Artikel 1.7a van de Omgevingswet bevat geen zorgplicht, maar een verbodsbepaling. Dit artikel heeft een vangnetfunctie en bevat een strafrechtelijk handhaafbaar verbod om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. De beoogde ingebruikname van het pand kan naar voorlopig oordeel niet worden beschouwd als een dergelijke activiteit. Evenmin is sprake van overtreding van de algemene zorgplichten in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet, omdat naar voorlopig oordeel in ieder geval geen sprake is van een (klaarblijkelijk dreigende) onmiskenbare schending van een algemene zorgplicht.

Casus

Verzoeksters hebben het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (het college) verzocht om preventief handhavend op te treden tegen de opvang van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in een pand. Met het bestreden besluit heeft het college dit verzoek afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoekers betogen onder meer dat de huisvesting van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het pand in strijd is met één van de algemene zorgplichten uit de Omgevingswet.

Rechtsvragen

1. Is de huisvesting van alleenstaande minderjarige vreemdelingen in het pand in strijd met artikel 7a van de Omgevingswet?
2. Is deze huisvesting in strijd met de algemene zorgplichten in de artikelen 1.6 en 1.7 uit de Omgevingswet?

Uitspraak

1. Over het betoog van verzoekers, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het door verzoekers ingeroepen artikel 1.7a van de Omgevingswet geen zorgplicht bevat, maar een verbodsbepaling. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling volgt dat artikel 1.7a een vangnetfunctie heeft en een strafrechtelijk handhaafbaar verbod bevat om een activiteit te verrichten of na te laten als daardoor aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen te ontstaan. Daarbij kan gedacht worden aan aanzienlijke schade aan de kwaliteit van lucht, bodem of water (Kamerstukken II, 2017/18, nr. 3, blz. 131-132). Nog daargelaten dat verzoekers artikel 1.7a van de Omgevingswet niet aan hun verzoek om handhaving ten grondslag hebben gelegd maar hier eerst in hun aanvullende bezwaarschrift op hebben gewezen, kan de beoogde ingebruikname van het pand naar voorlopig oordeel niet worden beschouwd als een activiteit met aanzienlijke nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving in de zin van deze bepaling.

2. Ten aanzien van de algemene zorgplichten uit artikel 1.6 en artikel 1.7 van de Omgevingswet volgt uit de Memorie van Toelichting bij de Omgevingswet dat deze zorgplichten voortbouwen op algemene zorgplichten die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet in diverse wetten waren opgenomen (Kamerstukken II 2013/14, 33962, nr. 3, blz. 67). Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat handhavend optreden op grond van dergelijke zorgplichten in beginsel slechts aan de orde kwam bij handelen of nalaten dat onmiskenbaar met de zorgplicht in strijd was. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5756. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om aan te nemen dat deze rechtspraak niet zou gelden ten aanzien van de algemene zorgplichten die zijn opgenomen in de Omgevingswet.
Nog afgezien van de vraag of artikel 1.8, eerste lid, van de Omgevingswet er in dit geval niet aan in de weg staat om aan te nemen dat sprake is van een schending van een algemene zorgplicht, is naar voorlopig oordeel in ieder geval geen sprake van een (klaarblijkelijk dreigende) onmiskenbare schending van een algemene zorgplicht. Daarvan is immers pas sprake als zonder nader onderzoek evident is dat wordt gehandeld in strijd met een algemene zorgplicht. Die situatie doet zich hier niet voor. Dat onder omwonenden van het pand zorgen en gevoelens van onbehagen en onveiligheid leven over de situatie die na ingebruikname van het pand zal ontstaan, is hiervoor onvoldoende.
Het betoog slaagt niet.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Den Haag
Datum Uitspraak : 14-07-2026
Eclinummer : ECLI:NL:RBDHA:2026:19381
Ruud Veenhof

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder