Een redelijke uitleg van het omgevingsplan brengt met zich mee dat, daar waar het voorliggende bestemmingsplan voorzag in een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen onder de Wabo, deze bevoegdheid nog steeds bestaat, gelet op artikel 22.281 van het omgevingsplan. Zolang wordt voldaan aan de beoordelingscriteria in het bestemmingsplan, hoeft niet te worden getoetst aan ETFAL.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Valkenswaard (het college) heeft een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleend voor het realiseren van een fietspad. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de vergunning. Met het bestreden besluit heeft het college de verleende omgevingsvergunning met een aanvullende motivering gehandhaafd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Omdat de voorzieningenrechter na het sluiten van het onderzoek tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eiseres daartegen (artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht maakt dat mogelijk).
Rechtsvraag
Hoe moet worden omgegaan met aanlegvergunningenstelsels in bestemmingsplannen die onderdeel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan?
Uitspraak
Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in een aanlegvergunningenstelsel voor het aanleggen van werken. Hoe moet hiermee worden omgegaan onder de Omgevingswet?
Voor oude aanlegvergunningen voorziet artikel 22.278 in een specifieke regeling in het Omgevingsplan met een aparte weigeringsgrond (strijd met voorbereidingsbesluit). Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft een voorbereidingsbesluit van kracht is. Met andere woorden, artikel 22.278 voorziet in een aanvullende weigeringsgrond. Hierin is niet bepaald dat de omgevingsvergunning moet worden verleend.
In artikel 8.0a, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een omgevingsplanactiviteit, als het gaat om een activiteit waarvoor in het omgevingsplan is bepaald dat het is verboden deze zonder omgevingsvergunning te verrichten, de omgevingsvergunning wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning.
In artikel 22.280 van het Omgevingsplan is bepaald dat voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, deze bepaling geldt als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Vervolgens is in artikel 22.281 van het Omgevingsplan bepaald dat voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, deze verplichting wordt gelezen als een bevoegdheid.
Aanlegvergunningenstelsels waren in bestemmingsplannen op tal van verschillende wijzen geformuleerd. Soms zijn deze stelsels dwingend (bijvoorbeeld dat de aanlegvergunning wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de criteria). Soms omvatten deze regels een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen, zoals in de aanlegvergunningenstelsels in paragraaf 5.6 van het bestemmingsplan ‘Buitengebied’, of 3.4 en 6.4 van het bestemmingsplan ‘Dommelkwartier’.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat een redelijke uitleg van het Omgevingsplan met zich meebrengt dat, daar waar het voorliggende bestemmingsplan voorzag in een bevoegdheid om een aanlegvergunning te verlenen onder de Wabo, deze bevoegdheid nog steeds bestaat, gelet op artikel 22.281 van het Omgevingsplan. Het bestaan van artikel 22.278 van het Omgevingsplan doet hier niets aan af, want dat artikel voorziet alleen maar in een extra weigeringsgrond. Uit artikel 8.0a, eerste lid van het Bkl vloeit dus niet de verplichting voort om deze omgevingsvergunning te verlenen. Bij gebruik van een bevoegdheid heeft het college beoordelingsruimte en kan het college andere aspecten betrekken. Artikel 2.1, eerste lid, onder b, van de Wabo en artikel 2.11, eerste lid van de Wabo verplichtten het college echter niet om te toetsen of sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Strijd met een goede ruimtelijke ordening was dus geen weigeringsgrond. Alleen als de omgevingsvergunning in strijd was met de beoordelingscriteria in het aanlegvergunningenstelsel, verplichtte artikel 2.11, tweede lid van de Wabo het college tot een toetsing aan goede ruimtelijke ordening. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat het college niet gehouden is om de gevraagde omgevingsplanactiviteit nu (onder de Omgevingswet) te toetsen aan ETFAL zolang wordt voldaan aan de in het bestemmingsplan genoemde beoordelingscriteria. Het college hoeft niet te toetsen aan artikel 8.0b van het Bkl en dus ook niet te toetsen aan de provinciale instructieregels ingevolge hoofdstuk 5 van het Bkl. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het afwijkende advies van de commissie niet is gevolgd.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 28-08-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2026:6149
Ruud Veenhof