De voorschriften over cameratoezicht die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden, zijn niet gesteld met het oog op een goede ruimtelijke ordening. De vrees dat het college op diverse momenten moet controleren op het perceel van eiser om na te gaan of hij zich aan de omgevingsvergunning houdt, is geen afweging die het college kan maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Buren (het college) heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruiken van een bestaande loods voor opslag voor een periode van vijf jaar. Met de beslissing op bezwaar heeft het college alsnog de gevraagde omgevingsvergunning voor vijf jaar verleend, omdat de weigering volgens hem in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel. Aan de omgevingsvergunning heeft het college voorschriften verbonden, onder meer over cameratoezicht.
Eiser betoogt dat de voorschriften i en j zien op toezicht en handhaving. Dit erkent het college volgens eiser ook in de omgevingsvergunning. De voorschriften houden volgens eiser geen rechtstreeks verband met de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het vergunde gebruik. Dit is niet alleen in strijd met artikel 2.22 van de Wabo, maar ook in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft met het stellen van voorschriften i en j zijn bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de omgevingsvergunning is bedoeld, aldus eiser.
Volgens het college zijn er meerdere klachten van omwonenden die onder meer zien op verkeersbewegingen van voertuigen op- en afgaand van het perceel van eiser. Dat gaat gepaard met geluidsoverlast en overlast van onder meer laad- en losactiviteiten. Het college stelt zich op het standpunt dat hij aan de hand van het doel en de strekking van titel 5 van de Awb ervoor mag kiezen om cameratoezicht ter ondersteuning van de bevoegdheidsuitoefening toe te passen.
Rechtsvraag
Heeft het college de voorschriften over cameratoezicht aan de omgevingsvergunning kunnen verbinden?
Uitspraak
Aan de omgevingsvergunning heeft het college (voor zover van belang) de volgende voorschriften verbonden:
(…)
i. Het perceel waar de activiteiten plaatsvinden moet voorzien zijn van videobewaking. De videobewaking moet zodanig zijn opgesteld dat er zicht is op het westelijk, noordelijk en oostelijk deel van het perceel [perceel] te [plaats 1] . De videobewaking moet 24/7 aan staan. Op de videobeelden moeten de datum en het tijdstip zichtbaar zijn. De videobeelden dienen als registratie.
ii. De videobeelden als bedoeld in voorschrift i. moeten minimaal drie kalendermaanden na de maand waarin de videobeelden zijn opgenomen worden bewaard. Op verzoek van onze toezichthouders moeten de videobeelden van een bepaalde periode worden overgelegd.
Op grond van artikel 2.22, tweede lid van de Wabo mogen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op de goede ruimtelijke ordening. In welke gevallen een bepaald voorschrift nodig is, staat primair ter beoordeling van het bevoegd gezag. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college de voorschriften aan de omgevingsvergunning mocht verbinden.
(…)
De rechtbank oordeelt dat de voorschriften i en j niet gesteld zijn met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Uit het standpunt van het college volgt ondubbelzinnig dat deze voorschriften bedoeld zijn voor toezicht en handhaving. Het is niet toegestaan om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden die niet nodig zijn met het oog op het belang van de goede ruimtelijke ordening, zoals dat bij de omgevingsvergunning is betrokken. De vrees dat het college op diverse momenten moet controleren op het perceel van eiser om na te gaan of hij zich aan de omgevingsvergunning houdt, is geen afweging die het college kan maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is daarom gegrond. (…)
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Gelderland
Datum Uitspraak : 05-03-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBGEL:2026:1651
Ruud Veenhof