Definitie oppervlaktewater in de zin van de Waterwet.

Casus

Na de bouw van de rioolwaterzuiveringsinstallatie Camperlandpolder (hierna: RWZI) is een sloot gegraven langs de Bosdijk te Kamperland. In de sloot wordt het teveel aan water uit de RWZI na het zuiveringsproces geloosd (het effluent). Deze effluentsloot ligt naast de RWZI en naast een perceel van de maatschap.

Op 22 juli 2022 heeft de dijkgraaf besloten tot het opleggen van een verbod tot het onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen voor vrijwel de gehele provincie Zeeland op grond van de Keur. Op 3 augustus 2022 heeft een toezichthouder van het waterschap geconstateerd dat de maatschap water onttrekt aan de effluentsloot langs de Bosdijk en dat daarmee een akker gelegen langs de Stekeldijk wordt beregend. Vervolgens heeft het dagelijks bestuur de maatschap diezelfde dag de last onder dwangsom opgelegd.

De rechtbank heeft overwogen dat het dagelijks bestuur onvoldoende heeft onderbouwd dat het water uit de effluentsloot oppervlaktewater betreft. De rechtbank heeft in dat kader verwezen naar de definitie van ‘oppervlaktewaterlichaam’ in de Waterwet en de definitie in de Keur. De rechtbank heeft uit de rechtspraak (uitspraken van de Afdeling van 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3533, r.o. 2.1. en 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1530, r.o. 20.2) afgeleid dat een waterloop (in dit geval de sloot) aangemerkt wordt als een oppervlaktewaterlichaam, wanneer daarin een normaal ecosysteem aanwezig is én wanneer die waterweg in verbinding staat met een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Waterwet. Volgens de rechtbank is wel sprake van een verbinding met ander oppervlaktewater, maar heeft het dagelijks bestuur onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een normaal ecosysteem.

Niet in geschil is dat er door de maatschap water onttrokken is aan de betrokken sloot. De vraag die voorligt is of dit in strijd is met het door de dijkgraaf opgelegde onttrekkingsverbod. Dit komt neer op de vraag of sprake is van het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam als bedoeld in de Keur en de Waterwet en daarmee op de vraag of de sloot een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Keur en de Waterwet is.

Rechtsvraag

Is de sloot waar het effluent op geloosd wordt en waar de maatschap het beregeningswater aan onttrokken heeft een oppervlaktewaterlichaam in de zin van de Keur en de Waterwet?

Uitspraak

Anders dan de rechtbank heeft overwogen, volgt uit voornoemde uitspraken van 13 mei 2015 en 18 november 2015 niet dat sprake is van voorwaarden waaraan cumulatief moet zijn voldaan om een waterloop als een oppervlaktelichaam aan te merken. Zoals het dagelijks bestuur terecht heeft aangevoerd, zien deze uitspraken op situaties, waarin de Afdeling heeft geconcludeerd dat van een oppervlaktewaterlichaam geen sprake was en is aangegeven welke factoren bij dit oordeel in die gevallen een rol hebben gespeeld.

Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit de definitieomschrijving van artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet en artikel 1.1, onder m, van de Keur dat een samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water in beginsel een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam is. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, die in het licht van de Kaderrichtlijn Water wel beperkt moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Of sprake is van een situatie waarin zich zo’n uitzondering voordoet, moet van geval tot geval worden beoordeeld.

In dit geval gaat het, zoals ter zitting door partijen is bevestigd, om een sloot van ongeveer 200 m lang waarin het teveel aan water (effluent) uit de RWZI wordt geloosd. In deze sloot is een stuw aangebracht door [de maatschap]. Als er teveel water op de sloot wordt geloosd, dan stroomt dat water over de stuw (eenrichtingsverkeer) en stroomt het via een systeem van (zout)waterwegen uiteindelijk in het Veerse Meer, zijnde een oppervlaktewaterlichaam. In dit kader wordt verder ook verwezen naar de memo van 28 november 2023 van R. Dieleman en J. Schoonakker, hydrologen van de afdeling Watersystemen van het Waterschap, waarin over de sloot onder meer is geconcludeerd: ‘De watergang heeft altijd een waterafvoerende functie en staat jaarrond in verbinding met het omliggende water’. Uit het voorgaande leidt de Afdeling af dat de effluentsloot een, anders dan incidenteel aanwezige, watermassa is die in verbinding staat met ander oppervlaktewater en dat van een uitzonderingssituatie zoals aan de orde was in de zaken die tot de hiervoor genoemde uitspraken van de Afdeling van 13 mei 2015 en 18 november 2015 hebben geleid, in dit geval geen sprake is. Ook anderszins is niet gebleken van factoren die aanleiding zouden kunnen zijn om een uitzonderingssituatie aan te nemen. Hieruit volgt dat het water uit de effluentsloot moet worden aangemerkt als een (onderdeel van een) oppervlaktewaterlichaam. Dat, zoals de maatschap aanvoert, het water van de effluentsloot naar een afgesloten buffersloot wordt gepompt en dit water nooit deel heeft uitgemaakt van het slotensysteem, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat de maatschap water (direct) uit de effluentsloot heeft onttrokken, die wel een oppervlaktewaterlichaam is, zoals uit het voorgaande volgt.

Het betoog van het dagelijks bestuur slaagt. Het betoog van de maatschap slaagt niet.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 18-02-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2026:917
Odile Scholte

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder