woning twee bouwlagen, bouwplan niet splitsbaar, strijd met omgevingsplan
* Rechtbank Noord-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2083: Awb, TwG; schadeverzoek mijnbouwactiviteiten, immateriële schade, woonplaats buiten aardbevingsgebied na 2012, gebruik standaardmethode, geen causaal verband
* Rechtbank Noord-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2106: Awb, TwG; schadevergoeding mijnbouwactiviteiten, hoogte bedrag, immateriële schade, standaardregeling, geen maatwerk, gelijkheidsbeginsel
* Rechtbank Midden-Nederland 11 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2329: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, woningbouw, Chw, artikel 6:19 Awb, wijzigingsbesluit, participatie, ongelijk speelveld, verkeersveiligheid, ontsluiting, woon- en leefklimaat, stedelijke omgeving, geluidoverlast, bouwverkeer, reguliere bouwwerkzaamheden, privacy, lichtoverlast, beplantingsplan/voorschrift
Rechtbank Noord-Holland 8 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6083: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, woningbouw, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, rechtspersoon, doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, afwijking omgevingsplan, flora en fauna, bouwactiviteit, exploitatieplan, Besluit kwaliteit leefomgeving, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beoordelings- en beleidsruimte, welstand, beeldkwaliteitsplan, onafhankelijkheid bezwaarschriftencommissie
Rechtbank Midden-Nederland 8 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2327: Awb, Ow; omgevingsvergunning gebruik in strijd met omgevingsplan, short stay, geslaagd beroep vertrouwensbeginsel, belangenafweging, ETFAL, precedentwerking
* Rechtbank Noord-Holland 8 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:6079: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, woningbouw, dwangsombeschikking, toepasselijke recht, Chw, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, doelstellingen, feitelijke werkzaamheden, afstand, tussenliggende bebouwing, advies bezwaarschriftencommissie, regels exploitatieplan, ontwikkelgebied, groenvoorzieningen, bpl, gebruiksregel, welstand, beeldkwaliteitsplan
Rechtbank Midden-Nederland 7 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2330: Awb, Ow; beheerplan, niet toevoegen beschrijving activiteiten perceelsontwatering, vergunningplicht Natura 2000-activitiet, effectafstand drainage, meest actuele wetenschappelijke kennis, rechtbank onbevoegd, bijlage 2 Awb, uitgesloten van beroep
Rechtbank Midden-Nederland 7 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2325: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen, bouwlaag, dakkapellen, maximale goothoogte, hellingshoek kap, gebonden beschikking
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3799: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen varkenshouderij, wijziging dierbezetting, verbouwen bouwwerk, afwijken bpl, verklaring van geen bedenkingen, goede ruimtelijke ordening, afname ammoniakemissie, mer-beoordeling, intern salderen, passende beoordeling, additionaliteitsvereiste, geur, gezondheid, GGD-advies, BBT
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3796: Awb, Wegenwet; onttrekking weg aan openbaarheid, vrachtwagenparkeerterrein, bestemmingsplan, weren vrachtverkeer, knip, beleidsruimte, evenredigheid, bereikbaarheid, belangenafweging, vrachtautocombinaties, parkeeronderzoeken, parkeerbehoefte, belangen omliggende bedrijven, geschikt middel, individueel bedrijfsniveau, tussenuitspraak
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3643: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, distributiecentra, uitleg bpl, planregels letterlijk uitleggen, rechtszekerheid, regels duidelijk, geen ruimte voor interpretatie, afwijkingsbevoegdheid, stikstofdepositie, ecologie
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3651: Awb; verzoek om vergoeding proceskosten, geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen aan verzoeker, handhavingsverzoek, afwijken verleende omgevingsvergunning, gewijzigde vergunning verleend, overtredingen gelegaliseerd, geen gewijzigde bob handhavingsverzoek, afwijzing verzoek, kennelijk ongegrond
Rechtbank Rotterdam 1 mei 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:6234: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning bouwen, funderingsherstel, niet gezamenlijk opgepakt, paaldraagvermogen, schade aan omliggende panden, Besluit bouwwerken leefomgeving
Rechtbank Midden-Nederland 28 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2122: Awb, Ow; omgevingsvergunning uitbreiding horecafunctie, bopa, etfal, procesbelang, tegengaan leegstand, toevoeging ontmoetingsplekken, parkeren, trillinghinder, geluid, laden en lossen
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3477: Awb, Woo; gedeeltelijke openbaarmaking informatie, ILT, TGG, TAG, staalslakken, heroverweging in bezwaar, beperkt tot deel documenten, naam gerechtelijk deskundige, civiele zaak, milieu-informatie, rechtspositie Staat, Verdrag van Aarhus, zwaardere motiveringsplicht, herstelmogelijkheid, tussenuitspraak
Rechtbank Overijssel 21 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2935: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwen, omgevingsplanactiviteit, 5 appartementen, 2 gebouwen, bpl niet onherroepelijk, archeologische waarde, situering, breedte toegangspad
Rechtbank Noord-Holland 20 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5981: Awb, Ow; vovo, gedeeltelijke afwijzing handhavingsverzoek, autobedrijf, lichthinder, bedrijfslampen, lichtmeting, meetpunt, verticale verlichtingssterkte, Besluit activiteiten leefomgeving, lichtbron, zorgplicht, spoedeisend belang, gezondheidsschade, nacht- en slaapritme, medische stukken, eigen maatregelen, slaapmasker, verduisterende gordijnen, ultimum remedium, inhoudelijke discussie, bezwaarprocedure, hoorzitting, afwijzing verzoek
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:3491: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, termijnoverschrijding, omgevingsvergunning, informatie Kennis- en Exploitatiecentrum Officiële Overheidspublicaties (KOOP), www.officiëlebekendmakingen.nl, verstoring verzending attenderingsberichten, informeren status besluitvorming, rechtszekerheid, vergunninghouder
* Rechtbank Den Haag 15 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10526: BW; kort geding, vordering gebod tot intrekking bezwaar tegen omgevingsvergunning, misbruik van recht, evident kansloos bezwaar
* Rechtbank Noord-Nederland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2120: Awb, TwG; niet tijdig beslissen, aanvraag duurzaam herstel, mijnbouwschade, dwangsom, tweede procedure
Rechtbank Noord-Nederland 15 januari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:2018: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, schuur, uitbreiding handhavingsverzoek, sprake van een overtreding, onderdelen in afwijking van vergunning, belang gereedmelding

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3163: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, uitbreiding woning, bevoegdheid verlening omgevingsvergunning, onderdeel 1 kruimelgevallenregeling, beleidsruimte, beleidsnota, stedenbouwkundige aanvaardbaarheid, beslissen op de aanvraag, wateroverlast, schaduw, privacy, waardedaling, welstand, welstandsadvies, geen tegenadvies, weigering handhavend optreden, overtreding, controlerapport toezichthouder, vloerpeil, waterpasstaat, peil, ten tijde bob/onbevoegd om handhavend op te treden, geen overtreding, ambtshalve beoordeling, bevoegdheid beslissen op bezwaar, wijzigingen van ondergeschikte aard, hoger beroep ingesteld, artikel 6:19 Awb, artikel 6:24 Awb, doorzenden bezwaarschrift, niet langer bevoegd, beroep van rechtswege, hetzelfde recht, Wabo van toepassing, Omgevingswet, judiciële lus (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3681 en 22/5416)
15. De Afdeling ziet ambtshalve aanleiding te beoordelen of het college bevoegd was om te beslissen op het bezwaar tegen de op 11 april 2024 verleende omgevingsvergunning. [partij] beoogde met de aanvraag van 5 april 2024 alsnog omgevingsvergunning te verkrijgen voor enkele wijzigingen van het bouwplan waarvoor het college bij het besluit van 7 juni 2022, naar aanleiding van zijn aanvraag van 13 april 2022, omgevingsvergunning heeft verleend. Het college is ervan uitgegaan dat het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard. De Afdeling deelt dat oordeel. De aard, omvang en ruimtelijke uitstraling van de woning zijn met de wijzigingen, waaronder de 10 cm hogere aanbouw, niet ingrijpend gewijzigd. Dat [partij] voor de wijziging een nieuwe aanvraag heeft gedaan, doet er niet aan af dat voor een wijziging van ondergeschikte aard, volgens vaste rechtspraak, geen nieuwe aanvraag hoeft te worden ingediend (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2479, onder 4).
15.1. Ten tijde van het besluit van 11 april 2024 op de aanvraag van 5 april 2024 voor de ondergeschikte wijziging van het bouwplan, had [appellant A] al hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 oktober 2023 over de in bezwaar gehandhaafde omgevingsvergunning. Indien hangende een bezwaar- of (hoger)beroepsprocedure over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo, omgevingsvergunning wordt verleend voor een wijziging van ondergeschikte aard van het betrokken bouwplan, is op dat wijzigingsbesluit artikel 6:19 van de Awb van toepassing. Dit artikel is op grond van artikel 6:24 van die wet van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. Het hoger beroep van [appellant A] tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 oktober 2023 heeft dan ook van rechtswege mede betrekking op het besluit van 11 april 2024 tot wijziging van de omgevingsvergunning. Het college had het bezwaarschrift van [appellant A] tegen het besluit van 11 april 2024 dan ook op grond van artikel 6:19, vierde lid, van de Awb door moeten zenden aan de Afdeling ter behandeling als beroepschrift. Het college was, gelet hierop, niet langer bevoegd te beslissen op het bezwaar tegen dat besluit van 11 april 2024. Het college heeft het besluit van 6 augustus 2024 dan ook ten rechte genomen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
17.1. Met het besluit van 11 april 2024 is niet een geheel nieuwe omgevingsvergunning verleend, die naast het besluit van 7 juni 2022 bestaat. Het besluit van 11 april 2024 houdt een wijziging in van de bij besluit van 7 juni 2022 verleende omgevingsvergunning voor de verbouwing van de woning (vgl. de uitspraak van 6 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1866, onder 3.3). Dit is uitdrukkelijk vermeld in het besluit van 11 april 2024 en dit sluit ook aan bij de daaraan ten grondslag liggende aanvraag van 5 april 2024, waarin staat dat het gaat om enkele kleine wijzigingen van de reeds verleende vergunning. Het gevolg van deze wijziging van het besluit van 7 juni 2022 is dat aan [partij] uitsluitend een omgevingsvergunning heeft voor de verbouwing van de woning in de gewijzigde uitvoering. Omdat de aanvraag van 5 april 2024 samenhangt met de aanvraag van 13 april 2022, dient naar het oordeel van de Afdeling op de besluiten hetzelfde recht van toepassing te zijn. Op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 van toepassing op een voor die datum ingediende aanvraag tot het besluit onherroepelijk wordt. De Afdeling overweegt daarom dat als vóór 1 januari 2024 voor een bouwplan een aanvraag gedaan om een omgevingsvergunning en het college heeft daarop nog niet onherroepelijk beslist, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024 ook van toepassing is op een besluit over de ondergeschikte wijziging totdat dat besluit over die ondergeschikte wijziging onherroepelijk wordt. Dit betekent dat in dit geval de Wabo ook van toepassing is en blijft op het verzoek de verleende omgevingsvergunning op ondergeschikte onderdelen te wijzigen (de aanvraag van 5 april 2024) totdat dat besluit onherroepelijk wordt. Het college heeft ten onrechte de Omgevingswet daarop van toepassing geacht.

* ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3171: Awb, Wro, Wabo; bpl, omgevingsvergunning, gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt, woningbouw, ondersteunend commercieel en maatschappelijk programma, herstelbesluit, stedenbouwkundige inpasbaarheid, beleidsruimte, bouwhoogtes, bestemmingsomschrijvingen, loopbrug, horecaterrassen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, rechtszekerheid plan, VNG-richtafstanden, duidelijkheid planregels, verkeer, verkeerssimulatie, verkeersmodel, verkeersstudie, kruispuntensimulatie, fietsparkeerbehoefte, fietsparkeerbewegingen, parkeren, vraagsturend parkeerbeleid, CROW-kentallen, lagere parkeernormering, parkeeroverlast, factoren, parkeergarage, NEN 2443, maatvoering parkeerplaatsen, parkeerdruk, monitoring, bezoekers woningen, bezoekers en werknemers van commerciële functies, binnenruimte, deelautoparkeerplaatsen, maatregelen en voorzieningen, privacy, windhinder, NEN 8100, kwaliteitsklasse, financieel-economische uitvoerbaarheid, milieueffectbeoordeling, voorschrift voorwaardelijke verplichting parkeren, zelf in de zaak voorzien
21.2. De Afdeling overweegt dat een vraagsturend parkeerbeleid wordt gehanteerd. Uitgangspunt bij vraagsturend parkeerbeleid is dat niet (geheel) wordt voorzien in de parkeerbehoefte volgens de CROW-kentallen, die een nieuwe ontwikkeling genereert. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de toepassing van een parkeernorm die aanzienlijk lager is dan de CROW-kentallen, in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader moet het betrokken bestuursorgaan zich ervan vergewissen dat de te hanteren lagere parkeernormering geen onaanvaardbare parkeeroverlast in de directe omgeving van het betrokken plangebied tot gevolg heeft. Daarbij moet worden gemotiveerd welk belang gediend is met het vraagsturend parkeerbeleid en welke factoren maken dat een goede ruimtelijke ordening is gegarandeerd, ondanks dat een parkeernorm van 0 voor bewoners wordt gehanteerd.
