Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1827: Awb, Wnb; ontheffing, verjagen en doden knobbelzwanen, schade landbouwgewassen, faunabeheerplan, “belangrijke schade”, Vogelrichtlijn, concrete dreiging, beoordelingsruimte, Gidsdocument, “ernstige schade”, Habitatrichtlijn, bewijsmateriaal, drempelbedrag, meer dan ongemak, normale bedrijfsrisico, financiële gegevens bedrijven, totale schadecijfers, te algemeen, niet inzichtelijk, getaxeerde schadetegemoetkomingen, verifiëren, judiciële lus ((Rb Midden-Nederland 21/2200)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1841: Awb, Arbeidsomstandighedenwet; bewaren niet-ontvankelijk, opsporing en vernietiging van explosieven, Regeling/avv, Register veilig werken met explosieve stoffen, Registratieschema en Certificatieschema, beleid, invulling Regeling, geen bestuursorgaan, bekendmaking, uitvoering publieke taak, beleidsregel, niet appellabel, exameninstelling, beschikking, rechtszoekenden, tijdig inzetten rechtsmiddelen, formele rechtskracht, verschoonbare termijnoverschrijding, Besluit aanwijzing, verwerker AVG, beheren Register Veilig Werken met Explosieve Stoffen, horen in bezwaar, ten onrechte niet-ontvankelijk, passeren gebrek, judiciële lus, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Zeeland-West-Brabant 21/2275, 21/2276, 21/2277 en 21/2278)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1805: Awb, Wabo; omgevingsvergunning aanleggen vaarverbinding, en kappen bomen, recreatiewoning, omgevingsvergunning plaatsen ophaalbrug, goede procesorde hoger beroep, inlassen beroepsgronden, tijdig voor zitting kunnen en moeten doen, aanhoudingsplicht, geldende planologische regime, geen aanlegvergunningenstelsel, relativiteitsvereiste, belangenafweging, totale project, geen weigeringsgrond, alternatieve tracéroutes, voorschrift, bereikbaarheid brandweer, Bouwbesluit 2012 (Rb Noord-Nederland 21/2044 en 22/1347)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1816: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, invordering, aannemingsbedrijf, bedrijfsbestemming, staken en gestaakt houden exploiteren aannemingsbedrijf, verwijderen en verwijderd houden van de opslag van goederen, materialen en stoffen in strijd met de bestemming, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onjuist of onvolledig, onderschrijven oordeel rechtbank (Rb Gelderland 23/2 en 23/1343)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1819: Awb, Wabo; handhaving, invordering, badpaviljoen, rijksmonument, uitgevoerde werkzaamheden/ongedaan maken, belang invordering/zwaarwegend gewicht, bijzondere omstandigheden, onderschrijven oordeel rechtbank, herstelplan, voorwaarden, betonnen draagconstructie, monumentenvergunning, fundering, rekening en risico, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding (Rb Noord-Nederland 22/2069)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1802: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, huisvesten arbeidsmigranten, vijf jaar, binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, procesbelang, vergunning ingetrokken, aanvraag periode 5 jaar/verstreken, geen aanvraag meer, hoger beroep niet-ontvankelijk (Rb Oost-Brabant 3/952 en 23/624)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1815: Awb, Wabo; omgevingsvergunning realiseren bedrijfspand met kantoor, waspeencentrum, redelijke eisen welstand, criteria welstandsnota, provinciale verordening, zwaarwegende algemeen belang, strijd verordening, toepassen bestuurlijke lus/discretionair, landschappelijke inpassing, stikstofberekening, relativiteitsvereiste, lozing afvalwater, Activiteitenbesluit, watercompensatie, verkeer, verkeersveiligheid, aantal verkeersbewegingen, verkeersborden, beperkingen weggebruik, geluid en geur, VNG-brochure, richtafstanden, ladder voor duurzame verstedelijking (Rb Den Haag 21/3628)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1814: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, aanleg zonnepark, luchthaven, ontvankelijkheid hoger beroep, pro forma beroep, Chw, rechtsbankuitspraak/rechtsmiddelenverwijzing, artikel 12 BuChw, professionele rechtsbijstandsverlener, mogelijkheid geboden beroepsgronden indienen, hoger beroep niet-ontvankelijk (Rb Oost-Brabant 22/2751 en 22/2730)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1821: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning plaatsen reclame-items, aanpassingen pand/gebruik volgens bpl niet toegestaan, exceptieve toetsing/Wro en Dienstenrichtlijn, onderschrijven oordeel rechtbank, geschiktheid pand, behoefte vestiging zware bedrijvigheid, ruimtelijke effecten, zonering bedrijventerrein (Rb Oost-Brabant 22/33)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1824: Awb, Wabo; geen inhoudelijke behandeling handhavingsverzoek, permanente bewoning recreatiewoning, bouwen zonder omgevingsvergunning, geen belanghebbende bij verzoek, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, onderschrijven oordeel rechtbank (Rb Zeeland-West-Brabant 23/3523)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1825: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning afwijken bpl, eerste fase, uitbreiding woning, uitleg bpl, begrip “goothoogte”, geen definitie, wijze van meten, verbeelding, maximum goothoogte, strijd bpl, hoogte kap of zadeldak, kenbaarheid motivering, omvang motivering, beleidsruimte, belangenafweging, straatbeeld, gelijkheidsbeginsel, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding, vernietiging uitspraak/ontvallen grondslag nieuw besluit, vernietiging (Rb Noord-Holland 23/979)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1842: Awb, Wro; bpl, verplaatsing transportbedrijf, woningbouw, plangrens, beleidsruimte, ruimtelijke samenhang, ladder voor duurzame verstedelijking, relativiteitsvereiste, statutaire doelstellingen, belangenorganisatie, feitelijke werkzaamheden, nieuwe stedelijke ontwikkeling, bouwmogelijkheden, bestaand stedelijk gebied, aansluitend aan bebouwing, doorgaande weg, in stand laten rechtsgevolgen/motiveringsgebrek niet hersteld, provinciale verordening, landschappelijke waarden, stikstofdepositie, Natura 2000, uitgangspunten/reëel en aannemelijk, gebruiksfase, elektrische heftrucks, emissieloos verwarmen bedrijfsgebouwen, gangbare bedrijfsvoering, planregels, cumulatie, tussenuitspraak
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1809: Awb; bezwaar niet-ontvankelijk, subsidiebeschikkingen, amendement/begroting ministerie EZK, amendement, innovatie- en kennisinfrastructuur, nucleaire technologie, wetenschappelijk onderzoek, documentatie- en onderzoekscentrum kernenergie, belanghebbende, algemene en collectieve belangen, doestelling, feitelijke werkzaamheden, voldoende specifiek, statuten, belangen rechtstreeks betrokken (Rb Amsterdam 23/3260)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1813: Awb, Erfgoedwet, Gmw; aanwijzing gemeentelijk monument, gemeentelijke erfgoedverordening, sloop/woningbouw, voormalig postkantoor, ontvankelijkheid beroep, niet buiten omvang geding getreden, ambtshalve beoordeeld, bevoegdheid tot aanwijzing, eigendomsrecht, artikel 1 EP EVRM, vergunning vereist, geen onredelijke beperking, vertrouwensbeginsel, belangenafweging, behoud en herontwikkeling specifieke pand, verhouding kosten en opbrengst, financiële gevolgen, generieke overweging, (on)mogelijkheden omgevingsplan, geactualiseerde kostenraming, geen mogelijkheden zelf in de zaak voorzien, judiciele lus (Rb Noord-Holland 23/776)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1839: Awb, Woningwet; afwijzing handhavingsverzoek, appartementencomplex, Bouwbesluit 2003, vluchtroutes, moment verlenen bouwvergunning, subbrandcompartiment, twee rookvrije vluchtroutes, veiligheidstrappenhuis, geen overtreding, onderzoeksverplichting WBDBO, inspectierapport, nader onderzoek, nieuw besluit, juiste afmetingen, brandoverslagberekeningen (Rb Oost-Brabant 23/1008)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1833: Awb, Wro; weigering vaststellen bpl, kassen glastuinbouw/niet meer in gebruik, principeverzoek, sloop en woningbouw, beleid, gezamenlijke structuurvisie, herstructurering en revitalisering Greenport, kwaliteitsverbetering, ongewenstheid bebouwing, mogelijke planologische behoefte onderliggende bestemming, verbetering openheid, herstellen open landschapsbeeld, zichtlijnen, VNG-brochure, richtafstand, woon- en leefklimaat, behoefte, woonprogramma, woonbestemming en agrarische bollenteeltbestemming, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, zorgvuldigheidsbeginsel, locatie-specifiek onderzoek, nemen nieuw besluit
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1823: Awb, Wro; bpl, woningbouw, één nieuwe woonwagenstandplaats, blok veertien bestaande standplaatsen, verplaatsen in- en uitrit sportvereniging, woon- en leefklimaat, bebouwing, vrij uitzicht, waardedaling woning, belangenafweging, lange wachtlijst standplaatsen, verkeer- en parkeeroverlast/kwestie van handhaving
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1837: Awb, Gmw; handhaving, dwangsom, invordering, gemeentelijk verordening, garnalenkotter, verwijderen en verwijderd houden, invordering, buiten toepassing laten, gelijkheidsbeginsel, herhaling aangevoerde in beroep, gemotiveerde bespreking rechtbank, belangen meegewogen, alternatieven (Rb Noord-Nederland 23/3217)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1822: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen verblijven arbeidsmigranten, rechtstreeks beroep, instemming partijen, verkeersveiligheid, richtlijnen CROW, erftoegangsweg, verkeersintensiteit, huidige staat van de weg, sociale veiligheid, uitspraak na judiciële lus
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1810: Awb; uitblijven besluit, princiepverzoek, realiseren zonnepark, verzoek nemen formeel besluit, visie zonneparken, processtappen, nemen beslissing op principeverzoek/niet op rechtsgevolg gericht, niet tijdig nemen besluit, geen dwangsom verbeurt, ambtshalve, geen beroep of bezwaar, ongegrond/niet-ontvankelijk (Rb Oost-Brabant 23/1280)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1812: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen, uitvoeren werk, afwijken bpl en milieu, aanleg zonnepark, voormalige stortplaats industrieterrein, zinkfabriek, luchthaven, geluid, circuitgebied, zichtvliegprocedures, afwijken voorkeurvliegroutes, vliegveiligheid, risicoanalyse, lichtschittering, veilige noodlanding, klachten inwoners dorp (Rb Oost-Brabant 24/1896)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1843: Awb, Wro; bpl met verbrede reikwijdte, woningbouw, gebruiksmogelijkheden groenbestemming, activiteiten, planverbeelding, belangenafweging, waterbergingscapaciteit, langzame verkeersroute/verkeersbestemming, ontsluiting gemotoriseerd verkeer/relativiteitsvereiste, belang toekomstige bewoners, toegankelijkheid, geen concrete interesse koop woning nieuwe wijk
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1840: Awb, weigering omgevingsvergunning, realiseren 24-uurszorgaccomodatie, zorgboerderij, bedrijfswoning, dagbestedingsactiviteiten, weigering vvgb, woon- en leefklimaat, gewasbeschermingsmiddelen, gevoelige functie, spuitvrije zone, deugdelijke motivering, kortere afstand, locatie toegesneden onderzoek, planologisch toegestane gebruik, historische gegroeide situatie, driftreducerende haag, EFSA-model, vertrouwensbeginsel, uitlatingen college, eigen ruimtelijke afweging, niet ingestemd, niet toekomen aan belangenafweging (Rb Limburg 23/994)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1830: Awb, Wro; bpl, woningbouw, vier appartementencomplexen, parkeergarage, sportvoorzieningen, woon- en leefklimaat, fair play, bieden inspraak, geen onderdeel geregelde bestemmingsprocedure, geen gevolgen rechtmatigheid, gemeentelijke grondpositie, vooringenomenheid, begrenzingen bpl, beleidsruimte, aantal woningen, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, bouwvolume, parkeren, parkeerbehoefte, voldoende parkeerplaatsen, salderen, parkeerdruk, woon- en leefklimaat, zicht, bomenplan, provinciale verordening, relativiteitsvereiste
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1844: Awb, Wro, Gmw; afwijzing verzoek om nadeelcompensatie en om tegemoetkoming in planschade, herinrichting centrumgebied, enige bestuurder en aandeelhouder, besluiten en uitvoeringswerkzaamheden, gederfde huurinkomsten, voorzienbaarheid schadeoorzaak, actieve en passieve risicoaanvaarding, terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan, bedrijfsfusie, juridische fusie, bijzondere titel, verkrijgende vennootschap, redelijk denkend en handelend kopende (rechts)persoon, familiesfeer, bijzondere omstandigheden, geen mogelijkheid voorzienbare nadelige ontwikkeling/op betekenisvolle verdisconteren in aankoopprijs, algemene titel, zuivere splitsing, tussenuitspraak (Rb Limburg 22/569)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1820: Awb, Gmw; exploitatievergunning, café/restaurant met twee terrassen, woon- en leefsituatie, feitelijke bedrijfsvoering, ontbreken nadere voorschriften, openingstijden, bevoorradingstijden, bezoekerstaantallen, parkeerplaatsen, omvang terras, opdragen nemen nieuw besluit, geen toepassing geven judiciële lus, toetsing rechtmatigheid rechtbank en Afdeling (Rb Zeeland-West-Brabant 24/3923 en 24/3662)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1835: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, nul-emissiezone, bedrijfs- en vrachtauto’s, stadsring, pakket aan maatregelen, verbeteren luchtkwaliteit, overgangsregeling, bedrijventerrein, rapport, reductie, positief effect luchtkwaliteit, meetwaarden, samenstel van milieumaatregelen, evenredigheid, belangenafweging, ontheffingen, bedrijfseconomische omstandigheden, hardheidsclausule, subsidieregelingen, mitigerende maatregelen (Rb Oost-Brabant 24/2537)
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1836: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, woon/kantoortoren, commerciële plint, Chw, lokaal project van nationale betekenis, te laat ingediende stukken, participatie, nationale regelgeving, implementatie Verdrag van Aarhus, voorbereidingsprocedure, ondergrondse fietsparkeergarage, uitleg planregels, milieueffecten, bezonning, bezonningsonderzoek, vergelijking situaties, andere hoogbouwplannen, geluid, akoestisch onderzoek, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, wind, Computational Fluid Dynamics, stromingsprogrammatuur, windklimaat perrons, zienswijze/weerlegging zienswijzerapport, bouwhinder, bouwveiligheidsplan, BLVC-plan, nader stuk/ingediend buiten beroepstermijn, artikel 1.6a Chw, verzoek inschakelen STAB/afwijzing verzoek
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1829: Awb, Wm, Gmw; handhaving, bestuursdwang, gemeentelijke afvalstoffenverordening, aanbieden huishoudelijke afvalstoffen, verwijderen afvalzak, naast ondergrondse afvalcontainer, naam en adres, bewijsvermoeden, ORAC vol, uitwijken naar andere container, bewaren afval, nader onderzoek, overtreder
¶ ABRvS 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1782: Awb, Ow; vovo, TAM-omgevingsplan, uitbreiding bestaand hoogspanningsstation, sloop/nieuwbouw hoogspanningsstation, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, locatiekeuze, landschappelijke inpassing, waterhuishouding, Natura 2000, Besluit kwaliteit leefomgeving, relativiteitsvereiste, bever, functioneel leefgebied, belangenafweging, landelijke vraag elektriciteit, bestaand transportcapaciteitsknelpunt
* Rechtbank Oost-Brabant 30 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1964: Awb, Wabo; handhaving, invordering, strijdige bewoning recreatiewoningen, vakantiepark, belang invordering/veel gewicht, totstandkomingsgeschiedenis, adequate handhaving, bijzondere omstandigheden, gronden tegen lod of lob, uitzonderlijke gevallen, geen overtreder, nodige inspanningen, kort geding kantonrechter, afdwingen medewerking bewoners park, huurovereenkomst, welbewust risico, sommeren bewoners, kort geding voor einde begunstigingstermijn, verzoek om verlengen termijn, geen bijzonder omstandigheden
* Rechtbank Midden-Nederland 30 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1192: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, schapenloods en werktuigenberging, procesbelang, rechtsopvolger onder bijzonder titel, eigenaar woning, rechtsbescherming opgebouwd, overdragen woning, kopie besluiten, herstel verzuim, hoofdgebouw, uitleg planregels, afwijkingsmogelijkheid, beslissen op aanvraag, gebruik, afwijking vergunning/kwestie van handhaving
¶ Rechtbank Gelderland 27 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2430: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, afwijzing handhavingsverzoek, pioenrozenteelt, omgevingsplan/tijdelijk deel, bpl, omgevingsplanactiviteit, overtreding, omvang handhavingsverzoek, agrarisch bedrijf, voorzorgsbeginsel, aanvullende voorwaarden, goed woon- en leefklimaat, spuitzone, specifieke bepalingen gebruik gewasbeschermingsmiddelen, spuitplan
¶ Rechtbank Overijssel 27 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1618: Awb, Ow; omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteit, wijzigen ten opzichte van vigerende vergunningen en meldingen, biomassa-installatie, invoervoorzieningen, opslag vaste cosubstraten, permanent in gebruik hebben mestzak, uitbreiding omvang gasopslag, RIE, Omgevingsbesluit, STAB-rapport, geïntegreerde chemische installatie, fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen, IPPC-installatie, behandeling afvalstoffen door anaërobe vergisting, voorschriften, grootschalige mestverwerking, Seveso-inrichting, H₂S-gehalte, delegatiebesluit, bevoegd gezag, m.e.r.-beoordelingsbesluit, beoordelingsruimte, aanzienlijke milieueffecten, cumulatie, relativiteitsvereiste, omgevingsplan, geuremissie, luchtwasser, gewijzigde vergunningvoorschriften, nemen nieuwe beslissing op bezwaar
¶ Rechtbank Limburg 27 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2878: Awb, Ow; handhaving, bouwstop, dwangsom, bouwwerkzaamheden voor zonnepanelen, omgevingsplan, Besluit bouwwerken leefomgeving, overtreding, overtrederschap, degene die verboden handeling fysiek heeft verricht, toerekenen, strafrechtelijke criteria functioneel daderschap, Drijfmest-arrest, natuurlijke personen, aanvaarden, zeggenschap en beschikkingsmacht, bestuurder en enig aandeelhouder, hoogte dwangsommen, invordering, dwangsommen verbeurd, evenredigheid
* Rechtbank Overijssel 27 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1615: Awb, Wabo; handhavingsbesluit, biomassa-installatie, artikel 6:19 Awb, lastonderdelen, vergunde oppervlakte opslag, co-substraten, hoogte dwangsom, voldoende mate van zekerheid, melding Activiteitenbesluit milieubeheer, IPPC-inrichting, ontzwavelingsinstallatie, dikke fractie, drogingsinstallatie, geuremissie, gasopwaardeerstation, tekening, mestscheidingsinstallatie, omgevingsvergunning milieuneutrale wijziging, luchtwassysteem, biofilter, DE+ + subsidiebedragen, cumulatie verbeurde dwangsommen, afvalproducten, Landelijk Meldplicht Afvalsystemen, fakkelinstallatie, bouwactiviteiten, onlosmakelijk samenhangen, gevolgen van enige betekenis
* Rechtbank Noord-Nederland 27 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1003: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken, tijdelijk/tien jaar, beschermd wonen, belanghebbende, feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, aard en mogelijke gevolgen vergunde project, afstand, geluid, kruimelgevallenregeling, voorbereidingsprocedure, stedelijk ontwikkelingsproject, locatiekeuze, maatschappelijk draagvlak, afstandsnorm, advies Stichting Experimenten Volkshuisvesting, omgevingsonderzoek, beheersmaatregelen, sociale veiligheid, beheersmaatregelen, alternatieven, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren
* Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1190: Awb, Woningwet; verzoek handhavend optreden, Bouwbesluit 2012, pand met een werfkelder, (sloop)werkzaamheden, scheefstaande, mandelige scheidingsmuur, niet tijdig beslissen, geen procesbelang, niet-ontvankelijk, ontvankelijkheid beroep, eigen verantwoordelijkheid eigenaar, bestaand bouwwerk, Besluit bouwwerken leefomgeving, passend onderzoek, civiele rechter, vordering medewerking, technische bouwkwaliteit, beginselplicht tot handhaving, afzien handhavend optreden, 3D-scanapparatuur, visuele inspectie, NEN 8700, technische rekenmethode, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
* Conclusie advocaat-generaal Kokott 26 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:275: Prejudiciële verwijzing; richtlijn 91/676/EU, nitraatrichtlijn, derogatie, nitraatrichtlijn, kaderrichtlijn water, artikel 6 lid 3 habitatrichtlijn, actieprogramma/plan, project, significante effecten, voorzorgsbeginsel, SMB-richtlijn, plan of programma, monitoring, maatregelen
* ABRvS 26 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1765: Awb, Wro; vovo, bpl, wijzigingsplan, Natuurnetwerk Nederland (NNN), agrariërs, spoedeisend belang, omgevingsvergunning verleend, nemen besluit op bezwaar, voorwaarden uitvoeren werkzaamheden, aanvang uitvoering vergunde werkzaamheden, belangenafweging, kortdurende pachtovereenkomsten, actueel gebruiksrecht ontbreekt, omgevingsvergunning wateractiviteit, geen onomkeerbare gevolgen, stikstofgevoelige vegetatie, geen aanwijzing als Natura 2000-gebied, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Oost-Brabant 26 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1962: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, kap bomen, Awb, voorbereidingsprocedure, participatie, vleermuizen, flora- en fauna-activiteit, gewone dwergvleermuis, eigen rechtsbeschermingsregime, onlosmakelijke samenhang, gemeentelijke verordening, compensatieplan, indieningsvereiste, alternatieven, criterium “maatschappelijk belang”, belangenafweging, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1178: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bouwen aanbouw, procesbeslissing voor zitting, deelname via beeldverbinding, (on)gemotiveerd verzoek, onverwijlde spoed, telefoonnotitie, publiekrechtelijke rechtshandeling, geen besluit, kwestie van handhaving, bouwwerkzaamheden nagenoeg gereed, geen onomkeerbare situatie, geen spoedeisend belang, niet evident onrechtmatig, afwijzing verzoeken
¶ Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1179: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, productieactiviteiten bakkerij, tijdelijk deel omgevingsplan, strijd omgevingsplan, bopa, vergunningplichtig, vergunning niet verleend, omgevingsrechtelijk kader, beginselplicht tot handhaving, geen concreet zicht op legalisatie, begunstigingstermijn, geen overtreding, wijziging begunstigingstermijn, geen betekenis, afzien nemen besluit, termijn niet voldoende concreet, onzekere toekomstige gebeurtenis
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 25 maart 2026, ECLI:NL:OGEAC:2026:49: Lar; bezwaar niet-ontvankelijk, bouwvergunning, woonhuis, termijn indienen bezwaarschrift/zes weken, termijnoverschrijding, verschoonbaarheid, moment werkzaamheden, (voorbereidende) bouwwerkzaamheden, buiten perceelsgrens, navraag doen, aannames, niet verschoonbaar
¶ Rechtbank Noord-Nederland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:954: Awb, Ow; verzoek om opheffing voorlopige voorziening, omgevingsvergunning vellen boom, interne houtkwaliteit boom, Arbotom-geluidstomograaf, geluidsmetingen, tomogram, resistograaf, kwaliteit en levensverwachting boom, trekproef, veiligheid boom, theoretische simulatie van een windbelastingsanalyse, gebrek aan onderzoeksgegevens, alternatieven, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Gelderland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2346: Awb, Ow; vovo, afwijzing handhavingsverzoek, transformatorhuisje, Besluit bouwwerken leefomgeving, herhaald verzoek om voorlopige voorziening, overtreding, niet omgevingsvergunningplichtig, mogelijk bevoegdheidsgebrek, herstel in bezwaar, belangenafweging/alleen mogelijk bij overtreding, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Gelderland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2329: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, stoken pelletkachel, Besluit bouwwerken leefomgeving, omgevingsplan, reikwijdte handhavingsverzoek, deugdelijkheid onderzoek, toezichthouders, gedocumenteerde controles, dubbelwandige rookgasafvoer, kwaliteit pellets, representativiteit onderzoek, hinderlijke wijze rook of stank, fijnstof, geen algemeen aanvaarde inzichten, gezondheidsklachten
* Rechtbank Gelderland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2326: Awb, Gmw; afwijzing handhavingsverzoek, exploitatie- en alcoholvergunning, ambtshalve overweging, mogelijk bevoegdheidsgebrek, geluid, gebruik in strijd met het bestemmingsplan of parkeeroverlast, deugdelijkheid onderzoek, waarneming of vaststelling, meerdere controles tijdens zomerstop, zeer beperkt gebruik accommodatie, dagrapporten, dagperiode, gastgebruik
* Rechtbank Oost-Brabant 25 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1852: Awb, Wabo; handhaving, invordering, schrootverweringsbedrijf, revisievergunning, ferro- en non-ferrometalen, verwerkingscapaciteit, bijzondere omstandigheden, evenredigheid, belang invordering/zwaarwegend gewicht, adequate handhaving, gronden tegen lod, uitzonderlijke gevallen, illegale situatie opgeheven, bedrijf verkocht, compartimentering, andelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht, handhavingsmatrix, concreet zicht op legalisering
* Rechtbank Midden-Nederland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1147: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, horen in bezwaarfase, kennelijk ongegrond, schending hoorplicht, opstelplaats voortuin, passeren gebrek, hoor en wederhoor, veroordeling eventuele proceskosten, griffierecht, derde-belanghebbenden, bewoners, rechtstreeks in belang geraakt bij handhavend optreden, camera’s/privacy, privaatrechtelijke aangelegenheid, coniferen, woonbestemming, parkeren toegestaan, inrit, geen verordening, privaatrechtelijke overeenkomst, particulier bord/geen rechtskracht, RVV 1990, handhaving/politie of BOA, Leegstandswet
¶ Rechtbank Noord-Holland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3279: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning bopa, gebruik recreatiewoning, derde-partij, geen gevolgen van enige betekenis, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, recreatieve functie, revitaliseren park, stemming grondeigenaren, controle legitimiteit stemming, gelijkheidsbeginsel, evenredigheid
* Rechtbank Oost-Brabant 25 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1851: Awb, Wnb; afwijzing handhavingsverzoek, zonder natuurvergunning aanleggen bedrijventerrein, 18 december-uitspraken, stikstofberekeningen, aanleg- en gebruiksfase, verkeersbewegingen, stationair draaien, verkeersnetwerk gesimuleerd, exacte invulling staat nog niet vast, verkeersemissie en -aantallen, CROW-publicatie 744, gemengd terrein, distributiepark, automatisch omgerekend naar aantal per jaar, opgaand in heersend verkeersbeeld, Instructie Gegevensinvoer voor AERIUS Calculator, stageklasse IV, reëel en aannemelijk uitgangspunt, referentiesituatie, hoogste stikstofgebruiksnorm, planologisch toegestaan, intern salderen, finale geschilbeslechting, overgangsperiode, aanleg ontsluitingsweg/onderdeel activiteit, fysiek gestart, (voorlopig) niet handhavend optreden, rechtsgevolgen in stand laten
¶ Rechtbank Oost-Brabant 24 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1848: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, Besluit activiteiten leefomgeving, pH-waarde, waswater, biologische combiluchtwassysteem, varkenshouderij, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, overzichtsuitspraak ABRvS, Omgevingsregeling, leaflet, invorderingsbesluit, geen bijzondere omstandigheden, weigering verlengen begunstigingstermijn
¶ Rechtbank Oost-Brabant 24 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1814: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, bouw kas, overtreding, (definitie)regels bestemmingsplan, rol vertrouwensbeginsel, bouwoppervlakte, geen bestaand bouwwerk, evenredigheid handhavend optreden, vertrouwensbeginsel, drie stappen, nieuwe beslissing op bezwaar
¶ Rechtbank Noord-Holland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3064: Awb, Ow, Gmw; afwijzing handhavingsverzoek, plantenbakken, parkeerperceel, groenbestemming, technische bouwactiviteit, begrip “bouwwerk”, relatief geringe omvang, kunnen worden verplaatst, niet met grond verbonden, ter plaatse functioneren, Besluit bouwwerken leefomgeving, vergunningvrij, omgevingsplanactiviteit, geen binnenplanse vergunningplicht, tuinmeubilair, verordening fysieke leefomgeving, uitwegvergunningenstelsel, feitelijk gebruik als uitweg, advies bezwaarschriftencommissie/niet ondertekend, passeren gebrek, omvang geding, reikwijdte handhavingsverzoek, geen overtreding/geen ruimte voor belangenafweging
* Rechtbank Limburg 24 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2740: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, APV, bestemmingsplan, huisvesten arbeidsmigranten in (voormalig) klooster, verslag hoorzitting, geen letterlijke weergave, zakelijke/verkorte weergave, essentie, rapportages en controles, vaste woon- en verblijfplaats, hoe lang in Nederland werkzaam, inlichtingen- en verhoorformulier, artikel 8:29 Awb, goede procesorde, tekst planregels bepalend, rechtszekerheid, maatschappelijke bestemming, bestemmingsomschrijving, taalkundig, uitleg niet logisch, begrip “woondoeleinden”/niet gedefinieerd, normale spraakgebruik, zekere duurzaamheid, plansystematiek, plantoelichting
* Rechtbank Gelderland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2271: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, wijzigen van een groepsaccommodatie naar logiesverblijven, natuur, aanhaakplicht, soortenbescherming, flora- en fauna-activiteit, Natura 2000-activiteit, ecologische onderzoeken, geen concrete aanknopingspunten voor twijfel, geen deskundig tegenonderzoek, gebiedsbescherming, gedurende procedure loskoppelen, Kokkelvisserij-arrest, belangenafweging, evenredigheid, werkzaamheden zonder natuurvergunning/handhaving
* Rechtbank Gelderland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2292: Awb, Wabo; buiten behandeling laten aanvraag omgevingsvergunning bouwen schuur, bestemmingsplan, aanduiding plattelandswoning, aanvullende gegevens, geen bijbehorend bouwwerk, strijd bpl, aanvulling, beroep ongegrond, omgevingsvergunning bouwen voor sleufsilo’s, belanghebbende, gevolgen van enige betekenis, afstand, zicht, aangrenzend perceel, procesbelang, actueel en reëel belang, vergunning uitgewerkt, voorschriften, Wet natuurbescherming, niet op opnieuw sleufsilo’s bouwen, beroep niet-ontvankelijk
* Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:270: BW; overheidsprivaatrecht, weigering vaststellen bestemmingsplannen, windturbinepark, condicio sine qua non-verband, besluitaansprakelijkheid, goede ruimtelijke ordening, memorie, wettelijke beslistermijnen, tweeconclusieregel, goede procesorde, anterieure overeenkomst, geluidnormen, Activiteitenbesluit milieubeheer, financiële participatie omgeving, Nevele-arrest
* Rechtbank Limburg 20 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2674: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning voor verandering van een eerder verleende vergunning, verzoek niet-ontvankelijk, formele connexiteitsvereiste, geen beroep ingesteld, verzoek niet-ontvankelijk, belanghebbende, rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt, gevolgen van enige betekenis, woon- en leefsituatie, afstand, milieugevolgen, geur, geluid, akoestische uitstraling, luchtkwaliteit, verspreiding van asbestvezels, voorschriften, bezwaar niet-ontvankelijk, beroep geen redelijke kans van slagen, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Limburg 20 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2668: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning binnenplanse omgevingsplanactiviteit (bouwactiviteit) en bopa, sloop bestaande woning, bouw nieuwe vrijstaande woning, spoedeisend belang, prefab bouwsystematiek, omgevingsplan, Besluit kwaliteit leefomgeving, beoordelingsregels, aanduiding bouwvlak, bouwregels, begrip “herbouw”, algemeen spraakgebruik, Van Dale, planwetgever, bebouwingspercentage, afwijken maatvoering, afbreuk gebruiksmogelijkheden aangrenzende gronden en bouwwerken, afwijzing verzoek
¶ Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1996: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, strijd tijdelijk deel omgevingsplan, schoonheidssalon, pedicure, kapper, omvang geding, advies bezwaarschriftencommissie, beginselplicht tot handhaving, legalisatieonderzoeken, niet bereid, evenredigheid, lange periode/overtreding beëindigen of (proberen) te legaliseren
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1995: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, vergroten woning, verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, uitspraak zonder zitting, actueel en spoedeisend belang, toezegging niet bouwen, eventuele veranderende omstandigheden, geen actueel procesbelang, niet tegemoetgekomen aan verzoek, geen veroordeling proceskosten
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2006: Awb, Wabo; omgevingsvergunning afwijken bpl, kruimelgevallenregeling, uitbreiding kamerverhuur, huisvesting studenten, bestemmingsplanvoorschriften, beleidsmatig toetsingskader, voorschriften, BRP, overlast
* Rechtbank Amsterdam 20 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3056: Awb; afwijzing verzoek om nadeelcompensatie, verlening exploitatievergunning concurrent, snackbar, gestelde inkomensderving, gewijzigd omgevingsplan of bestemmingsplan, bevoegdheidsgebrek, burgemeester/deel B&W, passeren gebrek, Omgevingswet/niet van toepassing, artikel 4:126 lid 1 Awb, schade, gegevens en bescheiden, coronacrisis, causaal verband, ondernemersrisico
* Rechtbank Amsterdam 20 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3053: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, tijdelijke loopbrug, tijdelijke fietsenstalling, kruimelgevallenregeling, voorbereidingsprocedure, mogelijk en aannemelijk/zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd, Besluit mer, stedelijk ontwikkelproject, belangenafweging, fietsparkeren, voorschriften, geluid, alternatief
* Rechtbank Amsterdam 20 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3055: Awb, Wabo; afwijzing aanvraag omgevingsvergunning, bewoning twee garageboxen, beleidsruimte, betrokken belangen afwegen, vorige uitspraak rechtbank, ruimtelijke gevolgen, bouwvolume en bouwcontour ongewijzigd, precedentwerking, geen nieuwe bezwaren/argumenten, definitieve geschilbeslechting, efficiënte beslechting geschil, voldoende kunnen uitlaten, opdragen vergunning verlenen
* Rechtbank Overijssel 19 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1516: Awb; vovo, afwijzing handhavingsverzoek, kennelijk ongegrond, uitbreiding supermarkt, fundering bouwwerk, gemeentelijke constructeur, zwaardere fundatiestroken, bouw vergevorderd stadium, constructieve veiligheid, geen onverwijlde spoed, niet evident onrechtmatig, afwijzing verzoek
* Rechtbank Limburg 19 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2797: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, overtreding, voorschrift omgevingsvergunning, controlerapport, waarneming, foto, beginselplicht tot handhaving, evenredigheid, Landelijke Handhavingsstrategie (LHS)-interventiematrix, begunstigingstermijn, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen, warehouse management systeem, zuur naast base, hoogte dwangsommen, invordering
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1950: Awb, Wabo; omgevingsvergunning mijnbouwlocatie, gaswinningsput, revisievergunning Wet milieubeheer, milieuneutrale wijziging, productie aardgas, sidetrack boren, hoeveel gas en productiewater, procesbelang, toezending besluit, ZZS, bodemrisico, Nederlandse Richtlijn Bodembescherming 2012 (NRB), BBT, bodembeschermende maatregelen, vloeistofdicht geconstrueerde voorzieningen, voorschriften, monitoring, onduidelijkheden handhaving, provinciale verordening, grondwaterbeschermingsgebied
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1922: Awb, Wabo; omgevingsvergunning veranderen inrichting, pluimveehouderij, nieuwe uitlopen vleeskuikenstallen, Beter Leven-keurmerk, eerste fase, (on)volledigheid terinzagelegging stukken, passeren gebrek, niet benadeeld, alsnog stukken ontvangen, oorspronkelijke aanvraagformulier, locatie uitlopen, onjuiste of tegenstrijdige gegevens, aanvulling aanvraag, formulering publicatieblad, ontwerpbesluit/gewijzigde aanvraag, uitbreiding bouwvolume/tweede fase, evenredigheid, relevante milieugevolgen, milieutechnische beoordeling, alternatieve locaties
* Rechtbank Gelderland 18 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2214: BW, Onteigeningswet; vordering vervroegde onteigening, waterschap, overeenstemming hoogte schadeloosstelling, onteigeningsgrenzen, gehechte kaartweergaven met coördinaten, openbare registers Kadaster, kennelijk en evidente fout/heffen griffierecht, Wet Griffierechten Burgerlijke Zaken, naheffing
* Rechtbank Oost-Brabant 18 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1773: BW; netbeheerder, realisatie aansluitingen, transport elektriciteit, aanvraag wijziging aansluiting, schadevergoeding, toerekenbaar tekortschieten, wettelijke en contractuele verplichtingen, laadinfra elektrische taxibussen, artikel 23 lid 4 Elektriciteitswet 1998, wettelijke termijn 18 weken, misleidende informatie, redelijke termijn, maximaal gecontracteerde vermogen, ontbreken opleverdatum, noodzaak netuitbreiding, geen in rechte afdwingbare verbintenis, twee meer algemene achtergronden, publieke, wettelijk geregelde taak, stroomnet/onder grote druk, (politieke) instituties van de (centrale) overheid/oplossingen, redelijke keuzes, duidelijk communiceren, afwijzing vordering
* Rechtbank Noord-Nederland 18 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:969: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen vijf appartementen, beslissing op bezwaar, heroverweging, ruimte herstelmogelijkheden, niet herroepen/directe rechtsgevolg ongewijzigd, parkeren, ondergrens, CROW 2018, CROW 2024, parkeerplaatsen, verkeersveiligheid
* Rechtbank Noord-Holland 18 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3119: Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, horecabedrijf, terras, spoedeisend belang, feitelijke exploitant, overtreding, aanwijzingsbesluit, terrasseninrichtingsplan, openbare orde, Omgevingswet, artikel 2.1 Omgevingsbesluit, gevelterrassen, niet vergunningvrij, vergunningplicht, zienswijzegesprek, begunstigingstermijn
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1656: Awb, Wet WOZ; tijdelijke supermarkt, gebouwd eigendom, roerend of onroerend, civielrechtelijke maatstaven, duurzaam met grond verenigd, aard en inrichting, bestemd om duurzaam ter plaatse te blijven, bedoeling bouwer, uiterlijke kenmerken, bestemming
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1865 en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1808: Sr, Wed, Wm; nietigheid dagvaarding, vervoersbewijzen dierlijke meststoffen, tenlastelegging, duidelijk en begrijpelijk, niet innerlijk tegenstijdig, voldoende feitelijk, valselijk opmaken VDM’s, bedrijfsafvalstoffen, uienwater en/of proceswater, Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, uniek nummer, RVO, voor een bewezenverklaring vereiste zekerheid, verklaring, facturen, milieuvergunning, verwerkingsproces, Kaderrichtlijn afvalstoffen, bijlage Aa van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, VIHBregistratie, inzamelen, nuttig toepassen of verwijderen, toerekening aan rechtspersonen, sfeer, nauw en bewust samengewerkt, opzet, medeplegen, feitelijk leidinggeven, strafbaarheid, strafoplegging
* Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 maart 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1857: Sr; economisch strafrecht, veroordeling overtreding voorschrift 2.1 Wabo, financieel voordeel, ontneming, wederrechtelijk verkregen voordeel, creditbedragen, facturen, opbrengsten, slootwater, uitrijden mest, uienwater/proceswater, extra kosten, directe relatie tot delict, artikel 6 EVRM, overschrijding redelijke termijn, vermindering betalingsverplichting
¶ Rechtbank Overijssel 17 maart 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:1652: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (bouwen), technische bouwactiviteit en rijksmonumentenactiviteit, uitbouwen en verduurzamen woning, goede procesorde, termijn van orde, pleitnota, artikel 6 EVRM, Besluit kwaliteit leefomgeving, belang monumentenzorg, nadelige gevolgen monument en monumentale waarden, advies monumentencommissie, concrete aanknopingspunten voor twijfel, (deskundigen-)adviezen, geen deskundig tegenadvies, doel en strekking bepalingen Ow, evenredigheid, alternatieven, gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren, zorgvuldigheid en onafhankelijkheid advisering, participatie, verwijzing aangevoerd in bezwaar en zienswijze, enkele verwijzing
¶ Rechtbank Noord-Holland 17 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3109: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit en bopa, nieuwe recreatiewoning, calamiteit, calamiteitenregeling bestemmingsplan, afwijken omgevingsplan, buiten bouwvlak bouwen, brandveiligheid, privacy, afstandsregels Burgerlijk Wetboek, participatie
* Rechtbank Limburg 17 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2730: Awb, Waterwet; afwijzing handhavingsverzoek, dijk, projectplan, hekwerken, overtreding, wijziging waterstaatswerk, veranderen normatieve toestand, memorie van toelichting, richting, vorm, afmeting of constructie, vertrouwensbeginsel, geen overtreding, geen bevoegdheid handhavend optreden, civielrechtelijke gevolgen
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1945: Awb, Wabo; bezwaar niet-ontvankelijk, handhaving, dwangsom, strijd bpl, strijd omgevingsplan, bewonen recreatiewoning, invordering, omvang geding, geen hoge eisen motivering bezwaar- of beroepschrift, evenredigheid, concrete bezwaargronden, gelegenheid toelichten bezwaar, verstrekkende beslissing, gegrond, vernietiging besluit, rechtsgevolgen niet in stand laten, geen bestuurlijke lus
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1999: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, verhuren woning als recreatiewoning, overtreding, strijd bpl, definitie “woning”, functieaanduiding “recreatiewoning”, definitie “recreatiewoning”, wisselende huishoudens, groepen die geen huishouden zijn, ruimtelijke uitstraling, overgangsrecht, bestaande recreatieve verhuur, aard en omvang gebruik, (mogelijk) winstoogmerk, toeristenbelasting, verklaringen, belangenafweging, algemeen belang handhaving, evenredigheid
¶ Rechtbank Den Haag 16 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5468: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, veranderen en vergroten van het gebouw multifunctioneel centrum, parkeren, mobiliteitsplan, parkeerbehoefte, toename parkeerbehoefte, eventueel bestaand tekort, loopafstand, parkeerdruk, nota parkeernormen, restcapaciteit, ‘fictieve realisatie’ bouwplan in overeenstemming bpl, verkeer, verkeersgeneratie, privacy, licht- en geluidoverlast, afwijzing verzoek
* Rechtbank Rotterdam 16 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3535: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, directe planschade, vermogensschade, gebruiksmogelijkheden, zand- en grondhandel in combinatie met een afvalcontainerservice, planvergelijking, oude planologische regime, toegelaten bedrijfsactiviteiten, VNG-brochure, impliciete vrijstelling, hoogte tegemoetkoming, overzichtsuitspraak, handvatten indirecte planschade, ingrijpendheid ontwikkeling, rechtsbijstands- en deskundigenkosten, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
¶ Rechtbank Midden-Nederland 13 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:964: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, Besluit bouwwerken leefomgeving, wering van vocht, ontvankelijkheid beroep, misbruik van recht, bouwregelgeving, relativiteitsvereiste, gezondheid, nota van toelichting, uitwendige scheidingsconstructie, aangrenzende verblijfsruimte, visuele waarnemingen, NEN 2778, zorgvuldige vaststelling van feiten, praktijkmeting, technische rekenmethoden, uitvoerbaarheid
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2001: Awb, Wabo; handhaving, dwangsom, geheel verwijderen bouwwerk, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, zienswijze/artikel 4:8 Awb, omvang geschil, bevoegdheid tot handhavend optreden, overgangsrecht, beginselplicht tot handhavend optreden, vertrouwensbeginsel, eerste stap
* Rechtbank Den Haag 13 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5049: Awb, Wro; afwijzing verzoek tegemoetkoming in planschade, 11 kadastrale percelen, kwekerij, planvergelijking, gelijkheidsbeginsel, advies deskundige, redenering begrijpelijk, concrete aanknopingspunten voor twijfel, onafhankelijk deskundige planschade, geen tegenadvies deskundige, niet-gebruikte wijzigingsbevoegdheid
* Rechtbank Limburg 13 maart 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:2378: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning bouwen en afwijken bpl, realiseren mindervalideruimte, recreatiewoning, herhaalde aanvraag, artikel 4:6 Awb, uitgangspunt/bevoegd tot inhoudelijke behandeling, heroverwegen in volle omvang, geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden, verwijzing eerdere afwijzende besluit, geen eerder afwijzende beschikking, rechtsgevolgen blijven niet in stand, verdichting, gelijkheidsbeginsel, hoorzitting bezwaarfase, nieuwe beslissing op bezwaar nemen
* Rechtbank Noord-Holland 12 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3376: Awb, Wnb; positieve weigering natuurvergunning, aanleg en gebruik recreatiepark, 18 december-uitspraken, intern salderen, AERIUS-verschilberekening, wijziging rechtspraak, voortoets, algemene regels agrarisch gebruik, bemesten, opnieuw beslissen op aanvraag
¶ Rechtbank Midden-Nederland 12 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:929: Awb, Ow; bekrachtiging onteigeningsbeschikking, bedenkingen, uitbreiding bedrijventerrein, bestemmingsplan, (tijdelijk deel) omgevingsplan, ambtshalve basistoets, wettelijke vormvoorschriften, pachter, ontwerp-onteigeningsbeschikking en vastgestelde onteigeningsbeschikking/niet toegezonden, persoonlijk gerechtigde, passeren gebrek, onteigeningsbelang, noodzaak, evident onredelijk bod, zelfrealisatie, urgentie,
* Rechtbank Noord-Nederland 12 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:971: Awb, TwG, BW; vergoeding schade mijnbouwactiviteiten, bedrijfspand, winkel, appartementen, bewijsvermoeden, evidente en autonome oorzaak, zeer waarschijnlijk, zettingsschades, rapport Van Staalduinen en Everts, vergewisplicht, oorzaak zettingsschades, verzakking, bouwtekeningen, gewichtstoename, herstelmethode, calculatiemodel, herstelmethoden, (mogelijke) scheefstand, funderingsbogen
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1947: Awb, Wabo, Gmw; handhaving, dwangsom, gedeeltelijke afwijzing handhavingsverzoek, aanleggen cruiseschepen, bevoegdheid tot handhaving, bestemmingsplan, waterbestemming, redelijke uitleg, veilig aan- en afmeren, gemeentelijke verordening, controles, representatief, controlemomenten, spreadsheet met reserveringen, VTH-beleid, Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht, toezicht- en handhavingscapaciteit, politieke keuze, beleidsruimte
* Rechtbank Midden-Nederland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:907: Awb; nadeelcompensatie agrarisch bedrijf, kapitalisatiefactor, inkomensschade, onteigeningsrecht, reguliere pacht, literatuur, rechtspositie pachter, resterende looptijd pachtovereenkomst, toekomstverwachtingen, mondelinge pacht, geliberaliseerde pacht, onafhankelijke deskundige onteigeningsrecht, bandbreedte factor, betrokken kadastrale percelen op peildatum/in kaart brengen, winterperiode, mondelinge overeenkomst/rechtsgeldig, benoemen deskundige, voorleggen deskundige-opdracht aan partijen, vraagstelling, tweede tussenuitspraak
* Rechtbank Amsterdam 11 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3163: BW; nakomen toezegging gemeente, kappen bomen, verklaring voor recht, onrechtmatig handelen door niet nakomen toezegging, schadevergoeding, vertrouwensbeginsel, drie stappen, bestuursrecht, civielrechtelijke maatstaf, ondubbelzinnige toezegging, voorwaarden, Flora en faunawet, onderzoek, broedseizoen, ecologische quickscan, belangenafweging, alternatief of compensatie, beleid gericht op groen, verduurzamingsplannen, energieneutraal of energiepositief, zonnepanelen, precedentwerking, gelijkheidsbeginsel, verjaringstermijn, rendementsverlies zonnepanelen, omvang schade, schadestaatprocedure
¶ Rechtbank Den Haag 11 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5677: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit (bouwen) en technische bouwactiviteit, verbouwen woning, uitbouw op de tweede verdieping, spoedeisend belang, bouwhoogte, verkeerde lezing planregel, bouwvlak, positief bestemmen bestaande afmetingen, planwetgever, algemene afwijkingsregel, bouwhoogte trap, welstand, positief stempeladvies, welstandsnota, welstandscriteria, toewijzing verzoek
¶ Rechtbank Midden-Nederland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:886: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bopa, tijdelijke vergunning, flexwoningen, voormalige gemeentekwekerij, achterterrein landgoed, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, monumentale waarden, omgevingsplan, geen welstandsvereiste, advies CRK, groenstructuren, bunker, bodem, graven in de bodem/algemene regels Besluit activiteiten leefomgeving, omgevingsplan, vervuilde grond/kwestie van handhaving, parkeren, parkeerbehoefte, privacy, bestaande woningnood, bouwverkeer/scheurvorming, uitvoering bouwwerkzaamheden
