Ow, directe handhaving op basis van de specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit.

Casus

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant heeft lasten onder dwangsom opgelegd aan een afvalstoffenbedrijf. Het bedrijf dient het nog aanwezige shredderresidu te verwijderen en ervoor te zorgen dat het gebruikte bluswater/koelwater niet in de bodem komt. De lasten zijn gebaseerd op de specifieke zorgplicht voor de milieubelastende activiteit uit artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
In het depot met shredderresidu van het bedrijf is eerder brand ontstaan, die het bedrijf zelf heeft geblust. Op het terrein van het bedrijf werd shredderresidu (circa 40.000 m3) opgeslagen, volgens het college is hierbij als gevolg van broei een brandonveilige situatie ontstaan.

Rechtsvragen

1. Wanneer kan bij een bedrijf dat beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit worden gehandhaafd op basis van de specifieke zorgplicht?
2. Wanneer is directe handhaving op basis van de specifieke zorgplicht mogelijk?
3. Was in dit geval sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht?

Uitspraak

1. De rechtbank stelt voorop dat eiseres beschikt over een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Handhaving van de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal komt in dat geval alleen in beeld als de omgevingsvergunning geen specifieke voorschriften bevat voor een bepaald milieuaspect, bij ongebruikelijke activiteiten, in bijzondere omstandigheden, of als de (doel- en middel)voorschriften ontoereikend zijn om de nadelige gevolgen in voldoende mate te voorkomen. Uit een oogpunt van rechtszekerheid moet deze aanvullende werking van de specifieke zorgplicht naar het oordeel van de rechtbank beperkt worden opgevat als voor een bepaald milieuaspect specifieke (doel- of middel)voorschriften zijn gesteld en een vergunninghouder de activiteiten op de gebruikelijke wijze uitoefent. Een overtreding op grond van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 Bal kan naar het oordeel van de rechtbank alleen aan de orde zijn als hetzelfde resultaat niet kan worden bereikt met een voorschrift dat al aan de omgevingsvergunning is verbonden.

2. Directe handhaving op de specifieke zorgplicht is naar het oordeel van de rechtbank mogelijk bij evidente overtredingen. De activiteit moet evident in strijd zijn met de zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht is niet gerechtvaardigd als de betrokkene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. De rechtbank wijst ter onderbouwing op de wetsgeschiedenis van de Omgevingswet en het Bal.

3. Naar het oordeel van de rechtbank was ten tijde van het dwangsombesluit van 2 april 2025 sprake van een evidente schending van de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Bij de op 8 en 20 november 2024 gehouden controle is geconstateerd dat de maximaal toegestane opslaghoogte van afvalstoffen op het buitenterrein werd overschreden en dat vrijkomende afvalstoffen (waaronder shredderresidu) onvoldoende werden gescheiden en gescheiden bewaard. Hierdoor is een brandonveilige situatie en ook daadwerkelijk brand ontstaan in de partijen shredderresidu die afkomstig zijn van het bedrijf [naam] van eiseres. Ook op 14 februari 2025 zijn sporen van brand en broei geconstateerd. Tijdens het gesprek dat toen heeft plaatsgevonden tussen de toezichthouders van de ODZOB en de heren [naam] en [naam] hebben zij samen de conclusie getrokken dat afvoer de enige oplossing is in het geval van deze grootschalige opslag.
Na de verkoop van [naam] op 18 februari 2025, is eiseres met de hierdoor vrijgekomen financiële middelen op 24 februari 2025 begonnen met het afvoeren van shredderresidu. Daarna zijn er nog branden geweest in het shredderresidu op 14 en 15 maart 2025, ten gevolge waarvan (nog meer) verontreiniging van zowel lucht, bodem als (riool)water heeft kunnen plaatsvinden. Gelet op het voorgaande heeft het college terecht overwogen dat de opslag van shredderresidu, afkomstig van eiseresses toenmalige bedrijf [naam], de broei en vervolgens de branden die erin zijn ontstaan, gepaard gaan met geuremissie en rookontwikkeling. Via de lucht zijn schadelijke stoffen in de leefomgeving terechtgekomen. Ook heeft het college terecht overwogen dat blus/koelwater van het residu in de bodem infiltreert en dat via die route schadelijke – zo niet zeer zorgwekkende – stoffen in de bodem terecht zijn gekomen en/of terechtkomen en dat het water buiten de inrichting weglekt.
Hiermee staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de opslag van het aanwezige shredderresidu nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving heeft opgeleverd en een groot risico blijft opleveren voor de fysieke leefomgeving. In de gegeven omstandigheden was evident dat de partijen shredderresidu die aanwezig waren in november 2024 zo spoedig mogelijk hadden moeten worden afgevoerd. Dat was ten tijde van het dwangsombesluit op 2 april 2025 nog niet gerealiseerd. Het college heeft dan ook tot de conclusie mogen komen dat eiseres evident in strijd heeft gehandeld met de specifieke zorgplicht in artikel 2.11 van het Bal. Dat betekent dat het college bevoegd was een last onder dwangsom op te leggen.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 28-05-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2026:3621
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder