Reikwijdte van de belangenafweging vergunningverlening Watervergunning. Weigeringsgronden artikel 6.21 Waterwet.

Casus

[Appellant A] en anderen wonen aan de [locatie 2] in Waalwijk. Aan de overzijde van de straat ter hoogte van de [locatie 1] en op grond in eigendom van de gemeente bevindt zich een zogenoemde a-watergang die in beheer is bij het waterschap. Op het perceel aan de overzijde zijn twee woningen voorzien die met een brug over de a-watergang zullen aansluiten op de [locatie 2]. [Appellant A] en anderen zijn het niet eens met de perceelsontsluiting en de aanleg van de brug in de nabijheid van hun woningen.

Beleid van het waterschap is dat in beginsel geen vergunning wordt verleend voor een brug in de betreffende watergang, tenzij het een brug is voor perceelontsluiting en daarvoor geen alternatief bestaat. Appellanten stellen dat de vergunning moet worden geweigerd omdat er een alternatief is voor de brug.

De rechtbank heeft geoordeeld dat door vaststelling van deze beleidsregel het dagelijks bestuur zich een onderzoekplicht heeft opgelegd om te bezien of er sprake is van een alternatief om het perceel te ontsluiten. Deze onderzoekplicht beperkt zich, gezien de huidige formulering, volgens de rechtbank niet meer tot waterstaatkundige belangen, maar behelst een afweging van belangen die verder gaat dan de Waterwet voorschrijft.

In hoger beroep betogen appellanten dat de gevolgtrekking van de rechtbank dat de gehele beleidsregel buiten toepassing moet blijven, onjuist is.

Rechtsvraag

Had de rechtbank de beleidsregel buiten toepassing mogen laten?

Uitspraak

De rechtbank lijkt ervan uit te gaan dat het dagelijks bestuur bij de afweging van belangen in het kader van de verlening of weigering van een watervergunning geen andere belangen dan waterstaatkundige belangen mag meewegen. Dat is niet juist. Doorgaans zal immers het belang van degene die de watervergunning aanvraagt juist niet zijn gelegen in waterstaatkundige belangen, zoals in dit geval het belang van vergunninghouder om te kunnen beschikken over een brug voor de ontsluiting van zijn perceel. De opvatting van de rechtbank dat die andere belangen als zijnde geen waterstaatkundige belangen geen rol mogen spelen in de belangenafweging, is onjuist. In artikel 5.4.1.1. van de beleidsregel is opgenomen dat wanneer sprake is van een duiker/brug over een a-water die nodig is voor perceelsontsluiting en waarbij het perceel niet op andere wijze is, of kan worden ontsloten, de watervergunning kan worden verleend. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte artikel 5.4.1.1 buiten toepassing heeft gelaten en daarvoor in de plaats een eigen toetsingskader heeft geïntroduceerd en toegepast. Dat neemt niet weg dat de rechtbank, gegeven de gegrondverklaring van het beroep, de rechtsgevolgen van het besluit tot verlening van de watervergunning in stand heeft kunnen laten.

Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 24-12-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2024:5404
Odile Scholte

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder