Een dwangsom die is gekoppeld aan een bepaalde tijdseenheid kan niet zo worden uitgelegd dat deze al wordt verbeurd wanneer de last slechts op één moment binnen die tijdseenheid wordt overtreden. In dit geval is gekozen voor een tijdseenheid van één week. Niet gebleken is dat de emissiereductietechnieken gedurende één of zelfs twéé volle weken niet in bedrijf zijn geweest. Daarom zijn voor die overtredingen geen dwangsommen verbeurd. Verder is in dit geval sprake van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om van invordering af te zien, omdat sprake is van een tegenstrijdige situatie.
Casus
Het college van burgemeester en wethouders van Ede (het college) heeft aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens overtreding van artikel 4.1311, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Het college heeft vervolgens besloten over te gaan tot invordering van de dwangsom die aan eiseres is opgelegd. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. In de beslissing op bezwaar heeft het college het invorderingsbesluit gehandhaafd. Hiertegen heeft eiseres beroep ingesteld.
Eiseres stelt dat de berekening en vaststelling van de verbeurde dwangsommen niet zijn gebaseerd op een deugdelijke bewijsvoering. Omdat de dwangsom per tijdseenheid (‘per week’) geldt en de vaststelling volgens eiseres te onbepaald is, is er onvoldoende bewijs om de verbeurte van dwangsommen vast te stellen of tot invordering daarvan over te gaan.
Verder is volgens eiseres sprake van een bijzondere omstandigheid die maakt dat van invordering moet worden afgezien.
Rechtsvragen
1. Is de vaststelling van de verbeurde dwangsommen gebaseerd op een deugdelijke bewijsvoering?
2. Is sprake van een bijzondere omstandigheid die noopt tot het afzien van invordering?
Uitspraak
1. De beroepsgrond slaagt gedeeltelijk. De rechtbank stelt vast dat het college de dwangsom heeft vastgesteld op een bedrag per week waarin de overtreding voortduurt. Uit het invorderingsbesluit blijkt dat het college de dwangsommen heeft ingevorderd omdat de emissiereducerende technieken op 26 en 30 april 2024 niet continu in bedrijf zijn geweest en omdat de SCR van ketel 5 gedurende de maand april 2024 niet in bedrijf is geweest. De rechtbank overweegt dat wanneer een last onder dwangsom is opgelegd om een bestaande illegale situatie te beëindigen en de dwangsom is vastgesteld per tijdseenheid waarin de overtreding voortduurt, een dwangsom pas wordt verbeurd als de illegale situatie na afloop van de begunstigingstermijn gedurende die volledige tijdseenheid heeft voortgeduurd. De wet biedt namelijk ook de mogelijkheid om een dwangsom ineens of een dwangsom per overtreding op te leggen. Daarom kan een dwangsom die is gekoppeld aan een bepaalde tijdseenheid niet zo worden uitgelegd dat deze al wordt verbeurd wanneer de last slechts op één moment binnen die tijdseenheid wordt overtreden (ECLI:NL:RVS:2013:1829 en ECLI:NL:HR:2011:BQ5076). In dit geval is gekozen voor een tijdseenheid van één week. Uit de constatering dat de emissiereductietechnieken op 26 en 30 april 2024 niet in bedrijf waren, blijkt niet dat deze gedurende één of zelfs twéé volle weken niet in bedrijf zijn geweest. Daarom zijn voor die overtredingen geen dwangsommen verbeurd. Het valt immers niet uit te sluiten dat de emissiereducerende technieken alleen op die dagen niet in bedrijf waren en gedurende de rest van de week wel aan stonden.
2. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft om van invordering af te zien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De toezichthouder van het college heeft ter zitting bevestigd dat eiseres terecht heeft gesteld dat de toegestane ammoniakuitstoot wordt overschreden wanneer de SCR-installatie continu in bedrijf is. Eiseres heeft daarnaast toegelicht dat de huidige bedrijfsvoering met het college is afgestemd en door het college is beoordeeld. Sindsdien heeft deze bedrijfsvoering niet geleid tot aanvullende handhavingsmaatregelen. Het college heeft dit niet betwist. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook het college het onwenselijk vindt dat de SCR-installatie continu in bedrijf is. Tegelijkertijd wordt van eiseres op grond van de opgelegde last onder dwangsom verlangd dat de SCR-installatie juist wel continu in bedrijf is. Dat staat haaks op de afspraak met de toezichthouder dat de installatie buiten bedrijf blijft om overschrijding van de toegestane ammoniakuitstoot te voorkomen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierdoor sprake van een tegenstrijdige situatie. Dat vormt een bijzondere omstandigheid die voor het college aanleiding had moeten geven om van invordering af te zien. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat eiseres heeft toegelicht dat het uitschakelen van de actieve SCR-dosering niet betekent dat er geen emissiereducerende technieken meer aanwezig of in werking waren. Het SNCR-systeem bleef gedurende de relevante periode volledig operationeel en zorgde nog steeds voor een aanzienlijke vermindering van de stikstofoxiden emissies. Het betoog slaagt.
Rechtelijke Instantie : Rechtbank Gelderland
Datum Uitspraak : 13-07-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBGEL:2026:5530
Ruud Veenhof