Een planregel over kamergewijze verhuur aan seizoenarbeiders treft in feite hoofdzakelijk mensen met bepaalde nationaliteiten en is daarom indirect discriminerend en in strijd met de Dienstenrichtlijn.
Casus
Bij besluit van 22 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Halderberge het bestemmingsplan ‘Parapluplan Halderberge 2021’ gewijzigd vastgesteld. Het plan heeft onder meer tot doel de huisvesting van arbeidsmigranten en seizoenarbeiders te reguleren door een eenduidige begripsbepaling en door het bieden van sturingsmogelijkheden. Met het plan wil de raad voorkomen dat arbeidsmigranten en seizoenarbeiders zich door middel van kamergewijze verhuur vestigen in een woonwijk of hun intrek nemen in recreatieve voorzieningen. In het plan is een verbod opgenomen voor kamergewijze verhuur, maar ook zijn er twee afwijkingsbevoegdheden opgenomen, op grond waarvan onder meer de huisvesting van seizoenarbeiders door middel van kamergewijze verhuur, onder bepaalde voorwaarden, mogelijk is. In het plangebied ligt een pand dat werd gebruikt voor het huisvesten van arbeidsmigranten.
De eigenaren en de voormalige huurder (een uitzend- en/of detacheringsbureau) van het pand zijn het niet eens met het plan, omdat de planregeling over kamergewijze verhuur volgens hen discriminatoir en in strijd met de Dienstenrichtlijn is. Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen arbeidsmigranten en seizoenarbeiders enerzijds en degenen die dat niet zijn anderzijds. Daardoor wordt volgens hen ten onrechte een onderscheid gemaakt tussen niet-Nederlanders (burgers uit andere EU-lidstaten daaronder begrepen) en Nederlanders.
De raad stelt zich op het standpunt dat het plan niet in strijd is met de Dienstenrichtlijn. In de gemeentelijke woonvisie heeft de raad aangegeven dat kamergewijze verhuur in het algemeen niet wenselijk is. Kamergewijze verhuur heeft een te grote impact op de ruimtelijke structuur. Verder is sprake van een algemene regel, die geen onderscheid maakt in gebruikersgroepen. De planregeling is niet alleen gericht op de huisvesting van arbeidsmigranten, maar betreft alle vormen van kamergewijze verhuur. Daaronder vallen ook andere groepen dan arbeidsmigranten. Verder stelt de raad dat het plan beoogt om de verschillende heersende planologische regimes binnen het gehele grondgebied gelijk te trekken. Met het paraplubestemmingsplan wordt de kamergewijze verhuur alleen via een afwijkingsbevoegdheid mogelijk.
Rechtsvraag
Is een planregel over kamergewijze verhuur aan seizoenarbeiders, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen niet-Nederlanders en Nederlanders, discriminatoir en in strijd met de Dienstenrichtlijn?
Uitspraak
Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2628, onder 11.6, omvat volgens vaste rechtspraak van het Hof het verbod op het maken van onderscheid niet alleen openlijke discriminatie op grond van nationaliteit, maar ook alle verkapte vormen van discriminatie die door toepassing van andere onderscheidingscriteria in feite tot hetzelfde resultaat leiden. Van verboden indirecte discriminatie is in dit geval sprake als de betrokken planregel, hoewel neutraal geformuleerd, in feite hoofdzakelijk mensen met een bepaalde afkomst, nationale en etnische afstamming benadeelt, tenzij die maatregel zijn rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geen verband houden met discriminatie.
Artikel 5.3.1 van de planregels is, in samenhang gelezen met artikel 1.15 van de planregels, gericht op seizoenarbeiders en maakt een onderscheid tussen seizoenarbeiders en degenen die dat niet zijn. Weliswaar is de term seizoenarbeider neutraal geformuleerd, ongeacht nationaliteit, maar de planregel treft zoals op de zitting besproken en door de raad erkend vooral arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europa. Deze gevolgtrekking wordt versterkt door de verwijzing naar het toetsingskader ‘Humane Huisvesting Arbeidsmigranten’ voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. Aldus treft de planregel in feite hoofdzakelijk mensen met bepaalde nationaliteiten, aangezien seizoenarbeiders in de praktijk hoofdzakelijk uit EU-lidstaten in Midden- en Oost-Europa afkomstig zijn.
De Afdeling is van oordeel dat aldus ten aanzien van seizoenarbeiders sprake is van een indirect onderscheid naar nationaliteit tussen in het bijzonder andere EU-burgers enerzijds en Nederlanders anderzijds. Anders dan de raad is de Afdeling van oordeel dat dit indirecte onderscheid geen rechtvaardiging vindt in objectieve factoren die geen verband houden met discriminatie. Niet in te zien valt immers om welke objectieve, en ruimtelijk relevante, redenen het gerechtvaardigd zou zijn dat kamerverhuur aan bijvoorbeeld een tijdelijk in de agrarische of logistieke sector werkzame burger van een andere EU-lidstaat anders zou zijn dan kamerverhuur aan een tijdelijk in eenzelfde sector werkzame Nederlander. De raad heeft ook ter zitting niet kunnen onderbouwen welke objectieve factoren dit onderscheid zouden rechtvaardigen. Artikel 5.3.1 van de planregels is mede gelet op de verwijzing naar het toetsingskader daarom indirect discriminerend.
Zoals de Afdeling in de uitspraak van 2 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2834, onder 10.4, heeft overwogen, kan een (indirect) discriminerende bepaling op zichzelf nooit evenredig zijn. Verder kan de bescherming van de voornoemde ruimtelijke ordeningsbelangen ook worden bereikt zonder dat onderscheid. Artikel 5.3.1 van de planregels gaat daarom verder dan nodig is om het doel dat de raad voor ogen heeft te bereiken. De raad heeft op de zitting erkend dat ook zonder artikel 5.3.1 van de planregels de nagestreefde doelen kunnen worden behaald. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat artikel 5.3.1 van de planregels in strijd met de vereiste evenredigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, aanhef en onder c, van de Dienstenrichtlijn is vastgesteld.
Rechtelijke Instantie : Raad van State
Datum Uitspraak : 10-12-2025
Eclinummer : ECLI:NL:RVS:2025:6007
Gijsbert Keus