22.3. Op de zitting is toegelicht dat het college met het besluit van 13 juli 2021 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb, om af te wijken van de vereisten van artikel 8 van de parkeerbeleidsregels. Daarmee is een beperking van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan weggenomen en was het voor de raad bij zijn besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan niet nodig om hier nader bij stil te staan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit ten onrechte heeft gedaan. De Afdeling kan het standpunt volgen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om van artikel 8 van de parkeerbeleidsregels af te wijken. Daartoe overweegt de Afdeling dat een deel van de parkeerplaatsen op slechts een paar cm na niet voldoen aan de NEN 2443. Het gaat om zeer klein afwijkingen en toepassing van de beleidsregel zou ertoe leiden dat de parkeergarage deels niet bruikbaar is, dan wel dat deze opnieuw zou moeten worden ingericht. De Afdeling kan het standpunt volgen dat de kosten die daarmee gepaard gaan onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doel. De Afdeling overweegt dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat de vormgeving van de parkeervoorziening niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog slaagt niet in zoverre
23.3. Naar het oordeel van de Afdeling is het standpunt niet onredelijk dat het plan ondanks de gehanteerde lagere parkeernormering in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat. De Afdeling ziet in wat de belangenvereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze om de parkeerbehoefte van de bewoners van de voorziene appartementen op 0 te stellen zal leiden tot onevenredige parkeerhinder in de wijk. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt. (…)
27.1. (…) Weliswaar is de conclusie in de plantoelichting dat aan de afwijkingsmogelijkheid uit de parkeerbeleidsregels kan worden voldaan niet onjuist, maar naar het oordeel van de Afdeling is dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. De raad heeft namelijk pas in het verweerschrift, dat dateert van na het herstelbesluit, onderbouwd dat aan de drie voorwaarden uit artikel 11, eerste lid, onder c, van de parkeerbeleidsregels is voldaan. In de zienswijzennota worden deze eisen wel genoemd, maar de raad heeft verder niet in bijvoorbeeld de plantoelichting beargumenteerd en geconcretiseerd welke maatregelen en voorzieningen die randvoorwaardelijk zijn voor de toepassing van de afwijkingsregeling uit artikel 11, eerste lid, van de parkeerbeleidsregels, zijn geborgd of anderszins zijn verzekerd. Naar het oordeel van de Afdeling had dit wel gemoeten, gelet op de omstandigheid dat is uitgegaan van vraagsturend parkeerbeleid en daarbij is gekozen voor een parkeernorm die uitkomt op 0. Ook is pas op de zitting toegelicht welk belang de toepassing van de afwijkingsregeling rechtvaardigt en welke factoren maken dat een goede ruimtelijke ordening is gegarandeerd. Nu dit pas in het verweerschrift voor het eerst heeft is toegelicht, komt de Afdeling tot het oordeel dat het besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. Het betoog slaagt.

ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3185: Awb, Ow; omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, verwijderen ooievaarspaal, wegnemen nest, aanleg padelbanen, voorschrift, bezwaren niet-ontvankelijk, belanghebbende, afstand, goede procesorde, beoordelingskader, Besluit activiteiten leefomgeving, rechtspraak Wnb, voortzetten onder de Ow, natuurlijke persoon, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, ruimtelijke uitstraling, project, aangrenzend perceel, geen meervoudige aanvraag, toepassing artikel 8:86 Awb (Rb Gelderland 25/158 en 25/159)
4. Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verstaat onder belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
4.1. Het besluit dat in deze zaak aan de orde is, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van vogels, als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de Omgevingswet (Ow) gelezen in samenhang met artikel 11.37, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Deze bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2. Tot 1 januari 2024 was voor het opzettelijk vernielen, beschadigen of wegnemen van nesten van vogels een ontheffing nodig op grond van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Wnb). In de uitspraak van 16 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2226 (onder 3.4), is uiteengezet op welke wijze de belanghebbendheid van een natuurlijke persoon bij een Wnb-ontheffing wordt beoordeeld. Die rechtspraak houdt in dat bepalend is of de handeling waarvoor de Wnb-ontheffing is verleend ruimtelijke uitstraling heeft op de woon- en leefomgeving van de betrokkene. Daarbij is van belang dat een Wnb-ontheffing ziet op de bescherming van soorten en een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling heeft. De ruimtelijke uitstraling van het project dat mede door de Wnb-ontheffing mogelijk wordt gemaakt is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de Wnb-ontheffing niet van belang.
De Afdeling zet deze rechtspraak onder de Ow voor de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit voort. Dat betekent het volgende.
5. Voor de beoordeling of een natuurlijke persoon belanghebbende is bij een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit geldt als uitgangspunt dat de betrokkene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de handeling die de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit toestaat in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon- of leefsituatie van iemand zijn kijkt de Afdeling naar de ruimtelijke uitstraling van de handeling waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zoals het doden of verstoren van soorten, of het weghalen van nesten. De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit heeft betrekking op de bescherming van soorten en heeft een daartoe beperkte ruimtelijke uitstraling. De ruimtelijke uitstraling en feitelijke gevolgen van het project dat mede door de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit mogelijk wordt gemaakt – in dit geval de aanleg van padelbanen – is voor de beoordeling van de belanghebbendheid bij de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit niet van belang.

ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3180: Awb, Ow; wijzigingsbesluit omgevingsplan, exploitatieplan/tijdelijk deel omgevingsplan, intrekking exploitatieplan, belangen eigenaren bewoners gebouwde of nog te bouwen woningen, zonder voldoende recreatief groen, zonder speelvoorzieningen, belanghebbende, geen zienswijze, artikel 6:13 Awb, Varkens in noord, Ow/omgevingsrechtelijke zaak, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, statuten, grondexploitatieovereenkomst, feitelijke werkzaamheden, relativiteitsvereiste, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, participatieverordening, kostenverhaal/anderszins verzekerd, weigeringsgrond verlening omgevingsvergunning, basis handhavingsverzoek, privaatrechtelijke afspraken, prioritaire weg, (nog niet) alle functies gerealiseerd
3.2. De Afdeling stelt vast dat Stichting Park Muiderslotlaan geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren heeft gebracht. Niet gebleken is dat haar dit redelijkerwijs niet kan worden verweten. Gelet op artikel 6:13 van de Awb zou het beroep van Stichting Park Muiderslotlaan daarom niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. In haar uitspraak van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3-4.8, heeft de Afdeling, tegen de achtergrond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, echter overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken de voorbereidingsprocedure neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1928, moet een besluit op grond van de Ow tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan ook worden beschouwd als een omgevingsrechtelijke zaak als bedoeld in de hiervoor genoemde uitspraak van 14 april 2021. Voor het antwoord op de vraag of het beroep van Stichting Park Muiderslotlaan ontvankelijk is, is dus beslissend of zij belanghebbende is. Daarom zal de Afdeling dit hierna onder 3.3 beoordelen.
3.3. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit – zoals (een wijziging van) een omgevingsplan of een vergunning – toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Stichting Park Muiderslotlaan komt volgens haar doelstelling, zoals neergelegd in artikel 3.1 van haar statuten, op voor de belangen van de bewoners nabij het park Muiderslotlaan, dat ligt binnen Bloemendalerpolder, en daarmee voor een collectief belang. Als de bewoners voor wie zij opkomt zelf belanghebbende zijn, is daarmee in beginsel de belanghebbendheid van de Stichting gegeven. Het is aannemelijk dat verschillende bewoners nabij het park Muiderslotlaan gevolgen kunnen ondervinden van het besluit tot wijziging. Daarvoor acht de Afdeling van belang dat degenen die belanghebbenden zouden zijn geweest bij de vaststelling van een exploitatieplan (oud), dat ook zouden zijn bij een besluit tot intrekking daarvan (vgl. ABRS 12 juni 2024, nr. 202202743/1/R2, ECLI:NL:RVS:2024:2416, onder 9.3). Uit artikel 8.2, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro, oud) volgt dat als belanghebbende bij een besluit tot vaststelling van een exploitatieplan in elk geval wordt aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden. Gelet hierop zouden de bewoners die eigenaar zijn van een woning gelegen op gronden die behoren tot het exploitatieplangebied belanghebbenden zijn bij de vaststelling van het exploitatieplan en daarmee ook bij de intrekking daarvan. De Afdeling ziet niet in dat deze, uit de Wro voortvloeiende regel over de belanghebbendheid bij een besluit betreffende een exploitatieplan, niet ook toepasbaar is in het onderhavige geval dat betreft de intrekking van een exploitatieplan, ook nu dit exploitatieplan onderdeel is gaan uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in de Ow. De feitelijke gevolgen van een dergelijk besluit zijn onder de Ow niet veranderd. Voor zover GEM Bloemendalerpolder in dit verband naar voren brengt dat het besluit tot wijziging geen rechtstreekse gevolgen heeft voor anderen dan grondeigenaren en ontwikkelaars van de gronden, miskent zij dat Stichting Park Muiderslotlaan opkomt voor grondeigenaren, namelijk de bewoners nabij het park Muiderslotlaan. GEM Bloemendalerpolder heeft niet betoogd dat Stichting Park Muiderslotlaan niet (ook) opkomt voor de belangen van eigenaren van percelen in het exploitatieplangebied. Stichting Park Muiderslotlaan brengt door op te komen voor de belangen van de voornoemde bewoners een bundeling van rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken individuele belangen tot stand. In de bundeling van die belangen liggen de in artikel 1:2, derde lid, van de Awb genoemde feitelijke werkzaamheden besloten. Gelet hierop behoeft het betoog van GEM Bloemendalerpolder over die feitelijke werkzaamheden geen bespreking. De conclusie is dat Stichting Park Muiderslotlaan belanghebbende is bij het besluit tot wijziging. Om die reden wordt haar, gelet op wat de Afdeling heeft overwogen in de hiervoor vermelde uitspraak van 14 april 2021, artikel 6:13 van de Awb niet tegengeworpen. Het beroep, voor zover ingesteld door Stichting Park Muiderslotlaan, is dan ook ontvankelijk.
4.1. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (artikel 8:69a van de Awb).
4.2. Het relativiteitsvereiste staat niet aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van Stichting Park Muiderslotlaan, Stichting Bewonersbelangen Leeuw en Sluis en Stichting Flora & Faunabescherming in de weg. Hun beroepen zijn gericht tegen het besluit tot wijziging, voor zover het gaat om de intrekking van het zogenoemde niet-financiële deel van het exploitatieplan (vgl. de uitspraak van 15 februari 2012, nr. 201011643/1/R2, ECLI:NL:RVS:2012:BV5115). Dit niet-financiële deel maakt sinds de inwerkingtreding van de Ow per 1 januari 2024 geen deel meer uit van het geheel van bepalingen dat ziet op het kostenverhaal (afdeling 13.6 van de Ow), maar vindt thans zijn basis in de algemene norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Ow (Kamerstukken II 2018/19, 35133, nr. 3, p. 184). Stichting Park Muiderslotlaan, Stichting Bewonersbelangen Leeuw en Sluis en Stichting Flora & Faunabescherming beroepen zich aldus, anders dan de raad en GEM Bloemendalerpolder stellen, op de norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Die norm beschermt, voor zover deze ziet op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van een woning, onder meer het belang van bewoners bij behoud en herstel van dit woon- en leefklimaat (vgl. de uitspraak van 10 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5966, onder 3.1 e.v.). De belangen van de individuele burgers die tezamen met de stichtingen beroep hebben ingesteld vallen aldus onder het beschermingsbereik van artikel 4.2, eerste lid, van de Ow. Nu naar het oordeel van de Afdeling Stichting Bewonersbelangen Leeuw en Sluis, net als Stichting Park Muiderslotlaan (zie onder 3.3), volgens haar statutaire doelstelling opkomt voor bewoners in de Bloemendalerpolder, vallen de belangen van deze stichtingen logischerwijs ook onder het beschermingsbereik van artikel 4.2, eerste lid, van de Ow. Daartoe overweegt de Afdeling dat, anders dan de raad en GEM Bloemendalerpolder lijken te stellen, voor het kunnen aanmerken van een rechtspersoon als een bewonersorganisatie niet expliciet in de statuten hoeft te worden vastgelegd dat wordt opgekomen voor bewoners. Voldoende is dat dit uit de omschrijving van de statutaire doelstelling kan worden afgeleid. In dit geval gaat het de stichtingen onder andere om het beschermen en verbeteren van de leefomgeving, recreatiemogelijkheden, verkeersveiligheid en sociale cohesie. Daaruit kan zonder meer worden afgeleid dat het de stichtingen gaat om bewonersbelangen. De norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties strekt ook tot bescherming van algemene belangen, waaronder in elk geval het belang van Stichting Flora & Faunabescherming bij het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden op de locatie. Anders dan de raad en GEM Bloemendalerpolder naar voren brengen, is de statutaire doelstelling van Stichting Flora & Faunabescherming niet veelomvattend. Haar statutaire doelstelling beperkt zich tot het behouden en verbeteren van de natuur, de leefomgeving, het milieu en de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, terwijl haar werkgebied zich beperkt tot met name de regio Amsterdam-Amstelland, de gemeente Wijdemeren, de gemeente Gooise Meren en de voormalige gemeente Weesp en omstreken. Verder stelt de Afdeling op basis van de overgelegde stukken vast dat er enige feitelijke werkzaamheden zijn ter uitvoering van de statutaire doelstelling, hetgeen op zichzelf ook niet door de raad en GEM Bloemendalerpolder is betwist. Zij hebben slechts betwist dat die feitelijke werkzaamheden voldoende zijn, mede gelet op de vele juridische procedures die Stichting Flora & Faunabescherming voert. Bij de vraag of het relativiteitsvereiste in de weg staat aan vernietiging van het besluit tot wijziging kan die betwisting echter onbesproken worden gelaten.
7.4. De Afdeling ziet zich eerst voor de vraag gesteld of het besluit tot wijziging kon worden vastgesteld, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd door de SUOK en GEM Bloemendalerpolder inmiddels alle gronden in eigendom heeft binnen het exploitatieplangebied. De Afdeling beantwoordt die vraag ontkennend. Daarvoor is van belang dat het besluit tot wijziging de intrekking inhoudt van een al op 11 juli 2016 vastgesteld exploitatieplan. Dat exploitatieplan, waaronder ook artikel 4 van het besluit “1e herziening exploitatieplan Bloemendalerpolder”, heeft gevolgen voor de fysieke leefomgeving (vgl. onder het oude recht de uitspraak van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5115). Appellanten kunnen zich hierop beroepen, aangezien het exploitatieplan onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (zie onder 4.2) en daarom op grond van de artikelen 5.18, eerste lid, van de Ow en artikel 8.0a, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving een weigeringsgrond vormt voor de verlening van een omgevingsvergunning en een basis voor een verzoek om handhaving., Gelet hierop is het voor regels die nodig zijn vanuit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, zoals hier aan de orde (zie onder 7.3), vanwege het rechtszekerheidsbeginsel onvoldoende dat zij uitsluitend onderwerp zijn van privaatrechtelijke afspraken. Dergelijke afspraken bieden onvoldoende afdwingbare waarborgen voor derden die afhankelijk zijn van een publiekrechtelijke regeling die waarborgen biedt voor hun rechtspositie. Daarbij betrekt de Afdeling dat, hoewel de raad en GEM Bloemendalerpolder terecht stellen dat voor het kostenverhaal geldt dat privaatrechtelijke afspraken volgens de wetgever de prioritaire weg zijn (o.a. Kamerstukken II 2004/05, 30 218, nr. 3, p. 25), dit, gelet op de geheel andere aard van de regels, niet het geval is voor regels die nodig zijn vanuit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit heeft dus ook gevolgen voor een besluit tot intrekking van zulke regels. De conclusie is dat de raad het besluit tot wijziging niet mocht vaststellen louter vanwege het bestaan van de SUOK.

Rechtbank Midden-Nederland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2928: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, recyclebedrijf, brandblussers, PFAS, IPPC-installaties, open loodsdeur, regels uit het Bal i.p.v. vergunning, geen overtreding geconstateerd
11. De rechtbank is met gedeputeerde staten van oordeel dat voor het emitteren van PFAS door de lucht de algemene regels uit de paragrafen 5.4.3 en 5.4.4 van het Bal en niet voorschrift 5.2.7 van de omgevingsvergunning geldt.
12. [belanghebbende] was onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) een inrichting waartoe IPPC-installaties behoren. Dit betekent dat [belanghebbende] sinds 1 januari 2013 een type C-inrichtingen is geworden. Vanaf die datum was op [belanghebbende] als C-inrichting het Activiteitenbesluit milieubeheer (het Activiteitenbesluit) van toepassing, met bijbehorende algemene regels over emissies naar de lucht. Op grond van het overgangsrecht uit het Activiteitenbesluit gold voorschrift 5.2.7, voor zover daarin emissie naar de lucht is bedoeld te reguleren, nog 3 jaar als maatwerkvoorschrift. Vanaf 1 januari 2016 is voorschrift 5.2.7 voor zover dat ziet op emissie van PFAS naar de lucht van rechtswege vervallen. Vanaf die datum golden de algemene regels in het Activiteitenbesluit voor C-inrichtingen voor [belanghebbende] . Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en het Bal is het Activiteitenbesluit komen te vervallen. Vanaf dat moment zijn de algemene regels uit het Bal rechtstreeks van toepassing op de milieubelastende activiteiten van [belanghebbende] .
13. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of gedeputeerde staten naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [eiseres] nader onderzoek had moeten doen naar of [belanghebbende] , door met een open loodsdeur brandblusapparaten te verwerken, de algemene regels over het emitteren van PFAS naar de lucht in het Bal heeft overtreden. De rechtbank is met gedeputeerde staten van oordeel dat het handhavingsverzoek van [eiseres] hier onvoldoende aanleiding toe gaf.
14. Naar het oordeel van de rechtbank hebben gedeputeerde staten op de zitting voldoende toegelicht dat door [belanghebbende] op donderdag 11 juli 2024 alleen poederblussers werden verwerkt. Zoals vermeld onder 2 zijn partijen het erover eens dat poederblussers geen PFAS bevatten. Weliswaar blijkt uit het rapport van [onderzoeksbureau] B.V dat in het verleden mogelijk contaminatie heeft plaatsgevonden, maar [belanghebbende] heeft haar bedrijfsvoering aangepast om dat in de toekomst te voorkomen. Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat uit dat rapport van [onderzoeksbureau] B.V. blijkt dat ten tijde van het onderzoek slechts een héle kleine hoeveelheid PFAS is gevonden in een bigbag met poeder uit de poederblussers. Verder is de rechtbank met gedeputeerde staten van oordeel dat op het door [eiseres] bij haar handhavingsverzoek overgelegde filmpje niet is te zien dat er op dàt moment, met openstaande deuren, brandblussers vershredderd werden.
15. De conclusie van het voorgaande is dat gedeputeerde staten naar aanleiding van het handhavingsverzoek van [eiseres] geen overtreding van de relevante wet- en regelgeving over het emitteren van PFAS naar de lucht hebben kunnen vaststellen. Dat betekent dat gedeputeerde staten het handhavingsverzoek van [eiseres] terecht hebben afgewezen.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 mei 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:4645: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, bestuursdwang, asbest, melding, asbestinventarisatierapport, Besluit bouwwerken leefomgeving, slopen, definitie Ow, Van Dale, demonteren, redelijke inschatting, Asbestverwijderingsbesluit 2005, ouderdom, objectieve en verifieerbare bewijsstukken, beginselplicht tot handhaving, Harderwijk-uitspraak, hoogte dwangsom
3.3.6 In artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl staat dat het verboden is een bouwwerk of gedeelte daarvan te slopen als daarbij asbest wordt verwijderd of de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedraagt, zonder dit ten minste vier weken voor het begin van de sloopwerkzaamheden te melden. Onder oud recht was dezelfde regel opgenomen in artikel 1.26, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over die bepaling blijkt dat beoordeeld kan worden of die bepaling is overtreden door de inhoud van de aanwezige containers op te tellen (ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 4.2).
3.3.7 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen vanwege overtreding van artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl.
3.3.8 Tussen partijen is niet in geschil dat werkzaamheden zijn uitgevoerd en dat voorafgaand aan die werkzaamheden geen melding is gedaan als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, van het Bbl.
3.3.9 Het college heeft redelijkerwijs kunnen besluiten dat tijdens de controles is geconstateerd dat die werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als sloopwerkzaamheden. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat uitsluitend dingen werden gedemonteerd en dat daarom geen sprake was van slopen. Slopen wordt in de Omgevingswet (Ow) gedefinieerd als het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen (artikel 1.1, eerste lid, van de Ow en de daarbij behorende bijlage bij de Ow). In het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal wordt ‘demonteren’ omschreven als ‘uit elkaar nemen’. Demonteren valt daarom ook binnen het begrip slopen.
3.3.10 Het college heeft ook kunnen concluderen dat een melding voor die sloopwerkzaamheden verplicht was, omdat de hoeveelheid sloopafval naar redelijke inschatting meer dan 10 m3 bedroeg. Het college hoefde de feitelijke omvang niet specifiek vast te stellen door middel van een berekening, zoals eisers lijken te stellen, maar mochten een redelijke inschatting maken. Gelet op de uitgevoerde én geplande sloopwerkzaamheden heeft het college het aannemelijk kunnen achten dat de totale hoeveelheid sloopafval meer dan 10 m3 zal bedragen. De reeds verrichte sloopwerkzaamheden bestonden op het moment van de controles uit het strippen van het pand en het verwijderen van een trap en mozaïektegels. Daarnaast is verklaard dat meer sloopwerkzaamheden plaats zouden vinden, namelijk het slopen van een oude schoorsteen, het maken van een doorbraak naar het naastgelegen pand aan de [adres 2] en het vernieuwen van de verdiepingsvloer. Het college heeft daar ook bij in aanmerking kunnen nemen dat op 17 januari 2025 een zo goed als volle afvalcontainer is aangetroffen met een maximale inhoud van ongeveer 10 m3, dat toen is verklaard dat al sloopafval is afgevoerd en dat in het pand ook nog sloopafval lag. Dat niet duidelijk is hoeveel afval al was afgevoerd acht de rechtbank niet relevant, omdat al bijna 10 m3 in de container zat, er al afval was afgevoerd én er nog meer sloopwerkzaamheden plaats moesten vinden. Gelet daarop was het een redelijke inschatting dat de totale omvang van het afval meer dan 10 m3 zal zijn.
3.3.12 In artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl staat dat de normadressaat over een asbestinventarisatierapport beschikt voor het gedeelte van het bouwwerk waar wordt gesloopt, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevindt.
3.3.13 Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college – door te verwijzen naar het controlerapport – voldoende gemotiveerd dat het college ook bevoegd was om de herstelsanctie op te leggen, vanwege overtreding van artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl.
3.3.14 Tussen partijen is niet in geschil dat voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden geen asbestinventarisatierapport is opgesteld als bedoeld in artikel 7.9, eerste lid, van het Bbl. Het college heeft op goede gronden geconcludeerd dat eisers daar wel toe verplicht waren. Eisers konden redelijkerwijs vermoeden dat zich in het bouwwerk asbest of een asbesthoudend product bevond. Uit de nota van toelichting bij het Asbestverwijderingsbesluit 2005 kan volgens de Afdeling worden afgeleid dat het risico op de aanwezigheid van asbest bij bouwwerken van voor 1994 zo groot is, dat degene die sloopwerkzaamheden verricht ervan uit moet gaan dat dit het geval is en altijd een asbestinventarisatierapport moet laten opstellen (ABRvS 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1695, r.o. 3.2). Niet in geschil is dat het pand voor 1994 is gebouwd, zodat het college zich op het standpunt mocht stellen dat een redelijke verwachting bestond dat in het pand asbest of een asbesthoudend product is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers geen feiten of omstandigheden gesteld waarom die verwachting in dit geval, ondanks de ouderdom, toch niet redelijk was. Eisers hebben niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat alle asbest in 2016 uit de woning was verwijderd en mochten daar ook redelijkerwijs niet zonder dergelijke bewijsstukken van uitgaan. Uit de akte van levering van 6 maart 2023 blijkt daarnaast dat door de voormalig eigenaar is verklaard dat niet bekend was of asbest in het pand aanwezig is.

Rechtbank Noord-Holland 26 mei 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:5957: Awb, Ow; omgevingsvergunning technische bouwactiviteit en bopa, twee gebouwen verbonden met (parkeer)bruggen, appartementen, commerciële ruimten, aangewezen gevallen, aanwijzingsbesluit, bestemmingsplan, juridisch bindend voorschrift, rechtstreeks werkende regels, adviesrecht, beeldkwaliteitsplan, ten onrechte geen advies, niet tot beslissen op aanvraag, herstellen gebrek, tussenuitspraak
4.1. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college de raad ten onrechte niet om advies (zoals bedoeld in artikel 16.15 jo. 16.15a van de Omgevingswet) heeft gevraagd, zodat het college niet bevoegd was om op de vergunningaanvraag te beslissen. Aan het bestreden besluit kleeft in zoverre een bevoegdheidsgebrek. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan door het advies (zoals bedoeld in artikel 16.15 jo. 16.15a van de Omgevingswet) aan de raad te vragen en dat advies bij hetzij een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, bij een nieuwe beslissing op bezwaar te betrekken. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

Rechtbank Oost-Brabant 18 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:3295: Awb, Ow; omgevingsvergunning gebruik bedrijfswoning als woning, geen functionele binding, bloemenbedrijf, spuitzones, geluid, ten onrechte toetsing aan VNG-brochure, geluidwering gevel, ETFAL, plattelandswoning, overschrijding nachtperiode, Omgevingsverordening
4.2. Artikel 5.62 van het Bkl regelt dat bepaald kan worden dat waarden over het geluid door een activiteit niet van toepassing zijn op een geluidgevoelig gebouw dat eerder functioneel verbonden was met die activiteit. Het moet dan gaan over geluid door een activiteit verricht op een bedrijventerrein, in de horecasector of in de agrarische sector als bedoeld in artikel 3.200, 3.205, 3.208, 3.211, 3.215, 3.218, 3.221 of 3.225 van het Bal. De artikelen 5.85, 5.89e en artikel 5.96 van het Bkl regelen hetzelfde voor waarden voor trillingen, slagschaduw door een windturbine en geur. Deze regels zijn op grond van artikel 8.0b van het Bkl ook van toepassing op de verlening van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit zoals in deze procedure aan de orde is.
4.3. Artikel 3.205 van het Bal luidt als volgt:
Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het telen van gewassen in kassen. De aanwijzing omvat ook andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie die dat telen functioneel ondersteunen. Onder de aanwijzing valt niet het telen van gewassen in kassen alleen:
a. bij een huishouden of bij het uitoefenen van beroep of bedrijf aan huis;
b. voor educatieve doeleinden;
c. bij onderzoeksinstellingen; of
d. bij volkstuinen.
4.4. Het is niet in geschil dat eisers thans geen bloemen telen in kassen. De rechtbank acht echter niet het feitelijk gebruik op de bedrijfslocatie waar de voormalige bedrijfswoning bij hoort van belang, maar wat op die locatie planologisch is toegestaan.
4.5. Op grond van het omgevingsplan geldt voor het perceel van eisers de bestemming “Bedrijf” met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 7’. Ingevolge artikel 6.1 van de planregels zijn de voor “Bedrijf” aangewezen gronden bestemd voor onder meer bedrijven, die zijn opgenomen in de ‘Tabel Bedrijven’, waarbij niet meer dan één bedrijf aanwezig mag zijn per bestemmingsvlak. Uit de ‘Tabel Bedrijven’ dat als bijlage bij de planregels is opgenomen, volgt dat ter plaatse van de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – 7’ een ‘agrarisch verwant bedrijf (bloementeelt/handel)’ is toegestaan. Een agrarisch verwant bedrijf is in de planregels gedefinieerd als “een bedrijf of instelling gericht op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven door middel van het telen van gewassen, het houden van dieren of de toepassing van andere landbouwkundige methoden. Voorbeelden van agrarisch verwante bedrijven zijn: dierenasiels, dierenklinieken, groen-composteringsbedrijven, hondenkennels, hoveniersbedrijven, instellingen voor agrarisch praktijkonderwijs, proefbedrijven, boomrooierij.” Hieruit volgt dat het bedrijfsmatig telen van bloemen is toegestaan op het perceel van eisers. De rechtbank is verder van oordeel dat de bouw van kassen op het perceel van eisers is toegestaan. Ingevolge de planregels kunnen op het perceel van eisers namelijk bedrijfsgebouwen worden gebouwd tot een goothoogte van 4,5 meter en een bouwhoogte van 8 meter. Dat, zoals eisers stellen, glastuinbouwbedrijven in de systematiek van het omgevingsplan een nadere aanduiding hebben als ‘glastuinbouwbedrijf’ doet daar niet aan af. De planregels zijn namelijk duidelijk. Op de bedrijfslocatie van eisers is het toegestaan om gewassen in kassen te telen, en dat is een activiteit als bedoeld in artikel 3.205 van het Bal. In dat kader merkt de rechtbank nog op dat een glastuinbouwbedrijf in artikel 1 van de planregels is gedefinieerd als een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt. Dat het bij artikel 3.205 van het Bal moet gaan om een (grootschalig) glastuinbouwbedrijf als bedoeld in artikel 1 van de planregels, zoals eisers betogen, blijkt niet uit artikel 3.205 van het Bal en evenmin volgt dit uit de wetsgeschiedenis waar eisers naar verwijzen (Staatsblad 2018, 293, pagina 897 en 898). De rechtbank is daarom van oordeel dat het college in zoverre toepassing heeft kunnen geven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl. Deze grond slaagt niet.
5. De rechtbank merkt ten overvloede op dat eisers wel vinden dat het omgevingsplan toestaat dat zij gewassen in de open lucht mogen telen op hun bedrijfslocatie. Het telen van gewassen in de open lucht is een activiteit als bedoeld in artikel 3.208 van het Bal, zodat het college in dat geval ook op grondslag van artikel 3.208 van het Bal toepassing had kunnen geven aan de artikelen 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl.
7.3. De rechtbank stelt voorop dat eisers op dit moment geen gewassen telen. Evenmin is gebleken van een concreet voornemen van eisers om het huidige gebruik van hun gronden voor een bloemenhandel te wijzigen in het telen van gewassen waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524, onder 36.2). Eisers hebben ook slechts aangegeven dat zij die mogelijkheid open wensen te houden. Een verandering van het bestaande gebruik acht de rechtbank echter zodanig onwaarschijnlijk, dat in redelijkheid niet van het college kan worden gevergd om meer rekening te houden met een vorm van agrarisch gebruik waarbij spuitzones dienen te worden aangehouden. Dit zou betekenen dat eisers de bestaande aanwezige bedrijfsbebouwing nagenoeg volledig moeten verwijderen, terwijl ook de omvang van het bedrijfsperceel van eisers met een oppervlakte van circa 2.100 m2 redelijkerwijs aan het voeren van een economisch rendabel teeltbedrijf in de weg staat. Daarom acht de rechtbank machinaal bespuiten eveneens niet aannemelijk (Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1410). De rechtbank acht verder van belang dat het bedrijfsperceel van eisers over de gehele zuidgrens al grenst aan het woonperceel aan de [adres] , en dat ook het woonperceel aan de [adres] op een afstand van circa 27 meter ligt tot het bedrijfsperceel van eisers. Beide woonpercelen belemmeren eisers reeds in hun mogelijkheden om hun bedrijfsvoering om te schakelen naar teelt waarbij bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Indien een afstand van 50 meter wordt aangehouden vanaf het woonperceel aan de [adres] , resteert binnen het perceel van eisers geen ruimte voor teelt. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ingevolge vaste jurisprudentie ook aan tuinen bij woningen bescherming vanwege spuitzones toekomt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3303, onder 5). De rechtbank betrekt hierbij tot slot dat de voormalige bedrijfswoning van vergunninghouders een lager beschermingsniveau geniet dan een perceel met de bestemming “Wonen” (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4331, onder 9.4). Deze grond slaagt dus niet.
8.2. Met de norm van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt, zover deze ziet op de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat in een geval als dit, beoogd zowel de belangen van de omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, als de belangen van (agrarische) bedrijven bij een ongehinderde bedrijfsuitoefening te waarborgen. Indien een voormalige agrarische bedrijfswoning wordt bestemd als woning zonder functionele binding maakt deze in planologisch opzicht nog steeds deel uit van het bedrijf waar de bedrijfswoning eerder bij hoorde en wordt deze niet beschermd tegen de milieuemissie van dit bedrijf. Het bedrijf wordt op deze manier niet in haar bedrijfsvoering belemmerd door het gebruik van de (voormalige) bedrijfswoning als burgerwoning. Dit betekent echter niet zonder meer dat ter plaatse van die woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd. Het college dient een eigen afweging te maken over de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning. Bij de beoordeling of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat moet niet alleen rekening worden gehouden met de bestaande situatie, maar ook met de maximale planologische mogelijkheden. Daarbij is het uitgangspunt dat die beoordeling dient te worden gemaakt aan de hand van een representatieve invulling van wat ter plaatse planologisch maximaal is toegestaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2706). Die rechtspraak is gewezen onder de figuur van de plattelandswoning als bedoeld in de Wet plattelandswoningen, zijnde de voorloper van instructieregels over ‘woningen met een voormalige functionele binding met een bedrijf’ uit artikel 5.62, 5.85, 5.89e en 5.96 van het Bkl. Uit de wetsgeschiedenis is het de rechtbank echter niet gebleken dat met deze instructieregels, behoudens een verbreding van de toepassingsmogelijkheden, geen voortzetting van de Wet plattelandswoningen is beoogd (zie onder meer Staatsblad 2018, 292, pagina 235, 325 en 326). De rechtbank acht de rechtspraak over plattelandswoningen daarom nog steeds toepasbaar.

Rechtbank Midden-Nederland 7 mei 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:2330: Awb, Ow; beheerplan, niet toevoegen beschrijving activiteiten perceelsontwatering, vergunningplicht Natura 2000-activitiet, effectafstand drainage, meest actuele wetenschappelijke kennis, rechtbank onbevoegd, bijlage 2 Awb, uitgesloten van beroep
7. Het college heeft met het bestreden besluit gemotiveerd afgezien van het aan het beheerplan toevoegen van een beschrijving van activiteiten voor perceelontwatering waardoor deze vergunningvrij zouden worden voor de Natura 2000-activiteit. Het gevolg hiervan is dus dat er geen onderdeel aan het beheerplan is toegevoegd met een beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
8. Artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat gedeputeerde staten voor een Natura 2000-gebied een beheerplan vaststellen.
9. Artikel 8:5, eerste lid, van de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (bijlage 2).
10. Artikel 1, aanhef en onder Omgevingswet, onder g, van bijlage 2 bij de Awb bepaalt dat geen beroep kan worden ingesteld tegen onder meer een besluit genomen op grond van artikel 3.8 van de Omgevingswet, voor zover het niet betreft een daarin opgenomen beschrijving van een activiteit als gevolg waarvan de activiteit is toegestaan.
11. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank dat uitsluitend beroep kan worden ingesteld tegen een onderdeel van een beheerplan waarin een beschrijving van een activiteit is opgenomen als gevolg waarvan die activiteit is toegestaan zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.
12. Nu het college er met het bestreden besluit uitdrukkelijk voor heeft gekozen om niet een dergelijk onderdeel aan het beheerplan toe te voegen, valt dit onder de werking van artikel 8:5, eerste lid van de Awb en is dit dus van beroep uitgesloten. De rechtbank sluit hiermee aan bij de lijn zoals ook verwoord in de uitspraak van de rechtbank Limburg van 14 januari 2026 (ECLI:NL:RBLIM:2026:289). Voor zover eisers hebben gewezen op de uitspraken van 25 oktober 2017 en 16 maart 2018 van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2017:2894 en ECLI:NL:RVS:2018:891), waaruit is af te leiden dat ook beroep kan worden ingesteld tegen het niet in een beheerplan opnemen van vrijstellingen van de vergunningplicht, merkt de rechtbank op dat de Afdeling in recentere rechtspraak andere standaardoverwegingen is gaan gebruiken waaruit dit niet meer kan worden afgeleid. De rechtbank wijst hiervoor op de uitspraken van 9 oktober 2019 en 16 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2019:3397 en ECLI:NL:RVS:2026:2045). Dit leidt de rechtbank tot de conclusie dat zij onbevoegd is. De rechtbank is zich ervan bewust dat deze uitkomst teleurstellend is voor eisers maar de rechtbank kan niet over haar onbevoegdheid heenstappen.

STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates
Jane van der Loo, advocaat bij Stibbe, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 29 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2441) over een bestemmingsplan van de gemeente Breda. In deze uitspraak verduidelijkt de Afdeling dat al bij de vaststelling van een plan moet worden afgewogen of de toepassing van afwijkingsbevoegdheden waarmee stikstofgevoelige ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt aanvaardbaar is. In de noot wordt toegelicht welke praktische consequenties dit voor gemeentes heeft en wat de eventuele andere opties zijn.

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder