Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht

* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2035, ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2036, ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2037, ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2038 en ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2040: Awb; vergunningen pulskorvisserij, onbepaalde/bepaalde tijd, EU-verordening 2019/1241, intrekking/geen verlenging, bevoegdheid, Verordening (EG) nr. 850/98, Regeling Technische Maatregelen 2000, Reglement zee- en kustvisserij, Uitvoeringsregeling Zeevisserij, Visserijwet, beslissingen nadeelcompensatie, redelijke termijn, nadere voorschriften, vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (Rb Den Haag 19/6245, 19/6249, 19/6269, 19/6255,19/6257 tot en met 19/6264, 19/6266,19/6248, 19/6268 en 20/2681/19/6246, 19/6247, 19/6250 en 19/6251/21/3892 en Rb Rotterdam 19/3809, 19/3811, 19/3813, 19/3843, 19/4048, 19/4051, 19/4053, 19/4055, 19/4056, 19/4057, 19/4058, 19/4059, 19/4703, 19/4704, 19/4705, 19/4706, 19/4707, 19/4708 en 19/4709/20/177, 20/178, 20/179, 20/180, 20/181, 20/182, 20/401, 20/403, 19/5364, 19/5646, 19/5850, 19/5852, 19/5853, 19/5894, 19/5895, 19/5896, 19/5897, 19/5898, 19/6314, 19/6315, 19/6316 en 19/6317)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2039: Awb; handhaving, nadere voorschriften, pulsvisserij, strafpunten, geen punitieve sanctie, jurisprudentielijn (Rb Den Haag 22/4391 22/1756)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2298: Awb, Wro; bpl, reparatieplan, stemgeluid op terras, groenzone, rechtsgelijkheid, evenredigheidsbeginsel, beginsel gelijke proceskansen, overschrijding redelijke termijn, einduitspraak na tussenuitspraak
# ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2295: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, loods, uitrit, woning, sedumvegetatiematten, strijd met bpl, ontvankelijkheid, grondgebonden agrarisch bedrijf, teelt sedum functionele afhankelijkheid voortbrengend vermogen bodem, STAB-advies (Rb Zeeland-West­Brabant 21/4091, 21/4092, 21/2522 en 21/2524)
# ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2299: Awb, Wabo; handhaving, sedumteelt, tray/containers, geen strijd met bpl, STAB-advies (Rb Zeeland­West­Brabant 22/380)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2294: Awb; besluit tot weigering oplegging boete, bestuurlijke boeteprocedure, belanghebbende, uitspraak grote kamer na conclusie (Rb Midden­Nederland 21/1477 en 21/2765)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2289: Awb, Wabo, Chw, Wnb, Waterwet; omgevingsvergunning, natuurvergunning, ontheffing, watervergunning, twee windturbines, windpark, ontvankelijkheid, geen nieuwe beroepsgronden, relativiteitsvereiste, RES, stiltegebied, omgevingsverordening, groene ontwikkelingszone, weidevogel- en ganzenrustgebieden, provinciaal en gemeentelijk beleid, geluid, Activiteitenbesluit, geluidnorm, laagfrequent geluid, handhavingsmogelijkheden, gezondheid, externe veiligheid, belangenafweging, ecologisch onderzoek, passende beoordeling, soortenbescherming, aanvaringsslachtoffers vleermuizen/vogels, Beleidsregels grote rivieren, verduurzaming
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2265: Awb, Wro; bpl, gebiedsbegrenzing, strijd met rijksinpassingsplan, hoogspanningsverbinding, weigering woonbestemming, voormalige boerderij, concreet initiatief, bevoegdheid raad, tijdelijke en permanente teeltondersteunende voorzieningen, motiveringsgebrek, ecologische en landschappelijke waarden, eerder verleende omgevingsvergunning
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2300: Awb, Wro; bpl, wijzigingsbesluit, herontwikkeling zorglocatie, participatiecode, omgevingsvisie, parkeren, parkeerdruk, planregeling gebruik zorgwoning, woon- en leefklimaat, bouwhoogte, verkeersintensiteit, intern salderen, referentiesituatie, AERIUS-berekeningen, verkeersgeneratie, stikstofonderzoek, aanleg- en gebruiksfase, verkeersgegevens, additionaliteitsvereiste, bestuurlijke lus
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2261: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, zonnepark, vvgb, agrarische bestemming, vertrouwens-, gelijkheids- en evenredigheidsbeginsel, motiveringsgebrek, risico’s waterwinning, ontbreken onderzoek (Rb Gelderland 22/1154)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2292: Awb, Wabo; tijdelijke omgevingsvergunning, projectbesluit, exploitatie fietsenwinkel, winkelcentrum, detailhandel, omgevingsverordening, uitleg planregels, bestaande winkelconcentratie, woordelijke lezing (Rb Den Haag 21/6211)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2291: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouw 12 recreatiewoningen met vrijstaande berging, ondergeschikte wijziging, beperkingen bedrijfsactiviteiten camping, voorwaardelijke verplichting randbeplanting, welstand, vrijstaande berging, strijd met bpl (Rb Noord­Nederland 23/1533)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2262: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, woning met carport, berging, bomenkap, uitrit, ondergeschikte wijziging, strijd met bpl, oppervlakte inham woning, onderdeel doorlopende constructie, berekening oppervlakte, stikstof, relativiteitsvereiste, afstand (Rb Noord­Nederland 22/3871 en 22/4468)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2269: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, bedrijfswoning, omvang geschil, ligging bouwvlak, omgevingsvergunning van rechtswege, tweede bedrijfswoning, bibob-toets (Rb Oost-Brabant 23/1121)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2271: Awb, Wro; bpl, erfdienstbaarheid, beplantingsplan, verschil herstelbesluit en gepubliceerde regeling, zelf in de zaak voorzien, einduitspraak na tussenuitspraak
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2305: Awb, standplaatsvergunning, viskraam, schaarse rechten, Apv, Richtlijn 2006/123/EG, ontbreken beleidsmatige schaarste, geen schaarse vergunning (Rb Noord­Nederland 22/4054)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2260: Awb, Wro; bpl, centrumdoeleinden, appartementencomplex, bouwhoogte, verzoek actualisering, geen schriftelijke weigering
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2257: Awb, Wro; wijzigingsplan, omgevingsvergunning, 20 woningen, vooroverleg, omgevingsvisie, wijzigingsvoorwaarden, locatie lint, woning dichtheid, uitvoerbaarheid, berekening parkeerbehoefte, toename verkeersintensiteit, luchtkwaliteit, milieuhygiënische belemmeringen, verkeersveiligheid, ontbreken verkeersonderzoek, herstel gebrek, in stand laten rechtsgevolgen, ontsluitingsweg, vergunning waterschap, woon- en leefklimaat,
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2301: Awb, Wro; bpl, hoog- en middenspanningsstation, webbestemmen, belangenafweging, HOP-bezoekers, beplanting, recreatieve bestemming, beleid, veiligheid, gelijkheidsbeginsel en grondrechten
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2259: Awb, Wnb; weigering natuurvergunning, melkveehouderij, stikstofdepositie, referentiesituatie, besluit, toepassing Habitatrichtlijn (Rb Gelderland 22/1166)
# ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2277: Awb, Wro, Chw; bpl, 470 woningen, Verdrag Aarhus, MER, m.e.r.-beoordelingsbesluit, stikstof, relativiteitsvereiste, beperking planologische mogelijkheden, kerkelijk centrum, beperking bedrijfsvoering, richtafstand VNG-brochure, woon- en leefklimaat, parkeer- en verkeeroverlast, plangrens
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2145: Awb, Wabo; weigering tijdelijke omgevingsvergunning, stallen, agrarische vervoermiddelen, ontvankelijkheid, verzending besluit, belanghebbende (Rb Limburg 24/695)
ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2296: Awb, Wabo; handhaving, verbouwing zonder vergunning, stallen, zonnepanelen, Bbl, geen overtreding, bevoegdheid, procesbelang (Rb Limburg 25/217 en 24/5182)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2282: : Awb, Wro, Wgh; bpl, 328 woningen, woon- en leefklimaat, besluit hogere waarden, relativiteitsvereiste, alternatieven, externe veiligheid, landschap, flora en fauna, waterhuishouding, watertoets, klimaatrisico’s, wateroverlast, waterbergingscapaciteit, ontbreken boring compartimentskering, verkeersveiligheid, ontsluiting, uitzicht, woon- en leefklimaat, bestuurlijke lus
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2283: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, bed and breakfast-appartement in kapberg, cultuurhistorisch waardevol bijgebouw, uitleg planregels, bestaand gebouw (Rb Midden­Nederland 24/3954)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2258: Awb, Wnb; weigering natuurvergunning, veehouderij met kaasmakerij, project, vergunningplicht, goede procesorde, intern salderen, 18 december-uitspraak, passende beoordeling, Natura 2000-gebied, verschilberekening (Rb Den Haag 24/16)
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2304: Awb, exploitatievergunning, horecagebiedsplan, woon-leefklimaatafweging, geen doorkruising omgevingsplan, ETFAL
* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2275: Awb, verkeersbesluit, verkeersknippen, verkeerstoename, verkeersonderzoek, belangenafweging (Rb Den Haag 24/9775)
* ABRvS 21 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2148: Awb, Wro; vovo, weigering omgevingsvergunning, bouwen bedrijfswoning, vertrouwensbeginsel, toezegging, toerekening, nadere afweging (Rb Midden-Nederland 24/5787)
* Rechtbank Midden-Nederland 21 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1678: Awb, Wabo; handhaving, exceptieve toetsing, overschrijding aantal standplaatsen/recreatiewoningen, schaarse rechten, ontbreken verdelingsmechanisme, vaststellen overtreding, rechtszekerheid, planregeling onverbindend
* Rechtbank Midden-Nederland 17 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1614: Awb, Wegenverkeerswet, verkeersbesluit, nul-emissiezone bedrijfs- en vrachtauto’s, centrum, evenementenhallen Jaarbeurs, omgevingsrechtelijke zaak, belanghebbendheid, onzorgvuldige voorbereiding, unieke positie, ontbreken specifiek onderzoek, maatschappelijke kosten-batenanalyse, ontheffingenbeleid, motiveringsgebrek
* Rechtbank Limburg 17 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3641: Awb; vovo en kortsluiten, schadevergoeding, te laat beslissen op aanvraag exploitatievergunning, vakantieappartementen, vooroverleg, geen officiële aanvraag
Rechtbank Limburg 16 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3637: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, omgevingsvergunning, koelunits en trafo bij wooncomplex, uitleg planregels, motiveringsgebrek, bouwhoogte, onbevoegd, herroeping
* Rechtbank Limburg 16 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3638: Awb, Wabo; vovo, handhaving, padelbanen, overschrijding geluidsnormen, dwangsombesluit, beperking speeltijden, akoestisch onderzoek, belangenafweging
* HvJ EU 16 april 2026, ECLI:EU:C:2026:300: Richtlijn 92/43/EEG; prejudiciële verwijzing instandhouding natuurlijke habitats wilde flora en fauna, artikelen 9, 11, 12, en 16, systeem strikte bescherming diersoorten, afwijkingsbesluit, bouwvergunningaanvraag, project richtlijn 2011/92/EU, Verdrag van Aarhus, gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel
* Conclusie AG HvJ EU 16 april 2026, ECLI:EU:C:2026:315: Richtlijn 92/43/EE; verzoek om een prejudiciële beslissing, Richtlijn 92/43/EEG, instandhouding natuurlijke habitats wilde flora en fauna, Richtlijn 2009/147/EG, instandhouding vogelstand, speciale beschermingszones, beoordeling plannen/projecten, significante gevolgen, voortoets noodzaak van passende beoordeling, verzuim vastlegging gebiedsspecifieke instandhoudingsdoelstellingen
* ABRvS 16 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2126: Awb, Wm; vovo, handhaving, EVOA, afvalstoffen, aluminiumhydroxide filterkoek, overtreding, overtreder, beoordeling gevaar afval, lopend onderzoek, verlenging begunstigingstermijn, geen opheffing eerdere vovo
* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2970: Awb, Wnb; weigering verzoek toepassing art. 2.4, eerste lid, Wnb, Eindhoven Airport, Logtsebaan-uitspraak, Natura 2000-gebieden, blijvende daling stikstofdepositie, AERIUS-rekenmodel, Habitatrichtlijn, schending motiveringsplicht
* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2969: Awb, Wnb; natuurvergunning, positieve weigering, Eindhoven Airport, referentiesituatie, Luchthavenbesluit 2014, Habitatrichtlijn, voortoets, geen één-en-hetzelfde project, Bal, maatwerkvoorschrift
* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2966: Awb, Wnb; handhaving, afwijzing verzoek, Lelystad Airport, huidige gebruik luchthaven, reikwijdte verzoek uitgebreid in beroep, overtreding, omvang geschil, concreet zicht op legalisatie, gebrekkige belangenafweging
* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2964: Awb, Wnb; handhaving, afwijzing verzoek, Rotterdam Airport, concreet zicht op legalisatie, Habitatrichtlijn, gebrekkige belangenafweging
* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2963: Awb, Wnb; weigering verzoek toepassing art. 2.4, eerste lid, Wnb, Rotterdam Airport, Logtsebaan-uitspraak, Natura 2000-gebieden, blijvende daling stikstofdepositie, AERIUS-rekenmodel, Habitatrichtlijn, schending motiveringsplicht
* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2962: Awb, Wnb; natuurvergunning, positieve weigering, Rotterdam Airport, aanvraag voldoende duidelijk, aanwijzingsbesluit 2010, Habitatrichtlijn, expiratie aanwijzingsbesluit, omzettingsregeling, referentiesituatie, voortoets, geen één-en-hetzelfde project, Bal, maatwerkvoorschrift
Rechtbank Midden-Nederland 16 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1576: Awb, Wabo, Ow; omgevingsvergunningen, windturbines, verzoek om intrekking, Unierecht, SMB-richtlijn, Kühne en Heitz-arrest, geen verplichting heroverweging
Rechtbank Noord-Holland 15 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4161: Awb, Ow; vovo, gedoogbeschikking, laagspanningskabel, legakker, achtertuin, poging tot minnelijk overleg, belangenafweging
Rechtbank Noord-Nederland 15 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1245: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, gesplitste besluitvorming, strijd met Awb,
* ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2027: Awb, Wro; vovo, handhaving, omvang schuilschuur, keukenblok, gebruik, wonen, uitleg planregels, vertrouwensbeginsel
* ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2125: Awb, Wro; vovo, bpl, bedrijventerrein, omgevingsvergunning civieltechnische werkzaamheden, naastgelegen caravanstalling, woon- en leefklimaat, wateroverlast, voorwaardelijke verplichting, verharding, ontsluiting
* Rechtbank Gelderland 15 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2837: Awb, Wnb; natuurvergunning, positieve weigering, veehouderij, intern salderen, toetsingskader, jurisprudentie Afdeling
* Rechtbank Midden-Nederland 15 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1523: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, herontwikkeling gebouw, bouwhoogte, windhinderonderzoek, goede ruimtelijke ordening, parkeereis, bezoekersdeel, reserveringsovereenkomsten parkeerplaatsen, beleidsregels, onevenredige gevolgen, belangenafweging, parkeerbehoefte tussenuitspraak
* Rechtbank Oost-Brabant 14 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2315: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, wijziging varkenshouderij, bouw stal, bedrijfswoning/kantoor, endotoxinentoetsingskader, einduitspraak na tussenuitspraak
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2975: Awb, Ow; erfgoedverordening, afwijzing verzoek aanwijzen gemeentelijk monument, gemeentelijke cultuurhistorische waardenkaart, belangenafweging, woningbouwbelang, financieel belang, ontwikkelmogelijkheden, risico koper, finale geschilbeslechting, aanwijzing door rechtbank
* Rechtbank Limburg 14 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3528: Awb, Wabo; veranderingsvergunning milieu, mestverwerkingsbedrijf, openstaande deur, halafzuiging, geuremissie, binnentemperatuur, drijfmest, warme mest, handelingen buiten hal, geuronderzoek,
Rechtbank Overijssel 14 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2056: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, doden reeën, toestemmingsbesluit, herhaling standpunten, kennelijk ongegrond
Rechtbank Overijssel 14 april 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2034: Awb, Ow; handhaving, illegale bewoning, bedrijfspanden, , geen legalisatie, belangenafweging, gezin met jonge kinderen, onvoldoende onderzoek gevolgen, Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, zorgvuldigheidsbeginsel
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 13 april 2026, ECLI:NL:OGEAC:2026:56: Awb; weigering bouwvergunning, Bwv, woonhuis, brandveiligheid, motiveringsgebrek, gelijkheidsbeginsel, handelen minister, finale geschilbeslechting, limitatief-imperatief stelsel van weigeringsgronden
Rechtbank Gelderland 13 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2819: Awb, Ow; omgevingsvergunning, bopa, weegbruggen, milieustraat, ETFAL, Bal
Rechtbank Gelderland 13 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2818: Awb, Ow; omgevingsvergunning, milieustraat, hekwerk, Bkl, opa
* Rechtbank Gelderland 13 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2769: Awb, Tracéwet; nadeelcompensatie, rijkswegen, situeringswaarde, contra-taxatie, WOZ-waarde, geen weerlegging taxatie
* Rechtbank Gelderland 13 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2778: Awb, Wro; planschade, uitzicht, zichtlijnen, beschermd dorpsgezicht, geen weerlegging advies
* Rechtbank Noord-Nederland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1213: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, plaatsen CO²-vervloeiinginstallatie en CO²-opslagtank, melkrundveehouderij, mestvergistingsinstallatie, omgevingsverordening, alternatieven, archeologie, relativiteitsvereiste, welstand, goede ruimtelijke ordening, externe veiligheid
* Rechtbank Limburg 10 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3403: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, sportkooi, strijd met bpl, geluidhinder, akoestisch onderzoek, metingen, welstand, gemeentelijk beleid, belangenafweging
* Rechtbank Limburg 10 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3384: Awb, terrasvergunning, geluid, VNG-brochure, akoestisch onderzoek, woon- en leefklimaat, centrumomgeving
* Rechtbank Limburg 10 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3382: Awb, tijdelijke terrasvergunning, straatterras, geluid, participatie, sluitingstijd, gelijkheidsbeginsel
Rechtbank Noord-Holland 10 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:4163: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, bopa, garage, motiveringsgebrek, ETFAL, straatbeeld, welstand,
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2909: Awb, Ow; omgevingsvergunning, twaalf recreatiewoningen, vakantiepark, ETFAL, strijd met omgevingsplan, aantal woningen, telling, ondergeschikte wijziging, aantal parkeerplaatsen, uitvoerbaarheid
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2905: Awb, Ow; omgevingsvergunning, twaalf recreatiewoningen, vakantiepark, ontvankelijkheid, 100 m criterium
Rechtbank Limburg 9 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3367: Awb, Ow; intrekking omgevingsvergunning, woning, geen aanvang bouwactiviteiten, hoorplicht, belangenafweging
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2747: Awb, Wabo; vovo, omgevingsvergunningen, watergerelateerde activiteit, uitgevoerde werkzaamheden, waterpeil, beschermingszone leggerwateren, schade opstallen, STAB-advies, voorwaarden vergunningverlening, waterschapsverordening
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 april 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2753: Awb, Ow; vovo en kortsluiten, handhaving, paardenstallencomplex, strijd met omgevingsplan, motiveringsgebrek
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 april 2026, ECLI:NL:OGEAC:2026:57: Awb; bouwvergunning, 2 hotelsuites, Bouw- en woningverordening, woongebied, geen strijd met bestemmingsvoorschrift, EOP, recreatieve doeleinden, opofferen volkswoningen, welstand, hinder, bouwgrenzen, afvalwater
Rechtbank Limburg 8 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3313: Awb, Wabo, Ow; omgevingsvergunningen, vakantiewoningen, uitweg, afwijken beheersverordening, APV, verkeersveiligheid, alternatieven, uitzicht
* Rechtbank Limburg 8 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3255: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, herontwikkeling voormalig KMAR terrein, ondergeschikte horeca, horecabeleid, keerwand, borging geluidwerende voorziening, zelf in de zaak voorzien
Rechtbank Limburg 8 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3254: Awb, Ow; omgevingsvergunning, opa en technische bouwactiviteit verbouwen en splitsen pand, begeleid wonen, ruimtelijke onderbouwing, ETFAL, relativiteitsvereiste, Bbl, aannemelijkheidstoets brandveiligheid
* Rechtbank Oost-Brabant 8 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2214: Awb, Msw; bestuurlijke boete, overschrijding gebruiksnorm dierlijke meststoffen, stikstofgebruiksnorm, mestverwerkingsplicht, overtredingen
Rechtbank Oost-Brabant 8 april 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:2207: Awb, Ow; aanvraag intrekking natuurvergunning, veehouderij, niet tijdig beslissen, korte termijn bepaling, belang passende maatregelen voor daling stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen
* Rechtbank Rotterdam 7 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4382: Awb, Waterwet; afwijzing handhavingsverzoek, waterkering, ophogen gronden, aanleg keerwanden en muren, afwijken van vergunning, ontbreken rapportage, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, geen zicht op legalisatie, evenredigheidsbeginsel, overschrijden termijn
Rechtbank Rotterdam 3 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4666: Awb, Ow; vovo, handhaving, kamerverhuur, planregels nog niet in werking, geen overtreding
Rechtbank Midden-Nederland 3 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1314: Awb, Ow; handhaving, welstandsexces, verpauperde woning, overtreding, welstandsnota, geen bijzondere omstandigheden
Rechtbank Rotterdam 3 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4563: Awb, Ow; omgevingsvergunning voor 25 jaar, zonnepark, omgevingsverordening, provinciale ontheffing, groene buffer, Bkl, zonneladder, ETFAL, landschappelijke kwaliteit en inpassing, woon- en leefklimaat, uitzicht, privacy, akoestisch effect, elektromagnetische straling, brandveiligheid, netcongestie, PFAS, slijtage, flora en fauna, alternatieven, gebruiksduur, participatie
* Rechtbank Limburg 3 april 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:3122: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, ingang gebouw, lichtbeeldschermen, lichtoverlast, andere procedure
Rechtbank Midden-Nederland 2 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1309: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, verduurzamen en uitbreiden achterzijde woning, bezonningsstudie, uitzicht, stedelijke omgeving, ETFAL
Rechtbank Noord-Holland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3979: Awb, Ow; omgevingsvergunning, aanbouw, bouwhoogte, geen strijd bpl, welstand
Rechtbank Noord-Holland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3974: Awb, Ow; omgevingsvergunning, hobbykas, oppervlakte, strijd met afwijkingenbeleid
Rechtbank Noord-Holland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3970: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning, huurder/exploitant, geen vereenzelviging, ontvankelijkheid
* Rechtbank Noord-Nederland 2 april 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1067: Awb, TwG; mijnbouwschade, afwijzing vervolgaanvraag, gestandaardiseerde methode, hoogte vergoeding, veiligheidssituatie, gelijktrekking binnen huishoudens, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, hoorplicht
Rechtbank Den Haag 1 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8165: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, aanbouw, gebonden beschikking
* Rechtbank Den Haag 1 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8097: Awb, Wabo; handhaving, illegale bewoning bedrijfspand, verbouwen zonder vergunning, overgangsrecht, nieuw recht
* Rechtbank Den Haag 1 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8067: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, vergroten woningen, motiveringsgebrek, strijd met bpl, goede ruimtelijke ordening, in stand blijven rechtsgevolgen
* Rechtbank Oost-Brabant 31 maart 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:1989: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, obm, omzetten nertsenhouderij naar schapenhouderij, onlosmakelijke samenhang, MER-beoordeling, geurnorm, toetsingskader nieuwe geurverordening
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 maart 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:2398: Awb, Ow; intrekking omgevingsvergunning, bouwen schuur, opleggen bouwstop, afwijzing wijzigen omgevingsvergunning, onjuiste opgave gegevens, bevoegdheid, overtreding
* Rechtbank Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8399: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, uitvoeren werken en werkzaamheden, herontwikkelen weidevogelgebied, afwijzing handhavingsverzoek, nabijgelegen agrarische percelen, beperking gebruiks- en uitbreidingsmogelijkheden, geen strijd met bpl
Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1260: Awb, Ow; handhaving, boete, APV, geen vergunning, seksinrichting, functioneel daderschap, beschikkingsmacht
* Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1251: Awb, Wnb; afwijzing verzoek om verbod bepaalde bestrijdingsmiddelen, passende maatregel, ontvankelijkheid, verzoek vaststelling algemeen verbindend voorschrift, Verdrag van Aarhus, Habitatrichtlijn
Rechtbank Midden-Nederland 26 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1249: Awb, Ow; weigering omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit, zeilactiviteiten, jaarrond aanwezig zijn twee zeecontainers, opslag materiaal, recreatiegebied, voortoets, onvoldoende onderzoek
* Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 25 maart 2026, ECLI:NL:OGEAA:2026:93: Awb; ontheffingsbeschikking, Natuurbeschermingsverordening, hotel, aanlegvergunning, ophogen en/of egaliseren (zee)bodem, realisatie strandwinning, -aanleg, -aanvulling in domeinwater, bekendmaking besluit, ontvankelijkheid
* Rechtbank Gelderland 25 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2522: BW; vordering tot schadevergoeding, onrechtmatige daad gemeente, niet tijdig beslissen, aanvraag omgevingsvergunning, woningbouw, beslistermijn, uitwerking ruimtelijke onderbouwing
Rechtbank Gelderland 24 maart 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:3000: Awb, Ow; vovo, handhaving, huisvesten arbeidsmigranten, uitleg planregels, begrip pension, algemeen spraakgebruik, Van Dale, strijdig gebruik, handhaving.
* Rechtbank Noord-Holland 20 maart 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:3920: Awb, Wabo; handhaving, bewoning schuur, mantelzorg, legalisering bijgebouw, verhuizing, procesbelang
* Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:108, Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:105 en Gerechtshof Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:106: Sr; veroordeling voor overtredingen EVOA, overbrenging schepen naar sloopwerf Turkije, toepasselijk kader, begrip afvalstof, toepasselijkheid EVOA, Scheepsrecyclingsverordening

¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
= (nog) niet gepubliceerd

Bijzondere overwegingen

* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2035, ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2036, ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2037, ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2038 en ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2040: Awb; vergunningen pulskorvisserij, onbepaalde/bepaalde tijd, EU-verordening 2019/1241, intrekking/geen verlenging, bevoegdheid, Verordening (EG) nr. 850/98, Regeling Technische Maatregelen 2000, Reglement zee- en kustvisserij, Uitvoeringsregeling Zeevisserij, Visserijwet, beslissingen nadeelcompensatie, redelijke termijn, nadere voorschriften, vertrouwensbeginsel, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel (Rb Den Haag 19/6245, 19/6249, 19/6269, 19/6255,19/6257 tot en met 19/6264, 19/6266,19/6248, 19/6268 en 20/2681/19/6246, 19/6247, 19/6250 en 19/6251/21/3892 en Rb Rotterdam 19/3809, 19/3811, 19/3813, 19/3843, 19/4048, 19/4051, 19/4053, 19/4055, 19/4056, 19/4057, 19/4058, 19/4059, 19/4703, 19/4704, 19/4705, 19/4706, 19/4707, 19/4708 en 19/4709/20/177, 20/178, 20/179, 20/180, 20/181, 20/182, 20/401, 20/403, 19/5364, 19/5646, 19/5850, 19/5852, 19/5853, 19/5894, 19/5895, 19/5896, 19/5897, 19/5898, 19/6314, 19/6315, 19/6316 en 19/6317)

  1. In de primaire besluiten van 3 mei 2019 heeft de minister geen bevoegdheidsgrondslag voor zijn besluiten gegeven. In een groot deel van de besluiten op bezwaar heeft hij artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij aan die besluiten ten grondslag gelegd. In beroep heeft de minister betoogd dat ook de andere besluiten hun grondslag vinden in dit artikel. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij een voldoende basis voor de aangevochten besluiten biedt. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat artikel 6d, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij bepaalt dat ontheffing kan worden verleend van het bepaalde bij of krachtens dit besluit en dat het tweede lid van dit artikel bepaalt dat ontheffingen altijd kunnen worden ingetrokken. Zowel de TM 2000 als de UZ zijn blijkens de aanhef onder meer op het Reglement zee- en kustvisserij gebaseerd. In de tweede plaats is van belang dat uit het Unierecht en in het bijzonder Verordening 2019/1241 een verbod op pulsvisserij voortvloeit. Het ligt daarom in de rede om artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij in zoverre conform het Unierecht te interpreteren. Dat betekent dat de minister bevoegd was om de intrekkingsbesluiten te nemen en de vergunningen niet verder te verlengen. Voor de vergunningen van appellanten uit groep 2 geldt daarnaast dat er voor de minister met de inwerkingtreding van Verordening 2019/1241 ook geen bevoegdheid meer bestond om de vergunningen na 31 december 2019 nog te verlengen.
  2. De Afdeling is anders dan de rechtbank van oordeel dat de minister in dit geval niet heeft gehandeld in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb door bij de besluiten, waartegen nog beroep en hoger beroep liep, al een beslissing te nemen op de verzoeken tot nadeelcompensatie. In een geval als dit mag een bestuursorgaan beslissen over een verzoek om nadeelcompensatie een nader besluit te nemen. Dat is alleen anders als de benadeelde aannemelijk maakt dat het intrekkingsbesluit onherstelbare schade tot gevolg heeft, in die zin dat de daardoor ontstane schade niet adequaat kan worden gecompenseerd door toekenning van compensatie of vergoeding op een later tijdstip (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2431). Die situatie doet zich, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in dit geval niet voor. (…)
  3. Het voorgaande neemt niet weg – en de Afdeling hecht eraan dit te benadrukken – dat de minister na deze uitspraak nog moet beslissen op verzoeken tot nadeelcompensatie. Het ligt in de rede dat de minister, voordat hij dat doet, daarvoor een beleidsregel vaststelt en dat hij de verzoeken wegens de reeds verstreken tijd voortvarend in behandeling neemt.

* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2039: Awb; handhaving, nadere voorschriften, pulsvisserij, strafpunten, geen punitieve sanctie, jurisprudentielijn (Rb Den Haag 22/4391 22/1756)

  1. De Afdeling overweegt als volgt. In de uitspraak van 13 mei 2020 heeft de Afdeling verwogen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in het arrest Engel en anderen tegen Nederland van 8 juni 1976, (ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUD000510071, §82) drie criteria heeft geformuleerd voor de bepaling of een sanctie punitief is. Het Hof van Justitie van de Europese Unie past deze criteria ook toe op het Unierecht (zie onder andere het arrest van het Hof van Justitie van 5 juni 2012, Bonda, ECLI:EU:C:2012:319, punten 36-45). Voor de vraag of een sanctie is gebaseerd op een criminal charge wordt getoetst aan de drie criteria die het EHRM in paragraaf 82 van het arrest van 8 juni 1976 heeft geformuleerd. (…) Puntentoekenning is volgens de Europese wetgever dus iets dat naast een administratieve of strafrechtelijke sanctie bestaat. Het puntensysteem is een handhavingsinstrument ten behoeve van de naleving van de instandhoudings- en beheersmaatregelen. Met de toekenning van punten wordt beoogd de inbreuk op de instandhoudings- en beheersmaatregelen te beëindigen en verdere inbreuk te voorkomen. Niet is beoogd de overtreder te straffen of leed toe te voegen. Het feit dat aan de strafrechtelijke verdenking dezelfde feiten ten grondslag liggen als aan de puntentoekenning, maakt niet dat die laatste maatregel punitief wordt. Er bestaat daarnaast geen aanleiding om de toekenning alleen op basis van de zwaarte van de maatregel als een punitieve sanctie aan te merken, omdat de toekenning van punten geen directe gevolgen heeft gehad voor de vergunning.

4.1. De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten] betoogt geen aanleiding voor een ander oordeel dan in de uitspraak van 13 juni 2020. De Afdeling betrekt daarbij dat het enkele toekennen van deze punten niet hoeft te leiden tot een besluit tot schorsing of intrekking van een vergunning. Onder die omstandigheden is de toekenning van punten aan [appellanten] niet aan te merken als een punitieve sanctie.

# ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2295: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, loods, uitrit, woning, sedumvegetatiematten, strijd met bpl, ontvankelijkheid, grondgebonden agrarisch bedrijf, teelt sedum functionele afhankelijkheid voortbrengend vermogen bodem, STAB-advies (Rb Zeeland-West­Brabant 21/4091, 21/4092, 21/2522 en 21/2524)

21.2 (…) De Groene Koepel en anderen betogen vervolgens dat uit het kwalitatief beredeneerde antwoord niet blijkt van een voor het voortbrengen van het product noodzakelijke functionele afhankelijkheid. Dat betoog gaat naar het oordeel van de Afdeling niet op, ook al wijzen De Groene Koepel en anderen er op zichzelf terecht op dat de teelt van vegetatiematten met sterke wortelclusters volgens STAB niet wetenschappelijk is onderbouwd (science -based) of gebaseerd op de praktijk waarvan de effectiviteit (met publicaties) is aangetoond (evidence-based).

In haar advies heeft STAB namelijk uiteengezet dat de geclusterde wortelgroei onder de folie zal bijdragen aan een snellere groei van de sedumvegetatiemat. Verder volgt uit het advies dat de wortelclusters bij het oprollen van de matten en verwijderen van de folie niet afbreken, zodat de matten goed oogst- en transporteerbaar zijn. Voorts acht STAB het aannemelijk dat de wortelclusters, als de geoogste vegetatiemat binnen enkele dagen op de nieuwe locatie op geschikt daktuinsubstraat wordt gelegd, opnieuw in de ondergrond zullen groeien.

Aldus levert naar het oordeel van de Afdeling de geclusterde worteling in de ondergrond een essentiële bijdrage aan de productie van de beoogde sedummatten, wat betreft de productietijd, de kwaliteit, de oogstbaarheid en het groeivermogen van de sedummatten, dit laatste ook na plaatsing op de uiteindelijke (dak)locatie. In zoverre is de wijze van teelt op folie van de sedummatten door Sedum Extra dan ook functioneel afhankelijk van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde gronden behorende bij Sedum Extra. Aan deze constatering doet niet af dat de sedummatten eventueel ook op een andere wijze, zonder gebruikmaking van onbebouwde grond, kunnen worden geteeld. Van belang is of de sedummatten op de wijze zoals ze hier feitelijk worden geteeld profiteren van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde grond. En dat is zo.

Naar het oordeel van de Afdeling is deze functionele afhankelijkheid onder de gegeven omstandigheden zodanig dat moet worden geoordeeld dat de productie van het bedrijf Sedum Extra in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van de onbebouwde gronden behorend bij dit bedrijf.

* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2294: Awb; besluit tot weigering oplegging boete, bestuurlijke boeteprocedure, belanghebbende, uitspraak grote kamer na conclusie (Rb Midden­Nederland 21/1477 en 21/2765)

  1. De wetgever heeft bij het opstellen van de afdeling waarin de bijzondere bepalingen over bestuursrechtelijke boetes staan, afdeling 5.4.1 van titel 5.4 van de Awb, geen artikelen opgenomen die gaan over de positie van derden bij boetebesluiten. In relatie tot boetebesluiten bevat de Awb dus geen bijzondere regeling over derden. De Afdeling gaat er daarom van uit dat de wetgever de algemene definitiebepalingen uit de Awb over belanghebbendheid bij een besluit van toepassing heeft gevonden.

De Afdeling neemt daarom als uitgangspunt dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon moet voldoen aan de vereisten van artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb om belanghebbende bij een boetebesluit te kunnen zijn. Of een natuurlijke persoon of een rechtspersoon een verzoek om handhaving heeft gedaan, is daarbij niet van belang. In zoverre volgt de Afdeling de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal niet.

Om ingeval van een rechtspersoon als belanghebbende te worden aangemerkt, is vereist dat hij als zijn algemene en collectieve belangen de doelen behartigt die (ook) verband houden met de naleving van de regelgeving waarvoor de boete is opgelegd. Daarnaast moet de rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verrichten waaruit dat blijkt. Als de rechtspersoon voldoet aan de vereisten die het derde lid van artikel 1:2 van de Awb noemt, moet daarnaast worden bezien of hij ook voldoet aan die van het eerste lid. Ook een natuurlijke persoon moet daaraan voldoen om belanghebbende bij een besluit te zijn. Dat betekent dat is vereist dat de natuurlijke persoon of rechtspersoon een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks is betrokken bij het boetebesluit.

8.1 (…) Of er voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen het besluit tot het opleggen van de boete en het betrokken belang van de derde, natuurlijke persoon of rechtspersoon, zal dus per geval moeten worden beoordeeld.

Als een derde, een natuurlijk persoon of een rechtspersoon, belanghebbende is bij het besluit tot boeteoplegging kan die zich ook uitlaten over de hoogte van de boete. Het is de rechter die bepaalt of de hoogte van de boete evenredig is (art. 5:46 Awb).

  1. Het is aan de wetgever om te beoordelen of zij bepaalde gevolgen van het oordeel van de Afdeling over de toelating van derden bij procedures over boetebesluiten onwenselijk vindt. Als dat het geval is, is het ook aan haar om te bezien of en zo ja, op welke wijze die gevolgen kunnen worden beperkt of voorkomen.

* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2305: Awb, standplaatsvergunning, viskraam, schaarse rechten, Apv, Richtlijn 2006/123/EG, ontbreken beleidsmatige schaarste, geen schaarse vergunning (Rb Noord­Nederland 22/4054)

9.4. Over de beleidsmatige aspecten van de schaarste heeft de rechtbank overwogen dat alternatieve standplaatsen afhankelijk zijn van een ruimtelijke afweging, terwijl de locatie van Vishandel JP al is aangewezen als standplaats. Het college heeft hierover in zijn verweerschrift toegelicht dat op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening Groningen 2021 en de geldende bestemmingsplannen, een afzonderlijke ruimtelijke toets moet plaatsvinden bij elke aanvraag voor een standplaats op het bedrijventerrein. Hoewel er geen maximum geldt voor het aantal vergunningen voor standplaatsen, is er volgens het college sprake van een beperkt aanbod omdat in de praktijk terughoudend wordt omgegaan met het toewijzen van nieuwe standplaatsen. De Afdeling volgt niet dat er daarom sprake is van beleidsmatige schaarste. Zoals zij in haar uitspraak van 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2914, r.o. 8.2, heeft overwogen, zijn planologische beperkingen kenmerkend voor de vaststelling van een bestemmingsplan en worden daarmee geen schaarse rechten toebedeeld. Dat bij de beoordeling van een aanvraag vooraf niet zeker is of een vergunning wordt verleend, maakt niet dat daarmee schaarste is gegeven. Een dergelijke beoordeling is inherent aan het stelsel van ruimtelijke ordening. Het voorgaande geldt dus ook als er, zoals in dit geval, om redenen van ruimtelijke ordening terughoudend wordt omgegaan met het verlenen van vergunningen. Omdat niet is gebleken dat het aantal te verlenen vergunningen beleidsmatig is beperkt, is er naar het oordeel van de Afdeling geen sprake van beleidsmatige schaarste.

 

9.5. Gelet op het bovenstaande, is de Afdeling van oordeel dat fysieke en/of beleidsmatige schaarste van het aanbod aan standplaatsen niet aannemelijk is gemaakt. Daarmee is in beginsel ook geen sprake van een schaarse vergunning. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van zodanige vraag, dat al op voorhand evident is dat het aantal beschikbare plaatsen onvoldoende is om in die vraag te voorzien. (…)

* ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2258: Awb, Wnb; weigering natuurvergunning, veehouderij met kaasmakerij, project, vergunningplicht, goede procesorde, intern salderen, 18 december-uitspraak, passende beoordeling, Natura 2000-gebied, verschilberekening (Rb Den Haag 24/16)

7.1. De Afdeling heeft onder 19.6 in de uitspraak van 28 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2404 overwogen dat in een passende beoordeling voor een project dat geen andere gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft dan stikstofdepositie, en waarin intern salderen als mitigerende maatregel wordt ingezet, kan worden volstaan met een verschilberekening en een motivering van het college wat betreft het additionaliteitsvereiste. Uit de passende beoordeling of verschilberekening moet dan wel blijken dat de beoogde situatie niet leidt tot meer of andere gevolgen dan de gevolgen van de mitigerende maatregel.

De Afdeling begrijpt overweging 5.3 in de uitspraak van de rechtbank zo dat de rechtbank van oordeel is dat een verschilberekening niet volstaat als passende beoordeling. Ook als met de inzet van de referentiesituatie als mitigerende maatregel sprake is van een afname van depositie, moeten volgens de rechtbank in de passende beoordeling de gevolgen van het project op een inzichtelijke en onderbouwde analyse per gebied in kaart worden gebracht. Dat oordeel is gelet op wat hiervoor staat niet juist, maar dat leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. In de toelichting op de aangepaste aanvraag en de verschilberekening wordt namelijk de referentiesituatie die ontleend wordt aan de positieve weigering ingezet. Aan een positieve weigering kan echter, zoals het college terecht stelt, geen referentiesituatie worden ontleend (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4231, onder 6.1-6.2). Dat, zoals de maatschap stelt, in dit geval geen sprake is van een positieve weigering op basis van intern salderen, maar op basis van een voortoets, betekent anders dan zij veronderstelt, niet dat aan die positieve weigering wel een referentiesituatie kan worden ontleend. De rechtbank heeft daarom terecht, zij het op andere gronden, overwogen dat de toelichting op de aangepaste aanvraag en verschilberekening niet voldoen aan de eisen die aan een passende beoordeling worden gesteld en dat het college de aanvraag daarom terecht heeft afgewezen.

 

* Rechtbank Midden-Nederland 21 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1678: Awb, Wabo; handhaving, exceptieve toetsing, overschrijding aantal standplaatsen/recreatiewoningen, schaarse rechten, ontbreken verdelingsmechanisme, vaststellen overtreding, rechtszekerheid, planregeling onverbindend

  1. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een bestemmingsplan dat schaarse rechten regelt. Een regeling met schaarse rechten vereist een systeem met een verdelingsmechanisme waarmee de schaarse rechten op een objectieve en transparante wijze worden toebedeeld. In dit geval is er in het geheel geen sprake van een mechanisme waarmee de rechten kunnen worden toebedeeld. Nog los van de vraag wat exact moet worden verstaan onder een complex en in hoeverre binnen het maximaal toelaatbare aantal de hoeveelheid aan staanplaatsen en recreatiewoningen onderling uitwisselbaar zijn, regelt het bestemmingsplan enkel dat binnen de locatie van een complex niet meer staanplaatsen en/of recreatiewoningen aanwezig mogen zijn dan er waren ten tijde van de inwerkingtreding van het plan. Het plan voorziet niet in een verkaveling of andere wijze waarop geregeld is waar zich exact staanplaatsen en/of recreatiewoningen mogen bevinden. Het ontbreekt verder aan een mechanisme om het recht toe te delen om staanplaatsen en/of recreatiewoningen te kunnen realiseren. Omdat een dergelijk mechanisme in de vorm van een vergunningenstelsel of systeem met ontheffingen ontbreekt, is er dus ook geen sprake van een transparant, objectief en toetsbaar verdelingsmechanisme waarmee wordt bijgehouden hoeveel staanplaatsen en/of recreatiewoningen er aanwezig zijn en hoeveel er nog gerealiseerd mogen worden. Voor grondeigenaren binnen de locatie van een complex is het dus ook niet mogelijk om vast te stellen of zij een staanplaats en/of recreatiewoning kunnen realiseren en in hoeverre zij met een aanwezige staanplaats en/of recreatiewoning reeds in overtreding zijn. De regeling voldoet hiermee niet aan de eisen die aan een regeling voor schaarse rechten worden gesteld. En als het op basis van luchtfoto’s al mogelijk zou zijn vast te stellen hoeveel staanplaatsen en/of recreatiewoningen er op de peildatum aanwezig waren en het daardoor mogelijk zou zijn om vast te stellen dat het maximaal toelaatbare aantal aan staanplaatsen en/of recreatiewoningen wordt overschreden, dan laat deze overtreding zich gelet op de versnipperde eigendomssituatie en het ontbreken van een verdelingsmechanisme niet adresseren aan een individuele overtreder.

* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2970: Awb, Wnb; weigering verzoek toepassing art. 2.4, eerste lid, Wnb, Eindhoven Airport, Logtsebaan-uitspraak, Natura 2000-gebieden, blijvende daling stikstofdepositie, AERIUS-rekenmodel, Habitatrichtlijn, schending motiveringsplicht

6.3. De rechtbank stelt voorop dat in de tekst van de Wnb niet staat dat een individuele aanschrijving alleen toegepast kan worden wanneer sprake is van één veroorzaker van de dreigende verslechtering. De rechtbank acht de tekst van de Wnb voldoende duidelijk en acht het daarom op zich niet noodzakelijk om in te gaan op de memorie van toelichting voor de uitleg van de Wnb. Maar omdat het betoog van verweerder betrekking heeft op die memorie van toelichting, zal de rechtbank hieronder daarop desondanks ingaan.

6.4. In de passage op de pagina’s 106-107 van de memorie van toelichting bij de Wnb gaat de wetgever in op de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 van de Wnb. Volgens de wetgever ligt het voor de hand wanneer de (dreigende) achteruitgang van een gebied duidelijk is toe te schrijven aan een activiteit van één gebruiker, dat die activiteit wordt gestaakt of aangepast door inzet van een individuele aanschrijving. Verder wordt gesteld dat wanneer het bevoegd gezag constateert dat een bepaalde categorie van activiteiten op een gelijke wijze belastend is voor de natuurwaarden, het uit een oogpunt van rechtsgelijkheid wenselijk is dat voor alle betrokkenen dezelfde regels gelden. Daarbij wordt opgemerkt dat dit ook efficiënter is ten opzichte van de situatie dat voor veel betrokkenen dezelfde beschikking moet worden vastgesteld. De rechtbank maakt uit deze passage, anders dan verweerder, niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet ingezet kan worden als sprake is van de situatie dat er meerdere veroorzakers zijn van de verslechtering van de natuurwaarden. De rechtbank acht hiertoe van belang dat in deze passage niet een uitdrukkelijk verbod is opgenomen om de individuele aanschrijvingsbevoegdheid toe te passen en dat de wetgever ruimte laat voor het toepassen van artikel 2.4, eerste lid, dan wel artikel 2.4, derde lid, van de Wnb. Dit leidt de rechtbank af uit de gebruikte woorden ‘wenselijk’, ‘voor de hand liggen’ en ‘efficiënter’. Daarbij merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat de wetgever het aanschrijven van verschillende individuen classificeert als ‘niet efficiënt’ en de wetgever het niet voor de hand vindt liggen om op deze wijze de bevoegdheid uit te oefenen, niet tot gevolg heeft dat het bevoegd gezag de individuele aanschrijvingsbevoegdheid niet mag toepassen in situaties wanneer sprake is van meerdere veroorzakers van de verslechtering van de natuurwaarden.

6.5. Uit de artikelsgewijze toelichting uit de memorie van toelichting bij artikel 2.4 van de Wnb maakt de rechtbank ook niet op dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast in situaties dat de activiteit van één individuele gebruiker voor een (dreigende) verslechtering van de betreffende natuurwaardes zorgt. De toepassing van artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb wordt namelijk niet uitgezonderd voor toepassing in individuele gevallen wanneer sprake is van meerdere activiteiten die de verslechtering tot gevolg hebben. Enkel is in deze passage neergelegd dat de individuele aanschrijving ‘ook’ goed inzetbaar is voor situaties waarin onmiddellijk moet worden ingegrepen om schade voor de te beschermen natuurwaarden te voorkomen.

6.6. De verwijzing door verweerder naar de passage uit de memorie van toelichting bij de Natuurbeschermingswet 1998 brengt in het voorgaande geen verandering. Los van de omstandigheid dat de Natuurbeschermingswet 1998 niet van toepassing is, blijkt ook uit deze passage niet dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid alleen kan worden toegepast in situaties dat sprake is van één veroorzaker van de verslechtering.

6.7. Voor zover verweerder betoogt dat het Hof niet verplicht tot het beperken van een toegestane activiteit (in dit geval het binnen de referentiesituatie blijven), overweegt de rechtbank dat verweerder dit terecht aangeeft. De nationale wetgever heeft namelijk een beoordelingsmarge bij het implementeren van zijn verplichtingen op grond van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Zoals eerder overwogen door het Hof in zijn arrest van 7 november 2018, is met de intrekkingsbevoegdheid in artikel 5.4 van de Wnb en de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb voldoende invulling gegeven aan artikel 6, tweede lid, van de Wnb. Het enkele feit dat het Hof niet verplicht tot het aanschrijven, neemt niet weg dat de nationale wetgever heeft besloten om ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn een aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb op te nemen.

 6.8. Gelet op het bovenstaande ziet de rechtbank in wat verweerder heeft betoogd, geen grond om te oordelen dat de individuele aanschrijvingsbevoegdheid uit artikel 2.4, eerste lid, van de Wnb alleen toegepast kan worden in situaties dat de toegestane activiteit de enige oorzaak is van de dreigende verslechtering of significante verstoring. De uitleg van het wettelijk kader, zoals is uiteengezet in de Logtsebaan-uitspraak, behoeft daarom geen aanpassing.

10.9. Verweerder is in het bestreden besluit aangesloten bij de motiveringseis uit de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024. Uit deze uitspraak volgt dat aan het additionaliteitsvereiste is voldaan als aannemelijk is gemaakt dat met andere maatregelen een (blijvende) daling van stikstofdepositie op gebiedsniveau wordt gerealiseerd.

10.10. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Artikel 5.4, tweede lid, van de Wnb (en in het verlengde daarvan artikel 2.4, eerste lid van de Wnb) ziet op de vraag of de intrekking nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Anders dan door verweerder is betoogd, gaat de uitspraak van de Afdeling van 2 oktober 2024 niet over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, maar over de vraag of een maatregel nodig is ter uitvoering artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. Voor de wijze waarop invulling kan worden gegeven aan de motiveringsplicht dat de intrekking niet nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn, moet aangesloten worden bij de Logtsebaan-uitspraak. Dit betekent dat verweerder moet motiveren welke keuzes zijn gemaakt bij de invulling van de beoordelingsruimte door inzichtelijk te maken met welke maatregelen uitvoering wordt of zal worden gegeven aan de noodzakelijke daling van de stikstofdepositie binnen afzienbare termijn.

10.11. De rechtbank oordeelt dat verweerder in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd waarom de daling van stikstofdepositie van de aangedragen maatregelen voldoende is om verslechtering van de betreffende Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet enkel kunnen volstaan met de conclusie dat sprake is van een blijvende daling van stikstofdepositie op de betrokken Natura 2000-gebieden. Verweerder heeft ten onrechte niet inzichtelijk gemaakt wat de opbrengst is van de afzonderlijke maatregelen zoals die zijn opgesomd onder b in het bestreden besluit en welke effecten deze maatregelen hebben op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden. Hiermee is niet inzichtelijk dat de maatregelen zullen leiden tot een noodzakelijke daling van stikstofdepositie binnen een afzienbare termijn. Dat volgens verweerder door deze maatregelen sprake zal zijn van een daling van de stikstofdepositie is daarvoor een te algemene motivering. Niet is onderbouwd dat de landelijke maatregelen en provinciale maatregelen leiden tot de noodzakelijke daling van stikstofdepositie op de relevante natuurwaarden in de betreffende Natura 2000-gebieden binnen afzienbare termijn. Dit voorgaande geldt ook voor de verwijzing van verweerder naar de provinciale maatregel BOS. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat het verwachte effect is van die maatregel op de betreffende Natura 2000-gebieden en of het door verweerder verwachte positieve effect voldoende zal zijn om de noodzakelijke daling van stikstofdepositie te bewerkstelligen. Dat de BOS volgens verweerder in zijn algemeenheid leidt tot een stikstofreductie op Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant, is hiertoe onvoldoende. Het had op de weg van verweerder gelegen om, met inachtneming van de kritische depositiewaardes en de actuele Natuurdoelanalyses van de betreffende Natura 2000-gebieden, inzichtelijk te maken wat de kenmerken van deze gebieden zijn en wat op basis daarvan nodig en mogelijk is voor de betreffende Natura 2000-gebieden om invulling te geven aan artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. De beroepsgrond slaagt.

* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2969: Awb, Wnb; natuurvergunning, positieve weigering, Eindhoven Airport, referentiesituatie, Luchthavenbesluit 2014, Habitatrichtlijn, voortoets, geen één-en-hetzelfde project, Bal, maatwerkvoorschrift

8.11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte in het bestreden besluit heeft besloten dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport niet vergunningplichtig is. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het door Eindhoven Airport aangevraagde project niet kan worden aangemerkt als één-en-hetzelfde project ten opzichte van het Luchthavenbesluit 2014. Zij licht dat oordeel als volgt toe. Eindhoven Airport heeft in haar aanvraag ervoor gekozen om een aanvraag in te dienen voor een natuurvergunning bij verweerder voor concrete activiteiten, namelijk luchtgebonden en grondgebonden activiteiten. Daarbij zijn de luchtgebonden activiteiten gespecificeerd in een aantal vliegtuigbewegingen met een bepaalde emissie. Hiermee heeft Eindhoven Airport ervoor gekozen om een gestelde toestemming voor het project op grond van een geluidcontour (dat dynamisch van aard is) te wijzigen naar een toestemming op grond van een natuurvergunning (die niet meer dynamisch maar statisch van aard is). Binnen de geluidcontour van het Luchthavenbesluit 2014 bestond namelijk de mogelijkheid tot een autonome groei van het aantal en type en vliegtuigbewegingen, zolang deze maar binnen de vastgelegde geluidcontour bleven. In de aanvraag is geen sprake van een dergelijke flexibiliteit. Hiermee bestaat er naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijk verschil tussen de voorwaarden waaronder de vliegtuigbewegingen mogen worden verricht op de luchthaven in de aangevraagde situatie en de referentiesituatie. De aanvraag voor de natuurvergunning heeft gelet op het voorgaande geen betrekking op de voortzetting van één-en-hetzelfde project als waarvoor met het Luchthavenbesluit 2014 toestemming was verleend. Er is immers geen sprake van continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten van Eindhoven Airport worden uitgevoerd.

8.12. Verder acht de rechtbank van belang dat op 25 maart 2015 en op 3 juni 2015 (en daarmee dus ná de datum van de vaststelling van de referentiesituatie van 26 september 2014), tweemaal toestemming is verleend om het terrein van de luchthaven te veranderen. Deze veranderingen leiden eveneens tot het oordeel dat het project waarvoor op de referentiedatum van 26 september 2014 toestemming is gegeven, sindsdien niet is voortgezet als één-en-hetzelfde project. Verder merkt de rechtbank op dat blijkens het stikstofdocument van april 2024 ‘recent’ een parkeergarage is gerealiseerd op het terrein van de luchthaven en dit ook een wijziging betreft van het project. Ook uit de aanvullende passende beoordeling blijkt dat expliciet het parkeren op de luchthaven is aangevraagd. Daarbij merkt de rechtbank op dat blijkens het arrest van het Hof van Justitie van 28 februari 2008 alle werkzaamheden met betrekking tot de gebouwen, installaties of apparatuur van een luchthaven moeten worden beschouwd als een wijziging van de luchthaven zelf. Dit voorgaande geldt volgens het Hof van Justitie vooral voor werkzaamheden die gericht zijn op het aanzienlijk vergroten van de activiteit van de luchthaven en het luchtverkeer.

10.3. Verweerder voert hierover aan dat artikel 11.9, derde lid, van het Bal niet aan het maatwerkbesluit in de weg stond. Verweerder stelt dat met het maatwerkbesluit geen toename van NOx-emissies wordt toegestaan ten opzichte van de referentiestituatie die is ontleend aan het Luchthavenbesluit 2014. Hierdoor was er voor deze NOx-emissie dan ook geen natuurvergunning nodig, aldus verweerder.

(…)

10.5. Artikel 11.9, derde lid, van het Bal luidt: ‘Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning als bedoeld in deze afdeling kan worden verbonden.’

10.6. De rechtbank oordeelt dat het maatwerkvoorschrift is opgelegd in strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. Zoals de rechtbank onder 8.11 en 8.12 heeft overwogen heeft verweerder ten onrechte besloten dat het aangevraagde project door Eindhoven Airport niet vergunningplichtig was. Hierdoor was het mogelijk om het gestelde voorschrift uit het maatwerkvoorschrift te verbinden aan een natuurvergunning en daarmee ontstaat er strijd met artikel 11.9, derde lid, van het Bal. De stelling van verweerder dat met het maatwerkvoorschrift geen toename van stikstofemissie ten opzichte van de referentiesituatie wordt toegestaan, wat hier ook van zij, brengt hierin geen verandering. Zoals onder 8.11 en 8.12 is overwogen, is er namelijk geen sprake meer van één-en-hetzelfde project en is de door Eindhoven Airport aangevraagde activiteit vergunningplichtig. De beroepsgrond slaagt.

* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2966: Awb, Wnb; handhaving, afwijzing verzoek, Lelystad Airport, huidige gebruik luchthaven, reikwijdte verzoek uitgebreid in beroep, overtreding, omvang geschil, concreet zicht op legalisatie, gebrekkige belangenafweging

8.11. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheden dat er reeds 3,5 jaren waren verstreken sinds de ontwerp-vergunning ter inzage lag en er nog geen zicht was op een concreet moment waarop de vergunning verleend kon worden. Hierdoor ontstaat volgens de rechtbank een onaanvaardbare impasse. Verweerder treedt niet op omdat hij een concreet zicht op legalisatie ziet in een aanvraag. De verlening van de natuurvergunning laat echter op zich wachten, zodat niemand (zowel verweerder, de stichting als Lelystad Airport) weet waar hij of zij aan toe is. Lelystad Airport weet niet aan welke regels zij zich moet houden. Verweerder kan Lelystad Airport niet verplichten zich te houden aan regels in een ontwerp-vergunning en de stichting kan de voorschriften in de ontwerp-vergunning niet aanvechten zolang er geen definitief besluit is genomen. Ook kan de stichting geen handhaving afdwingen. De rechtbank vindt dit niet juist. Zij is van oordeel dat verweerder uitdrukkelijk had moeten motiveren waarom ondanks de lange periode, de voortdurende onzekerheid over wanneer daadwerkelijke vergunningverlening plaatsvindt en de bijbehorende onzekerheid voor partijen, toch nog steeds sprake is van zodanig concreet zicht op legalisatie dat dit zwaarder weegt dan de andere belangen. De rechtbank benadrukt daarbij dat verweerder niet verplicht is om af te zien van handhaving als sprake is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Het is en blijft een bevoegdheid om handhavend op te treden. De rechtbank acht het ook van belang om op te merken dat het belang wat gehecht kan worden aan de omstandigheid dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, afneemt naarmate de tijd vordert zonder definitieve besluitvorming. Temeer wanneer het zicht op legalisering gedurende die tijd niet concreter wordt, maar eerder afneemt. De beroepsgrond slaagt.

* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2964: Awb, Wnb; handhaving, afwijzing verzoek, Rotterdam Airport, concreet zicht op legalisatie, Habitatrichtlijn, gebrekkige belangenafweging

8.3. De rechtbank oordeelt dat de verrichte belangenafweging door verweerder onvoldoende was om te kunnen besluiten om niet handhavend op te treden tegen Rotterdam Airport. Dat verweerder, ondanks het feit dat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, in de beslissing op bezwaar wel een belangenafweging heeft gemaakt, brengt geen verandering in dit oordeel. Deze belangenafweging vertoont namelijk een aantal gebreken. Enerzijds heeft verweerder te veel gewicht toegekend aan de gevolgen die Rotterdam Airport ondervindt wanneer verweerder handhavend zou optreden. Verweerder is er in de beslissing op bezwaar namelijk ten onrechte van uitgegaan dat de gehele exploitatie van de luchthaven door Rotterdam Airport stilgelegd dient te worden, wanneer hij handhavend zou optreden tegen Rotterdam Airport. In het handhavingsverzoek is alleen opgenomen dat handhaving zou moeten plaatsvinden voor zover zonder natuurvergunning buiten de referentiesituatie wordt getreden. Anderzijds heeft verweerder alleen de (maximale) hoeveelheid stikstofdepositie op de meest belaste hexagoon benoemd, maar niet de depositie op de afzonderlijke Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt en daarbij de staat van de Natura 2000-gebieden betrokken. Tot slot heeft verweerder in de belangenafweging ook niet onderkend dat sinds de publicatie van de ontwerpnatuurvergunning tot het moment van de beslissing op bezwaar meer dan 2,5 jaar waren verstreken. De beslistermijn van 6 maanden was dus ruimschoots overschreden. Gelet op het voorgaande had verweerder de relevante belangen onvoldoende geïnventariseerd en is daarmee deze belangenafweging gebrekkig. De beroepsgrond slaagt.

* Rechtbank Gelderland 16 april 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:2962: Awb, Wnb; natuurvergunning, positieve weigering, Rotterdam Airport, aanvraag voldoende duidelijk, aanwijzingsbesluit 2010, Habitatrichtlijn, expiratie aanwijzingsbesluit, omzettingsregeling, referentiesituatie, voortoets, geen één-en-hetzelfde project, Bal, maatwerkvoorschrift

11.9. Anders dan eisers betogen, vereist het in acht nemen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet dat de effecten van het aanwijzingsbesluit 2010 passend moeten zijn beoordeeld. De systematiek van het natuurbeschermingsrecht houdt in dat alleen een passende beoordeling nodig is als mogelijk significante effecten als gevolg van het project te verwachten zijn op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Als significante negatieve gevolgen zijn uit te sluiten is een passende beoordeling niet nodig. De in het aanwijzingsbesluit verrichte beoordeling heeft uitgewezen dat significante gevolgen zijn uit te sluiten. De omstandigheid dat de beoordeling van de gevolgen van de aangevraagde activiteit voor omliggende gebieden in het aanwijzingsbesluit 2010, met de kennis van nu, wellicht anders of meer indringend zou zijn uitgevoerd, doet geen afbreuk aan het onherroepelijke karakter daarvan. Gelet hierop kunnen de overige door eisers aangevoerde gronden evenmin leiden tot het oordeel dat artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn niet in acht zijn genomen. Het betoog slaagt niet.

* Rechtbank Midden-Nederland 15 april 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1523: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, herontwikkeling gebouw, bouwhoogte, windhinderonderzoek, goede ruimtelijke ordening, parkeereis, bezoekersdeel, reserveringsovereenkomsten parkeerplaatsen, beleidsregels, onevenredige gevolgen, belangenafweging, parkeerbehoefte tussenuitspraak

  1. Het college heeft in de bestreden besluiten de voorwaarde geschrapt dat vergunninghouder huurovereenkomsten voor 20 jaar moet overleggen voor de benodigde parkeerplaatsen in de naastgelegen Q-parkgarage. In plaats daarvan gaat het college akkoord met reserveringsovereenkomsten. Het college wijkt hiermee af van de Beleidsregels 2017.
  2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd dat toepassing van de Beleidsregels 2017 in dit concrete geval tot onevenredige gevolgen leidt voor vergunninghouder, in verhouding tot de met die beleidsregels te dienen doelen. De bestreden besluiten kennen op dit punt een gebrek. De toelichting in het verweerschrift en tijdens de zitting zijn onvoldoende om dit gebrek te kunnen passeren, omdat deze geen blijk geven van een voldoende gemotiveerde afweging. Daarbij acht de rechtbank van belang dat bij het opstellen van het Wijzigingsplan 2023 overgangsrecht is opgenomen dat inhoudt dat huurovereenkomsten voor de duur van 20 jaar vereist zijn. Als de voorwaarde om huurovereenkomsten voor 20 jaar over te leggen onwenselijk was, dan had dit moeten worden uitgesloten in het overgangsrecht. Daarvoor is blijkbaar niet gekozen. Verder geldt dat vergunninghouder vanaf het begin op de hoogte was van de voorwaarde dat huurovereenkomsten met de duur van 20 jaar moeten worden afgesloten. Dat het voor vergunninghouder gunstiger is om reserveringsovereenkomsten af te sluiten met Q-parkgarage is begrijpelijk, maar maakt niet dat zijn belang daarom ook zwaarder weegt. De beoogde reserveringsovereenkomsten zijn naar het oordeel van de rechtbank geen duurzame manier om in de parkeerbehoefte te voorzien. Tot slot heeft het college naar het oordeel van de rechtbank ook onvoldoende gemotiveerd op welke manier rekening wordt gehouden met de parkeerbehoefte als vergunninghouder, na oplevering van het gebouw, uit beeld is. Onduidelijk blijft hoe wordt voorzien in de parkeerbehoefte als bijvoorbeeld een eerste bewoner zonder parkeerplek op korte termijn verhuist en zijn opvolger wel een parkeerplek wenst. Het college heeft dit ook op de zitting onvoldoende kunnen motiveren.


STAB verzorgt de jurisprudentie voor STAB OGR updates

Berthy van den Broek, senior legal consultant bij RoyalHaskoningDHV en geassocieerd medewerker bij het Utrecht Centre for Water, Oceans and Sustainability Law van de Universiteit Utrecht, schreef een annotatie bij de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025 (ECLI:NL:RVS:2026:6179). Deze uitspraak betreft de afwijzing van een verzoek om tegemoetkoming in planschade van een exploitant van een opfok- en vermeerderingsbedrijf in pluimvee vanwege een bestemmingsplan dat op 1,1 km van zijn bedrijf een vogelasiel mogelijk maakt. De exploitant stelt dat hij inkomensschade heeft doordat opfokorganisaties vanwege het risico op verspreiding van dierziektes geen kuikens meer willen plaatsen op het pluimveebedrijf. In de annotatie wordt eerst ingegaan op de uitspraak van de rechtbank, die het beroep gegrond heeft verklaard. Vervolgens wordt ingegaan op de uitspraak van de Afdeling, die oordeelt dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen omdat er op grond van de beschikbare wetenschappelijke gegevens of richtlijnen van overheidswege op de peildatum geen reden was om aan te nemen dat de aanwezigheid van het vogelasiel op een hemelsbrede afstand van ruim een kilometer het risico op verspreiding van dierziektes in het pluimveebedrijf doet toenemen.

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder