Uitleg van het begrip ‘glastuinbouwbedrijf’ in artikel 4, onder 6, van Bijlage II van het Bor.

Casus

Het college heeft geweigerd een omgevingsvergunning voor bepaalde tijd voor het in afwijking van het bestemmingsplan verbranden van biomassa om te zetten naar een definitieve vergunning. De aanvraag is gedaan door een aantal kwekerijen. Zij betogen dat de biomassaverbrandingsinstallatie als bedrijfseigen activiteit niet in strijd is met de agrarische bestemming. Zij betogen verder dat sprake is van een vergunning van rechtswege. In dit verband voeren zij aan dat de vergunning kan worden verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en artikel 4, aanhef en onderdeel 6, van Bijlage II, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De installatie is volgens hen een warmtekrachtkoppeling bij een glastuinbouwbedrijf.

Rechtsvragen

1. Is de biomassaverbrandingsinstallatie in overrenstemming met de bestemming?
2. Is de installatie  een warmtekrachtkoppeling bij een glastuinbouwbedrijf?

Uitspraak

1. De biomassaverbrandingsinstallatie staat op het perceel [locatie A] dat op grond van artikel 4.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planregels bestemd is voor agrarische doeleinden en voor onder meer een overig niet-grondgebonden agrarisch bedrijf, zoals een champignonkwekerij. Als op dit perceel warmte wordt opgewekt die in hoofdzaak voor de daarop gevestigde champignonkwekerij wordt gebruikt, kan die opwekking van warmte in overeenstemming zijn met voornoemde planregel. Vaststaat dat de biomassaverbrandingsinstallatie op het perceel [locatie A] niet alleen warmte levert aan de op dit perceel gevestigde champignonkwekerij, maar voor een aanzienlijk deel ook aan twee andere kwekerijen. Eén ketel levert warmte aan alleen de aardbeienkwekerij op het perceel [locatie B] en de andere ketel levert warmte aan zowel de champignonkwekerij op het perceel [locatie A] als de champignonkwekerij op het perceel [locatie C]. Verder wordt ongeveer 5% van de totale warmte geleverd aan een varkenshouderij en zes huishoudens. Daarnaast hebben de drie kwekerijen samen de vennootschap [appellante sub 1D] opgericht voor de exploitatie van de installatie. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de installatie onder deze omstandigheden niet in overeenstemming is met de agrarische bestemming.

2. Anders dan de vennootschappen betogen, heeft de rechtbank verder terecht geoordeeld dat artikel 4, aanhef en onderdeel 6, van Bijlage II, van het Bor geen ruimte biedt voor verlening van een omgevingsvergunning voor de biomassaverbrandingsinstallatie. Op grond van deze bepaling kan voor een met het bestemmingsplan strijdig gebruik een omgevingsvergunning worden verleend voor een installatie bij een glastuinbouwbedrijf voor warmtekrachtkoppeling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder w, van de Elektriciteitswet 1998. In de Wabo en het Bor is geen definitie van het begrip ‘glastuinbouwbedrijf’ opgenomen. De nota van toelichting op het Bor (Stb. 2010, 143, blz. 159) biedt geen aanknopingspunt voor een uitleg van dit begrip. In Bijlage I van het Bor wordt in onderdeel C voor categorie 4.4, onder f, voor het begrip ‘glastuinbouwbedrijf’ verwezen naar artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw zoals dat artikel luidde onmiddellijk voor het tijdstip waarop dit artikel is vervallen. De Afdeling ziet geen reden om aan te nemen dat in Bijlage II met dit begrip iets anders wordt bedoeld dan in Bijlage I. De Afdeling gaat daarom voor de uitleg van het begrip ‘glastuinbouwbedrijf’ uit van de definitie in artikel 2, onderdeel a, van het Besluit glastuinbouw: ‘een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een permanente opstand van glas of van kunststof telen van gewassen, met uitzondering van een zodanige inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak is bestemd tot het onder een zodanige opstand telen van eetbare paddestoelen of witlof’. Hieruit volgt dat de op het perceel [locatie A] gevestigde champignonkwekerij niet is aan te merken als een glastuinbouwbedrijf. Dit betekent dat in dit geval niet is voldaan aan het in artikel 4, aanhef en onderdeel 6, van Bijlage II, van het Bor opgenomen vereiste ‘bij een glastuinbouwbedrijf’, omdat de biomassaverbrandingsinstallatie bij de champignonkwekerij staat. Dat met deze installatie ook warmte wordt geleverd aan een glastuinbedrijf, te weten de aardbeienkwekerij op het naastgelegen perceel, maakt niet dat aan dit vereiste is voldaan.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 11-09-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:3673
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder