Toelaatbaarheid geurnormen voor- en achtergrondbelasting in het bestemmingsplan.

Casus

De gemeenteraad van Boekel heeft een bestemmingsplan vastgesteld dat voorziet in een wijziging van de planregels van het bestaande bestemmingsplan (hierna: het moederplan) met betrekking tot de maximale waarden van geuremissies als gevolg van veehouderijen. Het plan heeft betrekking op veehouderijen binnen het deelgebied ‘De Elzen’. Als gevolg van het plan bedraagt de maximale achtergrondbelasting op geurgevoelige objecten binnen De Elzen 20 ouE/m3 en de maximale voorgrondbelasting 5 ouE/m3. Enkele varkenshouderijen hebben beroep ingesteld omdat zij vrezen voor een beperking van hun uitbreidingsmogelijkheden.

Rechtsvraag

1. Mocht de raad in het bestemmingsplan een geurnorm voor voorgrondbelasting opnemen die strenger is dan de geurnormen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv)?
2. Mocht de raad in het bestemmingsplan de bestaande geurnorm voor achtergrondbelasting verlagen?

Uitspraak

1. In artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in samenhang gelezen met artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en categorie 8.3 van onderdeel C van bijlage I bij het Bor, is neergelegd welke veehouderijen voor het aspect milieu omgevingsvergunningplichtig zijn. Op grond van de artikelen 3, eerste lid, en 6, eerste lid, van de Wgv toetst het college van burgemeester en wethouders bij die veehouderijen de aanvraag om een omgevingsvergunning milieu aan de geurnormen uit de Wgv of, indien bij geurverordening van die normen is afgeweken aan de normen uit de geurverordening. Naar het oordeel van de Afdeling kan de in artikel 109.3.1 van de planregels opgenomen geurnorm voor deelgebied E, deelplan De Elzen, en zoals die op grond van artikel 129 van de planregels dient te worden toegepast bij een omgevingsvergunning tot afwijken van het plan niet worden gesteld, omdat deze het wettelijk stelsel doorkruist. De wetgever heeft immers voor veehouderijen die voor het aspect milieu omgevingsvergunningplichtig zijn geregeld dat de voorafgaande toets aan de normen uit de Wgv plaats moet vinden in het kader van de beoordeling van de aanvraag om omgevingsvergunning voor de milieuactiviteit. Met dat wettelijke systeem verdraagt zich niet dat een voorafgaande toets aan een milieunorm als hier aan de orde plaatsvindt in het kader van een aanvraag om omgevingsvergunning tot afwijking voor de activiteit bouwen/gebruiken.
De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1696.

2. Tussen partijen is niet in geschil dat de achtergrondbelasting tussen de 20 en 40 ouE/m3 in de bestaande situatie in het plangebied grotendeels wordt veroorzaakt door de veehouderijen in het plangebied zelf. De Afdeling overweegt dat het vastleggen van een lagere maximale waarde van de achtergrondbelasting in het plangebied ten opzichte van de voorheen geldende planologische situatie een geschikt middel is om de geurbelasting in het plangebied te verlagen. De stelling van [appellant sub 1] en Molenbrand dat het door het plan beoogde doel niet kan worden bereikt vanwege onbenutte uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen buiten het plangebied, doet er niet aan af dat de in het plan opgenomen geurnorm voor de achtergrondbelasting bijdraagt aan het verminderen van de geurbelasting in het plangebied en daarmee geschikt is. Bovendien volgt uit de Gebiedsvisie en het verhandelde ter zitting dat de uitbreidingsmogelijkheden van veehouderijen buiten het plangebied worden bepaald door woningen in de nabijheid van die bedrijven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad aannemelijk gemaakt dat het volledig benutten van uitbreidingsmogelijkheden door die bedrijven geen significante invloed heeft op de achtergrondbelasting in De Elzen. Gelet op de beschrijving in de Gebiedsvisie en de plantoelichting van de geurbelasting in het plangebied, is de noodzaak van de in het plan opgenomen norm voor de achtergrondbelasting naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk gemotiveerd. Wat betreft de evenwichtigheid van het plan, overweegt de Afdeling dat de raad een afweging moet maken tussen enerzijds het belang bij het beschermen van de gezondheid van individuen en een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en anderzijds de bedrijfsbelangen van [appellant sub 1] en Molenbrand. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in dit geval in zoverre een zwaarder gewicht mogen toekennen aan het voorkomen van schadelijke gevolgen voor de gezondheid van individuen en het leveren van een bijdrage aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 03-04-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:1409
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder