Garageboxen zijn in dit geval in strijd met de geldende bestemming en daarom, gelet op artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor, ten onrechte aangemerkt als hoofdgebouw.

Casus

Bij besluit van 12 mei 2022 heeft het college aan UPARQ Holding B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van garageboxen op een perceel in Bergen op Zoom. UPARQ heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het plaatsen van 108 garageboxen, inclusief technische ruimte en toiletruimte op het perceel. Het voorziene gebruik van de garageboxen is opslag door particulieren en zzp’ers, ook wel selfstorage. De garageboxen zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Meilust Bedrijventerrein’, op grond waarvan op het perceel de bestemming ‘Bedrijf’ en de functieaanduiding ‘bedrijf tot en met categorie 3’ rusten. Allsafe exploiteert een bedrijf dat zich toelegt op de verhuur van opslagruimte en is gevestigd in Bergen op Zoom, op hetzelfde bedrijventerrein als UPARQ.

De rechtbank heeft geoordeeld dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat het een omgevingsvergunning kon verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De rechtbank heeft het betoog van Allsafe dat geen van de garageboxen op het perceel hoofdgebouwen zijn en het college om die reden niet met toepassing van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor de omgevingsvergunning kon verlenen, niet gevolgd. De rechtbank heeft overwogen dat het verkopen en verhuren van garageboxen aan particulieren weliswaar een bedrijfsactiviteit is die niet voorkomt op de Staat van Bedrijfsactiviteiten, maar dat het college dit bedrijf kon toelaten met gebruikmaking van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 3.4, onder b, van de planregels. Omdat sprake is van een bedrijf, is volgens de rechtbank sprake van een hoofdgebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van het perceel. Daarmee kan het overige deel van de garageboxen als een uitbreiding van dat hoofdgebouw en dus als een bijbehorend bouwwerk worden aangemerkt.

In hoger beroep betoogt Allsafe dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college een omgevingsvergunning kon verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.

Rechtsvraag

Heeft de rechtbank in dit geval terecht geoordeeld dat een deel van de voorziene garageboxen als hoofdgebouw kan worden aangemerkt, zodat een overig deel van de garageboxen als een uitbreiding van dat hoofdgebouw en dus als een bijbehorend bouwwerk kan worden aangemerkt?

Uitspraak

De Afdeling stelt vast dat het college een deel van de voorziene garageboxen als hoofdgebouw heeft aangemerkt. Allsafe betoogt terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat deze garageboxen hoofdgebouwen zijn. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor is een hoofdgebouw een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel. De garageboxen zijn in strijd met de geldende bestemming ‘bedrijf tot en met categorie 3’. Volgens die geldende bestemming zijn namelijk alleen een bepaald soort bedrijven toegestaan en zijn garageboxen niet toegestaan. Deze garageboxen zijn daarom niet noodzakelijk voor de verwezenlijking van de geldende bestemming van het perceel. Ook is niet gebleken dat de garageboxen noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de toekomstige bestemming van het perceel. De overweging van de rechtbank dat, omdat sprake is van een bedrijf, ook sprake is van een hoofdgebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de bestemming van het perceel, is dus niet juist. Nu geen van de gebouwen op het perceel noodzakelijk zijn voor verwezenlijking van de in het bestemmingsplan opgenomen bestemming ‘bedrijf tot en met categorie 3’, is er geen hoofdgebouw op het perceel, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Daarom kan het overige deel van de garageboxen niet worden aangemerkt als een uitbreiding van dat hoofdgebouw en kan dus ook geen sprake zijn van een bijbehorend bouwwerk op het perceel. Het college was daarom niet bevoegd om met toepassing van artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor de omgevingsvergunning voor het bouwplan te verlenen. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte geoordeeld dat het college een omgevingsvergunning kon verlenen met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 1, van bijlage II van het Bor.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 03-12-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:5872
Gijsbert Keus

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder