Het bevoegd gezag mag uitgaan van eigen normen in plaats van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit, als die normen voorzien zijn van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de situatie toegesneden motivering. Een aparte beoordeling van laagfrequent geluid is niet nodig.
Casus
Bij besluit van 9 februari 2021 heeft de raad van de gemeente Bergen het bestemmingsplan ‘Energielandgoed Wells Meer’ vastgesteld voor realisatie van een wind- en zonnepark. Bij besluit van 23 februari 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen een omgevingsvergunning verleend voor de bouw en het oprichten, veranderen of in werking hebben van het windpark met vier windturbines.
Appellanten zijn omwonenden en zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat door onder andere het geluid van de windturbines. Zij betogen dat de raad en het college geen eigen normstelling voor het aspect geluid heeft gehanteerd, maar voor het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het windpark zijn aangesloten bij de daarover opgenomen normen uit paragraaf 3.2.3 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook leidt het plan volgens hen tot onaanvaardbare niveaus van laagfrequent geluid. Er is onvoldoende onderzoek naar het laagfrequent geluid gedaan en de normen voor regulier geluid bieden onvoldoende bescherming tegen laagfrequent geluid.
De raad en het college stellen dat zij voor het aspect geluid in het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor het windpark niet zijn uitgegaan van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, maar dat zij voor die aspecten eigen normen hebben gehanteerd. De raad en het college wijzen er op dat in het milieueffectrapport (MER) is verwezen naar rapporten met de meest actuele wetenschappelijke inzichten over geluidhinder van windturbines.
Rechtsvragen
1. Mochten verweerders eigen normen hanteren in plaats van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling?
2. Waren de eigen normen van verweerders in deze casus voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en een op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering?
3. Was een aparte beoordeling van laagfrequent geluid noodzakelijk?
Uitspraak
1. De Afdeling heeft in de Delfzijl-tussenuitspraak op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder het Nevele-arrest, geconcludeerd dat de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling moeten worden aangemerkt als plan of programma waarvoor op grond van de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (L 197/30) (SMB-richtlijn) een milieubeoordeling als bedoeld in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de SMB-richtlijn is vereist. Ook volgt uit die uitspraak van de Afdeling dat kan worden geconcludeerd dat de SMB-richtlijn niet in de weg staat aan het hanteren van eigen normen in plaats van de windturbinebepalingen uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling, indien die eigen normen zijn voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering.
2. Voor het aspect geluid stelt de Afdeling vast dat daarvoor in artikel 5.3.2, onder a, van de planregels en in voorschrift 3.1 van de omgevingsvergunning voor het windpark, dezelfde normen van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight is opgenomen als in artikel 3.14a, eerste lid, van het Activiteitenbesluit. De Afdeling heeft eerder overwogen dat ook bij het bepalen van een materieel gezien zelfde norm als in de windturbinebepalingen van het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling sprake kan zijn van een eigen norm, zolang die norm is voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. De Afdeling verwijst in dat verband naar haar uitspraken van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1433, en 1 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4038. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de raad en het college de in de planregels en de omgevingsvergunning gehanteerde normen echter niet voorzien van een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en een op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering. Anders dan de raad en het college stellen, kan een dergelijke motivering niet uit het MER worden afgeleid. In het MER is op basis van onder meer de geluidnorm uit het Activiteitenbesluit van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight een beoordelingskader gehanteerd om verschillende onderzoeksmodellen te beoordelen, om zo tot een Voorkeursmodel te komen en dat Voorkeursmodel te beoordelen. Daarmee is geen op de specifieke situatie en locatie toegespitste beoordeling gemaakt om op grond van de daarbij aan de orde zijnde elementen tot een eigen norm voor het aspect geluid te komen. Ook de enkele omstandigheid dat de normen van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight expliciet in de planregels en de vergunningvoorschriften zijn opgenomen, betekent niet dat een actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivering voor het hanteren van die norm is gegeven. Weliswaar bevat het MER informatie over het aantal (ernstig) geluidgehinderden, maar er is, bijvoorbeeld, geen op de situatie en locatie toegespitste beoordeling gemaakt van het aantal (ernstig) geluidgehinderden in verhouding tot het energieproductieverlies bij verschillende mogelijk te hanteren geluidnormen. De uit het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling volgende normen zijn als uitgangspunt genomen bij het beoordelen van de milieueffecten. Er is niet vanuit de milieueffecten zelf beoordeeld wat de norm zou moeten zijn. De Afdeling is daarom van oordeel dat de raad en het college de in artikel 5.3.2, onder a, van de planregels en voorschrift 3.1 van de omgevingsvergunning voor het windpark gehanteerde normen van ten hoogste 47 dB Lden en 41 dB Lnight niet hebben voorzien van motivering die voldoet aan de hiervoor genoemde vereisten. Dat betekent dat de vaststelling van het bestemmingsplan en de verlening van de omgevingsvergunning voor het windpark in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb hebben plaatsgevonden en dat deze besluiten niet berusten op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 3:46 van de Awb.
3. De Afdeling heeft in eerdere uitspraken, zoals de uitspraak van 25 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2821, onder 14.1, geoordeeld dat bij windturbines geen aparte beoordeling nodig is van laagfrequent geluid. De Afdeling ziet geen reden om daarover in deze zaak anders te oordelen. In het MER is voldoende ingegaan op het aspect van laagfrequent geluid.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 24-12-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:5417
Jos Legierse