* Rechtbank Gelderland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1905: BW; Wet vestiging voorkeursrecht gemeenten (Wvg), onderhandelingsvereiste, parlementaire geschiedenis, vervreemder, aanvragen rechterlijke prijsbepalingsprocedure, beginselbesluit, onderhandelingen vervreemdingsvoorwaarden, voortgang onderhandelingen, aanvulling rechtsgronden, misbruik van bevoegdheid, erfpachtrecht, notaris, registers, gerechtelijke prijsbepalingsprocedure, laten verstrijken fatale termijnen, te kwader trouw, onrechtmatige daad, eigen schuld, afwijzing vorderingen
* Rechtbank Den Haag 10 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5466: Awb, Wnb; afwijzing aanvraag tegemoetkoming in faunaschade, snijmais, beleidsregel, zwarte kraaien en kauwen, faunabeheerplannen, landelijke vrijstelling, formele rechtskracht, geen relevante nieuwe feiten of omstandigheden, niet kennelijk onredelijk, verbod willekeur, exceptieve toetsing, zelfstandige rechtsgang, artikel 4:84 Awb, bijzondere omstandigheden, onevenredige gevolgen, jachtverbod op zondag, niet verdisconteerd, afschotcijfers, bezoekrapport, schadeberekeningsrapport, schriklinten, knalapparaten, nieuw besluit op bezwaar
¶ Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:947: Awb, Ow; omgevingsvergunning bopa, interne verbouwing begane grond, stoffenbedrijf omzetten naar wonen, bpl/tijdelijk deel omgevingsplan, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, overgangsrecht, bewijslast, verklaringen, peildatum, zekerheid over gebruik, foto, verkoopbrochures, wasmachine(aansluiting), impliciete vrijstelling, kozijn, projectomschrijving, ontbreken bouwtekeningen, e-mailbericht BAG medewerker, legesaanslag, vernietiging, geen bestuurlijke lus, nieuw besluit op bezwaar
# Rechtbank Midden-Nederland 10 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:879: Awb, Wabo; omgevingsvergunning bouwen en milieu, vvgb/natuurtoestemming, pluimveehouderij, terinzagelegging stukken, passeren gebrek, revisievergunning, geen onoverzichtelijk vergunningenbestand, STAB-verslag fijnstof, Wet milieubeheer, WHO-advieswaarden, endotoxinen, GGD-advies, geen wettelijke normen, volksgezondheid, geluid, akoestisch onderzoek, geluidbronnen, voorschriften, RBS en IBS, niet kunnen voldoen aan vergunde geluidwaarden, aanwijzingen herstel, HMRI, bronsterktes, bronvermogen ventilatoren, efficiënte geschilbeslechting, geur, wintergartens, emissiepunten, onderdruk, rolgordijnen, uittreesnelheid, V-stacks, monitoring geur, water, BBT, Activiteitenbesluit milieubeheer, energieverbruik, verkeersveiligheid/buiten toetsingskader artikel 2.14, MER, voorschriften, passende beoordeling, Rav-emissiefactoren, emissieplafond, additionaliteitsvereiste, NDA’s en de EA-adviezen, AERIUS Monitor, KDW, gebiedsniveau, tussenuitspraak
* Rechtbank Amsterdam 9 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3050: Awb, Woningwet; afwijzing handhavingsverzoek, geluid, installatie nieuw stadsverwarmingssysteem, Bouwbesluit 2012, artikelen 3.9 en 3.10, rapportage omgevingsdienst, bewezen overtreding, oorzaak gemeten geluidpieken, “waterslag”, voldoende onderzoek, meerdere data en tijdstippen, representatieve tijdstippen, bestaande bouw, verbouw/hydrofoor, privaatrechtelijke kwestie, richten tot VvE
* Rechtbank Midden-Nederland 6 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:919: Awb, Wvw 1994; verkeersbesluit, aanwijzen en inrichting parkeervakken, laden elektrische voertuigen, locatiekeuze, bezettingsgraad, afzetvolume, onderzoeksplicht, parkeerdruk, beleidsregels, geen plekken verloren, belangen bewoners, schaarse parkeerruimte, evenredigheid, alternatieven
* Rechtbank Amsterdam 6 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2565: BW; onrechtmatige daad, koop woonark, makelaar, woonoppervlakte, NEN 2580-norm, NVM-meetinstructie, vermenigvuldigen buitenmaten, uitkomst afgerond, erg globale benadering, geen schade geleden, andere factoren ligplaats/relevant voor waarde, marktwaarde, hogere biedingen, verkregen vanwege ontbreken financieringsvoorbehoud, afwijzing vorderingen
* Rechtbank Gelderland 4 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1674: BW; woning recreatiepark, vordering/stoppen handhavend optreden, omgevingsdienst, uitvoeringsorganisatie gemeente, mandaatbesluit, bestuursrechtelijke handhaving, last onder dwangsom, invorderingsbesluiten, invordering bij dwangbevel, bestuursrechtelijke kader, Awb, blokkeren wettelijke taken en bevoegdheden, afwijzing vorderingen
* Rechtbank Midden-Nederland 4 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:950: Awb, Wabo; omgevingsvergunning verbouwing en functiewijziging Rijksmonumentale gebouwen, afwijken bpl, vvgb, ontvankelijkheid beroep, belanghebbende, Varkens in nood, zienswijze, statuten en feitelijke werkzaamheden, advies RCE, cultuurhistorie, voorschriften, natuur, quickscan, NNN, belangenafweging
* Rechtbank Midden-Nederland 3 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:835 en Rechtbank Midden-Nederland 3 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:836: Awb; verlengen hersteltermijn, verzoek verlenging, bijzondere gevallen, verzoek motiveren, gemeenteraad, finale besluitvorming, agendering gemeenteraad, oorspronkelijke termijn te kort, andere beslissing/minder finale vorm van geschilbeslechting
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 26 februari 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:1903: Awb; niet tijdig beslissen, handhavingsverzoek, gestelde illegale kap groene buffer, kennelijk gegrond, geen wettelijke beslistermijn, termijn van acht weken, opleggen beslistermijn, dwangsom
¶ Rechtbank Den Haag 26 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:5672: Awb, Ow; omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, kappen en vervangen bomen, bomenbeleid, veiligheid, gevaarlijke situatie, verwijderingsbelang, herinrichting, ecologisch onderzoek, deskundigenadviezen, redenering begrijpelijk, geen nadere toelichting, concrete aanknopingspunten voor twijfel, tijdlijn, belangen omwonenden, deskundigenkosten, dubbele redelijkheidstoets, nemen nieuw besluit op bezwaar
* Rechtbank Gelderland 25 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1459: BW, Onteigeningswet; schadeloosstelling, aanleg nieuwe weg, project ViA15, definitief deskundigenrapport, uitgangspunten waardering, waarde onteigende, Tracébesluiten, pacht, lagere pachtdruk, lijn der verwachting, eindigen binnen afzienbare tijd, pachtbeëindigingsprocedure, melkveebedrijf gestaakt, verkoop fosfaatrechten, geen economisch levensvatbaar bedrijf, pensioengerechtigde leeftijd, peildatum, referentietransacties, waardevermindering overblijvende, bijkomende schade, vaststellen schadeloosstelling, immateriële schade, kosten
* Rechtbank Amsterdam 11 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2370: BW; vordering/verklaring voor recht, tekortkoming verplichtingen koopovereenkomst, schadevergoeding, niet-vergunde staat dakterras en dakkapel, legalisatieaanvraag, uitleg artikel koopovereenkomst, Haviltex-norm, zuiver taalkundige uitleg, over en weer kenbare bedelingen partijen, alle relevante omstandigheden van het geval, vrijwaring, verklaring notaris, mailcorrespondentie, conformiteit, normaal gebruik, gebruiksbepalende eigenschappen of veiligheidsaspecten, mededelingsplicht, onderzoeksplicht, constructietekening en -berekening, schadestaatprocedure, hoofdelijkheid, reconventionele vordering
¶ Rechtbank Noord-Nederland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:966: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, permanente bewoning, recreatiewoning, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, algemeen belang handhaving, persoonlijke omstandigheden overtreder, onderbouwen met stukken, vergaande gevolgen, dakloos, begin van bewijs, financiële als medische omstandigheden, doktersverklaringen, krapte woningmarkt, einduitspraak na tussenuitspraak
* Gerechtshof Den Haag 3 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:349: BW; kort geding, vordering verbod onderhandse verkoop perceel, Didam-rechtspraak, (potentiële) gegadigden, beleidsruimte, criteria, objectief, toetsbaar en redelijk, geen sprake van (de schijn van) favoritisme
¶ Rechtbank Noord-Holland 2 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14443: Awb, Ow; niet handhavend optreden, omgevingsplan, groepsaccommodatie, tekst omgevingsvergunning, terras, buitenruimte, bijlage bij de vergunning, geen overtreding
¶ Rechtbank Noord-Nederland 30 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5903: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, permanente bewoning, recreatiewoning, overtreding, evenredigheid, artikel 8 EVRM, fundamenteel recht op wonen, inmenging, Omgevingswet, omgevingsplan, algemeen belang, persoonlijke belangen, omstandigheden op medisch en financieel gebied, verlengen begunstigingstermijn, tussenuitspraak
¶ Rechtbank Oost-Brabant 12 mei 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2732: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit, bestemmingsplannen/tijdelijk deel omgevingsplan, sloopvergunningenstelsel, sloopactiviteit, archeologische waarden, spoedeisend belang, statutaire doel, statuten, geografisch gebied, omvang geding, fasering, (eind)rapporten, boven maaiveldpeil, uitvoeringsbesluiten, rechtsbescherming, ontbreken veldonderzoek, controle toezichthouders omgevingsdienst, aanwezigheid deskundige, op andere wijze voorzien in sloopbegeleiding, vergunningvoorschriften, afwijzen verzoek, opheffen getroffen voorlopige voorziening
* Rechtbank Den Haag 25 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:17337: Awb, Wabo; afwijzing handhavingsverzoek, bouwwerkzaamheden, verleende omgevingsvergunning, constructie- en draagkrachtberekeningen, overleggen verklaring, nieuw besluit op bezwaar, wettelijk toegekende toezichtsbevoegdheden
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1827: Awb, Wnb; ontheffing, verjagen en doden knobbelzwanen, schade landbouwgewassen, faunabeheerplan, “belangrijke schade”, Vogelrichtlijn, concrete dreiging, beoordelingsruimte, Gidsdocument, “ernstige schade”, Habitatrichtlijn, bewijsmateriaal, drempelbedrag, meer dan ongemak, normale bedrijfsrisico, financiële gegevens bedrijven, totale schadecijfers, te algemeen, niet inzichtelijk, getaxeerde schadetegemoetkomingen, verifiëren, judiciële lus ((Rb Midden-Nederland 21/2200)
4.1. In artikel 3.1, eerste en vierde lid, van de Wnb is bepaald dat het verboden is opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen of opzettelijk te verstoren. Een ontheffing van het verbod om de knobbelzwaan te doden mag op grond van artikel 3.3, vierde lid, van de Wnb alleen worden verleend als er geen andere bevredigende oplossing is, de ontheffing nodig is in het kader van specifiek aangeduide belangen, waaronder voorkoming van belangrijke schade aan gewassen (onder b, onderdeel 3), en de ontheffing niet leidt tot een verslechtering van de staat van instandhouding van de soort.
4.2. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4116, onder 12.4, heeft overwogen, is aan het gestelde vereiste van belangrijke schade voldaan, als is gebleken van een concrete dreiging van belangrijke schade. Bij de invulling van het begrip “belangrijke schade” en bij het bepalen van een concrete dreiging daarvan, komt het college beoordelingsruimte toe. Niet vereist is dat de belangrijke schade zich al heeft voorgedaan. Uit het enkele gegeven dat een schadeveroorzakende diersoort en schadegevoelige gewassen in een gebied voorkomen, kan niet de conclusie worden getrokken dat belangrijke schade zich in die gebieden voordoet. Daarbij komt aan de schadehistorie belangrijke betekenis toe.
4.3. De rechtbank heeft verwezen naar het Gidsdocument voor de jacht in het kader van Richtlijn 79/409/EG van de Raad inzake het behoud van de vogelstand (het Gidsdocument). Uit 3.5.11 van het Gidsdocument volgt dat belangrijke schade een economisch belang moet betreffen, hetgeen aangeeft dat het meer is dan gewoon ongemak en normaal bedrijfsrisico.
4.4. De voorwaarde dat de ontheffing van het verbod om de knobbelzwaan te doden nodig moet zijn in het kader van specifiek aangeduide belangen, waaronder voorkoming van belangrijke schade aan gewassen (artikel 3.3, vierde lid, onder b, onderdeel 3, van de Wnb), is een implementatie van artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn. Artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn is een uitzonderingsbepaling die strikt moet worden uitgelegd, zie het arrest van 19 september 2024, Commissie/Malta, ECLI:EU:C:2024:760, punt 65. Het Hof heeft eerder in zijn arrest van 8 juli 1987, Commissie/België, ECLI:EU:C:1987:339, punt 56, geoordeeld dat artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn er niet toe strekt dreigende schade van geringe omvang te voorkomen. Verder heeft het Hof in zijn arrest van 17 september 1987, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:1987:370, punt 18, geoordeeld dat de in artikel 9, tweede lid, van de Vogelrichtlijn genoemde vereisten ertoe strekken de afwijkingen tot het strikt noodzakelijke te beperken. De Afdeling leidt hieruit af dat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vogelrichtlijn restrictief moet worden uitgelegd. Voorts gaat de Afdeling ervan uit dat het begrip “belangrijke schade” in artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn, hetzelfde moet worden uitgelegd als het begrip “ernstige schade” in artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn (nr. 1992/43/EEG). Daartoe wijst de Afdeling erop dat andere taalversies ook in artikel 9, eerste lid, van de Vogelrichtlijn spreken over “ernstige schade”. Daarbij hanteren onder meer de Engelse en Franse versies in artikel 9 van de Vogelrichtlijn en artikel 16 van de Habitatrichtlijn dezelfde begrippen, namelijk “serious damage” dan wel “dommages importants”. Tot slot zien ook de andere uitzonderingen in artikel 9, eerste lid, onder a, van de Vogelrichtlijn (volksgezondheid, de openbare orde, de veiligheid van het luchtverkeer, bescherming van de flora en fauna) allemaal op belangen van een bepaalde ernst. Over “ernstige schade” in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Habitatrichtlijn heeft het Hof geoordeeld dat niet vereist is dat vóór de vaststelling van de afwijkende maatregelen ernstige schade is veroorzaakt (arrest van 14 juni 2007, Commissie/Finland, ECLI:EU:C:2007:341, punt 40). Aangezien deze bepaling tot doel heeft ernstige schade te voorkomen, is het in dit opzicht voldoende dat deze schade zich zeer waarschijnlijk zal voordoen, zie het arrest van 11 juli 2024, WWF Österreich, ECLI:EU:C:2024:595, punt 70-75. De schade mag bovendien niet louter hypothetisch zijn, hetgeen met bewijsmateriaal moet worden aangetoond (zie punt 71 van dat arrest).
4.5. Omdat een ontheffing op voorhand aan een wildbeheereenheid wordt verleend, moet bij het verlenen van de ontheffing preventief worden aangetoond dat er belangrijke schade als bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onder b, onderdeel 3, van de Wnb dreigt voor een categorie van gewassen of bedrijven. Naar het oordeel van de Afdeling mag het college bij de inventarisatie van deze schade kijken naar een drempelbedrag, zoals het eerder in de jurisprudentie geaccepteerde drempelbedrag van € 250,00 per geval, per jaar, per bedrijf. De Afdeling neemt evenwel in aanmerking dat dit bedrag nooit is geïndexeerd. Bovendien moet niet uit het oog worden verloren dat afwijkingen van het verbod om vogels te doden tot het strikt noodzakelijke moeten worden beperkt, zie het arrest van 17 september 1987, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:1987:370, punt 18). Daarom is de Afdeling van oordeel dat er een aanvullende onderbouwing van het college nodig is om aannemelijk te maken dat sprake is van belangrijke schade. Het moet immers gaan om schade die meer is dan ongemak en het normale bedrijfsrisico overtreft.
4.6. De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat het college in het kader van het verlenen van een ontheffing ook financiële gegevens van bedrijven moet betrekken en moet beoordelen in hoeverre de schade impact heeft op de bedrijfsvoering van elk afzonderlijk bedrijf. Onder een werkgebied van een wildbeheereenheid vallen mogelijk meerdere agrarische bedrijven met allemaal verschillende bedrijfsvoeringen en inkomens. Het toetsen aan de bedrijfsmatige omstandigheden introduceert een willekeurig element en is lastig uitvoerbaar. De aanvullende onderbouwing hoeft daarom, naar het oordeel van Afdeling, niet op bedrijfsniveau te worden gegeven. De stichtingen hebben in dit kader als alternatief gewezen op de mogelijkheid de schadedrempelbedragen te relateren aan andere gegevens, zoals de gemiddelde opbrengst van een bepaald gewas per hectare.
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1842: Awb, Wro; bpl, verplaatsing transportbedrijf, woningbouw, plangrens, beleidsruimte, ruimtelijke samenhang, ladder voor duurzame verstedelijking, relativiteitsvereiste, statutaire doelstellingen, belangenorganisatie, feitelijke werkzaamheden, nieuwe stedelijke ontwikkeling, bouwmogelijkheden, bestaand stedelijk gebied, aansluitend aan bebouwing, doorgaande weg, in stand laten rechtsgevolgen/motiveringsgebrek niet hersteld, provinciale verordening, landschappelijke waarden, stikstofdepositie, Natura 2000, uitgangspunten/reëel en aannemelijk, gebruiksfase, elektrische heftrucks, emissieloos verwarmen bedrijfsgebouwen, gangbare bedrijfsvoering, planregels, cumulatie, tussenuitspraak
10.5. Anders ligt dat wat betreft de gebruiksfase. [gemachtigde C] heeft op de zitting verklaard dat de bedrijfsgebouwen emissieloos zullen worden verwarmd en dat uitsluitend elektrische heftrucks worden gebruikt, maar niet is onderbouwd dat dit een gangbare bedrijfsvoering is. De raad heeft daarom emissieloze verwarming van de bedrijfsgebouwen en de inzet van elektrische heftrucks niet zonder meer reëel en aannemelijk mogen achten. Hij had dit in dit geval dan ook moeten borgen in de regels van het voorliggende plan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad en [transportbedrijf] op de zitting hebben verklaard het ermee eens te zijn dat in de planregels wordt geregeld dat de bedrijfsgebouwen niet mogen worden aangesloten op het gasnetwerk en dat de bedrijfsgebouwen niet verwarmd mogen worden door hout- en pelletkachels. Ook met een beperking tot het gebruik van elektrische heftrucks zijn de raad en [transportbedrijf] akkoord, zo hebben zij op de zitting kenbaar gemaakt. De Afdeling stelt vast dat planregels met deze inhoud nu nog niet in het plan zijn opgenomen. Dat betekent dat de raad het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft vastgesteld. Het betoog slaagt in zoverre.
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1833: Awb, Wro; weigering vaststellen bpl, kassen glastuinbouw/niet meer in gebruik, principeverzoek, sloop en woningbouw, beleid, gezamenlijke structuurvisie, herstructurering en revitalisering Greenport, kwaliteitsverbetering, ongewenstheid bebouwing, mogelijke planologische behoefte onderliggende bestemming, verbetering openheid, herstellen open landschapsbeeld, zichtlijnen, VNG-brochure, richtafstand, woon- en leefklimaat, behoefte, woonprogramma, woonbestemming en agrarische bollenteeltbestemming, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, zorgvuldigheidsbeginsel, locatie-specifiek onderzoek, nemen nieuw besluit
9.2. Wat betreft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen overweegt de Afdeling, onder verwijzing naar haar uitspraak van 29 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:868, onder 62.1, dat geen wettelijke bepalingen bestaan inzake de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen worden geteeld en nabijgelegen woningen. In het kader van een bestemmingsplan dient een afweging van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen plaats te vinden, het milieubelang niet uitgezonderd, waarbij de aan te houden afstand tussen de gronden waarop gewassen worden verbouwd en nabijgelegen gevoelige objecten zodanig gekozen dient te worden dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van het gevoelige object aanwezig zal zijn. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat in het algemeen een afstand van 50 m tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet onredelijk wordt geacht. Het is mogelijk deze afstand te verkleinen indien daaraan een deugdelijke motivering ten grondslag ligt. Die motivering moet gebaseerd zijn op een zorgvuldig op de locatie toegesneden onderzoek. Zie bijvoorbeeld onder 12.2 van de uitspraak van de Afdeling van 17 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4407.
9.3. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het zorgvuldigheidsbeginsel in dit geval met zich brengt dat de raad [appellant] in de gelegenheid had moeten stellen om een locatie-specifiek onderzoek uit te voeren naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
9.4. De Afdeling stelt vast dat de raad ten tijde van het nemen van het besluit van oordeel was dat onvoldoende was aangetoond dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een afstand van 5 m van de woonbestemming aanvaardbaar is, alleen al omdat een locatie-specifiek onderzoek ontbreekt. De verantwoordelijkheid voor het doen van dergelijk onderzoek lag in dit geval bij [appellant], omdat alleen op zijn initiatief een ontwerpbestemmingsplan is opgesteld en de raad de geldende bestemming nog steeds in overeenstemming acht met een goede ruimtelijke ordening. Het had in het kader van de zorgvuldigheid daarom op de weg van de raad gelegen om aan [appellant] kenbaar te maken dat bij gebrek aan een locatie-specifiek onderzoek, onvoldoende duidelijk was of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de voorziene woningen en hem in de gelegenheid te stellen dat onderzoek te verrichten. Gelet op de onder 9.2 vermelde uitspraak van 17 september 2025 kan alleen met zo’n locatie-specifiek onderzoek worden aangetoond dat een afstand kleiner dan 50 m in een specifiek geval toch aanvaardbaar is. Omdat de raad de gelegenheid niet heeft geboden, is het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Voor zover de raad stelt dat die gelegenheid niet had hoeven te worden geboden, omdat aan het besluit ook andere weigeringsgronden ten grondslag zijn gelegd, overweegt de Afdeling dat gelet op wat onder 6.4, 7.2 en 8.2 is overwogen, die weigeringsgronden met de huidige motivering geen stand houden. Verder heeft de raad het gebrek aan een locatie-specifiek onderzoek, nadrukkelijk meegewogen in het oordeel dat het gebruik van de bollenteeltgronden door een agrariër op afstand minder aantrekkelijk is. Dat was voor de raad mede de reden voor het oordeel dat die bestemming niet verenigbaar is met de woonbestemming. Omdat de raad [appellant] de gelegenheid had moeten bieden dat onderzoek te verrichten, had hij zich bij het besluit nog niet op het standpunt kunnen stellen dat het gebruik van de bollenteeltgronden onaantrekkelijk was en om die reden niet verenigbaar met de woonbestemming. Het betoog slaagt.
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1840: Awb, weigering omgevingsvergunning, realiseren 24-uurszorgaccomodatie, zorgboerderij, bedrijfswoning, dagbestedingsactiviteiten, weigering vvgb, woon- en leefklimaat, gewasbeschermingsmiddelen, gevoelige functie, spuitvrije zone, deugdelijke motivering, kortere afstand, locatie toegesneden onderzoek, planologisch toegestane gebruik, historische gegroeide situatie, driftreducerende haag, EFSA-model, vertrouwensbeginsel, uitlatingen college, eigen ruimtelijke afweging, niet ingestemd, niet toekomen aan belangenafweging (Rb Limburg 23/994)
8.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. Vereist is dat de toezegging, andere uitlating of gedraging afkomstig is van het bevoegde bestuursorgaan of aan het bevoegde bestuursorgaan moet worden toegerekend. Om te voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de ruimte van de (democratisch gekozen) gemeenteraad om een eigen belangenafweging te maken, kunnen handelingen van het college de raad alleen binden als hij daarmee instemt. Dat sprake is van gerechtvaardigde verwachtingen betekent niet dat daaraan altijd moet worden voldaan. Andere belangen, zoals het algemeen belang of de belangen van derden, kunnen zwaarder wegen. Wanneer er andere belangen in de weg staan aan honorering van het gewekte vertrouwen kan voor het bestuursorgaan de verplichting ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming.
8.2. Het college heeft gedurende een periode van vier jaren naar aanleiding van een verzoek daartoe van [bedrijf], driemaal expliciet een positief principestandpunt ingenomen over een woonzorgcentrum op het perceel. (…) Daarna heeft [bedrijf] de aanvraag ingediend. Het college heeft vervolgens te kennen gegeven niet meer te willen meewerken aan een woonzorgcentrum op het perceel. Het college heeft daarover op 13 april 2022 een gesprek gehad met [bedrijf]. Het college heeft daarna de raad op 14 maart 2023 het voorstel gedaan om de voor het project vereiste verklaring van geen bedenkingen niet af te geven. De raad heeft op inhoudelijke gronden besloten de verklaring niet af te geven. De raad heeft in zijn besluit overwegingen besteed aan de principebesluiten van het college. De principebesluiten hebben de raad er niet toe gebracht de verklaring af te geven. Gelet op de in de brieven ingenomen principestandpunten mocht [bedrijf] redelijkerwijs de verwachting hebben dat het college mee zou werken aan het project., In de brieven is niet het voorbehoud gemaakt dat voor de verlening van een omgevingsvergunning voor het project een verklaring van geen bedenkingen van de raad is vereist. Dat een dergelijke verklaring is vereist, maakt niet, zoals het college heeft aangevoerd, dat de uitlatingen anders opgevat moesten worden dan [bedrijf] heeft gedaan. Dat betekent echter nog niet dat [bedrijf] uit deze uitlatingen van het college mocht afleiden dat de raad een verklaring van geen bedenkingen zou afgegeven. Het college heeft in dat kader terecht betoogd dat uitlatingen van een college niet zonder meer toerekenbaar zijn aan de raad van een gemeente. Het staat een raad immers vrij om over een project een eigen ruimtelijke afweging te maken en een verklaring van geen bedenkingen al dan niet af te geven. Om deze reden komt aan de stelling van [bedrijf] dat zij erop mocht vertrouwen dat het college in dit geval aan de raad het voorstel zou doen tot verlening van een verklaring van geen bedenkingen, net zoals het college heeft gedaan bij een soortgelijk woonzorgcomplex in Broekhuizenvorst, niet de betekenis toe die zij daaraan toekent. De raad is namelijk niet gebonden aan de door het college gedane (ontwerp)voorstellen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad heeft ingestemd met de positieve uitlatingen van het college en dat de raad bij [bedrijf] verwachtingen heeft gewekt dat de verklaring van geen bedenkingen zou worden verleend. Dat [bedrijf] op ambtelijk niveau steeds medewerking stelt te hebben ervaren, zoals door de instemming met de Ruimtelijke onderbouwing, is daarvoor onvoldoende. Nu [bedrijf] geen andere omstandigheden heeft gesteld, zijn de uitlatingen van het college niet toe te rekenen aan de raad. Dit betekent dat [bedrijf] aan de positieve uitlatingen van het college niet de gerechtvaardigde verwachting mocht ontlenen dat de raad de verklaring van geen bedenking zou verlenen. Het college heeft zich daarom in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt gesteld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Het college is daarom ook terecht bij zijn besluitvorming over vergunningverlening niet toegekomen aan de vraag of andere belangen aan het nakomen van de principebesluiten in de weg staan, zoals het belang van een goed woon- en leefklimaat op het perceel, en zo ja, of voor het college de verplichting is ontstaan om de geleden schade te vergoeden als onderdeel van de besluitvorming. De rechtbank heeft dat niet onderkend.
* ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1844: Awb, Wro, Gmw; afwijzing verzoek om nadeelcompensatie en om tegemoetkoming in planschade, herinrichting centrumgebied, enige bestuurder en aandeelhouder, besluiten en uitvoeringswerkzaamheden, gederfde huurinkomsten, voorzienbaarheid schadeoorzaak, actieve en passieve risicoaanvaarding, terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan, bedrijfsfusie, juridische fusie, bijzondere titel, verkrijgende vennootschap, redelijk denkend en handelend kopende (rechts)persoon, familiesfeer, bijzondere omstandigheden, geen mogelijkheid voorzienbare nadelige ontwikkeling/op betekenisvolle verdisconteren in aankoopprijs, algemene titel, zuivere splitsing, tussenuitspraak (Rb Limburg 22/569)
20.5. Als uitgangspunt heeft te gelden dat, indien bezittingen van een onderneming onder bijzondere titel worden overgedragen aan een andere vennootschap en de schulden worden overgenomen door deze vennootschap op een moment waarop de nadelige ontwikkeling voorzienbaar was, de verkrijgende vennootschap wordt geacht het risico op de nadelige ontwikkeling te hebben aanvaard. Een redelijk denkend en handelend kopende (rechts)persoon wordt immers geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van een bepaalde negatieve ontwikkeling te verdisconteren in de aankoopprijs van de onderneming. Anders zou de verkrijgende vennootschap feitelijk tweemaal voor dezelfde negatieve ontwikkeling kunnen worden gecompenseerd.
20.6. Daarentegen valt niet uit te sluiten dat bij de aankoop en overdracht van een onderneming, bijvoorbeeld binnen de familiesfeer of binnen één concern, zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen, waardoor geen daadwerkelijke mogelijkheid bestaat om het risico op een voorzienbare nadelige ontwikkeling op betekenisvolle wijze te verdisconteren in de aankoopprijs. In dat geval is er geen grond om aan de verkrijgende vennootschap actieve risicoaanvaarding tegen te werpen. Beoordeeld moet dus worden of in dit geval zich een dergelijke bijzondere omstandigheid voordoet.
20.8. Het college stelt weliswaar terecht dat [persoon A], [bedrijf A] en [appellante B] afzonderlijke vermogens hebben, maar dat betekent nog niet dat [appellante B] het risico op de voorzienbare nadelige ontwikkelingen op betekenisvolle wijze heeft kunnen verdisconteren in de aankoopprijs. In dit geval is van belang dat [persoon A] als enig aandeelhouder en bestuurder van [appellante B], al voor de peildatum intensief betrokken was bij de exploitatie van de HEMA-vestiging. Verder is van belang en bovendien onweersproken dat haar zus een ander filiaal heeft gekregen en dat haar moeder vanwege haar hoge leeftijd is teruggetreden uit [bedrijf A]. Indien [persoon A] de exploitatie van de HEMA-vestiging had voortgezet via [bedrijf A], zou zij daarmee als uiteindelijk gerechtigde op dezelfde wijze in haar vermogenspositie zijn getroffen. Een afwaardering van haar aandelen voor de voortzetting van de exploitatie van de HEMA-vestiging via [appellante B] zou daar geen verandering in hebben gebracht. Dat leidt immers tot eenzelfde vermogensaantasting, aangezien de waarde van de onderneming haar als uiteindelijk gerechtigde toekomt. Daarmee heeft [appellante B] geen daadwerkelijke mogelijkheid om het risico op de voorzienbare nadelige ontwikkeling op betekenisvolle wijze te verdisconteren in de aankoopprijs.
20.9. Gelet op het vorenstaande, doen zich in dit geval bijzondere omstandigheden voor die in de weg staan aan tegenwerping van actieve risicoaanvaarding. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante B] het risico op de nadelige ontwikkelingen heeft aanvaard. Het college mocht niet om die reden het verzoek om nadeelcompensatie en een tegemoetkoming in planschade afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend
21.1. Zoals de Afdeling hiervoor onder 20.1 heeft overwogen, mag actieve risicoaanvaarding niet worden tegengeworpen bij rechtsopvolging onder algemene titel of daarmee gelijk te stellen wijze van verkrijging.
21.2. [appellante A] heeft het bedrijfspand gekregen door een zuivere juridische splitsing. Volgens artikel 2:334a, tweede lid, BW is zuivere splitsing de rechtshandeling waarbij het vermogen van de vennootschap die bij de splitsing ophoudt te bestaan, volgens een vooraf bepaalde verdeling onder algemene titel wordt verkregen door twee of meer andere vennootschappen. Daarmee gaat het om een rechtsopvolging onder algemene titel. Dat de bij de splitsing betrokken (rechts)personen een keuze hadden ten aanzien van het moment van splitsing, zoals het college heeft betoogd, doet er niet aan af dat het vermogen van [bedrijf A] onder algemene titel is overgegaan op [appellante A].
21.3. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college zich ook ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [appellante A] het risico op de nadelige ontwikkelingen heeft aanvaard. Het college mocht niet om die reden het verzoek om nadeelcompensatie en een tegemoetkoming in planschade afwijzen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
¶ ABRvS 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1782: Awb, Ow; vovo, TAM-omgevingsplan, uitbreiding bestaand hoogspanningsstation, sloop/nieuwbouw hoogspanningsstation, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, locatiekeuze, landschappelijke inpassing, waterhuishouding, Natura 2000, Besluit kwaliteit leefomgeving, relativiteitsvereiste, bever, functioneel leefgebied, belangenafweging, landelijke vraag elektriciteit, bestaand transportcapaciteitsknelpunt
9.1. In artikel 8:69a van de Awb staat dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste eraan in de weg dat de beroepsgrond over stikstof tot vernietiging van het wijzigingsbesluit leidt. De bepalingen uit de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) waarop [verzoeker] en anderen zich beroepen strekken tot bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied. Dit zijn algemene belangen. Individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, kunnen zo verweven zijn met voormelde algemene belangen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Deze verwevenheid doet zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet voor. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied “Maasduinen” ligt op een afstand van 5,5 km ten oosten van de locatie waarop het wijzigingsbesluit ziet. De woningen van [verzoeker] en anderen liggen ten westen van de locatie en dus nog verder van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit betekent dat dit gebied geen deel uitmaakt van hun woon- en leefomgeving. De betreffende normen uit de Omgevingswet en het Bkl strekken daarom niet tot de bescherming van hun individuele belangen.
* Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1190: Awb, Woningwet; verzoek handhavend optreden, Bouwbesluit 2012, pand met een werfkelder, (sloop)werkzaamheden, scheefstaande, mandelige scheidingsmuur, niet tijdig beslissen, geen procesbelang, niet-ontvankelijk, ontvankelijkheid beroep, eigen verantwoordelijkheid eigenaar, bestaand bouwwerk, Besluit bouwwerken leefomgeving, passend onderzoek, civiele rechter, vordering medewerking, technische bouwkwaliteit, beginselplicht tot handhaving, afzien handhavend optreden, 3D-scanapparatuur, visuele inspectie, NEN 8700, technische rekenmethode, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
10.2. De rechtbank stelt voorop dat het de eigen verantwoordelijkheid is van een eigenaar van een bestaand bouwwerk om er voor zorg te dragen dat dit in overeenstemming is en blijft met de in het Besluit bouwwerken leefomgeving (voorheen in het Bouwbesluit 2012) daarover gestelde minimale eisen over technische bouwkwaliteit. De omstandigheid dat onderdelen van een bouwwerk mandelig zijn, zoals de scheidingsmuur tussen twee aaneengebouwde panden, maakt dat niet anders. Mocht een eigenaar er twijfels over hebben of de staat van zijn bouwwerk nog aan deze eisen voldoet, is het primair zijn eigen verantwoordelijkheid om daar passend onderzoek naar te (laten) verrichten. Voor mandelige bouwdelen is dat niet anders en is er sprake van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van beide eigenaren. Desnoods kan hiertoe met een gang naar de civiele rechter de medewerking van de andere eigenaar worden gevorderd.
10.3. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen kan het naar het oordeel van de rechtbank niet de bedoeling zijn dat een eigenaar die twijfelt of zijn bouwwerk nog aan de minimaal te stellen eisen over de technische bouwkwaliteit voldoet, die eigen verantwoordelijkheid afschuift op het college en middels een verzoek om handhaving verlangt dat het college op kosten van de gemeenschap diepgaand onderzoek verricht naar de conformiteit van zijn bouwwerk met de bouwregelgeving. De rechtbank miskent hiermee niet de in de rechtspraak ontwikkelde beginselplicht tot handhaving zoals beschreven onder nummer 7 en de taak van het met handhaving belaste bestuursorgaan om toezicht op de naleving te houden, maar benadrukt wel de eigen verantwoordelijkheid om zorg te dragen voor de naleving en bij twijfel zo nodig zelf nader onderzoek te doen.
10.4. In het licht van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het college zich in dit geval voldoende heeft ingespannen om vast te stellen dat er geen aanleiding bestond voor verdergaand onderzoek en het terecht heeft afgezien van handhavend optreden. (…)
¶ Rechtbank Oost-Brabant 24 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1848: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, Besluit activiteiten leefomgeving, pH-waarde, waswater, biologische combiluchtwassysteem, varkenshouderij, toepasselijke recht, Invoeringswet Omgevingswet, overzichtsuitspraak ABRvS, Omgevingsregeling, leaflet, invorderingsbesluit, geen bijzondere omstandigheden, weigering verlengen begunstigingstermijn
2.22. Het houden van meer dan 750 zeugen wordt op grond van artikel 3.200, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bal aangewezen als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 van het Bal. Op grond van artikel 3.203, eerst lid, aanhef en onder d, van het Bal moet worden voldaan aan de regels over dierenverblijven in paragraaf 4.82 van het Bal. De regels over de goede werking van een huisvestingssysteem voor stallen waren voor 1 januari 2024 opgenomen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.123) en zijn nu opgenomen in het Bal (artikel 4.817) en de Omgevingsregeling (artikel 4.5). Die regels gaan over de technische uitvoering en de gebruikseisen van een huisvestingssysteem die zijn opgenomen in de systeembeschrijvingen van de huisvestingssystemen (de zogenoemde leaflets).
2.23. Het huisvestingssysteem van de stallen van eiseres bestaat uit een gecombineerd luchtwassysteem met een watergordijn en een biologische wasser van het type OW 2009.12. Uit de leaflet die hoort bij dit huisvestingssysteem blijkt dat het doel van dit systeem is het reduceren van de emissie van ammoniak, geur en stof uit de stallen naar de lucht (2OW 2009.12 – Meervoudig luchtwassysteem | Informatiepunt Leefomgeving). In deze leaflet staat een technische beschrijving van het luchtwassysteem. Hieruit leidt de rechtbank af dat dit luchtwassysteem – voor zover in deze zaak van belang – goed werkt als zij de ammoniakemissie met 85% reduceert. Om te kunnen controleren of het luchtwassysteem goed werkt, moet deze zijn voorzien van een elektronisch monitoringssysteem, waarmee elk uur de zuurgraad van het waswater, de geleidbaarheid van het waswater, de spuiwaterproductie, de drukval over het filterpakket en het elektriciteitsverbruik van de waswaterpomp worden geregistreerd. Dit volgt uit artikel 4.829 van het Bal en artikel 4.9 van de Omgevingsregeling. In de leaflet staat onder meer aan welke bandbreedte de zuurgraad moet voldoen (pH tussen 6,5 en 7,5). De pH van het waswater is een belangrijke indicatie voor de goede werking van een luchtwassysteem (pH waswater bij luchtwassers | Informatiepunt Leefomgeving (https://iplo.nl/thema/toepassing-regels-praktijk/veehouderijen/stalsystemen-aanvullende-technieken/luchtwassers/eisen-gebruik/ph-waswater/) en Controle zuurgraad waswater bij luchtwassers | Informatiepunt Leefomgeving (https://iplo.nl/thema/toepassing-regels-praktijk/veehouderijen/stalsystemen-aanvullende-technieken/luchtwassers/toezicht-handhaving/controle-luchtwasser/zuurgraad/)). Als uit de monitoring blijkt dat de parameters, zoals de pH van het waswater, buiten de bandbreedtes vallen, moeten maatregelen worden getroffen om een goede werking van het luchtwassysteem te waarborgen. Dit volgt uit artikel 4.829, tweede lid, van het Bal. Welke maatregelen dat zijn, moet in een werkinstructie worden opgenomen, zo volgt uit artikel 4.827, tweede lid, van het Bal (Werkinstructie, onderhoud en controle bij luchtwassers | Informatiepunt Leefomgeving (https://iplo.nl/thema/toepassing-regels-praktijk/veehouderijen/stalsystemen-aanvullende-technieken/luchtwassers/eisen-gebruik/werkinstructie-onderhoud-controle/)). Blijkens de toelichting op deze bepaling is de veehouder verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van deze werkinstructie, eventueel in samenwerking met de leverancier van het luchtwassysteem.
2.30. De rechtbank stelt voorop dat de vergunninghouder (eiseres) verantwoordelijk is voor de correcte werking van het luchtwassysteem. Onderdeel daarvan is dat een luchtwassysteem wordt opgeleverd met een werkinstructie ten behoeve van het behoud van een deugdelijke werking. Uit de regelgeving volgt dus dat aan het toestaan van het gebruik van een luchtwassysteem de voorwaarde is gekoppeld dat een deugdelijke werking behouden blijft. Gelet op het voorgaande is het feit dat eiseres er in de gegeven omstandigheden – naar eigen zeggen – alles aan heeft gedaan om het luchtwassysteem deugdelijk te laten werken, geen reden voor een geslaagd beroep op overmacht. Dat de maatregelen niet hebben geholpen en volgens eiseres nog steeds niet duidelijk is wat de oorzaak is, komt in de gegeven omstandigheden voor haar rekening en risico. Dat de leverancier failliet is en dat eiseres dus afhankelijk is van andere bedrijven voor onderhoud en reparatie, betekent ook niet dat sprake is van overmacht. Zeker gezien het (lange) tijdsverloop kan dit niet (meer) als excuus worden gezien. Daarbij komt nog dat eiseres niet is ingegaan op verzoeken van het college om een diagnose van het probleem met haar te delen en in overleg te treden en om een toezichthouder bij een diagnose door een reparateur aanwezig te laten zijn op de locatie. Daarmee heeft eiseres zich niet coöperatief opgesteld, zoals het college terecht stelt. Zoals het college verder terecht stelt en eiseres erkent, is de mate van ammoniakemissiereductie hier niet relevant, omdat de overtreding een onder- en overschrijding van de voorgeschreven pH waardes van het waswater betreft. Het standpunt van eiseres dat een te lage pH waarde niet (direct) tot een hogere ammoniakemissie, maar misschien zelfs tot een lagere emissie zou leiden, wordt niet gevolgd. Dat standpunt van dr. ir. R.W. Melse is in het in opdracht van eiseres opgestelde rapport niet onderbouwd, zoals namens eiseres is erkend tijdens de zitting, en uit de (wel van een onderbouwing voorziene) WUR-rapporten (onder meer ook van de hand van Melse) waar het college naar verwijst, blijkt het tegendeel. Bovendien staat in laatstgenoemde rapporten dat bij een te lage pH waarde een bijkomend risico bestaat op de productie van lachgas (NO2), een sterk broeikasgas en stikstofmonoxide (NO) dat na depositie kan leiden tot verzuring en het komen van te veel voedingsstoffen in de bodem (eutrofiëring).
¶ Rechtbank Noord-Holland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3064: Awb, Ow, Gmw; afwijzing handhavingsverzoek, plantenbakken, parkeerperceel, groenbestemming, technische bouwactiviteit, begrip “bouwwerk”, relatief geringe omvang, kunnen worden verplaatst, niet met grond verbonden, ter plaatse functioneren, Besluit bouwwerken leefomgeving, vergunningvrij, omgevingsplanactiviteit, geen binnenplanse vergunningplicht, tuinmeubilair, verordening fysieke leefomgeving, uitwegvergunningenstelsel, feitelijk gebruik als uitweg, advies bezwaarschriftencommissie/niet ondertekend, passeren gebrek, omvang geding, reikwijdte handhavingsverzoek, geen overtreding/geen ruimte voor belangenafweging
7.1 In artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a. Ow is bepaald dat het verboden is zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval. In de Bijlage bij artikel 1.1 Ow (begripsbepalingen) is bepaald wat wordt verstaan onder:
– bouwactiviteit: activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk;
– bouwen: plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten;
– bouwwerk: constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren (…)
Deze definities brengen mee dat overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow alleen aan de orde kan zijn als de gestelde overtreding ziet op een bouwwerk.
7.2 De plantenbakken kunnen, anders dan eiseres aanvoert, niet worden aangemerkt als ‘bouwwerk’ in voormelde zin. De plantenbakken zijn kennelijk wel van metaal en gevuld met aarde, maar zijn van relatief geringe omvang, te weten 1 x 1 x 0,8m. De plantenbakken kunnen worden verplaatst en dat is ook gebeurd. Dat wijst er op dat de bakken niet met de grond zijn verbonden: van bijvoorbeeld een fundering of hechting in de grond is geen sprake. Ten tijde van het bestreden besluit waren de twee plantenbakken immers ook al even verderop neergezet. Dat dit, zoals eiseres stelt, mogelijk alleen met machinale hulp kan, maakt dit mede gelet op het feit dat de bakken niet heel erg omvangrijk zijn, niet anders. Datzelfde geldt voor de mogelijkheid dat de bakken weer kunnen worden teruggeplaatst. Vgl. ABRvS 01-05-2019, 201802967/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:1423. Uit het feit dat de onderhavige bakken kunnen worden en daadwerkelijk worden verplaatst, kan ook worden afgeleid dat de plantenbakken niet bedoeld zijn om (voortdurend) ter plaatse te functioneren in de zin van de definitiebepaling. Ter zitting heeft het college nog onbestreden gesteld dat het ook uitdrukkelijk de bedoeling is om de plantenbakken slechts tijdelijk te plaatsen, zulks met het oog op de komende ruimtelijke ontwikkelingen ter plaatse. Ook dat wijst er op dat geen sprake is van een bouwwerk in voormelde zin.
7.3 Omdat de plantenbakken geen bouwwerk zijn als bedoeld in de Bijlage bij artikel 1.1 van de Ow, is dus geen sprake van een overtreding van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow.
7.4 Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het plaatsen van de plantenbakken, als het wel bouwwerken waren, ook niet vergunningplichtig op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow zou zijn vanwege artikel 2.26 Bbl.
7.5 Op grond van artikel 2.26, eerste lid, aanhef en onder a, Bbl geldt het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow, om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, voor zover hier van belang, slechts voor een bouwactiviteit, voor zover die betrekking heeft op een bouwwerk zonder dak en dat bouwwerk hoger is dan 5 m. De plantenbakken zijn 0,8 m hoog en daarmee is daarvoor de vergunningsplicht in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, Ow in artikel 2.26, eerste lid, aanhef en onder a, Bbl daarop niet van toepassing (ook in de andere onderdelen van artikel 2.26 Bbl is het verbod op het zonder omgevingsvergunning bouwen van een “bouwwerk” als hier aan de orde niet van toepassing). Als de bakken wel bouwwerk zouden zijn, dan gold deze vergunningplicht dus nog niet.
8.1 Daarnaast moet de vraag worden beantwoord of op het plaatsen en/of hebben van de plantenbakken op het parkeerperceel de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow van toepassing is. Daarvoor is natuurlijk van belang of het bestemmingsplan een relevante regeling bevat die ziet op plantenbakken aldaar. In het bestemmingsplan is aan de gronden waarop de plantenbakken staan de bestemming Groen toegekend, welke gronden onder meer bestemd zijn voor plantsoenen, groenvoorzieningen en beplantingen waarbinnen de plantenbakken op het eerste gezicht lijken te passen. Op deze gronden mag, zo volgt uit artikel 4.2, onder a, van dat plan echter niet worden gebouwd. In het bestemmingsplan staan over bouwen dezelfde definitiebepalingen als hiervoor onder 7.1 aangehaald. Omdat, zoals reeds is vastgesteld, de plantenbakken geen bouwwerken zijn, geldt daarvoor het bouwverbod uit het bestemmingsplan dus niet. Reeds daarom valt niet in te zien dat het hebben van de plantenbakken op die plek vergunningplichtig zou zijn. Het hebben van de plantenbakken daar betreft immers geen omgevingsplanactiviteit, althans geen gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De rechtbank merkt daar nog bij op dat een binnenplanse vergunningplicht voor plantenbakken ter plaatse ook niet in het bestemmingsplan is opgenomen.
8.2 Daar komt nog bij, in wezen dus ten overvloede, dat, zou wel sprake zijn van bouwwerken, op grond van artikel 2.29, aanhef en onder h, Bbl het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, Ow, om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten, niet geldt voor een omgevingsplanactiviteit voor zover de activiteit betrekking heeft op tuinmeubilair, als dat niet hoger is dan 2,5 m.
8.3 In het Bbl is niet nader gedefinieerd wat moet worden verstaan onder tuinmeubilair, net zomin als dat het geval was in daaraan voorafgaande regelgeving, respectievelijk het Besluit omgevingsrecht en het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken. Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat planten- en/of bloembakken als tuinmeubilair kunnen worden aangemerkt (ABRvS van 1 mei 2019, 201802967/1/A1, ECLI:NL:RVS:2019:1423 en ABRvS 11-02-2015, 201405060/1/A1, ECLI:NL:RVS:2015:380). Het parkeerperceel en daarbinnen het gebied met de bestemming Groen, dat aan het pand grenst, is weliswaar op het eerste gezicht geen tuin volgens de omschrijving die daaraan volgens het “Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal” in het normaal spraakgebruik wordt gegeven. In dit specifieke geval ziet de rechtbank echter overeenkomsten en daarmee aanknopingspunten om, zoals verweerder op de zitting heeft betoogd, het perceel met een tuin gelijk te stellen. Het perceel is (nog) niet expliciet opengesteld voor publiek gebruik, noch is het als zodanig ingericht. De eigenaar van het perceel, de gemeente Bergen, heeft door middel van hekwerken en andere afscheidingsvoorzieningen juist beoogd te voorkomen dat derden zonder haar toestemming het terrein betreden. En op de strook grond tieren uitsluitend planten welig. Dat eiseres, althans haar huurder, het hekwerk langs de strook grond deels heeft weggezaagd en het perceel zonder toestemming van de eigenaar als in- en uitrit is gaan gebruiken, maakt nog niet dat het niet meer als tuin functioneert en een openbaar stuk grond is geworden met een ander toegestaan gebruik. Het gegeven dat het perceel de bestemming ‘Groen’ heeft, is overigens een reden te meer om het feitelijk gebruik als gemeentelijke tuin te zien. Het perceel verliest wellicht de functie tuin (deels) wanneer de gemeente dat als openbaar toegankelijk pad voor eenieder open zal stellen dan wel in woord en daad akkoord gaat met openbaar gebruik anders dan als tuin. Maar dat is hier (nog) niet aan de orde.
* Rechtbank Noord-Holland 18 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3119: Awb, Gmw; vovo, handhaving, dwangsom, horecabedrijf, terras, spoedeisend belang, feitelijke exploitant, overtreding, aanwijzingsbesluit, terrasseninrichtingsplan, openbare orde, Omgevingswet, artikel 2.1 Omgevingsbesluit, gevelterrassen, niet vergunningvrij, vergunningplicht, zienswijzegesprek, begunstigingstermijn
6.1. (…) Dat het terrasseninrichtingsplan niet rechtsgeldig zou zijn, omdat het niet conform de Omgevingswet is vastgesteld, volgt de voorzieningenrechter evenmin. Het inrichtingsplan regelt als vrijstelling van de terrasvergunningplicht via het aanwijzingsbesluit aspecten van openbare orde. Daarop is de Omgevingswet niet van toepassing. Dit valt af te leiden uit artikel 2.1 van de Omgevingswet. Zie ook de memorie van toelichting bij de Omgevingswet, Kamerstukken II 2013-2014, 33 962, nr. 3, blz. 61. De voorzieningenrechter is gelet hierop van oordeel dat het terrasseninrichtingsplan rechtsgeldig is en als grondslag kan dienen voor de lastoplegging.
* Rechtbank Rotterdam 16 maart 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:3535: Awb, Wro; tegemoetkoming in planschade, directe planschade, vermogensschade, gebruiksmogelijkheden, zand- en grondhandel in combinatie met een afvalcontainerservice, planvergelijking, oude planologische regime, toegelaten bedrijfsactiviteiten, VNG-brochure, impliciete vrijstelling, hoogte tegemoetkoming, overzichtsuitspraak, handvatten indirecte planschade, ingrijpendheid ontwikkeling, rechtsbijstands- en deskundigenkosten, overschrijding redelijke termijn, schadevergoeding
15.2. Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de Wro wordt alleen een tegemoetkoming in planschade toegekend voor schade in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak. De in het rapport van Bijsterbosch genoemde liquidatieschade voor de bedrijfsmiddelen en de vaste inventaris en de bijkomende kosten voor de transitievergoeding, administratieve lasten van de afwikkeling van de staking en de accountant vallen hier niet onder. Het college heeft daar terecht geen vergoeding voor toegekend. Eiseres heeft ter zitting betoogd dat, zoals in het rapport van Bijsterbosch is aangegeven, sprake is van een zodanige planologische ingreep dat moet worden aangesloten bij de systematiek voor onteigening. Volgens haar moet daarom een volledige schadeloosstelling worden toegekend. De rechtbank is echter van oordeel dat de regeling voor planschade in afdeling 6.1 van de Wro hier geen ruimte voor biedt. De tegemoetkoming in planschade is daarin namelijk uitdrukkelijk beperkt tot schade door inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak. De planologische ontwikkeling is bovendien minder ingrijpend dan eiseres stelt (zie overweging 12-14 van deze uitspraak).
16.6. Het college heeft aansluiting gezocht bij de handvatten die in overweging 100 van de overzichtsuitspraak zijn vermeld voor het bepalen van de hoogte van de drempel. In de overzichtsuitspraak worden de handvatten besproken in het kader van indirecte planschade, maar naar het oordeel van de rechtbank mocht het college deze ook toepassen op directe planschade zoals hier aan de orde. In de overzichtsuitspraak worden twee indicatoren genoemd om te bepalen of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag. Dit zijn de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past en de mate waarin de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past. Uit de overzichtsuitspraak volgt dat een drempel van 3% kan worden toegepast indien aan één van beide indicatoren in zijn geheel niet wordt voldaan of indien aan beide indicatoren deels wordt voldaan. Tussen partijen is niet in geschil dat de ontwikkeling niet past in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid. Het gaat dus alleen nog om de vraag of de ontwikkeling – kort gezegd: het verlagen van de ter plaatse toegestane milieucategorie – naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving past. Volgens het college is dat het geval. Nu het in dit geval gaat om een omgeving met een lint van woonbebouwing en bedrijfsactiviteiten in een zware milieucategorie op zeer korte afstand van de dichtstbijzijnde woningen, heeft het college zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. Dat er omgevingsvergunningen zijn verleend voor de bedrijfsactiviteiten doet daar niet aan af. Dit kan wel van belang zijn voor de beoordeling of de ontwikkeling in het gedurende een reeks van jaren gevoerde ruimtelijke beleid past, maar partijen zijn het erover eens dat niet aan dat criterium wordt voldaan. Het voorgaande betekent dat in dit geval aan één van beide indicatoren wordt voldaan en aan de andere indicator niet. Uit de overzichtsuitspraak volgt voor die situatie een aftrek van 3% voor het normaal maatschappelijk risico.
16.7. In de overzichtsuitspraak (overweging 102) is daarnaast vermeld dat de bijzondere omstandigheid dat het om een zeer ingrijpende planologische ontwikkeling gaat die tot een uitzonderlijk hoge schade heeft geleid in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onder omstandigheden kan leiden tot een verlaging van de drempel van het normaal maatschappelijke risico. Eiseres heeft betoogd dat vanwege de ingrijpendheid van de ontwikkeling in dit geval een lagere aftrek moet worden toegepast. Zij gaat er daarbij van uit dat de op de peildatum bestaande bedrijfsvoering legaal plaatsvond en met het nieuwe bestemmingsplan – na een overgangsperiode van maximaal vijf jaar – geheel onmogelijk is gemaakt. De rechtbank heeft echter hiervoor al geoordeeld dat de bestaande bedrijfsvoering niet in overeenstemming was met het vorige bestemmingsplan (zie overweging 12-14). De situatie is daarom wezenlijk anders dan eiseres veronderstelt en ook wezenlijk anders dan het geval was in de uitspraak van 27 september 2017 waarnaar eiseres heeft verwezen. Naar het oordeel van de rechtbank is de planologische ontwikkeling niet zo ingrijpend dat het college om die reden een lagere aftrek dan 3% had moeten hanteren voor het normaal maatschappelijk risico.
¶ Rechtbank Midden-Nederland 13 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:964: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, Besluit bouwwerken leefomgeving, wering van vocht, ontvankelijkheid beroep, misbruik van recht, bouwregelgeving, relativiteitsvereiste, gezondheid, nota van toelichting, uitwendige scheidingsconstructie, aangrenzende verblijfsruimte, visuele waarnemingen, NEN 2778, zorgvuldige vaststelling van feiten, praktijkmeting, technische rekenmethoden, uitvoerbaarheid
8. De rechtbank stelt vast dat de artikelen 3.63 en 3.64 van het Bbl waar eiser zich op beroept, zijn opgenomen in afdeling 3.3 van het Bbl. Deze afdeling gaat over gezondheid. Volgens de Nota van Toelichting op het Bbl (Staatsblad 2018, 291) kunnen zich in een vochtige omgeving stoffen en organismen ontwikkelen met een voor de gezondheid schadelijke werking, de zogenoemde allergenen. Daarom moet een bouwwerk met een woonfunctie scheidingsconstructies hebben die de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende beperken. Het doel van artikel 3.64 van het Bbl is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt door regen, sneeuw, hagel, grondwater of oppervlaktewater. Dit artikel stelt daarom eisen aan de waterdichtheid van scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten. De uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte en een badruimte moeten waterdicht zijn. Dit betekent dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren en een op staal gefundeerde vloer moet grondwater kunnen keren. Dit is ook van toepassing voor de scheidingsconstructie met een kruipruimte. Ook moet de scheidingswand tussen bijvoorbeeld een fabriekshal, een schuurtje of een carport en een aangrenzend bouwwerk met een woonfunctie waterdicht zijn, aldus de Nota van Toelichting.
9. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze toelichting dat de normen uit de artikelen 3.63 en 3.64 van het Bbl primair strekken tot bescherming van de gezondheid van de gebruikers van de verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten binnen de desbetreffende scheidingsconstructies die waterdicht moeten zijn. Eiser is geen gebruiker van de verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten binnen de scheidingsconstructies van het pand. Dat is belanghebbende.
10. Desalniettemin kan eiser zich naar het oordeel van de rechtbank toch op deze bepalingen beroepen. Artikel 3.64 of andere bepalingen van het Bbl regelen namelijk niet dat een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, die grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, waterdicht moet zijn. Dat betekent dat een scheidingswand tussen twee aaneengebouwde woningen die aan beide kanten grenst aan een verblijfsruimte (toiletruimte of badruimte), niet waterdicht hoeft te zijn. Als er via een uitwendige scheidingsconstructie water binnendringt in de ene verblijfsruimte, kan dat dus via een (niet waterdichte) woningscheidende wand ook binnendringen in een aangrenzende verblijfsruimte bij de buren. Een waterdichte buitengevel is dus ook in het belang van een aangrenzende woning. Net zo goed als dat een waterdicht dak op een appartementengebouw, ook van belang is voor ondergelegen appartementen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het feit dat het pand van eiser zelf ook in strijd is met de bepalingen waar hij zich op beroept, er ook niet toe leidt dat het relativiteitsbeginsel hem kan worden tegengeworpen. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het relativiteitsvereiste niet aan eiser tegenwerpen en in het navolgende zijn beroepsgrond inhoudelijk beoordelen.
14. In algemene zin overweegt de rechtbank dat aan een besluit om handhavend op te treden een zorgvuldige vaststelling van feiten ten grondslag moet worden gelegd. De rechtbank kan in dat verband dan ook het oordeel van de Afdeling in de genoemde uitspraken volgen dat in een situatie waarin het in geschil is of sprake is van een overtreding van bepalingen in het Bbl, voor de vaststelling daarvan in beginsel de voorgeschreven bepalingsmethode moet worden toegepast. De rechtbank overweegt dat sommige door het Bbl voorgeschreven NEN-normen eenvoudig met behulp van een praktijkmeting (bijvoorbeeld met de rolmaat) op bestaande bouwwerken zijn uit te voeren. Veel voorgeschreven NEN-normen bevatten echter bepalingsmethoden die bij bestaande bouwwerken niet zonder meer praktisch toepasbaar zijn, bijvoorbeeld omdat de bepalingsmethode is toegesneden op de ontwerpfase. Om die reden zal door bestuursorganen geregeld gezocht moeten worden naar andere methoden waarmee wordt vastgesteld of er sprake is van een overtreding. Dat zal vooral aan de orde zijn bij bepalingsmethoden die technische rekenmethoden voorschrijven en afhankelijk zijn van inputgegevens die berusten op aannames van de werkelijkheid, bepalingsmethoden die alleen in een laboratoriumopstelling kunnen worden uitgevoerd of bepalingsmethoden die voor hun praktische toepassing bewerkelijk en kostbaar zijn. De NEN-bepalingsmethoden zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook in het bijzonder bedoeld om werkelijk op het scherpst van de snede en op een wetenschappelijk verantwoorde wijze onomstotelijk vast te stellen dat aan de grenswaarde in een prestatie-eis wordt voldaan.6
15. In zaak die nu aan de rechtbank ter beoordeling voorligt, heeft de rechtbank geen nadere toelichting nodig om vast te kunnen stellen dat de bepalingsmethode uit NEN 2778 in dit geval praktisch niet goed uitvoerbaar is. Deze bepalingsmethode vergt onder meer het plaatsen van steigers of een hoogwerker, de inzet van een gekalibreerd beregeningstoestel, ventilatoren voor luchtstroom en onderdruk en verschillende meetapparatuur. De rechtbank kan volgen dat het college in deze situatie zijn besluit heeft gebaseerd visuele waarnemingen van de toezichthouder. Deze heeft visueel kunnen vaststellen hoe ernstig de houtrot was, dat er geen ruiten los zaten, alleen een barst aanwezig was in een binnenruit en het om sierpleister ging zonder waterkerende functie. Daarbij neemt de rechtbank in dit geval mede in aanmerking dat zij de conclusie van de toezichthouder op basis van zijn bevindingen kan volgen dat de aanwezige sporen van lekkage, schimmels en vocht in de woning van belanghebbende (en ook van eiser) zonder twijfel zijn terug te leiden naar het langdurig ontbreken van de achtergevel in het pand van eiser en het ontbreken van het juist afvoeren van (regen)water middels een dak, dakgoten en hemelwaterafvoersysteem. Dit kan zij mede op basis van de in de rapportage van bevindingen van 23 april 2024 opgenomen foto van de ontbrekende achtergevel van het pand van eiser, hierboven opgenomen onder 3. Daarmee is aannemelijk geworden dat geen sprake was van de door eiser in zijn verzoek om handhaving gestelde gebreken aan het pand, behalve dan het ontbreken van de vergaarbak en de regenpijp. Maar dat gebrek is door belanghebbende hersteld voor het moment waarop het college het bestreden besluit heeft genomen. De rechtbank betrekt in zijn oordeel ook dat de toepassing van de bepalingsmethode uit NEN 2778 onder de omstandigheid van de ontbrekende achtergevel in het pand van eiser, alleen maar tot extra doorslag van vocht zou hebben geleid in het pand van belanghebbende.
¶ Rechtbank Midden-Nederland 12 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:929: Awb, Ow; bekrachtiging onteigeningsbeschikking, bedenkingen, uitbreiding bedrijventerrein, bestemmingsplan, (tijdelijk deel) omgevingsplan, ambtshalve basistoets, wettelijke vormvoorschriften, pachter, ontwerp-onteigeningsbeschikking en vastgestelde onteigeningsbeschikking/niet toegezonden, persoonlijk gerechtigde, passeren gebrek, onteigeningsbelang, noodzaak, evident onredelijk bod, zelfrealisatie, urgentie,
6. De rechtbank stelt vast dat de ontwerp-onteigeningsbeschikking met de bijbehorende stukken zes weken ter inzage heeft gelegen. Van deze terinzagelegging is kennisgeving gedaan in het Gemeenteblad. Voor belanghebbenden was ook het logboek in te zien. Op de zitting heeft de gemeenteraad toegelicht dat door middel van het vermelden van de link naar Regels op de kaart het bestemmingsplan bij de stukken ter inzage heeft gelegen. Verder is kennisgeving gedaan van de vastgestelde onteigeningsbeschikking in het Gemeenteblad en heeft met de daarbij behorende stukken op de voorgeschreven wijze (artikel 3:44 van de Awb en artikel 16.33d, tweede lid, van de Ow) ter inzage gelegen.
7. De ontwerp-onteigeningsbeschikking moet als de uniforme openbare voorbereidingsprocedure wordt toegepast niet alleen ter inzage worden gelegd, de gemeenteraad moet de ontwerp-onteigeningsbeschikking voorafgaand aan de terinzagelegging toezenden aan de belanghebbenden aan wie de beschikking is gericht (artikel 3:13 van de Awb) Ook de vastgestelde onteigeningsbeschikking moet aan de belanghebbenden worden toegezonden (artikel 3:41, eerste lid, van de Awb). Onder de belanghebbenden tot wie de beschikking is gericht, moeten in elk geval worden verstaan eigenaren, rechthebbenden, gebruikers en andere persoonlijk gerechtigden van de percelen waarop het desbetreffende besluit betrekking heeft De rechtbank verwijst hiervoor naar de Memorie van Toelichting bij de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb, Kamerstukken II 2003-2004, 29421, nr. 3, p. 14 en 15.
12. Zoals vermeld onder 7, rust op de gemeenteraad de verplichting om de (ontwerp)onteigeningsbeschikking toe te zenden aan alle belanghebbenden. In het geval dat bekend is dat er een persoonlijke gerechtigde is, maar de gegevens van deze gerechtigde niet zijn opgenomen in de openbare registers, ligt het op de weg van de gemeenteraad om nader (feitelijk) onderzoek te doen. De gemeenteraad kan dit bijvoorbeeld doen door de gegevens van de pachter op te vragen bij de eigenaar of door ter plaatse een controle uit te voeren.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de gemeenteraad in dit geval niet voldaan aan zijn verplichting om de (ontwerp)onteigeningsbeschikking aan alle belanghebbenden toe te zenden. Eén brief waarin de gegevens van de pachter zijn opgevraagd, zonder een herinnering te versturen op het moment dat de gegevens niet zijn aangeleverd, is hiervoor onvoldoende. Daarbij komt dat – zoals [verweerder] op de zitting heeft toegelicht – de gegevens van de pachter zijn opgevraagd in het kader van een brief over een laatste bieding. Daarmee was het voor [verweerder] onduidelijk waarom deze gegevens moesten worden toegestuurd. De gemeenteraad heeft aan [verweerder] niet verduidelijkt dat de gegevens nodig waren in verband met het vereiste om de (ontwerp)onteigeningsbeschikking aan alle belanghebbenden toe te zenden. Dat de gemeente in diverse gesprekken een herhaaldelijk verzoek om deze gegevens heeft gedaan, wat [verweerder] overigens betwist, maakt dit oordeel niet anders. Dit betekent dat de onteigeningsbeschikking in dit geval niet volgens de wettelijke vormvoorschriften is voorbereid.
15. De rechtbank kan aan dit gebrek bij de voorbereiding van de onteigeningsbeschikking voorbijgaan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Die bepaling is van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 16.113, eerste lid, van de Ow. Dit is mogelijk als aannemelijk is dat de pachter als belanghebbende niet is benadeeld doordat de ontwerp- en vastgestelde onteigeningsbeschikking niet aan hem zijn toegezonden. De griffier van de rechtbank heeft voorafgaande aan de zitting via [verweerder] contact met de pachter opgenomen. De pachter heeft aangegeven dat hij niet als belanghebbende wil deelnemen aan de procedure, wat per brief door de rechtbank aan de pachter is bevestigd. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat hij niet in zijn belangen is geschaad. Daarom passeert de rechtbank het gebrek. Voor het overige is de onteigeningsbeschikking volgens de wettelijke vormvoorschriften voorbereid.
22. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat aannemelijk is dat de gemeenteraad een redelijke poging tot minnelijke verwerving van de percelen heeft gedaan. Er zijn meerdere biedingen gedaan, waarvan de hoogte is onderbouwd. Dat het bod ver uit de richting ligt van wat [verweerder] een realistische prijs vindt, maakt dit oordeel niet anders. Immers, in deze bestuursrechtelijke procedure ligt niet de (hoogte van de) schadeloosstelling aan de rechtbank ter beoordeling voor. Slechts als sprake is van een evident onredelijk bod, bestaat aanleiding voor het oordeel dat er geen redelijke poging tot minnelijke verwerving is gedaan. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het grote verschil tussen wat de gemeente heeft geboden en wat [verweerder] vraagt, toont aan dat niet valt te verwachten dat op afzienbare termijn alsnog overeenstemming kan worden bereikt over de minnelijke verwerving van de percelen. Dit is ook wat partijen ook op de zitting aan de rechtbank hebben bevestigd.
¶ Rechtbank Midden-Nederland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:886: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning bopa, tijdelijke vergunning, flexwoningen, voormalige gemeentekwekerij, achterterrein landgoed, evenwichtige toedeling van functies aan locaties, beleidsruimte, monumentale waarden, omgevingsplan, geen welstandsvereiste, advies CRK, groenstructuren, bunker, bodem, graven in de bodem/algemene regels Besluit activiteiten leefomgeving, omgevingsplan, vervuilde grond/kwestie van handhaving, parkeren, parkeerbehoefte, privacy, bestaande woningnood, bouwverkeer/scheurvorming, uitvoering bouwwerkzaamheden
22. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers met deze beroepsgrond niet de geschiktheid van de bodem ter plaatse van de te bouwen flexwoningen ter discussie stellen. Dat is de toets die het college in het kader van de omgevingsvergunning moest doen en ook heeft gedaan. Het is verzoekers te doen om het eventueel graven in de bodem op een aantal voor hen verdachte plekken op de locatie. Voor het graven in de bodem gelden de algemene regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (het Bal) en § 22.3.7 uit het omgevingsplan. Over de toepassing daarvan kan de voorzieningenrechter in deze procedure die gaat over het verlenen van de omgevingsvergunning geen oordeel geven. Dit is – als inderdaad sprake zou zijn van vervuilde grond – eventueel een kwestie van handhaving bij de uitvoering van de werkzaamheden.
31. Verder is de voorzieningenrechter met het college van oordeel dat de mogelijkheid op scheurvorming door het bouwverkeer een onderdeel is van de uitvoering van de bouwwerkzaamheden en geen aspect is dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning aan de orde kan komen. Voor het voorkomen van schade of zo nodig het verzoeken om een schadevergoeding zijn andere procedures van toepassing. De voorzieningenrechter kan daar in deze procedure geen oordeel over geven.
* Rechtbank Gelderland 11 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1905: BW; Wet vestiging voorkeursrecht gemeenten (Wvg), onderhandelingsvereiste, parlementaire geschiedenis, vervreemder, aanvragen rechterlijke prijsbepalingsprocedure, beginselbesluit, onderhandelingen vervreemdingsvoorwaarden, voortgang onderhandelingen, aanvulling rechtsgronden, misbruik van bevoegdheid, erfpachtrecht, notaris, registers, gerechtelijke prijsbepalingsprocedure, laten verstrijken fatale termijnen, te kwader trouw, onrechtmatige daad, eigen schuld, afwijzing vorderingen
3.5. Volgens de Gemeente was de Stichting echter op 21 november 2023 (nog) niet gerechtigd om een verzoek als bedoeld in artikel 13 lid 1 Wvg te doen, omdat niet aan het onderhandelingsvereiste werd voldaan. Hierover overweegt de rechtbank het volgende.
3.6. Uit de parlementaire geschiedenis van de oorspronkelijke aanbiedingsprocedure van de Wvg, zoals die tot 1 juli 2010 luidde, volgt dat de formele en procedurele voorschriften van de Wvg de vrijheid van partijen onverlet laten om de onderhandelingen te voeren naar eigen inzicht en op meer informele wijze. De wijze waarop partijen de onderhandelingen voeren, moet in beginsel aan hen worden overgelaten. Waar de wet termijnen noemt waarbinnen verzoeken moeten worden gedaan, hebben die termijnen de strekking in het belang van de verkoper een zo vlot mogelijk verloop van de voorkeursprocedure te waarborgen. In de artikelsgewijze toelichting staat verder dat de verkoper, als degene die uit eigen beweging tot vervreemding heeft besloten, ook zelf de voortgang van de onderhandelingen met de gemeente moet kunnen bepalen, aldus de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1975/1976, 13713, nr. 3, p. 12, 16, 19). In de memorie van antwoord staat dat de woorden ‘in onderhandeling zijn getreden’ niet bedoelen dat al brieven zijn gewisseld of gesprekken zijn gevoerd. Zij duiden alleen aan dat partijen verkeren in een stadium van onderhandelen (Kamerstukken II 1976/1977, 13713, nr. 9, p. 35). Per 1 juli 2010 is de aanbiedingsprocedure vereenvoudigd. Uit de parlementaire geschiedenis hiervan volgt, deels in afwijking van voornoemde memorie van toelichting, het volgende. De wetgever is ervan uitgegaan dat partijen in beginsel door het voeren van onderhandelingen tot vaststelling van de vervreemdingsvoorwaarden komen. Daarom is in artikel 13 lid 1 Wvg vastgelegd dat partijen voorafgaand aan een eventuele rechterlijke procedure dienen te onderhandelen (brieven wisselen of gesprek(ken) voeren). De vervreemder kan een rechterlijke prijsbepalingsprocedure aanvragen wanneer partijen er gezamenlijk niet uitkomen, dat wil zeggen, als de onderhandelingen zonder resultaat blijven. Het uitgangspunt dat de vervreemder de voortgang van de onderhandelingen bepaalt, is gehandhaafd (Kamerstukken II 2007/2008, 31285, nr. 3, p. 2-3 en 14).
3.7. Tegen deze achtergrond en gelet op het navolgende is de rechtbank van oordeel dat wel degelijk aan het onderhandelingsvereiste is voldaan.
3.11. Onder aanvulling van rechtsgronden (artikel 25 Rv) moet dit verweer mede worden aangemerkt als een beroep op misbruik van bevoegdheid. Dit verweer slaagt.
3.12. In artikel 3:13 lid 1 BW is bepaald dat degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar niet kan inroepen voor zover hij haar misbruikt. In lid 2 staat dat een bevoegdheid onder meer kan worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. In artikel 3:15 BW is bepaald dat artikel 3:13 BW toepassing vindt buiten het vermogensrecht, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.
3.29. Tegen deze achtergrond concludeert de rechtbank dat de Stichting te kwader trouw heeft gehandeld en misbruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van artikel 13 lid 1 Wvg om een verzoek bij het college in te dienen. Dit betekent dat, hoewel vaststaat dat het college geen verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank binnen de fatale termijn van vier weken van artikel 13 lid 1 Wvg, dit in de gegeven omstandigheden niet leidt tot het rechtsgevolg van artikel 13 lid 3 jo. artikel 12 lid 2 en 3 Wvg, namelijk dat de Stichting gedurende drie jaar de vrijheid tot vervreemding aan derden heeft. De hierop betrekking hebbende verklaring voor recht die wordt gevorderd, is daarom niet toewijsbaar.
¶ Rechtbank Noord-Nederland 5 februari 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:966: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, permanente bewoning, recreatiewoning, Harderwijk-uitspraak, evenredigheid, algemeen belang handhaving, persoonlijke omstandigheden overtreder, onderbouwen met stukken, vergaande gevolgen, dakloos, begin van bewijs, financiële als medische omstandigheden, doktersverklaringen, krapte woningmarkt, einduitspraak na tussenuitspraak
6.2. De rechtbank is van oordeel dat het college de persoonlijke omstandigheden van eisers onvoldoende betrokken heeft in de besluitvorming. Het college stelt terecht dat het op de weg van eisers ligt om met stukken hun persoonlijke omstandigheden te onderbouwen. De rechtbank is echter van oordeel dat meer onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van eisers van het college verwacht had mogen worden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de gevolgen voor eisers vergaand kunnen zijn, omdat zij dakloos zouden kunnen worden. Bovendien hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank een begin van bewijs geleverd met de stukken die zij wel aangeleverd hebben. Onder die omstandigheden had het college nader onderzoek moeten doen naar de omstandigheden waar eisers zich op beroepen.
6.3. De rechtbank is voorts van oordeel dat het college niet goed gemotiveerd heeft waarom het overgaat tot handhavend optreden. Eisers hebben zowel financiële als medische omstandigheden naar voren gebracht. Voorts hebben eisers onderbouwd dat het voor hun lastig is om een nieuwe woning te vinden vanwege de krapte op de woningmarkt.
6.3.1. Het college heeft zich zonder verdere onderbouwing op het standpunt gesteld dat eisers rond kunnen komen van een gezamenlijk netto inkomen van € 1.000,- per maand, terwijl het sociaal minimum voor een gezin zonder kinderen bijvoorbeeld al (bruto) € 2.294,40 bedraagt. Dit standpunt is voor de rechtbank dan ook onnavolgbaar. Het college stelt zich verder op het standpunt dat het wel meevalt met de financiële situatie van eisers omdat zij, zoals ter zitting bleek, nog enkele bijverdiensten hebben. Zonder nader onderzoek waaruit volgt hoeveel de bijverdiensten zijn en of deze bijverdiensten wel of niet onderdeel uitmaken van het gezamenlijke netto inkomen van € 1.000,- begrijpt de rechtbank niet waarop het college dit standpunt baseert.
6.3.2. Het college heeft niet gemotiveerd welke consequenties de medische omstandigheden hebben voor de last onder dwangsom, anders dan te stellen dat niet gebleken is van een dermate slechte gezondheid (bijvoorbeeld via een doktersverklaring) die afzien van handhaving rechtvaardigt en dat de stress die eisers ervaren niet ongebruikelijk is bij handhavingsprocedures en dat de stress weggenomen kan worden door de overtreding te beëindigen. Hoewel eisers inderdaad in eerste instantie geen doktersverklaringen overgelegd hebben, heeft het college bij het herstel van het gebrek ook geen contact meer gezocht met eisers. Zoals hierboven reeds geoordeeld, is de rechtbank van oordeel dat van het college meer onderzoek had mogen worden verwacht. In dit geval had het college eisers bijvoorbeeld om nadere stukken kunnen verzoeken, zodat het college een goede beoordeling kon maken van de medische situatie van eisers en de eventuele beperkingen bij het vinden van een woning die daarvan het gevolg zijn.
6.3.3. Het college heeft in het geheel niet gemotiveerd welke consequenties de krapte op de woningmarkt heeft voor de last onder dwangsom, terwijl het naar het oordeel van de rechtbank een feit van algemene bekendheid is dat deze krapte op de woningmarkt bestaat.
6.3.4. Voorgaande verhoudt zich niet met de ingrijpende gevolgen van het handhavende optreden voor eisers. Handhaving leidt voor hen niet alleen tot een woonprobleem, maar het kan ook negatieve gevolgen hebben voor hun (gestelde) kwetsbare gezondheid en het kan leiden tot het achterlaten van het voor hen belangrijke sociale netwerk dat zij hebben opgebouwd.
6.4. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen een nieuw besluit te nemen, waarbij het college zal moeten beoordelen of handhaving in dit geval evenredig is en als het college meent dat dit het geval is, waarom het algemeen belang van handhaving zwaarder weegt dan de persoonlijke omstandigheden van eisers. Bij de beoordeling zal het college daadwerkelijk onderzoek moeten doen naar de omstandigheden van eisers en kan het college bijvoorbeeld ook bij die afweging betrekken op welke manier hij omgaat met de gevolgen die handhaving heeft voor eisers door met hen in gesprek te gaan en hulp te bieden bij het zoeken naar een oplossing voor hun woonprobleem. Vgl. ook de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5744, r.o. 3.3.
¶ Rechtbank Noord-Nederland 30 september 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:5903: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, permanente bewoning, recreatiewoning, overtreding, evenredigheid, artikel 8 EVRM, fundamenteel recht op wonen, inmenging, Omgevingswet, omgevingsplan, algemeen belang, persoonlijke belangen, omstandigheden op medisch en financieel gebied, verlengen begunstigingstermijn, tussenuitspraak
6.2. De voorzieningenrechter overweegt dat artikel 8 EVRM een fundamenteel recht op wonen behelst. Inmenging in dit recht dient bij wet te zijn voorzien en een legitiem doel te dienen. Daarvan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake. De inmenging is geregeld in de Awb, de Omgevingswet en het Omgevingsplan. Deze wettelijke voorschriften dienen ook een legitiem doel, namelijk de naleving van het Omgevingsplan. Vervolgens dient te worden beoordeeld of de betrokken wettelijke voorschriften noodzakelijk zijn in een democratische samenleving als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM, hetgeen in dit geval wil zeggen dat beslissingen die in dit opzicht worden genomen, evenredig zijn met het doel dat daarmee wordt gediend. Gelet hierop, betekent dit dat de inmenging pas is toegestaan, indien de persoonlijke belangen van eisers zijn afgewogen tegen het algemeen belang dat gediend wordt met handhaving door het college.
6.2.3. De voorzieningenrechter is op grond van voorgaande van oordeel dat het college niet deugdelijk gemotiveerd heeft waarom het algemeen belang in dit geval zwaarder dient te wegen dan de persoonlijke belangen van eisers.
7.1. Om het gebrek te herstellen, moet het college motiveren waarom het algemene belang van handhaving in dit specifieke geval zwaarder weegt dan het individuele belang van eisers om de woning permanent te blijven bewonen in strijd met het Omgevingsplan. Daarbij dient het college te motiveren waarom de woning behouden dient te blijven voor recreatie, waarbij het college stil dient te staan bij de specifieke omstandigheden in dit geval. Deze specifieke omstandigheden behelzen in ieder geval het door eisers gestelde dat veel recreatiewoningen permanent bewoond worden en dat er kennelijk vanuit het recreatiepark ook de wens bestaat dat dit mogelijk wordt gemaakt. Ook het feit dat er politiek, zowel lokaal als landelijk, op aangedrongen wordt naar de mogelijkheden van bewoning van recreatiewoningen te kijken is hierbij van belang. Het college dient daarbij ook concreet te motiveren waarom de door eisers aangevoerde persoonlijke omstandigheden in dit geval geen aanleiding geven om van handhaving af te zien. Omdat eisers zich beroepen op deze bijzondere omstandigheden dienen zij met stukken te onderbouwen wat hun situatie precies is en welke gevolgen dat heeft voor hen. De voorzieningenrechter bepaalt de termijn waarbinnen het college het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.