Artikel 22.23 van het (tijdelijk deel) omgevingsplan is de opvolger van artikel 5 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). De rechtbank sluit aan bij rechtspraak over laatstgenoemde bepaling. Er is sprake van een toename van het aantal woningen, zodat (artikel 22.26 van) het omgevingsplan is overtreden. Er is verder sprake van een uitzondering op de vergunningplicht zoals genoemd in artikel 2.25 van het Bbl. Daarom is geen vergunning voor de technische bouwactiviteit vereist.

Casus

Het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk (het college) heeft een handhavingsverzoek met betrekking tot een bouwwerk, afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar ingediend. Met het bestreden besluit op het bezwaar van eiseres is het college bij dat besluit gebleven.

Eiseres heeft aangevoerd dat het college ten onrechte het verzoek om handhaving heeft afgewezen omdat geen omgevingsvergunning is verleend voor de omgevingsplanactiviteit (ruimtelijk) bouwen. Er is op grond van artikel 22.27 van het omgevingsplan geen sprake van een vergunningvrij bouwwerk, omdat het bouwwerk niet is gelegen in het achtererfgebied.

Eiseres heeft verder gesteld dat ook voor de technische bouwactiviteit een vergunning is vereist, omdat het bouwwerk niet is gelegen in het achtererfgebied maar in het voorerfgebied.

Rechtsvragen

1. Is sprake van een overtreding van het omgevingsplan?
2. Is sprake van een vergunningplichtige technische bouwactiviteit?

Uitspraak

1. De rechtbank overweegt dat het op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan verboden is om zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten, een gebouwd bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. In artikel 22.27 van het omgevingsplan staan de activiteiten waarvoor deze vergunningplicht niet geldt. Daarbij geldt op grond van artikel 22.23 van het Omgevingsplan dat bij de toepassing van de artikelen 22.27 (en 22.36) een bouwactiviteit uitsluitend vergunningvrij is als het aantal woningen niet toeneemt tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg. Van dat laatste is geen sprake omdat het bouwwerk wordt gebruikt voor bewoning voor de dochter en schoonzoon van de buren in verband met de huidige woningnood.
Op zitting heeft het college gesteld dat artikel 22.23 van het omgevingsplan niet van toepassing is omdat geen sprake is van een nieuwe zelfstandige woning in de zin van artikel 22.23 van het omgevingsplan. Er is sprake van een afhankelijk woning omdat die voor de nutsvoorzieningen afhankelijk is van de hoofdwoning op hetzelfde perceel.
De rechtbank overweegt dat artikel 22.23 van het (tijdelijk deel) omgevingsplan de opvolger is van artikel 5 bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Uit de uitspraak van de Afdeling van 24 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ8456) volgt dat het bij dit artikel draait om het vereiste dat het aantal woningen gelijk moet blijven. De Afdeling oordeelde dat deze eis zo moet worden uitgelegd dat het aantal zelfstandige woningen niet mag toenemen. Artikel 22.23 biedt geen aanleiding daar anders over te oordelen omdat nergens uit blijkt dat met de omzetting van artikel 5 van bijlage II van het Bor naar artikel 22.23 in dat opzicht een wijziging is beoogd. Zie de artikelsgewijze toelichting bruidsschat omgevingsplan, http://www.iplo.nl.
De vraag is of sprake is van een zelfstandige woning. De rechtbank overweegt dat het omgevingsplan geen definitie geeft over wat onder een ‘zelfstandige woning’ wordt verstaan. Om deze reden sluit de rechtbank aan bij wat in de rechtspraak onder een ‘zelfstandige woning’ wordt verstaan. Uit de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016 leidt de rechtbank af dat bij de vaststelling of sprake is van een zelfstandige woning bepalend is of die woning afhankelijk is van wezenlijke voorzieningen van buiten de woning, zijnde een keuken, toilet en wasruimte (ECLI:NL:RVS:2016:2636 r.o. 4.4). Ten tijde van het bestreden besluit had het bouwwerk alle eigen voorzieningen zoals een keuken, toilet en badkamer. De rechtbank is van oordeel dat door de aanwezigheid van deze voorzieningen en inrichting sprake is van een zelfstandige woning. Dat een bouwwerk voor de gas-, water- en elektriciteitsvoorzieningen afhankelijk is van een andere woning (in dit geval de woning van vergunninghouder), is daarvoor niet van belang. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2636 r.o. 4.4. Nu het tijdelijke deel van het omgevingsplan maar een woning per bestemmingsvlak toelaat, is sprake van een toename van woningen. Deze toename betekent dat het bouwwerk niet vergunningvrij kan worden gerealiseerd met artikel 22.27 van het omgevingsplan. Dat betekent dat voor deze bouwwerkzaamheden een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit ‘bouwen’ geldt. Ook het in stand houden van een zonder de vereiste omgevingsvergunning gerealiseerd bouwwerk is op grond van artikel 22.26 van het omgevingsplan – net als onder het oude recht – verboden. Er is dus sprake van een overtreding.

2. In artikel 2.25 Bbl is bepaald dat een bouwactiviteit vergunningplichtig is, voor zover die betrekking heeft op een gebouw of een ander bouwwerk met een dak en dat gebouw of andere bouwwerk:
a. niet op de grond staat;
b. hoger is dan 5 m;
c. bij meer dan een bouwlaag, is voorzien van een verblijfsgebied op de tweede bouwlaag of hoger;
d. is voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; of
e. als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw wordt;
f. een bouwwerk is waaroverheen geen weg, spoorweg of waterweg loopt.

De rechtbank overweegt dat voor de vraag of er voor de technische bouwactiviteit een vergunning is vereist, de situering van het bouwwerk in het achtererfgebied niet relevant is. De situering in het achtererfgebied wordt niet genoemd in artikel 2.25 van het Bbl. Wel is relevant op grond van onderdeel e van artikel 2.25 van het Bbl of het bouwwerk als gevolg van de bouwactiviteit een hoofdgebouw is geworden.
In bijlage I van het besluit bouwwerken en leefomgeving wordt onder hoofdgebouw het volgende verstaan: ‘gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.’
Het bouwwerk heeft, net als de bestaande woning op het perceel, een woonfunctie en het gaat om een tweede, zelfstandige woning op het perceel. Er is dus sprake van een tweede hoofdgebouw op het perceel in de zin van artikel 2.25 van het Bbl. Dat maakt niet dat het vergunningplichtig is voor de technische bouwactiviteit, omdat het bouwwerk in gevolgklasse 1 valt zoals bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, onder a, van het Bbl. Er is dus sprake van een uitzondering op de vergunningplicht zoals genoemd in artikel 2.25 van het Bbl. Op grond daarvan is geen vergunning voor de technische bouwactiviteit vereist. Deze grond slaagt niet.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Oost-Brabant
Datum Uitspraak : 08-07-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBOBR:2026:4799
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder