Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6063: Awb, Wro; vovo, bpl, verbreding bestaand fietspad, afwijzing verzoeken, provinciale verordening, Natuur Netwerk Brabant, groenbeleidsplan, alternatievenafweging, beleidsruimte, zienswijzennota, verkeersveiligheid, aantal fietsbewegingen, snelheidsregime, capaciteit, belangenafweging, start werkzaamheden, omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6055: Awb; verzoek opheffing getroffen voorlopige voorziening, handhaving, dwangsom, opdracht onderstempelen pand/te verstrekkende voorlopige voorziening, bodemprocedure, constructieve veiligheid, scheurmeters, nulmeting, scheurvorming, afwijzing verzoek
ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6034: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunningen omgevingsplanactiviteit bouwwerken en technische bouwactiviteit, uitbreiden woning, bpl/onderdeel tijdelijk deel omgevingsplan, 22.26 omgevingsplan, artikel 8.0a lid 1 Bkl, beslissen op de aanvraag, splitsing bouwplan, één geheel, functioneel en bouwkundig opzicht, fundering, draagconstructie, bezwaarprocedure, volledige heroverweging, herstelbaar, herroepen besluit (Rb Zeeland-West-Brabant 26/469, 26/470 en 26/1905)
ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6054: Awb, Ow; vovo, besluit tot wijziging, omgevingsplan, verbod om zonder omgevingsvergunning gewasbeschermingsmiddelen te (laten) gebruiken, spoedeisend belang, overgangsrecht, wisselteelt, gebruik twee jaar voortzetten, bouw woningen, afwijzing verzoek
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6039: Awb, Wabo; vovo en kortsluiten, handhaving, dwangsom, overkappingen, houden paarden, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, bevoegdheid rechtbank, geen primair besluit, vervangend besluit op bezwaar, mogelijkheid voorafgaand nemen besluit/mondeling of schriftelijk reageren (Rb Rotterdam 26/5755 en 26/244)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6085: Awb, Wro; bpl, aanvullende motivering, beleidsstukken, intentieovereenkomst, gemeentelijke omgevingsvisie, Omgevingswet, toepasselijke recht procedure, actieplan woningbouw, goothoogte, oordeel tussenuitspraak, geen uitzonderlijk geval, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6087: Awb, Wro; bpl, woningbouw, ontvankelijkheid, zienswijze, Varkens in Nood, nieuwe stikstofberekening, rechtop inspraak, ladder voor duurzame verstedelijking, kwantitatieve behoefte, verdere groei behoefte, te slopen woningen, harde plancapaciteit, kwalitatieve behoefte, luchtkwaliteit/relativiteitsvereiste, gebiedsbescherming, stikstofdepositie, Natura 2000-gebieden, bouwfase, gefaseerde ontwikkeling, woningbouwplanning, reëel en aannemelijk uitgangspunt, AERIUS Calculator, rekenafstand, elektrische werktuigen, gebruiksfase, Instructie gegevensinvoer, verkeer, heersende verkeersbeeld, cumulatie, weidevogelkansgebied, provinciale verordening, compensatie, bufferzone, verstorende effecten, Kaderrichtlijn water, waterkwaliteit, waterhuishouding, vochtproblemen kruipruimte/relativiteitsvereiste, MER, vrijstellingen, eerste besluit, m.e.r.-beoordeling, aanmeldingsnotitie, verkeer, woningtype, representatieve invulling maximale mogelijkheden, verkeersveiligheid, woon- en leefklimaat, gelijkheidsbeginsel, soortenbeschermingsregime, uitvoerbaarheid, Didamarrest, Hoge Raad, planschade, uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6082: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, positieve weigering, wijzigen garagegevel, omzetten gebruik naar logiesfunctie, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank, gevelwijziging, Bor, achtererfgebied, openbaar toegankelijk gebied, functioneel verbonden met hoofdgebouw, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Noord-Holland 23/819)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6096: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, aanleggen padelbanen, artikel 2.10 Wabo, limitatief-imperatief stelsel, speel of sportvelden, geen strijd bpl, evenredigheidsbeginsel, voldoen aan Activiteitenbesluit, handhavingskwestie, zorgvuldigheid voorbereiding, bekendmaken besluit in zomervakantie (Rb Noord-Holland 22/6255)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6095: Awb, Wabo; omgevingsvergunning tijdelijk plaatsen containers voor opslag, kantoor, toiletunit, voedselbos, afwijking advies bezwaarschriftencommissie, herstel omschreven gebreken, agrarische bestemming, omschrijving project aanvraag, plattegrond, definitie Van Dale, Algemeen Nederlands Woordenboek, kantoor, tijdelijkheid, beleidseregels (Rb Zeeland-West-Brabant 23/905)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6099: Awb, Wro; weigering vaststellen bpl, hotel, maximale goothoogte, aantal hotelkamers, parkeren, (on)voldoende parkeergelegenheid, parkeerbehoefte, juistheid berekening parkeerbehoefte, beleidsregel, gemeentelijk parkeerbeleid/omgevingsvergunningen bouwen, salderen, second opinion, motivering gehanteerde parkeernorm
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6086: Awb, Wro; wijzigingsplan, woningbouw, kleinere woning dan gewenst, inhoud woning, inhoud wijzigingsbevoegdheid, uitleg planregel, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, sloopbonusregeling, “bestaande woning”, begrippen “bestaand bouwwerk” en “bestaande situatie”, vertrouwensbeginsel, geen toezegging of andere uitlating, principebesluit, onder voorbehoud geformuleerd
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6068: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, legaliseren nokhoogte, bijgebouw, woon- en leefklimaat, ruimtelijke aanvaardbaarheid, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, bezonningsonderzoek, geen contra-expertise, redelijke eisen van welstand, welstandsadvies, bouwmogelijkheden geldende plan, Bouwbesluit 2012 (Rb Limburg 21/1493 en 21/1507)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6068: Awb, Wro; bpl, woningbouw, participatie, wettelijke procedure, gemeentelijke inspraakverordening, participatiebeleid, bouwverkeer, uitvoeringsaspecten, verkeer, verkeersintensiteit, waterberging, waterhuishouding, Keur en Beleidsregels, publiekrechtelijk gewaarborgd, voorwaardelijke verplichting, uitzicht, privacy, cultuurhistorisch uitzicht, zichtlijnen
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6081: Awb, Wro; bpl, woningbouw, slopen bestaande woningen, nieuwe woningen bouwen, technische staat verouderd, duurzaamheidseisen, renovatie, toepasselijkheid Chw, geen nieuwe beroepsgronden, participatie, wettelijke procedure, geen wettelijke verplichting overleggen met omwonenden, draagvlak, gewone meerderheid, belangenafweging/ruimtelijke aanvaardbaarheid, voor- en nadelen alternatieven, parkeren, parkeerbehoefte, geluid, tuin, aanvaardbaar woon- en leefklimaat, geluidbelasting op de gevel, voorkeursgrenswaarde, maximumsnelheid, privacy, luchtkwaliteit, m.e.r.-beoordeling, stedelijk ontwikkelingsproject, drempelwaarde, uitvoeringsaspecten, waardevermindering
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6094: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, bedrijfsgebouw met bijgebouw, paardenhouderij, noodzaak, provinciale verordening, eerder bedrijfswoning afgestoten/niet het geval, spuitzones, locatie toegesneden onderzoek, dergelijk onderzoek nodig, representatieve bedrijfsvoering, teelsoorten, spuitbelasting, afschermend groen, driftreducerende maatregelen, nieuw besluit, bedrijfsprocessen, redelijk belang, zelfstandigheid bedrijf (Rb Oost-Brabant 24/2060)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6083: Awb, Wabo; omgevingsvergunning uitvoeren werkzaamheden, legakkerherstel, rasters en rietkorven voor ganzen, oeverbeschoeiing, plaatsen palen afkalving, verwijderen houtopstanden, grasbetonstenen, damwanden, vooronderzoek, advies deskundige, concrete aanknopingspunten voor twijfel, actuele gegevens, PFAS- en ijzergehaltes, voorzitter adviescommissie, vooringenomenheid, persoonlijk belang (Rb Midden-Nederland 24/7075 en 24/7076)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6069: Awb, Wabo; omgevingsvergunning uitvoeren werk en afwijken bpl, aanleggen tijdelijk waterbassin, aanbrengen geluidwal, staalslakken, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, kwelgebied, opwaartse stroming, ringsloot om bassin, risico vervuiling grondwater (Rb Gelderland 23/3214)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6067: Awb, Wro; bpl, tracébesluit, verbeteren bereikbaarheid Zuidas, openbaar vervoer, weg, uitvoering tracébesluit, procedure, bieden inspraak, wettelijk geregelde procedure, geluid, nut geluidscherm, verbetering woon- en leefklimaat, fly over, schaduw, uitzicht
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6077: Awb, Wro; bpl, grotendeels conserverend, procedure, wettelijke procedure, inspraakverordening, in kennis stellen terinzagelegging ontwerpplan, tuin- en woonbestemming, erfafscheidingen, categorie bijlage II Bor, voorgevelrooilijn, feitelijke situatie, parkeren, feitelijk bestaande gebruik, overgangsrecht, beperking bouwmogelijkheden, particulier initiatief, waardevermindering, tussenuitspraak
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5965: Awb, Gmw; afwijzing aanvraag exploitatievergunning, APV, cafetaria, lunchcafé, feitelijke situatie, woon-en leefsituatie, nadelig beïnvloeden (Rb Gelderland 24/1625)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5963: Awb, Gmw; handhaving, bestuursdwang, cafetaria, lunchcafé, APV, geen exploitatievergunning, uittreding vennoot, toetreding vennoot, van rechtswege vervallen, “gewijzigde exploitant”, geen definitie, rechtszekerheid, niet voldoende eenduidig, meerdere natuurlijke personen, zonder besluit, praktische en juridische gevolgen, klip en klaar, buiten toepassing laten, niet van rechtswege vervallen, ten onrechte last opgelegd (Rb Gelderland 23/2427)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6075; verzoek om schadevergoeding, opgelegde last onder dwangsom, permanente bewoning recreatiewoning, strijd bpl, geen omgevingsvergunning, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank (Rb Gelderland 23/3820)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6084: Awb, Wnb; ontheffing, beschadigen of vernielen voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, gewone dwergvleermuis, vastgoedbedrijf, renoveren kantoorpand, realiseren woningen, goede procesorde, verweerschrift, omvang en inhoud, ontbrekende stukken, handhavingscontrole, zorgvuldigheid totstandkoming, Vleermuisprotocol, onderschrijven oordeel rechtbank (Rb Oost-Brabant 24/1790)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6074: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; schriftelijke waarschuwing preventieve stillegging werk, boete, gecertificeerd asbestsaneringsbedrijf, werknemers, asbesthoudende dak- en plafondplaten, Arbobesluit, Beleidsregel, platenzakken in werkbus, werkplan/zakken op de steiger, noodzakelijk om overtreding te voorkomen, bewijslast, matigingsgrond, adequate instructies, inschatting risico’s werkzaamheden, Nederlandse Arbeidsinspectie, certificerende instelling, rechtszekerheidsbeginsel (Rb Gelderland 24/1601)
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6079: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, begeleid wonen, (jong)volwassen, verstandelijke beperking, vertrouwensbeginsel, geen gerechtvaardigd vertrouwen, e-mail ambtenaar VTH, 24-uurszorg, geen begrip bpl, eenduidige uitleg, uitlatingen onvoldoende concreet, behandeling bezwaar, mogelijkheid Awb/instellen rechtsmiddelen, uitlatingen college tijdens hoorzitting, andere uitlatingen/niet aannemelijk gemaakt (Rb Midden-Nederland 24/7715, 24/7729 en 24/7660)
ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6097: Awb, Ow; TAM-omgevingsplan, wijziging omgevingsplan, woningbouw, verduurzamen woningen, deel renoveren, deel sloop/nieuwbouw, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, participatie, Omgevingsbesluit, beleidsdocument, geen gemeentelijke omgevingsvisie, niet ingetrokken, waarde groen/belangenafweging, goot- en bouwhoogte, bouwmogelijkheden omliggende percelen, afstand, zonnepanelen, parkeren, verschillende woningen/verschillende parkeerbehoefte, bedoeling raad, aantal parkeerplaatsen, tussenuitspraak
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6092: Awb, Wm, Gmw; aanwijzing locatie, plaatsen ondergrondse inzamelcontainers, alternatieve locatie, aanvullende motivering, beoordeling verkeerssituatie/verkeersdeskundige, maximumsnelheid, verkeersintensiteit, voetgangers, wezenlijk geschikter, haakse zichtlijnen, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6092: Awb, Wm, Gmw; handhaving, spoedeisende bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, verwijderen stuk karton, naam- en adresgegevens, bewijsvermoeden, toedoen van derden, onvoldoende twijfel gezaaid, geen concrete omstandigheden, meerdere scenario’s, onvoldoende voor ontkrachten bewijsvermoeden
* Rechtbank Midden-Nederland 14 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:7023: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, horecapaviljoen, parkeren, voldoende parkeerruimte, toename parkeerbehoefte, bestaand tekort, voorschrift, toegankelijk zijn en blijven, huurovereenkomst, intentieovereenkomst, woon- en leefklimaat, ruimtelijke onderbouwing, horeca-exploitatievergunning
* College van Beroep voor het bedrijfsleven 13 oktober 2026, ECLI:NL:CBB:2026:491: Awb, Msw; boetes, intrekking derogatievergunning, bewijsmaatstaf, naleving gebruiksnormen, grote kamer, memorie van toelichting, administratie, meststoffenhuishouding, concrete feiten en omstandigheden, samenwerkingsverband, maatschap, melkleveranties, kaasovereenkomsten, oppervlakte landbouwgrond, verklaringen, feitelijke beschikkingsmacht, grondmonsters, letterlijke herhaling aangevoerd in beroep, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordelen rechtbank, forfaitaire mineralengehalten, voorraadforfait, verjaringstermijn, hoogte boetes, punitieve sancties, hoge schuldenlast, zwaar gefinancierd eigen vermogen, niet draagkrachtig genoeg, betalingsregeling, matiging, overschrijding redelijke termijn, evenredigheid intrekkingsbesluit, belangenafweging (Rb Midden-Nederland, ECLI:NL:RBMNE:2025:3610)
* Rechtbank Rotterdam 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13796: Awb; vovo, afwijzingen aanvragen standplaatsvergunning, loempiakraam, kennelijk ongegrond, uitspraak zonder zitting, standplaatsvrij gebied, herhaalde aanvraag, nieuwe feiten en/of omstandigheden, spoedeisend belang, onverwijlde spoed, eerder soortgelijke aanvragen, levensonderhoud, gelegenheid onderbouwing stelling, niet nader onderbouwd
* ABRvS 12 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5998: Awb, Wro; vovo, bpl, woonzorgcomplex, omgevingsplanactiviteit, ordemaatregel, kappen bomen, gemeentelijke lijst waardevolle bomen, voorwaardelijke verplichting, alternatieve locaties, verkeer, verkeersintensiteiten, verkeersveiligheid, vleermuizen, onherroepelijke ontheffing, bodemverontreiniging, bodemonderzoek, opheffen voorlopige voorziening
* ABRvS 9 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5978: Awb, Wro; vovo, bpl, transformatie bestaand bedrijventerrein, wonen/bedrijvigheid, ondergronds brengen hoogspanningsverbinding, kap bomen, schorsing plan, verkabeling, kapvergunning, APV, onherroepelijk, geen planregels kap bomen, afwijzing verzoek
Rechtbank Midden-Nederland 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6806: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, realiseren uitweg, parkeren op eigen perceel, Verordening fysieke leefomgeving, verkeersveiligheid, smalle straat, uitrijdmanoeuvres, draaicirkel, rijcurvesimulatie, auto gemiddelde afmeting, erfafscheiding, zicht, vergunningvrij, verkeerskundig advies
Rechtbank Noord-Holland 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13961: Awb, Ow; omgevingsvergunning bouwproject, bibliotheek, horeca en appartementen, tijdelijk deel omgevingsplan, ontvankelijkheid beroep, machtiging, uittreksel handelsregister, parapluplan wonen, indeling en oppervlakten, strijdig gebruikregel, één huishouden, parapluplan parkeren, beschikbaarheid parkeerruimte, niet-openbare parkeergarage, parkeerbehoefte, parkeerplaatsen, kettingbeding, parkeernorm, bandbreedte, afstand tot HOV-halte of treinstation, wijze van meten, beeldkwaliteitsplan, voorschrift, horeca-activiteiten, bouwhoogte
Rechtbank Noord-Nederland 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4426: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, activiteiten bedrijfsloods, omgevingsplan, agrarisch bedrijf, productiehandelingen, constatering controlerapport, aard, omvang en frequentie,
* Rechtbank Noord-Holland 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13701: Awb, Gmw; vovo, handhaving, bestuursdwang, exploitatie hotel, APV, exploitatievergunning, bevoegdheid handhavend optreden/niet in geschil, beginselplicht tot handhaving, concreet zicht op legalisatie, vergunning geweigerd, vertrouwensbeginsel, vast stappenplan, uitlatingen of gedragingen, privaatrechtelijke toestemming, evenredigheidsbeginsel, begunstigingstermijn, belangenafweging, ondernemersrisico, benodigde omgevingsvergunning geweigerd, afwijzing verzoek
* Rechtbank Overijssel 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6024: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, realiseren kleinschalige camping en plattelandskamers, ontvankelijkheid, belanghebbende, rechtstreeks gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, afstand, zicht, vennootschap onder firma, stichting, statuten, principebesluit, geen rechtstreeks en actueel belang, grondslag, afwijkingen van bestemmingen, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, voorschriften, landschapsplan, terreinindeling, speelweide, belangenafweging, woon- en leefklimaat, planologische voorwaarden, ecologisch vooronderzoek, beschermde soorten
* Rechtbank Amsterdam 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9836: BW; overheidsaansprakelijkheid, onrechtmatige daad, bed & breakfast, huisvestingsverordening, bestuurlijke boete, uitspraak Afdeling, lening, gedwongen tot verkoop woning, genereren inkomsten, AOW, schade, toerekening aan gemeente, causaal verband, afwijzing vorderingen
Rechtbank Gelderland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7661: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwen, woning, omvang geding, afstand perceelsgrens, uitleg planregel, rechtszekerheid, letterlijke uitleg, mogelijke ontplofbare oorlogsresten, woonbestemming/geen strijd, belangenafweging ruimtelijke effecten/totstandkoming bpl, verbindendheid bpl, exceptieve toetsing
* Rechtbank Gelderland 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7658: Awb; weigering omgevingsvergunning overkapping en veranda, andere omgevingsvergunning/onherroepelijk, bezwaar niet-ontvankelijk, ontbreken procesbelang, geen belang bij inhoudelijke behandeling, al bereikt wat is beoogd, bouwplan vergund en gerealiseerd, eerdere plan/niet op dezelfde locatie realiseren, schade, gesteld noch gebleken
Rechtbank Gelderland 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7605: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, vervangen glas, voorgevel woning, gemeentelijk monument, artikel 22.8 Omgevingswet, Verordening fysieke leefomgeving, belang monumentenzorg, advies commissie, concrete aanknopingspunten voor twijfel, geen tegenadvies, belangenafweging, individuele omstandigheden, achterzetglas, opbouwdikte kozijnen
Rechtbank Limburg 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10628: Awb, Ow; vovo een kortsluiten, handhaving, dwangsom, verkoop ijsbolletjes, omgevingsplan, omgevingsvergunning, heroverweging, tweeslag, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, ETFAL-toets, uitvoerbaarheid verkeersoplossing, bereidheid meedenken, feiten en omstandigheden en recht, moment nemen bestreden besluit, belangenafweging, belang verkeersveiligheid, beschermde assen, noodzaak, evenwichtig, bedrijfsmatige afweging
* Rechtbank Oost-Brabant 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7108: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, graanhandel, tijdelijk verruimen geluidniveaus, IPPC-installatie, RIE, geluidzone, MTG-waarden, geluidbeheersplan, BBT-conclusie, controlevoorschriften, gevoelige receptoren, maatregelen, geluidsscherm, geluidniveau, Omgevingswet, Besluit kwaliteit leefomgeving
* Rechtbank Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29675: afwijzing handhavingsverzoek, horeca-activiteiten, toepasselijke planologische kader, bpl, omgevingsvergunning, functieaanduiding, kookworkshops, zorgvuldige voorbereiding, deugdelijke motivering, advies bezwaarschriftencommissie, (on)duidelijkheid norm, in een concreet geval/uitleg geven aan begrip, letterlijke betekenis planregel, systematiek, plantoelichting, algemeen spraakgebruik Van Dale, bouwregels, artikel 3 bijlage II bij het Bor
* Rechtbank Gelderland 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7450: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, afwijken bpl en uitvoeren van een werken en/of werkzaamheden, aanleg pottelveld boomteelt, ontvankelijkheid beroep, zienswijze, Varkens in nood, relativiteitsvereiste, feitelijke werkzaamheden, algemene belangen statuten, wijziging bpl, beslissen op de aanvraag, goede ruimtelijke onderbouwing, geen verplichting volgen bpl-procedure, gemeentelijke visie, landschapstype, boompalen, bouwregels, bestemming, spuitvrije zone, afstand 50 m, gevoelige functies, op locatie toegesneden onderzoek, archeologisch onderzoek, bepalen oppervlakte, geen wijze van meten, aanvraagvereisten, mate van verstoring, opstelsom
Rechtbank Gelderland 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7454: Awb, Ow; intrekking omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit, intrekkingsgrond, Besluit kwaliteit leefomgeving, Circulaire Wet Wapens en Munitie (Cwm 2019), vrees voor misbruik, processen-verbaal, open, algemene veiligheidsnormen, nader onderzoek, relevante feiten en omstandigheden, nader horen agenten, reconstructie uitvoeren
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9470: Awb; verzoek om proceskostenvergoeding, omgevingsvergunning fase 1, landmark, realiseren hotel, geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen, intrekking omgevingsvergunning, verzoek derde, afwijken uitgangspunt, tussenuitspraak, hoogte bedrag proceskosten
* Rechtbank Noord-Nederland 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4332: Awb; vovo, handhaving, bestuursdwang, verwijderen noodwoning en vouwwagen, afwijzing aanvraag omgevingsvergunning voortzetten gebruik noodwoning, verweerschrift, goede procesorde, niet kortsluiten, connexiteitsvereiste, onrechtmatig feitelijk handelen/burgerlijke rechter, belangenafweging, vervangende woonruimte, beginselplicht tot handhaving, afwijzing verzoek
Rechtbank Gelderland 30 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7732: Awb, Ow; handhavingsverzoek, gewasbeschermingsmiddelen/bestrijdingsmiddelen, vermeende oppervlakte- en grondwaterverontreiniging, Habitatrichtlijn, Besluit activiteiten leefomgeving, waterschapsverordening, aanvraag, (on)voldoende concreet, bewijs, enige aanknopingspunten, KRW, uitvoeren controles, onvoldoende aanknopingspunten, geen aanvraag, geen besluit, bezwaar niet-ontvankelijk, kadastrale perceelsaanduidingen, maatwerkvoorschriften
* Rechtbank Overijssel 30 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5833: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen, zonnepanelen, redelijke eisen van welstand, welstandsadvies, planologische bouwmogelijkheden, gedetailleerd, silo, gemeentelijk monument, ribben, gelijkheidsbeginsel, niet vooringenomen
* Rechtbank Den Haag 28 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29679: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, bpl, gebruik pand, kantoorbestemming, maatschappelijke voorziening, procesbelang beroep, belang bij uitkomst procedure, gestelde schade, belang bij inhoudelijk oordeel, overtreding, rechtszekerheid, letterlijke betekenis planregel, plansystematiek, toelichting, algemeen spraakgebruik, Van Dale, “dienstverlenend bedrijf”, winstoogmerk, samenwerkingsorgaan gezondheidszorg, strijd bpl, geen omgevingsvergunning, bevoegd tot handhavend optreden, beginselplicht tot handhaving, détournement de pouvoir, formulering last, rechtszekerheidsbeginsel
Rechtbank Midden-Nederland 25 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6596: Awb, Ow, Gmw; handhaving, bestuursdwang, verblijven in tent, verwijderen tent, omgevingsplanactiviteit, verkeersbestemming, strijd omgevingsplan, Verordening fysieke leefomgeving, beginselplicht tot handhaving, bijzondere omstandigheden, precaire gezondheid, grondwet, EVRM, alternatieve opvangplekken, afhouden geboden begeleiding, belangen derden, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9469: Awb, Ow; bekrachtiging onteigeningsbeschikking, bedenkingen, realiseren kindcentrum, TAM-omgevingsplan, ambtshalve basistoets, ontvankelijkheid verzoek, tijdig, indieningsvereisten, bedenkingen ontvankelijk, wettelijke vormvoorschriften, logboeken, onteigeningsbelang, gevolgen bedrijfsvoering, gronden planologisch/beroepsprocedure Afdeling, noodzaak, minnelijk overleg, schriftelijk aanbod, grondprijs, Koninklijk Besluit, bod in vervangende grond, schadeloosstelling in geld, urgentie
Rechtbank Noord-Holland 24 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12713: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, bed & breakfast, gelijkheidsbeginsel, eigendomsrecht, omgevingsplan, definitie “zelfstandige woonruimte”, WOZ, geen bouwkundige wijzigingen, vereiste van ondergeschiktheid, uitzondering, hotelmarktonderzoek, ruimtelijke relevantie, brancheonderzoek, schaarste in woonruimte, belangenafweging, participatieverslag, tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 24 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:13038: Awb; vovo, handhaving, dwangsom, artikel 5:20 lid 1 Awb, platform Airbnb, verstrekken gegevens, onverwijlde spoed, risico verbeurte dwangsom, financieel belang, financiële compensatie/achteraf onrechtmatig, financiële noodsituatie, gesteld noch gebleken, afwijzing verzoek
Rechtbank Midden-Nederland 23 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6553: Awb, Ow; vovo, plaatsing fietstrommels op parkeerplaats, kennelijk niet-ontvankelijk, uitspraak zonder zitting, Wijkbericht/geen besluit, geen publiekrechtelijke grondslag, beschikkingsbevoegde, straatmeubilair, vergunningvrij Omgevingswet, Besluit bouwwerken leefomgeving, feitelijke handeling
* Rechtbank Overijssel 23 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5898: BW; bouw woning, wateroverlast, bouwpeil, referentiepeil, NAP, vordering/verklaring voor recht, aansprakelijkheid schade, veroordeling schadevergoeding, grondwaterzorgplicht, Waterwet, Omgevingswet, rapporten, structureel probleem, afvoersysteem, infiltratiekratten, oorzaak, peilbuismetingen, grondboringen, meetgegevens, bodemsamenstelling, onvoldoende duidelijkheid oorzaak, benoemen nieuwe deskundige, wenselijkheid nieuw deskundigenbericht, specialisme deskundige(n), vragen, tussenvonnis
Rechtbank Midden-Nederland 17 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6483: Awb, Ow; e-mailbericht, handhavingsverzoek, ambtshalve/last onder dwangsom opgelegd, overtredingen omgevingsplan, aanvraag, verzoek van belanghebbende, eenduidig en ondubbelzinnig, welke overtreding(en), welke overtreder(s), inwerkingtreding Omgevingswet, afdeling ruimtelijke ordening, aanduiding als “formeel” verzoek, bezwaar ten onrechte ontvankelijk, geen aanvraag, zelf in de zaak voorzien, bezwaar niet-ontvankelijk
Rechtbank Den Haag 17 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29673: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, bouwen aanbouw, omgevingsplan, bruidsschat, vergunningvrij, omgevingsplanactiviteit bouwwerken, uitzonderingen, Nota van Toelichting Bor, bedoeling wetgever, zo veel mogelijk beleidsneutraal, technische bouwactiviteit, ingaan op bezwaargronden, verwijzing advies adviescommissie
* Rechtbank Den Haag 16 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30048: BW; kort geding, verbouwwerkzaamheden, omgevingsvergunning, schorsing voorzieningenrechter, schaduwonderzoek, verlies opbrengst zonnepanelen, beslissing op bezwaar, tweede omgevingsvergunning, onrechtmatige hinder, aard, de ernst en de duur van de hinder, schade, omstandigheden van het geval, slaapkamer, terras, overschaduwd, verkokering, uitzicht, woon- en leefklimaat, foto’s, stedelijke omgeving, belangenafweging, bouwstop, afbreken bouwwerken, afwijzing vorderingen
Rechtbank Den Haag 16 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29453: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, garage met bergzolder en overkapping, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voorschriften, bouwtekeningen, nieuwe eigenaar, voldoende waarborgen, mogelijkheid indienen handhavingsverzoek
Rechtbank Den Haag 16 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29431: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoeken, planregels, doorvaarbaarheid en beweegbaarheid van bruggen, instructieregels, provinciale verordening, omgevingsplan, geen bindende regels, Vaarwegverordening, geen overtreding wettelijk voorschrift, waterschapsverordening, handhavingsverzoek hoogheemraadschap
* Rechtbank Den Haag 15 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:28886: Awb; omgevingsvergunning overkapping ten behoeve van stofzuigerplaatsen, autowasserij, bezwaar niet-ontvankelijk, belanghebbende, feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, persoonlijk, rechtstreeks betrokken belang, afstand, overlastgevende activiteiten, kwestie van handhaving
Rechtbank Midden-Nederland 14 september 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6510: Awb, Ow; weigering omgevingsplanactiviteit, dakkappelen, redelijke eisen van welstand, beoordelingscriteria, plaatsingscriteria, openbaar gelegen zijdakvlak, begrip omgevingsplan, doorgetrokken gevel, geen deskundig tegenadvies, gelijkheidsbeginsel, belangenafweging, evenredigheid, financiële gevolgen
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8759: Awb; beroep kennelijk niet-ontvankelijk, uitspraak zonder zitting, beroepstermijn, zes weken, bekendmaking besluit, verzending per post, niet tijdig ingediend, verschoonbaarheid, ziek familielid, overschrijding twee dagen, geen verontschuldiging, digitaal, pro forma beroepschrift, afstand/geen rol, niet met stukken onderbouwd
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8798: Awb, Ow; vovo, handhaving, dwangsom, omgevingsplan, huisvesting arbeidsmigranten, verzoekers/eigenaar en huurder hotel, horeca, “verstrekken nachtverblijf”, motief verblijf, hotelbestemming, duur verblijf per gast, duidelijke grenzen/niet op te maken, maanden, overtreding/staat niet duidelijk genoeg vast, behandeling bezwaar, toewijzing verzoek, schorsing bestreden besluiten
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8748: Awb, Ow; omgevingsvergunning technische bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit en bopa, bed & breakfast voorziening, hippisch centrum, aanvraag, vergroting bouwvlak, paddocks of herbouw woning, aanvraagformulier, primaire besluit niet gewijzigd of aangevuld, geen onderdeel vergunning, gedeeltelijke weigering, nog niet beslist, ontvankelijkheid, belanghebbende, rechtsgevolg, omgevingsplan, AI, reformatio in peius, onduidelijkheid juridische situatie, finale geschilbeslechting, nevenactiviteit bij hoofdfunctie, maximale oppervlak, ruimtelijke onderbouwing, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, rechtsonzekerheid
Rechtbank Overijssel 8 september 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5960: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bopa, tijdelijke woonunit, beleidsruimte, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, agrarische bestemming, motiveringsgebrek, aanvullende motivering, buitengebied, geenbebouwing, precedentwerking, belangenafweging, feitelijk gebruik, omgevingsplan leidend, fysieke leefomgeving, passeren gebrek
* Rechtbank Den Haag 3 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29669: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, verbouwen boerderij, tijdelijk gebruiken als informatiecentrum, belanghebbende, aangrenzend perceel, feitelijke gevolgen/van enige betekenis, vennootschap onder firma, procesbelang, geen toets aan goede ruimtelijke ordening/verkeer, parkeervoorschrift, parapluplan/regeling parkeren, finale geschilbeslechting, zelf in de zaak voorzien
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9381: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, ambtshalve overwogen, geen vvgb, intrekking bestreden besluit, opnieuw verlenen omgevingsvergunning na vvgb, geen procesbelang, niet-ontvankelijk, artikel 6:19 Awb, gebrek hersteld, beroep ongegrond
* Rechtbank Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29517: Awb, Gmw; vovo, evenementenvergunning, horecaonderneming, zangers, DJ, live muziek, geluidvoorschriften, equivalente geluidsniveau, geluidgevoelige gebouwen, geluidmetingen, omgevingsdienst, handhavers ingeroosterd, pakket aan maatregelen, tripleglas, spouw, trommeleffect, geluidtechnicus, evenementenbeleid, afwijzing verzoek
Rechtbank Den Haag 25 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29425: Awb, Ow; handhaving, bestuurlijke boete, Besluit bouwwerken leefomgeving, opslaan illegaal vuurwerk, strafbeschikking, ne bis in idem-beginsel, una via-beginsel, dezelfde feitelijke gedraging, dezelfde beschermde rechtsgoederen, dezelfde strafmaxima, bevoegdheid college
* Rechtbank Noord-Holland 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:12874: Awb; handhaving, invordering, gronden last onder dwangsom/uitzonderlijke gevallen, evident geen overtreding, controlerapport, ambtseed of ambtsbelofte, bewijskracht, overtreder, gedraging fysiek heeft verricht, functionele pleger, evenredigheid invordering, zwaarwegend gewicht/belang invordering, bijzondere omstandigheden, herstelsanctie, financiële positie
* Rechtbank Noord-Nederland 29 mei 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4383: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, kinderopvang en woningbouw, Chw, ruimtelijke aanvaardbaarheid, feitelijk hogere bebouwing, redelijke eisen van welstand, aanvulling onderbouwing, welstandscommissie, gebiedsgerichte criteria, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Nederland 4 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4382: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, kinderopvang en woningbouw, Chw, verklaring van geen bedenkingen, ambtshalve beoordeling, aanwijzingsbesluit, passeren gebrek, vrijwaringszone molenbiotoop, relativiteitsvereiste, participatie, bouwvolume, bezonning, lichte TNO-norm, geluid, VNG-brochure, omgevingstype, privacy, redelijke eisen van welstand, welstandsadvies, welstandsnota, welstandscriteria, tussenuitspraak

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6034: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunningen omgevingsplanactiviteit bouwwerken en technische bouwactiviteit, uitbreiden woning, bpl/onderdeel tijdelijk deel omgevingsplan, 22.26 omgevingsplan, artikel 8.0a lid 1 Bkl, beslissen op de aanvraag, splitsing bouwplan, één geheel, functioneel en bouwkundig opzicht, fundering, draagconstructie, bezwaarprocedure, volledige heroverweging, herstelbaar, herroepen besluit (Rb Zeeland-West-Brabant 26/469, 26/470 en 26/1905)
8.1.Het college moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De door [appellant A] en [appellant B] ingediende aanvraag zoals die voorligt, ziet op een bouwplan dat zowel het eenlaagse als het tweelaagse gedeelte van de uitbreiding van de woning omvat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT7390) is splitsing van een bouwplan dat uit verschillende onderdelen bestaat in beginsel niet mogelijk. Het in de aanvraag opgenomen bouwplan moet in beginsel als één geheel worden beschouwd. Een bouwplan kan alleen worden gesplitst, als het bestaat uit onderdelen die in functioneel en bouwkundig opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de hiervoor beschreven gedeelten van het bouwplan niet in bouwkundig en functioneel opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. De twee gedeelten staan op dezelfde fundering en delen dezelfde draagconstructie. Daar waar de tweelaagse en de eenlaagse uitbreiding op de begane grond in elkaar overlopen, bevindt zich geen scheidingswand maar is gekozen voor een open doorlopende ruimte waar, gelet op de bouwtekeningen, de keuken wordt gesitueerd. Op de zitting is gebleken dat ook de rest van het eenlaagse en tweelaagse gedeelte, is bedoeld voor de woonfunctie. Het college had dan ook het bouwplan zoals het is aangevraagd, te weten als één uitbreiding van de woning, aan het bestemmingsplan moeten toetsen. Het college heeft de aanvraag echter niet op die wijze getoetst, maar heeft de aanvraag ten onrechte gesplitst en de losse delen als zelfstandig bouwplan beoordeeld. Het rechtbankoordeel is daarom juist. De betogen slagen niet.
9.1.De bezwaarprocedure is bedoeld om het bestuursorgaan de gelegenheid te bieden om op grond van een volledige heroverweging gebreken in het besluit te herstellen, ook als die gebreken tijdens de beroepsprocedure bij de rechtbank zijn gebleken. Als de gebreken herstelbaar zijn binnen de bezwaarprocedure, bestaat voor de bestuursrechter geen grond om het primaire besluit te herroepen en daarmee de voornoemde mogelijkheid weg te nemen. Dit is anders, als bij het rechtbankoordeel vaststaat dat de geconstateerde gebreken niet met een nieuw besluit op bezwaar kunnen worden hersteld. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom het door haar geconstateerde gebrek niet in een nieuw besluit op bezwaar kon worden hersteld en er dus aanleiding was om het primaire besluit te herroepen. [appellant A] en [appellant B] brengen dit terecht naar voren. De voorzieningenrechter zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen. Met dit oordeel is voor het college overigens niet gegeven dat het gebrek in een nieuw besluit op bezwaar kan worden hersteld. Het college zal dit zelf moeten onderzoeken. Mocht het college menen dat dit niet kan, dan kan het zelf het primaire besluit herroepen en in de plaats daarvan een nieuw primair besluit op de aanvraag nemen. Het betoog slaagt.

* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6087: Awb, Wro; bpl, woningbouw, ontvankelijkheid, zienswijze, Varkens in Nood, nieuwe stikstofberekening, rechtop inspraak, ladder voor duurzame verstedelijking, kwantitatieve behoefte, verdere groei behoefte, te slopen woningen, harde plancapaciteit, kwalitatieve behoefte, luchtkwaliteit/relativiteitsvereiste, gebiedsbescherming, stikstofdepositie, Natura 2000-gebieden, bouwfase, gefaseerde ontwikkeling, woningbouwplanning, reëel en aannemelijk uitgangspunt, AERIUS Calculator, rekenafstand, elektrische werktuigen, gebruiksfase, Instructie gegevensinvoer, verkeer, heersende verkeersbeeld, cumulatie, weidevogelkansgebied, provinciale verordening, compensatie, bufferzone, verstorende effecten, Kaderrichtlijn water, waterkwaliteit, waterhuishouding, vochtproblemen kruipruimte/relativiteitsvereiste, MER, vrijstellingen, eerste besluit, m.e.r.-beoordeling, aanmeldingsnotitie, verkeer, woningtype, representatieve invulling maximale mogelijkheden, verkeersveiligheid, woon- en leefklimaat, gelijkheidsbeginsel, soortenbeschermingsregime, uitvoerbaarheid, Didamarrest, Hoge Raad, planschade, uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak
13.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat alleen als een dergelijke gefaseerde ontwikkeling is geborgd in het plan, in de AERIUS-berekening daarvan uit mag worden gegaan. De raad heeft hierover toegelicht dat uit de gemeentelijke woningbouwplanning en de afspraken met de provincie blijkt dat de realisering van De Hem gefaseerd over een periode van vijf jaar zal plaatsvinden. Daarbij heeft de raad benadrukt dat de bouwlogistiek en de planopzet tot een fasegewijze realisering van het plangebied dwingen. Daarom is in de AERIUS-berekening uitgegaan van een gefaseerde ontwikkeling. De Afdeling acht dit een reëel en aannemelijk uitgangspunt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 3 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1743, onder 8.2, moet de raad in een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan uitgaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar hoeven die uitgangspunten niet per se in het plan te worden geborgd. Verder heeft de raad toegelicht dat niet is gesaldeerd en dat in de AERIUS Calculator 2021 standaard wordt gerekend met een afstand van 25 km. De Afdeling ziet ook op deze punten geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de AERIUS-berekening van 20 maart 2023. Daarnaast ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 ten onrechte als uitgangspunt is genomen dat deels wordt gewerkt met elektrische werktuigen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld overweging 6.3 van de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3616 en overweging 17.1 van de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5003, mag in een stikstofberekening worden meegenomen dat wordt gewerkt met elektrische werktuigen, als dit een reëel en aannemelijk uitgangspunt is. Dat betekent dat het gebruik van elektrische werktuigen ook mag worden meegenomen in een stikstofberekening en niet uitsluitend als mitigerende maatregel mag worden betrokken. De Afdeling ziet geen aanleiding de AERIUS-berekening van 20 maart 2023 op dit punt gebrekkig te achten. Het betoog slaagt niet.
18.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad onvoldoende gemotiveerd dat de toekomstige woningen en de weidevogels op deze manier naast elkaar kunnen bestaan. De Afdeling weegt hier mee dat de strook met de bestemming “Groen” aanmerkelijk smaller is dan wordt geadviseerd. In zowel het weidevogeladvies van 7 mei 2020 als het rapport van EcoNatura wordt een bredere afstand geadviseerd. Pas bij een breedte van 300 m zouden verstorende effecten volledig zijn uitgesloten. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat hij een afweging heeft moeten maken tussen woningbouw en de weidevogels. Een strook van 300 m was niet uitvoerbaar. Dat standpunt acht de Afdeling op zich niet onaannemelijk. Desondanks blijkt uit deze afweging onvoldoende welke gevolgen de keuze voor een smallere bufferzone heeft voor de weidevogels in de Hounspolder. Daarom heeft de raad zijn keuze voor een smallere bufferzone onvoldoende onderbouwd. Daarnaast blijkt uit de plantoelichting en de daarin besproken onderzoeken dat de inrichting van de bufferzone ook zeer van belang is. Er worden bepaalde voorwaarden aan de inrichting van de bufferzone gesteld die ervoor zorgen dat de zone een beschermende werking heeft voor de weidevogels. De raad heeft toegelicht dat er wel al een inrichtingsplan beschikbaar is. Dorpsbelang Goutum wijst er echter terecht op dat in het plan niet is geborgd dat de bufferzone ook volgens dat inrichtingsplan wordt ingericht. Naar het oordeel van de Afdeling is het besluit in zoverre niet zorgvuldig voorbereid.
21.1. Zoals in de inleiding al aan de orde is gekomen, maakt het bestemmingsplan onderdeel uit van het woningbouwproject “De Zuidlanden”. In 2006 is een MER opgesteld voor het gehele gebied Zuidlanden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie overweging 2.3.5 van de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8871 en overweging 2.4.1 van de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV5118, moeten de in rechte onaantastbare vrijstellingen van 17 oktober 2006 voor de bouw van woningen en het bouwrijp maken van een deel van het deelgebied Techum worden aangemerkt als het eerste besluit waaraan de verplichting tot het maken van het MER ten behoeve van het project De Zuidlanden is gekoppeld. Het bestemmingsplan dat hier aan de orde is, kan dus niet worden aangemerkt als het eerste besluit dat voorziet in een deel van de activiteit waarvoor een MER verplicht is. Dat betekent dat wat [appellant sub 2] inhoudelijk heeft aangevoerd over het MER, niet in deze procedure aan de orde kan komen. Het betoog slaagt niet.

* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6095: Awb, Wabo; omgevingsvergunning tijdelijk plaatsen containers voor opslag, kantoor, toiletunit, voedselbos, afwijking advies bezwaarschriftencommissie, herstel omschreven gebreken, agrarische bestemming, omschrijving project aanvraag, plattegrond, definitie Van Dale, Algemeen Nederlands Woordenboek, kantoor, tijdelijkheid, beleidseregels (Rb Zeeland-West-Brabant 23/905)
6.1. (…) Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aanvraag voor zover dit ziet op een voedselbos past in de bestemming “Agrarisch”. De definitie van voedselbos in de Van Dale is: “aangeplant bos met vrucht en notenbomen, bessenstruiken e.d.”. Het college heeft in de schriftelijke uiteenzetting ook verwezen naar de definitie in het Algemeen Nederlands Woordenboek waarin een voedselbos is omschreven als “door de mens ontworpen bos dat bedoeld is voor voedselproductie, meerdere lagen van begroeiing heeft en waarin bijvoorbeeld fruitbomen en notenbomen staan”. Nu het college op de zitting opnieuw heeft bevestigd dat de aanvraag, en daarmee de omgevingsvergunning, wat het gebruik betreft uitsluitend ziet op het telen van bomen en planten en het oogsten van de opbrengst en, anders dan [appellant A] en [appellant B] betogen, niet ziet op andere activiteiten zoals het organiseren van evenementen of verkoop ter plaatse, is er geen grond voor het oordeel dat de aanvraag in zoverre in strijd is met de bestemming “Agrarisch”. Voor zover door [appellant A] en [appellant B] is gewezen op de aangevraagde kantoorunit, is anders dan zij betogen niet gebleken dat het college niet heeft onderkend dat de aanvraag daar ook op ziet en het college ter zake geen juiste beoordeling heeft gemaakt. Er is expliciet omgevingsvergunning verleend voor een kantoor. Het college heeft toegelicht dat dit kantoor dient ten behoeve van de medewerkers van het voedselbos, dat, zoals hiervoor is overwogen, in overeenstemming is met het bestemmingsplan. (…)

* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6081: Awb, Wro; bpl, woningbouw, slopen bestaande woningen, nieuwe woningen bouwen, technische staat verouderd, duurzaamheidseisen, renovatie, toepasselijkheid Chw, geen nieuwe beroepsgronden, participatie, wettelijke procedure, geen wettelijke verplichting overleggen met omwonenden, draagvlak, gewone meerderheid, belangenafweging/ruimtelijke aanvaardbaarheid, voor- en nadelen alternatieven, parkeren, parkeerbehoefte, geluid, tuin, aanvaardbaar woon- en leefklimaat, geluidbelasting op de gevel, voorkeursgrenswaarde, maximumsnelheid, privacy, luchtkwaliteit, m.e.r.-beoordeling, stedelijk ontwikkelingsproject, drempelwaarde, uitvoeringsaspecten, waardevermindering
7.1. Het bestemmingsplan is overeenkomstig artikel 3.8 van de Wro voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Niet is gebleken dat de raad niet op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan deze afdeling. Het ontwerpplan is ter inzage gelegd en een ieder heeft de mogelijkheid gehad om daarover een zienswijze in te dienen. De raad heeft de zienswijzen van appellanten betrokken bij zijn afweging. De Afdeling volgt [appellant sub B] en anderen niet in hun betoog dat geen participatie heeft plaatsgevonden. De Wro schept geen wettelijke verplichting om te overleggen met omwonenden. De Afdeling ziet ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat niet is voldaan aan de Visie op participatie. Het plan is daarom niet onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt niet.
8.2. Er is geen wettelijke regel die bepaalt dat een ruimtelijk plan een ontwikkeling alleen mogelijk mag maken als daarvoor voldoende draagvlak in de omgeving bestaat. Het is aan de door de inwoners van Noordoostpolder gekozen raad om hierover te besluiten. De raad hoeft niet unaniem te zijn. Een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen is voldoende. Dit betekent niet dat draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Draagvlak is een aspect van de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan moet maken. Hierna zal de Afdeling toetsen of de raad de belangen van omwonenden voldoende heeft betrokken bij zijn belangenafweging. Het betoog slaagt niet.
12.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1087 gelden er voor een tuin weliswaar geen geluidsnormen, maar moet er uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wel onderzoek worden gedaan naar de daar heersende geluidsbelasting, om te kunnen beoordelen of daar sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Indien niet wordt verwacht dat de geluidsbelasting in de tuin daar in betekenende mate van afwijkt, kan dat op basis van de geluidsbelasting op de gevel worden beoordeeld. Op basis van het (aanvullend) akoestisch onderzoek heeft de raad uit kunnen gaan van de verwachting dat ook de geluidsbelasting in de tuin van [appellant sub A] aanvaardbaar is. Gelet op de geringe afstand tussen de tuin van [appellant sub A] en de locatie van het meetpunt is redelijkerwijs te verwachten dat de geluidsbelasting in de tuin niet in relevante mate zal afwijken van de geluidsbelasting op de gevel. In wat zij heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze geluidsbelasting in de tuin aanvaardbaar is (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1087, onder 6.2 en 6.3). Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat in een woonomgeving enige toename van geluidshinder als gevolg van verkeer niet onredelijk is, het geluid in de tuin van [appellant sub A] onder de voorkeursgrenswaarde blijft en het gaat om een gering aantal parkeerplaatsen. Bovendien is er een lage maximumsnelheid van 30 km/u en is gelet op de situering aannemelijk dat er bij de inritten feitelijk sprake zal zijn van stapvoets rijdend verkeer. Evenmin is er aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van zodanige stankoverlast dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat in zoverre sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het betoog slaagt niet.

* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6094: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, bedrijfsgebouw met bijgebouw, paardenhouderij, noodzaak, provinciale verordening, eerder bedrijfswoning afgestoten/niet het geval, spuitzones, locatie toegesneden onderzoek, dergelijk onderzoek nodig, representatieve bedrijfsvoering, teelsoorten, spuitbelasting, afschermend groen, driftreducerende maatregelen, nieuw besluit, bedrijfsprocessen, redelijk belang, zelfstandigheid bedrijf (Rb Oost-Brabant 24/2060)
5.3. Niet ter discussie staat dat de beoogde bedrijfswoning op 25 meter afstand van het perceel van [appellante] en anderen is voorzien. Verder staat niet ter discussie dat op het perceel van [appellante] en anderen gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Ter beoordeling van de afstand tussen het perceel van [appellante] en anderen en de beoogde bedrijfswoning heeft vergunninghoudster op 22 mei 2026 een onderzoek laten uitvoeren door Landas. In wat [appellante] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat in dit onderzoek geen rekening is gehouden met de representatieve bedrijfsvoering. Weliswaar is in paragraaf 4.2 van het onderzoek het feitelijke gebruik van het perceel beschreven, maar in paragraaf 4.3 van het onderzoek wordt vervolgens ingegaan op de maximale planologische mogelijkheden van het perceel. Om inzicht te krijgen in de spuitbelasting is in het onderzoek gekeken naar een representatieve bedrijfsvoering. Voor de representatieve bedrijfsvoering is gekeken naar de diverse soorten teelt in de omgeving en hoe vaak deze voorkomen. De hoogste spuitbelasting waarmee bezien vanuit de representatieve bedrijfsvoering rekening moet worden gehouden is gemiddeld (tabel spuitbelasting uit hoofdstuk 2.2.van het onderzoek). De teelsoorten in de omgeving die een lage tot gemiddelde spuitbelasting kennen betreffen 86% van de omliggende gronden. Teeltsoorten met een hoge spuitbelasting vinden slechts plaats op 5% van de omliggende gronden. De Afdeling ziet geen reden voor het oordeel dat deze bevindingen uit het onderzoek onjuist zijn of geen deugdelijke motivering zijn voor het hanteren van een kortere afstand dan 50 meter. Een onjuiste weergave van de feitelijke werkzaamheden ten tijde van het onderzoek, wat daarvan verder zij, maakt verder ook niet dat het onderzoek uitgaat van een onjuiste representatieve bedrijfsvoering, aangezien een enkel verschil in de feitelijke invulling van een gebruikte teeltsoort in de omgeving geen gevolgen heeft voor de representatieve bedrijfsvoering in het geheel.
5.4. Over het afschermde groen wordt in paragraaf 4.7 van het onderzoek aangegeven dat driftreducerende maatregelen kunnen worden overwogen, maar dat deze, gelet op de representatieve bedrijfsvoering zoals in het onderzoek is vastgesteld, niet noodzakelijk zijn. In het onderzoek worden suggesties gegeven die in overweging kunnen worden genomen, waaronder de wintergroene haag. Alleen al hierom kan niet worden geoordeeld dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de vraag of de wintergroene haag voldoende driftreducerend is. Deze wintergroene haag biedt vervolgens voldoende afscherming wanneer, al ligt dat niet in de lijn der verwachting, toch in de omgeving met een teeltsoort met een hoge spuitbelasting wordt gewerkt (bijvoorbeeld fruitteelt).
5.5. Dit betekent dat het onderzoek kan worden aangemerkt als een deugdelijke motivering op grond van zorgvuldig onderzoek voor het aanhouden van een afstand van 25 meter tussen het perceel van [appellante] en anderen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en de beoogde bedrijfswoning.

ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6097: Awb, Ow; TAM-omgevingsplan, wijziging omgevingsplan, woningbouw, verduurzamen woningen, deel renoveren, deel sloop/nieuwbouw, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, participatie, Omgevingsbesluit, beleidsdocument, geen gemeentelijke omgevingsvisie, niet ingetrokken, waarde groen/belangenafweging, goot- en bouwhoogte, bouwmogelijkheden omliggende percelen, afstand, zonnepanelen, parkeren, verschillende woningen/verschillende parkeerbehoefte, bedoeling raad, aantal parkeerplaatsen, tussenuitspraak
4.1. Op grond van artikel 10.2, tweede lid, van het Omgevingsbesluit (Ob) moet bij het vaststellen van een omgevingsplan worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn.
4.2. In paragraaf 6.2.2 van de motivering van het wijzigingsbesluit staat dat een participatief ontwerpproces is doorlopen om te komen tot een stedenbouwkundig plan. Stichting Wonion heeft vanaf de start van het project de bewoners van de te slopen woningen betrokken. Er is in beeld gebracht wat de bewoners de sterke en de zwakke kanten van de buurt en van de woningen vinden. De bewoners zijn onder andere door middel van nieuwsbrieven op de hoogte gehouden van het proces. Na een gebiedsanalyse zijn een drietal schetsmodellen voor fase 1 opgesteld. Aan de hand van deze modellen is input opgehaald bij de bewoners en omwonenden. Op 26 en 29 juli 2023 zijn bijeenkomsten georganiseerd voor de bewoners van de te slopen woningen, omwonenden van wie hun huis wordt gerenoveerd en de overige omwonenden, zoals de eigenaren van de koopwoningen. Tijdens deze bijeenkomsten zijn de schetsmodellen gepresenteerd en is er discussie gevoerd over de voors en tegens van ieder model. Daarnaast zijn er post-it’s geplakt met voors en tegens, bezwaren en wensen. De schetsmodellen zijn met de input van alle betrokken partijen samengekomen in een voorkeursmodel. Dit model is uitgewerkt tot een stedenbouwkundig plan. Op 22 mei 2024 is het stedenbouwkundig plan gepresenteerd op een bewonersavond. Er werd positief gereageerd op het stedenbouwkundig plan. De bijeenkomst heeft niet geleid tot wezenlijke wijzigingen aan het stedenbouwkundig plan. In paragraaf 2.2 van de motivering van het wijzigingsbesluit staat verder dat de herontwikkeling van de voormalige schoollocatie niet is opgenomen in het stedenbouwkundig plan, omdat deze locatie in een later stadium zal worden uitgewerkt.
4.3. Uit paragraaf 6.2.2 van de motivering van het wijzigingsbesluit volgt dat niet alleen de huurders van Stichting Wonion zijn uitgenodigd voor de bijeenkomsten, maar ook de andere omwonenden, zoals de bewoners van de in de buurt gelegen koopwoningen. De stelling van [appellant] en anderen dat de bewoners van de koopwoningen in de wijk onvoldoende zijn betrokken in het participatieproces, volgt de Afdeling dan ook niet. Dat de bewoners van de koopwoningen over de precieze invulling van de locatie van de voormalige school op de informatieavonden nog geen volledige duidelijkheid werd geboden, geeft verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het besluit tot wijziging in strijd met artikel 10.2, tweede lid, van het Ob heeft vastgesteld. Het betoog slaagt niet.
5.1. De Afdeling stelt vast dat de Gebiedsvisie Centrum Varsseveld (Gebiedsvisie) een beleidsdocument is dat is opgesteld met het oog op de te maken keuzes ten aanzien van drie ontwikkellocaties in het centrum van Varsseveld. De Gebiedsvisie is in februari 2019, en dus voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow), vastgesteld. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld op welke wijze de Gebiedsvisie door de raad moet worden betrokken bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit.
5.2. De Afdeling stelt daarvoor eerst vast dat de Gebiedsvisie, gelet op haar beperkte reikwijdte, geen gemeentelijke omgevingsvisie is die op grond van artikel 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet (Iw Ow) geldt als gemeentelijke omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Ow. Dat betekent niet dat aan de Gebiedsvisie door de inwerkingtreding van de Ow geen betekenis meer toekomt. De raad heeft de Gebiedsvisie namelijk niet ingetrokken. Dat betekent dat de Gebiedsvisie in ieder geval op het moment van het vaststellen van het wijzigingsbesluit geldend gemeentelijk beleid was, dat de raad bij de vaststelling van het wijzigingsbesluit heeft moeten betrekken. De Afdeling stelt verder vast dat het betreffende perceel in de Gebiedsvisie wordt aangemerkt als “groene buitenruimte” en “waardevol element”. Dat betekent echter niet dat de raad er niet voor heeft kunnen kiezen deze gronden een andere invulling te geven. In de Gebiedsvisie is namelijk niet bepaald dat dergelijke gronden behouden moeten blijven of een bepaalde invulling moeten krijgen in het omgevingsplan.

* ABRvS 14 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5963: Awb, Gmw; handhaving, bestuursdwang, cafetaria, lunchcafé, APV, geen exploitatievergunning, uittreding vennoot, toetreding vennoot, van rechtswege vervallen, “gewijzigde exploitant”, geen definitie, rechtszekerheid, niet voldoende eenduidig, meerdere natuurlijke personen, zonder besluit, praktische en juridische gevolgen, klip en klaar, buiten toepassing laten, niet van rechtswege vervallen, ten onrechte last opgelegd (Rb Gelderland 23/2427)
5.1. Anders dan de rechtbank, komt de Afdeling tot het oordeel dat de burgemeester in dit geval de cafetaria ten onrechte heeft gesloten. De Afdeling licht dat als volgt toe. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de exploitatievergunning van [appellante] van rechtswege was vervallen omdat er sprake was van een gewijzigde exploitant in de zin van artikel 2.33b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Apv, zoals die gold ten tijde van het opleggen van de last onder bestuursdwang. Op grond van dat artikel vervalt de vergunning als er sprake is van een gewijzigde exploitant, die geen nieuwe vergunning heeft aangevraagd (onder b), of als de exploitant of beheerder deze hoedanigheid heeft verloren (onder c). Naar het oordeel van de Afdeling kon voor [vennoot A] vooraf niet duidelijk zijn dat het uit- en intreden van een vennoot tot de vof zou leiden tot een gewijzigde exploitant als bedoeld in artikel 2.33b, eerste lid, aanhef en onder b, of tot verlies van deze hoedanigheid als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, aanhef en onder c, van de Apv, op grond waarvan de mede aan haar verleende exploitatievergunning van rechtswege vervalt. In de Apv is geen definitie opgenomen van wat gewijzigde exploitant precies inhoudt. De wijziging van de bepaling in de Apv naar aanleiding van de door [appellante] aangehaalde uitspraak van 20 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2074, waarbij wordt verwezen naar ‘gewijzigde exploitant’ in plaats van ‘gewijzigde exploitatie’, heeft naar het oordeel van de Afdeling niet de uit een oogpunt van rechtszekerheid vereiste duidelijkheid gebracht. Uit artikel 2.33b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Apv volgt naar het oordeel van de Afdeling nog steeds niet voldoende eenduidig dat een exploitatievergunning die aan meerdere natuurlijke personen is verleend van rechtswege vervalt als een van deze natuurlijke personen stopt met de exploitatie, bijvoorbeeld door uit een voor de exploitatie verantwoordelijke vof te treden of anderszins de samenstelling in die vof wijzigt. Evenmin is duidelijk of in deze situatie sprake is van verlies van de hoedanigheid van exploitant als bedoeld in artikel 2.33b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Apv. Daarbij acht de Afdeling het van zwaarwegend belang dat het bij deze bepaling in de Apv niet gaat om het intrekken van een vergunning, maar om het van rechtswege vervallen van een vergunning, waarbij direct, zonder dat daarover een besluit wordt genomen, praktische en juridische gevolgen voor de vergunninghouder intreden. Vanuit een oogpunt van rechtszekerheid voor de vergunninghouder moet in zo’n geval klip en klaar zijn in welke situatie de vergunning van rechtswege vervalt. Daarvan is hier geen sprake. Onder deze omstandigheden is toepassing van artikel 2.33b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Apv in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en dient die bepaling daarom buiten toepassing te worden gelaten. Dat betekent dat de exploitatievergunning niet van rechtswege is vervallen en dat de burgemeester ten onrechte een last onder bestuursdwang heeft opgelegd. Het betoog slaagt.

Rechtbank Limburg 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10628: Awb, Ow; vovo een kortsluiten, handhaving, dwangsom, verkoop ijsbolletjes, omgevingsplan, omgevingsvergunning, heroverweging, tweeslag, bijzondere omstandigheden, concreet zicht op legalisatie, ETFAL-toets, uitvoerbaarheid verkeersoplossing, bereidheid meedenken, feiten en omstandigheden en recht, moment nemen bestreden besluit, belangenafweging, belang verkeersveiligheid, beschermde assen, noodzaak, evenwichtig, bedrijfsmatige afweging
12. De voorzieningenrechter is met eiser van oordeel dat de heroverweging van herstelbesluiten een tweeslag kent. Niet alleen moet het bestuursorgaan bezien of het op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van het primaire besluit destijds terecht zijn besluit heeft genomen, maar ook feiten en omstandigheden die zich ná de oplegging van een herstelsanctie hebben voorgedaan bij zijn heroverweging te betrekken. Dit is immers vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). Uitspraak van 21 maart 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:2632, ro. 16 en uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2571, ro. 6.2.5. De door eiser aangevoerde gronden roepen daarmee de rechtsvraag op of er sprake was van bijzondere omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit die handhaving op dat moment onevenredig maken, waardoor van voortzetting van het handhavingstraject moest worden afgezien.
13. Bij de beantwoording van deze vraag geldt als uitgangspunt dat een bestuursorgaan in de regel gebruik moet maken van een bevoegdheid om handhavend op te treden, ook wel aangeduid als de beginselplicht tot handhaving. Bij de vraag of van handhavend optreden in dit geval moest worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Dit betekent dat de bestuursrechter, afhankelijk van de aangevoerde beroepsgronden, toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, ro. 6.1.
15.1. Zoals uit het bestreden besluit en de toelichting ter zitting blijkt, was het college op het moment van het bestreden besluit (nog) niet bereid om een omgevingsvergunning te verlenen waarmee de overtreding wordt gelegaliseerd. In dit verband heeft het college aangevoerd dat er nog geen zekerheid was over de uitvoerbaarheid van de voorgestelde verkeersoplossing. Reeds uit de negatieve reactie op het principeverzoek van eiser blijkt dat de verkeersveiligheid een zwaarwegend punt voor het college is. Verder heeft de gemachtigde van het college ter zitting toegelicht dat het college nog niet is toegekomen aan een volledige beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning (de zogenoemde ETFAL-toets) nu de aanvraag is geschorst om eerst duidelijkheid te verkrijgen over de uitvoerbaarheid van de voorgestelde verkeersoplossing. De voorzieningenrechter begrijpt uit deze gang van zaken dat het college weliswaar bereid is om mee te denken hoe de situatie gelegaliseerd kan worden, maar dat daarmee nog niet de bereidheid vaststaat om de gevraagde vergunning voor de verkoop van bolletjes ijs en aanverwante producten daadwerkelijk te verlenen. Bij deze stand van zaken is er geen sprake van concreet zicht op legalisatie.

* Rechtbank Oost-Brabant 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7108: Awb, Wabo; omgevingsvergunning milieu, graanhandel, tijdelijk verruimen geluidniveaus, IPPC-installatie, RIE, geluidzone, MTG-waarden, geluidbeheersplan, BBT-conclusie, controlevoorschriften, gevoelige receptoren, maatregelen, geluidsscherm, geluidniveau, Omgevingswet, Besluit kwaliteit leefomgeving
7.8. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college kunnen afzien van het opleggen van de verplichting om een geluidbeheersplan op te stellen. Een geluidbeheersplan is een doorlopend proces met een monitoringsprotocol een klachtenprotocol en een programma om de geluidsbelasting verder te verlagen en aanvullende maatregelen te treffen in gevallen waarin sprake is van geluidsoverlast of deze overlast kan worden verwacht. Paragraaf 2.4 van de voorschriften verbonden aan het bestreden besluit voorziet reeds in de verplichting om gerichte maatregelen te treffen ter voorkoming en beperking van geluidsoverlast. Niet valt in te zien waarom na het treffen van deze maatregelen desondanks nog steeds geluidsoverlast bij gevoelige receptoren zou zijn te verwachten. Het college heeft hierbij tevens de voor de woningen vastgestelde MTG-waarden kunnen betrekken. BBT 13 is niet van toepassing. Het college was naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet verplicht een geluidbeheersplan voor te schrijven. Dit laat onverlet dat, als na controle zou blijken dat het bedrijf niet kan voldoen aan de voorschriften, dit aanleiding zou kunnen zijn om de omgevingsvergunning te wijzigen en alsnog het bedrijf te verplichten een geluidbeheersplan op te stellen, gelet op artikel 5.39 van de Omgevingswet in combinatie met artikel 8.899 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9470: Awb; verzoek om proceskostenvergoeding, omgevingsvergunning fase 1, landmark, realiseren hotel, geheel of gedeeltelijk tegemoetkomen, intrekking omgevingsvergunning, verzoek derde, afwijken uitgangspunt, tussenuitspraak, hoogte bedrag proceskosten
4.2. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) geldt als uitgangspunt dat geen sprake is van tegemoetkomen als het nieuwe besluit is genomen op verzoek van een derde, zoals vergunninghoudster (ABRvS 28 juli 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AQ5770, r.o. 2.2 en 2.3 en ABRvS 15 september 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2068, r.o. 6.1).
4.3. De rechtbank ziet aanleiding om van dit uitgangspunt af te wijken. In de tussenuitspraak van 22 januari 2026 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit, de omgevingsvergunning die is verleend op verzoek van vergunninghoudster, in strijd is met het motiveringsbeginsel. Vervolgens heeft vergunninghoudster het college op 24 februari 2026 verzocht om intrekking van de omgevingsvergunning. Het college heeft dat verzoek toegewezen. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin is tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.

Rechtbank Gelderland 30 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7732: Awb, Ow; handhavingsverzoek, gewasbeschermingsmiddelen/bestrijdingsmiddelen, vermeende oppervlakte- en grondwaterverontreiniging, Habitatrichtlijn, Besluit activiteiten leefomgeving, waterschapsverordening, aanvraag, (on)voldoende concreet, bewijs, enige aanknopingspunten, KRW, uitvoeren controles, onvoldoende aanknopingspunten, geen aanvraag, geen besluit, bezwaar niet-ontvankelijk, kadastrale perceelsaanduidingen, maatwerkvoorschriften
6.1. Handhaving is een bevoegdheid en daarmee de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Niet ieder verzoek aan het bevoegd gezag om op te treden of maatregelen te treffen, is een aanvraag om een handhavingsbesluit. Een verzoek daartoe hoeft over het algemeen niet het bewijs te bevatten dat tot handhaving móet worden overgegaan. Het ligt wel op de weg van de verzoeker om het bevoegd gezag enige aanknopingspunten te bieden voor onderzoek naar de vraag of er een overtreding wordt begaan. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en sluit daarbij aan. Zie de uitspraken van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2743, r.o. 11.2, en van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:592, r.o. 5-5.1. Een te algemeen geformuleerd of onbepaald verzoek, kan niet worden opgevat als een verzoek om een besluit te nemen tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie. De reactie op dat verzoek, kan dan ook niet worden aangemerkt als een besluit.
6.2. De rechtbank oordeelt dat het verzoek van eiseres om ervoor te zorgen dat het gebruik van bestrijdingsmiddelen op 37 percelen in de regio Rivierenland wordt gestaakt – althans dat de oppervlakte- en grondwaterverontreiniging die ten gevolge daarvan ontstaat zo snel mogelijk wordt beëindigd – en om maatwerkvoorschriften op te leggen aan de exploitant(en) van die percelen zodat wordt voldaan aan de Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water te onbepaald is om als aanvraag te worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat eiseres alleen wijst op het volgens haar bestaande feit van algemene bekendheid dat bij niet-biologische bomenteelt bestrijdingsmiddelen worden gebruikt en dat deze bestrijdingsmiddelen schadelijk zijn voor de waterkwaliteit. Eiseres verzuimt echter om een begin van bewijs te leveren dat er sprake is van een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam zoals bedoeld in artikel 2.11 van het Bal, waarvoor het college bevoegd gezag is. Het verzoek komt daarmee in feite neer op het verzoek om bij alle bedrijven op de door eiseres aangeduide percelen controles uit te voeren op naleving van het Bal en de Waterschapsverordening. Dat blijkt ook uit de toelichting van eiseres op zitting in reactie op de vraag van de rechtbank wat zij met het verzoek beoogt. Hierop heeft eiseres geantwoord dat zij wil dat de watervervuiling door bestrijdingsmiddelen wordt teruggebracht. Hierin speelt het college in haar ogen een belangrijke rol als het orgaan dat het verband kan leggen tussen normoverschrijdingen en het handelen van telers, door bijvoorbeeld daar waar directe lozing op het oppervlaktewater plaatsvindt nader onderzoek te doen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt dat het college onvoldoende aanknopingspunten voor gericht onderzoek naar de vraag of er een overtreding wordt begaan. Vergelijk de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 14 april 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:1660 en de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:671.
6.3. Omdat het verzoek te onbepaald is heeft het college terecht geconcludeerd dat het handhavingsverzoek geen aanvraag betreft in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dat betekent dat op dat verzoek geen inhoudelijk besluit hoefde te worden genomen en dat het college het bezwaar van eiseres bij het ontbreken van een besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het beroep van eiseres is ongegrond.
6.4. Voor zover eiseres betoogt dat een handhavingsverzoek niet de precieze locaties of tijdstippen van overtredingen hoeft te vermelden en dat handhaving op basis van kadastrale perceelaanduidingen wel degelijk mogelijk is, kan de rechtbank daar in algemene zin in meegaan. Maar specifiek voor deze situatie maakt dat het oordeel van de rechtbank niet anders, omdat, zoals in 6.2 al is overwogen, het ontbreekt aan specifieke aanknopingspunten voor onderzoek naar de vraag of er een overtreding wordt begaan waarvoor het college het bevoegd gezag is.
7.3. In de aanvulling op het handhavingsverzoek heeft eiseres namelijk verduidelijkt dat wat haar betreft de overtreding bestaat uit het schenden van de zorgplicht van artikel 2.11, eerste lid, van het Bal. Om die schending ongedaan te maken verzoekt eiseres aan het college om maatwerk, waarmee de zorgplicht voor het concrete geval kan worden ingevuld. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat het college het verzoek om maatwerkvoorschriften als verlengstuk van het handhavingsverzoek heeft kunnen beschouwen; in die zin dat de beoordeling van het verzoek om maatwerk pas aan de orde komt nadat is komen vast te staan dat sprake is van een overtreding. En daar schort het aan in deze zaak. De rechtbank heeft hiervoor namelijk overwogen dat het college het handhavingsverzoek niet inhoudelijk heeft hoeven behandelen. Dat betekent dat het bestaan van overtredingen niet is komen vast te staan en dat het college heeft mogen aannemen dat het verzoek om maatwerkvoorschriften daarmee ook niet aan de orde is. Het betoog van eiseres slaagt niet.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9469: Awb, Ow; bekrachtiging onteigeningsbeschikking, bedenkingen, realiseren kindcentrum, TAM-omgevingsplan, ambtshalve basistoets, ontvankelijkheid verzoek, tijdig, indieningsvereisten, bedenkingen ontvankelijk, wettelijke vormvoorschriften, logboeken, onteigeningsbelang, gevolgen bedrijfsvoering, gronden planologisch/beroepsprocedure Afdeling, noodzaak, minnelijk overleg, schriftelijk aanbod, grondprijs, Koninklijk Besluit, bod in vervangende grond, schadeloosstelling in geld, urgentie
6.5 De rechtbank is van oordeel dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onteigeningsbelang uit het TAM-omgevingsplan volgt. Alleen die (delen van) percelen die nodig zijn voor de realisatie van dat omgevingsplan kunnen worden onteigend. De door belanghebbende 1 aangevoerde gronden die onder meer zien op een spuitvrije zone en effecten van het Kindcentrum op zijn bedrijfsvoering zien, zijn planologisch van aard en horen thuis in de beroepsprocedure tegen het TAM-omgevingsplan bij de Afdeling. Daarbij merkt de rechtbank op dat de onteigening feitelijk pas doorgang kan vinden als het TAM-omgevingsplan onherroepelijk is.
7.4.3 Belanghebbende 1 heeft ook betoogd dat de poging tot minnelijke verwerving onzorgvuldig is geweest wegens het gewijzigd inzicht van de raad ten aanzien van de percelen die benodigd zijn voor de realisatie van het Kindcentrum. De raad heeft in reactie op de bedenkingen uiteengezet dat bij voorbereiding van het TAM-omgevingsplan is gebleken dat een kleiner plangebied nodig is en de raad heeft vervolgens haar aanbod daarop afgestemd. Met de raad is de rechtbank van oordeel dat daardoor geen sprake van is van een onzorgvuldige poging tot minnelijke verwerving. De rechtbank wijst hierbij op het het Koninklijk Besluit van 21 mei 2021 (Besluit van 21 mei 2021, nr. 2021000955, Staatscourant 2021, 34564, overweging 4.1). Hierin is overwogen dat gedurende het minnelijke overleg door voortschrijdend inzicht wijzigingen kunnen optreden in het benodigde ruimtebeslag en de planologische inpassing. Doen deze wijzigingen zich voor dan brengt dat niet automatisch met zich dat het minnelijk overleg als onvoldoende serieus of niet redelijk moet worden aangemerkt. Wel dient de verzoeker in dit soort gevallen de rechthebbenden eerst een aanbieding te doen gericht op de aankoop van het (na de wijziging) benodigde grondbeslag en dient hij redelijke pogingen te ondernemen om hetgeen nodig is minnelijk in eigendom te verwerven. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat deze jurisprudentielijn onder de Omgevingswet niet meer zou gelden. In dit geval is nadat geconstateerd is dat een kleiner plangebied nodig is, een nieuw op dit kleinere plangebied toegespitst aanbod gedaan, namelijk op 1 juli 2025. Bij het oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldige poging tot minnelijke verwerving betrekt de rechtbank ook dat voor het gedeelte van perceel 1 wat niet onteigend wordt steeds ook een aanvullend bod is gedaan.
7.4.3 Belanghebbende 1 heeft gewezen op de door hem geuite wens om in vervangende grond te worden gecompenseerd. De rechtbank acht deze wens gelet op de voorgenomen voortzetting van het bedrijf en de op zitting toegelichte noodzaak van behoud van het huiskavel begrijpelijk. Voor de raad bestaat er echter geen verplichting om in dat geval met een bod in vervangende grond te komen (ECLI:NL:2026:3948). Uitgangspunt is dat de Ow belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. Uit het logboek blijkt dat de raad, hoewel daartoe niet verplicht, onderzocht heeft of vervangende grond kon worden aangeboden in het kader van de minnelijke onderhandelingen ter voorkoming van onteigening. Dat is niet gelukt. Gelet daarop heeft de raad kunnen volstaan met een bod in geld.

Rechtbank Den Haag 17 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29673: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, bouwen aanbouw, omgevingsplan, bruidsschat, vergunningvrij, omgevingsplanactiviteit bouwwerken, uitzonderingen, Nota van Toelichting Bor, bedoeling wetgever, zo veel mogelijk beleidsneutraal, technische bouwactiviteit, ingaan op bezwaargronden, verwijzing advies adviescommissie
7. Artikel 22.26 van het omgevingsplan bevat een verbod om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken (de omgevingsplanactiviteit bouwwerken). Artikel 22.27 van het omgevingsplan maakt op dit verbod een uitzondering, in het geval een bouwwerk voldoet aan de voorwaarden uit dat artikel. Voor die bouwwerken is geen omgevingsvergunning vereist, mits ze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4539. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de bestemmingsregels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. In artikel 22.27 van het omgevingsplan zijn activiteiten opgenomen die voorheen – met uitzondering van enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding – opgenomen waren in artikel 3 van bijlage II bij het Bor.
7.1. Artikel 22.36 van het omgevingsplan maakt op het verbod van artikel 22.26 van het omgevingsplan ook een uitzondering, in het geval een bouwwerk voldoet aan de voorwaarden uit dat artikel. Voor die bouwwerken is geen omgevingsvergunning vereist. Anders dan het geval is voor de bouwwerken als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, wordt van de in artikel 22.36 van het omgevingsplan bedoelde bouwwerken van rechtswege aangenomen dat deze in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Er vindt in die gevallen dus geen toets meer plaats aan het omgevingsplan. In artikel 22.36 van het omgevingsplan zijn activiteiten opgenomen die voorheen grotendeels waren opgenomen in artikel 2 van bijlage II bij het Bor.
7.2. Anders dan eisers betogen, is artikel 22.36 van het omgevingsplan geen bijzondere invulling van het toetsingskader als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan. Artikel 22.36 van het omgevingsplan vormt een aanvulling op artikel 22.27 van het omgevingsplan; als – in aanvulling op de voorwaarden van artikel 22.27 van het omgevingsplan – aan de voorwaarden van artikel 22.36 van het omgevingsplan is voldaan, is sprake van een omgevingsvergunningvrije activiteit die van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. Het is dus niet zo dat een activiteit, om aangemerkt te kunnen worden als omgevingsvergunningvrije activiteit als bedoeld in artikel 22.27 van het omgevingsplan, ook moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 22.36 van het omgevingsplan. Als voldaan is aan de voorwaarden uit artikel 22.27 van het omgevingsplan, moet de activiteit nog wel getoetst worden aan de van toepassing zijnde bestemmingsregels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. Anders dan eisers betogen, bevat artikel 22.36 van het omgevingsplan niet dergelijke regels.
7.3. De rechtbank kan eisers ook niet volgen in hun betoog dat, wanneer voldaan is aan de voorwaarden van artikel 22.27 van het omgevingsplan, nog moet worden beoordeeld of het betreffende bouwwerk wel strekt tot gebruik overeenkomstig het gebruiksdoel zoals bepaald in artikel 22.36, aanhef en onder a, sub 2, onder ii, in samenhang gelezen met artikel 22.37, eerste lid, van het omgevingsplan. Uit de passage in de Nota van Toelichting horende bij het Bor waar eisers ter onderbouwing van hun betoog naar hebben verwezen, volgt dat als er in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het Bor een planologisch gebruiksdoel is voorgeschreven waartoe het gebruik van het op te richten bouwwerk moet strekken, het op te richten bouwwerk enkel als omgevingsvergunningvrij kan worden aangemerkt als het bouwwerk ook daadwerkelijk voor dat gebruiksdoel wordt opgericht (Stb. 2010, 143, p. 126 onderaan en p. 127 bovenaan). Diezelfde redenatie geldt weliswaar voor het systeem van omgevingsvergunningvrij bouwen onder de Omgevingswet, nu de bedoeling van de wetgever is geweest om de regels die voorheen onder het regime van de Wabo golden zoveel mogelijk beleidsneutraal over te zetten. In het geval van artikel 22.27, aanhef en onder a, van het omgevingsplan is echter geen planologisch gebruiksdoel voorgeschreven waartoe het gebruik van het op te richten bouwwerk moet strekken.

Rechtbank Den Haag 16 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29431: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoeken, planregels, doorvaarbaarheid en beweegbaarheid van bruggen, instructieregels, provinciale verordening, omgevingsplan, geen bindende regels, Vaarwegverordening, geen overtreding wettelijk voorschrift, waterschapsverordening, handhavingsverzoek hoogheemraadschap
7. De rechtbank is van oordeel dat ook gedeputeerde staten zich terecht op het standpunt stellen dat er geen bevoegdheid is om handhavend op te treden. De rechtbank stelt vast dat in de Vaarwegenverordening Zuid-Holland 1987 een verbod en een ontheffingsplicht voor het aanleggen van bruggen was opgenomen, die ook gold voor de Rijpwetering. In 2016 is deze regeling echter komen te vervallen, zodat die Vaarwegverordening geen wettelijke basis meer kan vormen om handhavend op te treden tegen niet beweegbare bruggen over de Rijpwetering. Met de instructieregels in de artikelen 7.78 en 7.79 van de Omgevingsverordening heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van belemmeringen van de bevaarbaarheid van recreatieve vaarwegen, zoals de Rijpwetering, aan de gemeente overgedragen. Dat de gemeenteraad nog geen omgevingsplan heeft vastgesteld waarin rekening is gehouden met deze instructieregels, betekent niet dat gedeputeerde staten op grond van die instructieregels handhavend kunnen optreden. Deze instructieregels bevatten immers geen bindende regels ten aanzien van bevaarbaarheid en beweegbaarheid van bruggen voor recreatieve vaarwegen, op basis waarvan gedeputeerde staten handhavend kunnen optreden. Evenmin kan eiser gevolgd worden in zijn stelling dat gedeputeerde staten de bevoegdheid om te handhaven op basis van de Vaarwegverordening zouden behouden totdat de gemeenteraad een omgevingsplan heeft vastgesteld. De Vaarwegverordening en de daarin opgenomen verbodsbepaling en ontheffingsplicht zijn immers vervallen. Voor zover op basis van die Vaarwegverordening in het verleden ontheffingen zijn verleend voor bruggen met voorschriften ten aanzien van beweegbaarheid, zoals door eiser gesteld, bestaat geen grondslag meer om daartegen op basis van de vervallen Vaarwegverordening handhavend op te treden. De rechtbank volgt het college en gedeputeerde staten daarom in hun stellingname dat er ten tijde van het bestreden besluit geen concrete rechtsregel was op basis waarvan handhavend kan worden opgetreden.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 september 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:8748: Awb, Ow; omgevingsvergunning technische bouwactiviteit, omgevingsplanactiviteit en bopa, bed & breakfast voorziening, hippisch centrum, aanvraag, vergroting bouwvlak, paddocks of herbouw woning, aanvraagformulier, primaire besluit niet gewijzigd of aangevuld, geen onderdeel vergunning, gedeeltelijke weigering, nog niet beslist, ontvankelijkheid, belanghebbende, rechtsgevolg, omgevingsplan, AI, reformatio in peius, onduidelijkheid juridische situatie, finale geschilbeslechting, nevenactiviteit bij hoofdfunctie, maximale oppervlak, ruimtelijke onderbouwing, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, rechtsonzekerheid
7. Het is de rechtbank opgevallen dat de gemachtigde van vergunninghoudster voor het opstellen van het beroepschrift gebruik heeft gemaakt van generatieve AI, zoals ChatGPT. Een sterke aanwijzing ziet de rechtbank daarvoor onder meer in de verwijzingen in het beroepschrift naar eerdere uitspraken van de Afdeling. De genoemde ECLI-nummers verwijzen naar uitspraken van de Afdeling die over andere onderwerpen gaan, of naar ECLI-nummers die niet bestaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van vergunninghoudster verklaard dat hij het beroepschrift, inclusief de verwijzingen naar eerdere uitspraken, met behulp van AI heeft opgesteld. Het beroepschrift bevat ook enkele onnavolgbare beroepsgronden. De rechtbank zal in deze uitspraak niet op deze gronden ingaan maar de bespreking van het beroep beperken tot de gronden die ter zitting zijn toegelicht.
9.1. Het bestreden besluit is gericht aan de buren en niet aan vergunninghoudster. Hoewel in de motivering van het bestreden wordt gesteld dat het primaire besluit in stand blijft met aanvulling van de motivering, blijkt uit de tekst van het bestreden besluit en de toelichting ter zitting wel degelijk dat het college heeft beoogd het primaire besluit te wijzigen.
9.2. Deze beroepsgrond slaagt. Door in de beslissing op bezwaar die is gericht aan de buren nieuwe voorwaarden, overwegingen en een impliciete weigering van een deel van de aanvraag op te nemen, maar die niet te verwerken door de vergunning die aan vergunninghoudster is verleend aan te passen of te vervangen, ontstaat er onduidelijkheid over de juridische situatie. Dat maakt de beslissing op bezwaar incompleet. Dit is reden voor de rechtbank om het bestreden besluit te vernietigen.
13. De rechtbank is van oordeel dat het college ten onrechte wijzigingen op basis van het bezwaarschrift niet heeft verwerkt in de vergunning, maar alleen bekend heeft gemaakt aan de buurman. Dat geeft rechtsonzekerheid. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen binnen acht weken een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De beroepsgronden van de buren treffen geen doel. Hun beroepschrift is daarom ongegrond.

Rechtbank Den Haag 25 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29425: Awb, Ow; handhaving, bestuurlijke boete, Besluit bouwwerken leefomgeving, opslaan illegaal vuurwerk, strafbeschikking, ne bis in idem-beginsel, una via-beginsel, dezelfde feitelijke gedraging, dezelfde beschermde rechtsgoederen, dezelfde strafmaxima, bevoegdheid college
4.7. De bestuurlijke boete ziet op een overtreding van artikel 6.4 van het Bbl. Dit artikel bevat een specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken. In de nota van toelichting bij het Bbl is opgemerkt dat vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) vergelijkbare zorgplichten waren opgenomen in onder meer artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet en de artikelen 1.16, eerste lid, 7.10 en 7.16 van het Bouwbesluit 2012 (Staatsblad 2018, 291, p. 456). Deze zorgplichten waren gericht op de bescherming van de omgeving en de gezondheid van personen. Zo volgt uit de toelichting bij artikel 1.16, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 dat deze zorgplicht de gezondheid en veiligheid beoogde te beschermen (Staatsblad 2011, 416, p. 196). Ook uit de bewoording van artikel 1a, eerste lid, van de Woningwet volgt dat deze zorgplicht strekte tot de bescherming van de gezondheid en veiligheid van personen en de omgeving. Gelet op de nota van toelichting bij het Bbl gaat de rechtbank ervan uit dat artikel 6.4 van het Bbl dezelfde belangen beoogt te beschermen.
4.8. De strafbeschikking ziet op een overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, namelijk artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit. Uit de nota van toelichting bij het Vuurwerkbesluit volgt dat dit besluit tot doel heeft betere waarborgen te scheppen voor de bescherming van mens en milieu tegen de mogelijke effecten die het opslaan, bewerken en afsteken van vuurwerk kunnen veroorzaken (Staatsblad 2002, 33, p. 48). Ook uit de tekst van artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer blijkt dat deze regels tot doel hebben ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu te voorkomen of te beperken.
4.9. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgoederen die artikel 6.4 van het Bbl en artikel 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit beogen te beschermen, in belangrijke mate overeenkomen. Beide bepalingen beogen immers de gezondheid en veiligheid van personen en de omgeving te beschermen tegen brandgevaar.
4.10. Op grond van artikel 4.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over onder meer het gebruik en in stand houden van bouwwerken. Artikel 6.4 van het Bbl, waar de bestuurlijke boete op ziet, bevat dergelijke regels. Op grond van artikel 18.12, eerste en derde lid, van de Ow kan het college bij een overtreding van deze regels, die een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of veiligheid veroorzaakt, een bestuurlijke boete opleggen tot ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie, als bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,
4.11. Een overtreding van een voorschrift bij of krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer is in artikel 1a, onder 1°, van de Wet op de economische delicten (WED) aangemerkt als een economisch delict. Op grond van artikel 6, eerste lid, onder 4°, van de WED wordt degene die een dergelijk economisch delict begaat en waarbij sprake is van een overtreding, gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar, een taakstraf of een geldboete van de vierde categorie.
4.12. Uit het voorgaande volgt dat zowel de bestuurlijke boete die op grond van artikel 18.12, eerste en derde lid, van de Ow kan worden opgelegd als de geldboete die op grond van artikel 6, eerste lid, onder 4°, van de WED kan worden opgelegd, ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de vierde categorie kan bedragen. De wettelijke maxima voor de op te leggen geldboetes zijn dus gelijk.
4.13. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de bestuurlijke boete en de strafbeschikking zien op dezelfde gedraging, zowel in feitelijke als in juridische zin. Er is dan ook sprake van dezelfde gedraging als bedoeld in artikel 5:44, eerste lid, van de Awb.
4.14. De rechtbank overweegt dat de strafbeschikking ná het bestreden besluit is uitgevaardigd. Om die reden stond artikel 5:44, eerste lid, van de Awb niet in de weg aan het opleggen van de bestuurlijke boete. De rechtbank is echter van oordeel dat het tweede en derde lid van dat artikel, in samenhang gelezen, daar wél aan in de weg stonden. De aan eiser verweten gedraging (het opslaan van illegaal vuurwerk in de kelderbox van zijn woning) is immers tevens een strafbaar feit, zodat het college de gedraging op grond van het tweede lid aan de officier van justitie had moeten voorleggen. Van een wettelijk voorschrift of een overeenkomst met het openbaar ministerie waarin is bepaald dat daarvan kan worden afgezien, is de rechtbank niet gebleken. Op grond van het derde lid had het college voor deze gedraging vervolgens slechts een bestuurlijke boete kunnen opleggen als de officier van justitie zou hebben medegedeeld af te zien van strafvervolging of als het college niet binnen dertien weken een reactie van de officier van justitie zou hebben ontvangen. In deze zaak heeft het college de gedraging echter niet voorgelegd aan de officier van justitie. De officier van justitie heeft ook niet medegedeeld dat hij afziet van strafvervolging ten aanzien van eiser. Op grond van artikel 5:44, tweede en derde lid, van de Awb was het college daarom niet bevoegd om eiser een bestuurlijke boete op te leggen.

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder