Weekoverzicht uitspraken omgevingsrecht
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6339: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, afwijken bpl, nieuw coördinatiebesluit, nieuwbouw 20 woningen, detailhandel/horeca, parkeergarage, eerste fase, herontwikkeling dorpsplein, gemeentelijk beleid, parkeerbehoefte, parkeerdruk, verkeerstoename, bezonning terras, waterhuishouding, uitvoerbaarheid, stikstofberekening, privaatrechtelijke belemmering, voorwaardelijke verplichting, onttrekkingsbesluit weggedeelten, ontbreken belangenafweging, huisnummerbesluiten
# ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6356: Awb, Wabo, Wm; handhaving, biovergistingsinstallatie, geldigheid vergunningvoorschriften, ambtshalve toetsing, wijziging Abm, overgangsrecht, geuronderzoek, vergunningvoorschriften, vertrouwensbeginsel, aankondiging gesprek met wethouder (Rb Noord-Nederland 19/674)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6311: Awb, Kernenergiewet, Wm; Kew-vergunning, watervergunning, multifunctionele nucleaire reactor, onttrekken water, productie van medische/industriële isotopen, nucleair technologisch onderzoek, vervangen Hoge Flux Reactor, beoordelingscriteria, veiligheidsrisico’s, deterministische veiligheidsanalyses, belanghebbendheid, moment inspraak, locatiekeuze, Verdrag van Aarhus, project-MER, alternatieven, noodzaak, rechtvaardigingsbeoordeling, stralingsbescherming, ALARA-beginsel, alternatieve technologieën/productiemethoden, Bbs, stikstofgevolgen, veiligheidsrapport, publieksvriendelijke versie, bedrijfsvertrouwelijke informatie, oorlog in Oekraïne, klimaatverandering, oplegnotitie, toetsingsadvies, lozen koelwater in Noordzee, koelwaterstudie, warmtelozing, verdringingsreeks
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6323: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, herstelbesluit, toetsing aan bpl, dakuitbouw, cultuurhistorische waarden, gemeentelijk beschermde stadsgezicht, ensemble Haagse Kappen, goothoogte, welstand, evidente privaatrechtelijke belemmering, draagkrachtberekening, Bouwbesluit, archieftekeningen, aannemelijkheid, einduitspraak na tussenuitspraak (Rb Den Haag 21/4137)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6346: Awb, Wro; bpl, wegbestemmen intensieve veehouderij, voorzetting bedrijf, belangenafweging, vergroenen landschap, verbeteren woon- en leefklimaat, verminderen hinder/gezondheidsrisico’s door geuroverlast, creëren mogelijkheden woningbouw, evenredigheid
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6321: Awb, Wnb; natuurvergunning, bouw/exploitatie bio-energiecentrale, twee houtgestookte ketels, uitstoot stikstofoxiden/ammoniak/zwaveldioxide, verkeer, uitstoot van NOx, aantal Natura 2000-gebieden, stikstofregistratiesysteem (SRSS), Rnb, geen samenhangende noodzakelijke nutsvoorziening, significante gevolgen, Natura 2000-gebieden, voorschriften, maximale jaarvracht, monitoring, dubbele afgasreinigingsinstallatie (Rb Midden-Nederland 22/155)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6358: Awb, Wro; bpl, woningbouw, voormalige pastorie, uitleg planregels, ontbreken begrip cultuur en ontspanning, zorgvuldigheidsgebrek, woon- en leefklimaat, ondergeschikte horeca, buitenterras, parkeren, verkeersveiligheid, relativiteitsbeginsel, privacy, geluidsoverlast, stedenbouwkundige inpassing
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6322: Awb, Wabo; beoordeling van rechtswege verleende omgevingsvergunning, niet tijdig bekendmaken, legaliseren walbeschoeiing, jachtwerf, bouwen/aanleggen, ontvankelijkheid, bevoegdheid, ambtenaar, procesbelang, goede procesorde, uitgebreide voorbereidingsprocedure, vvgb, quickscan, Natura 2000-gebied (Rb Noord-Nederland 23/1599)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6349: Awb, Wabo, Wm; handhaving, afwijzing verzoek, rookoverlast, houtkachels, nader onderzoek, Bouwbesluit, deugdelijkheid controles, cumulatieve hinder, toepassing STAB Kennisdocument 2019 Gezondheids- en hindereffecten door houtkachels van particulieren, schending hoorplicht (Rb Den Haag 23/2441)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6337: Awb, Wm; handhaving, afwijzing verzoek, lakspuiterij, emissiegrenswaarde totaal organisch koolstof, 100 mg-C/Nm3, tabel 2.28a Activiteitenbesluit, onderzoek, spuitdebiet (Rb Oost-Brabant 22/2915)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6336: Awb, Wro; bpl, vrijstaande woning, woon- en leefklimaat, belemmering bedrijfsvoering, recreatieve paardenhouderij/ponyclub, dierenkliniek, representatieve invulling maximale planologische mogelijkheden, overgangsrecht, afstanden VNG-brochure
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6320: Awb, Wabo; dwangsom, niet tijdig beslissen, omgevingsvergunning, bouwen opstapstation, huifbedrijden, goede procesorde, opschorting beslistermijn (Rb Zeeland-West-Brabant 23/8890)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6352: Awb, Wabo; handhaving, ontbreken vergunning, strijd met bpl, overkapping, bijgebouw, overtreding, legalisatie, evenredigheid, gelijkheidsbeginsel, vertrouwensbeginsel (Rb Oost-Brabant 23/1461)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6359: Awb, Wabo, Wm; handhaving, gebruik perceel, woonbestemming, exploiteren veehouderij, schapen, wel/geen inrichting, beperkte omvang kudde, geen bedrijfsmatige activiteit, agrarische bestemming, geen strijd bpl (Rb Gelderland 24/3632)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6332: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek, houthandel en houtzagerij, winkel in houten bouw- en tuinmaterialen, strijd met bpl, detailhandel, bevoegdheid, uitlegplanregels (Rb Gelderland 23/5013)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6334: Awb, Wro; bpl, omzetten bedrijfslocatie in woonlocatie, Vlaamse schuur, bijgebouwen, gebruik als therapiepraktijk, belemmering agrarisch bedrijf, voorkeursgrenswaarden geluidsbelasting, relativiteitsvereiste, afstand, VNG-brochure, cumulatie, monumentaal gebouw
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6345: Awb, Wabo; handhaving, strijd met bpl, illegale aanwezigheid grondverzetbedrijf, verbeuring dwangsommen, opslag materialen, voertuigen en machines (Rb Oost-Brabant 24/1455)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6326: Awb, Wegenwet; handhaving, Apv, afwijzing verzoek, hekken, bos, afsluiting paden, openbaarheid, begrip weg, openbaar verkeer (Rb Gelderland 22/475)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6327: Awb, Wegenwet; handhaving, afwijzing verzoek, draaihek, aarden wal, parkeerterrein, openbaarheid, overtreding, toegankelijkheid, 30 jaar-periode (Rb Gelderland 24/7011)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6340, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6344, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6341, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6350 en ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6351: Awb, Wro; planschade, inpassingsplan, bouw 90 windturbines, sanering 98 bestaande windturbines, waardevermindering woning, reële prognose geluidbelasting, planvergelijking, type windturbine, maximaal vermogen, geluid op peildatum, laagfrequent geluid, waardebepaling, relevantie TNO-rapport waardedaling huizenprijzen, ontbreken geschikte vergelijkingsobjecten, nmr, gevoerde ruimtelijke beleid, beoordeling ruimtelijke structuur, betrekken mogelijkheden voor windturbines voor peildatum, ontbreken onderzoek (Rb Midden-Nederland 23/5693, 23/3507, 23/2355, 23/2970, 23/5003, 23/5750, 24/1170 en 24/1172)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6348, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6347 en ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6342: Awb, Wro; planschade, inpassingsplan, bouw 90 windturbines, sanering 98 bestaande windturbines, waardevermindering woning, lichthinder, gezondheid, reële prognose geluidbelasting, planvergelijking, type windturbine, maximaal vermogen, geluid op peildatum, laagfrequent geluid, waardebepaling, relevantie TNO-rapport waardedaling huizenprijzen, ontbreken geschikte vergelijkingsobjecten, nmr, gevoerde ruimtelijke beleid, beoordeling ruimtelijke structuur, betrekken mogelijkheden voor windturbines voor peildatum, ontbreken onderzoek (Rb 23/2752, 23/2750 en 23/2745)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6335: Awb, Wabo; handhaving, verwijderen zeecontainers, stretch tent en bar, buitenterrein manege, strijd met bpl, herhaling beroepsgronden, uitvoerbaarheid last, evenredigheid (Rb Zeeland-West-Brabant 24/5431)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6353: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, pluimveehouderij, tijdelijk huisvesten 2 werknemers, belanghebbendheid, beleidsruimte (Rb Oost-Brabant 24/2760)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6329: Awb; handhaving, illegale splitsing woning, herhaling gronden, overtreding, overtreder (Rb Limburg 24/4754)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6343: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, bouwen 10 appartementen, monumentaal pand, aantasting rijksmonument, ecologisch onderzoek, nieuwe beroepsgrond, goede procesorde, herhaling beroepsgronden (Rb Oost-Brabant 24/4812)
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6317: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, afschot overzomerende grauwe ganzen, bufferzone rondom Natura 2000-gebieden, ontvankelijkheid, procesbelang, geldingsduur vergunning (Rb Noord-Nederland 24/4812)
*/¶ ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6357: Awb, Ow; omgevingsvergunning, inrichting, bedrijfsbebouwing, gebruik kantoor, toepasselijkheid afdeling 3.5 Awb bij vergunning, ontbreken coördinatiebesluit, bevoegdheid Afdeling, toepasselijk recht nieuw coördinatiebesluit, voortzetting behandeling inzake wijzigingsbesluit/TAM-omgevingsplan
¶ ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6304: Awb, Ow; vovo, wijzigingsbesluit, TAM-omgevingsplan, realisering 9 woningen, cultuurhistorische waarden, middeleeuwse verkavelingsstructuur, onvoldoende onderzoek, motiveringsgebrek
* Hoge Raad 27 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1754: Sr, Waterwet, Wed; opzettelijk illegaal lozen afvalwater, voormalige mestkelder, bewijsklacht opzet, mestresten
¶ Rechtbank Limburg 26 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:11597: Awb, Ow; vovo, handhaving, fokken honden in woning, geluidsoverlast, strijd met omgevingsplan, bedrijfsmatige activiteit, niet-ondergeschikte activiteit, aard/omvang, definitie bpl, overtreding
* Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 23 oktober 2026, ECLI:NL:OGEAC:2026:200: Awb; vovo, bouwvergunning, opslagloods, Bwv, lawaai, stof, zicht, welstand, stedelijk woongebied, ontwikkelingsplan, verkeersaantrekkende werking
¶ Rechtbank Midden-Nederland 23 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:7330: Awb, Ow; intrekken omgevingsvergunning, bedrijfsgebouw, vergunninghouder, geen rechtstreeks betrokken belang, ontvankelijkheid
¶ Rechtbank Amsterdam 23 oktober 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:10387: Awb, Ow; vovo, handhaving, afhaalrestaurant, omgevingsvergunning afvoerpijp, geurhinder, buiten gebruikstelling afvoerkanaal, overtreding, belangenafweging, geen bijzondere omstandigheden
¶ Rechtbank Noord-Holland 23 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14081: Awb, Ow; handhaving, afwijzing verzoek, omgevingsvergunning aanbouw, maximale inhoud woning, bouwhoogte, positionering, onvoldoende onderzoek, privaatrechtelijke belemmering, perceelsgrens
¶ Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7490: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, dak- en thuislozenopvang, voorschrift inhoud beheerplan, handhavingsverzoek, connexiteit
¶ Rechtbank Noord-Nederland 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4574: Awb, Ow; vovo, handhaving, afwijzing verzoek, specifieke zorgplicht, gewasbeschermingsmiddelen, begrip onmiskenbaar, parlementaire geschiedenis Ow/Bal, overtreding, frequentie, spuitsnelheid, onderzoeksgebrek, belangenafweging
¶ ABRvS 22 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6238: Awb, Ow; vovo, wijzigingsbesluit, TAM-omgevingsplan, bouw 1 woning en bijgebouwen, recht van overpad, privaatrechtelijke belemmering, omgevingsvisie, welstand, aanwezigheid gresbuis
* Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7488 en Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7489: Awb, BW; kortgeding, onrechtmatige regelgeving, collectieve actie, ontvankelijkheid, omgevingsverordening, stikstof reducerende maatregelen, aanpassen verouderde huisvestingsystemen, rechtszekerheidsbeginsel, Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, landelijke randvoorwaarden stikstofbeleid, veroordeling tot onthouden handhavingsmaatregelen
* HvJ EU 22 oktober 2026, ECLI:EU:C:2026:889: VWEU; Richtlijn 92/43/EEG, prejudiciële verwijzing, instandhouding natuurlijke habitats en wilde flora en fauna, speciale beschermingszones, artikel 6, lid 3, passende beoordeling mogelijke gevolgen plan of project, instandhoudingsdoelstellingen gebied, uitsluiting bepaalde categorieën activiteiten, plannen of projecten verplichting passende beoordeling
¶ Rechtbank Den Haag 21 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30947: Awb, Ow; vovo, handhaving, lasten onder dwangsom, illegale bouwwerken, overkapping, bouwoppervlakte, overtredingen, kwalificatie bouwwerk, wijziging grondslag, formulering, legalisatiemogelijkheden, vertrouwensbeginsel, gelijkheidsbeginsel
¶ Rechtbank Overijssel 21 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6343: Awb, Ow; vovo, bopa, tijdelijke omgevingsvergunning, flexwoningen, beroep vereniging, belanghebbendheid, bescherming Natura 2000-gebied, statuten
* Rechtbank Noord-Nederland 21 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4512: Awb, Wnb; faunaschade, afwijzing tegemoetkoming in schade, toepasselijke beleid overwinterende grauwe ganzen, onvoldoende maatregelen, inspanningsverplichting schadebeperking, beleidsregels, ondersteunend afschot
¶ Rechtbank Overijssel 20 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6278: Awb, Ow; handhaving, overkapping, kappen 5 eiken, herplantplicht, dwangsom, evenredigheid, begunstigingstermijn
¶ Rechtbank Noord-Holland 20 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14541: Awb, Ow; omgevingsvergunning, spoorwegemplacement, procesbelang, einduitspraak na tussenuitspraak
# Rechtbank Gelderland 16 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7979: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, uitbreiding sierteelt, goede ruimtelijke ordening, woon- en leefklimaat, spuitzone, ontbreken locatiespecifiek onderzoek, afstand, halvering norm, wetenschappelijke onderbouwing, neer-, op- en zijwaartse bespuitingen, basis norm, driftbeperking, windhaag, PRI-rapport 2015, Activiteitenbesluit , DTR-lijst, gezondheid
* Rechtbank Overijssel 19 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6244: Awb, Wabo; handhaving, afwijzing verzoek, dempen sloten/greppels, plaatsen duikers, ophogen/egaliseren gronden, wateroverlast, aantasting landschap, belanghebbendheid, feitelijke gevolgen, schouw, beoordelingsperiode, onvoldoende onderzoek
* Rechtbank Gelderland 16 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7998: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, verplaatsen ooievaarspaal, tennisvereniging, geen aangrenzende percelen, geen gevolgen, belanghebbendheid
* Rechtbank Gelderland 16 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7997: Awb, Wnb; handhaving, legalisering, verplaatsen ooievaarspaal, tennisvereniging, geen aangrenzende percelen, geen gevolgen, belanghebbendheid
* Rechtbank Gelderland 16 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7996 en Rechtbank Gelderland 16 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7999: Awb, Wabo; handhaving, legalisering, verplaatsen ooievaarspaal, tennisvereniging, geen aangrenzende percelen, afstand, geen gevolgen, vliegen, foerageren en klepperen, belanghebbendheid
¶ Rechtbank Limburg 15 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:11117: Awb, Ow; omgevingsvergunning, werkzaamheden, hydrologisch herstel, gevolgen naastgelegen landbouwgronden, bestemming natuur, beoordelingsregels
¶ Rechtbank Noord-Holland 14 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14349: Awb, Ow; omgevingsvergunning, vergroten verbouwen woning, maximale hoogte, etfal, welstand, advies, privacy, uitzicht
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9952: Awb, Wabo; weigering omgevingsvergunning, 8 woningen, gefaseerd bouwen, bestaande ruimtelijke structuur, gewijzigd bouwplan, alternatief plan, goede ruimtelijke ordening
Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9958: Awb, CITES-verordening; vovo, handhaving, doornstaartagamen, herkomst, bewijslast, belangenafweging, stress bij dieren
* Rechtbank Gelderland 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7863: Awb, Wro; planschade, herhaald verzoek, geen nieuwe feiten, inflatie, peildatum, weigering mediation
¶ Rechtbank Gelderland 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7862: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, horeca-activiteiten, uitleg planregels, afhaalactiviteiten, zalenverhuur, gebruiksvergunning, geen impliciete vrijstelling, strijd met bpl
¶ Rechtbank Gelderland 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7859: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, ontbreken omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteit, boomkwekerij, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, stikstofdepositie, overgangsrecht, 18 december-uitspraak, Habitatrichtlijn, Unierecht, beoordelingsruimte nationale staten
¶ Rechtbank Midden-Nederland 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6867 en Rechtbank Midden-Nederland 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:6868: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, plaatsen bouwkeet en 10 containers op openbare parkeerplaatsen, aantasting woongenot
¶ Rechtbank Den Haag 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30658: Awb, Ow; omgevingsvergunning, herinrichting wijk, bestemming groen, speeltuin, geen regeling inzake speeltoestellen of toegangspad, beoordeling locatiekeuze niet mogelijk
¶ Rechtbank Rotterdam 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:14474: Awb, Ow; vovo, handhaving, reparatie/onderhoud civiele schepen, werkzaamheden op kade, ontbreken bebouwing, strijd met vergunning, overtreding
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 9 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9757: Awb, Wbr; maatwerkvoorschriften, plaatsen visfuiken/visnetten, vissen in voorhavens sluizen, herstelbesluit, evenwichtigheid, geen herstel gebrek, einduitspraak na tussenuitspraak
* Rechtbank Noord-Holland 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14244: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, aanleggen/hebben uitweg, railinzetplaats, geen bezwaar, ontvankelijkheid
¶ Rechtbank Limburg 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10816: Awb, Ow; faunaschade, afwijzing aanvraag, grauwe ganzen, perceel wintergerst, schadebeperking/voorkoming, begrip adequaat gebruik, beleid, rapportage jachtmomenten, ex nunc toetsing, evenredigheid
* Rechtbank Limburg 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10711: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, 2 appartementen. Bor, vergroting oppervlakte/bouwvolume, toepassing kruimelgevallenregeling
* Rechtbank Noord-Holland 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14245: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, aanleggen/hebben uitweg, reailinzetplaats, verkeersveiligheid, zicht, uitleg regels verordening
* Rechtbank Zeeland-West-Brabant 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:9923: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, herontwikkeling voormalige bakkerij, 7 appartementen, vaststellen peil, bouwhoogte, uitleg planregels, motiveringsgebrek
* Rechtbank Limburg 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:10442: Awb, Wabo; handhaving, lasten onder dwangsom, bouwen, gebruik gronden, houden van 34 of 58 dieren, strijd met woonbestemming, overtredingen, bijzondere omstandigheden, herstelmaatregelen
¶ Rechtbank Oost-Brabant 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7020: Awb, Ow; omgevingsvergunning, opzettelijk beschadigen/vernielen voortplantings- of rustplaatsen steenmarter, asielzoekerscentrum, ontvankelijkheid, feitelijke werkzaamheden
¶ Rechtbank Oost-Brabant 1 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7021: Awb, Ow; tijdelijke omgevingsvergunning, bopa, asielzoekerscentrum, verwijzing naar zienswijzenota, ontbreken beroepsgronden
¶ Rechtbank Oost-Brabant 22 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6807: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, opzettelijk beschadigen/vernielen voortplantings- of rustplaatsen steenmarter, aantasting leefgebied, procesbelang, stand van zaken werkzaamheden, materiële connexiteit
¶ Rechtbank Oost-Brabant 22 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6805: Awb, Ow; vovo, tijdelijke omgevingsvergunning, bopa, tijdelijk asielzoekerscentrum, leefgebied steenmarter, compensatiegebied steenmarter al gerealiseerd, procesbelang, belangenafweging, materiële connexiteit
¶ Rechtbank Noord-Holland 18 september 2026, ECLI:NL:RBNHO:2026:14500: Awb, Ow; vovo, omgevingsvergunning, transformatie voormalig schoolgebouw, woongebouw voor 12 jongeren woningen, parkeren, bouwverkeer, reikwijdte vergunning, stikstof, Bbl, vervoersbewegingen van/naar bouwplaats
* Rechtbank Gelderland 2 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6793: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, wijzigen pluimveehouderij, belanghebbendheid, strijd met bpl, Natura 2000-gebied, vvgb gs, geen, aanhaakverplichting. MER-beoordeling
¶ Rechtbank Gelderland 2 september 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6792: Awb, Ow; omgevingsvergunning, bopa, mestvergistingsinstallatie, melkrundveehouderij, belanghebbendheid stichting, feitelijke werkzaamheden
* Rechtbank Limburg 1 september 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:9785: Awb, Wro; planschade, bouw woning, normaal maatschappelijk risico, gemeentelijk beleid, structuurvisie, 5%
¶ Rechtbank Gelderland 29 juli 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:6142: Awb, Ow; handhaving, dwangsom, aanleg geluidwal, storten 670.000 ton LD-staalslakken, verzoek rechtstreeks beroep, geen bijzonder geval, terugzending naar college,
¶ Rechtbank Oost-Brabant 18 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4344: Awb, Ow; omgevingsvergunning, bopa, 4 tijdelijke woonunits, arbeidsmigranten, shortstay/midstay, situatietekening, etfal, motiveringsgebrek bouwbepalingen, afstanden tot aan bebouwing, omgevingsverordening, begrip wonen, borging tijdelijkheid, fysieke versterking omgevingskwaliteit, gemeentelijk beleid, bouwperceel, vereiste functionele verbondenheid bedrijfsbebouwing, waterhuishouding, wadi, uitvoerbaarheidstoets, landschappelijke inpassing
¶ = uitspraak waarop de Omgevingswet materieel van toepassing is (dus niet de uitspraken die vallen onder het overgangsrecht)
# = betrokkenheid STAB
! = (nog) niet gepubliceerd
Bijzondere overwegingen
# ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6356: Awb, Wabo, Wm; handhaving, biovergistingsinstallatie, geldigheid vergunningvoorschriften, ambtshalve toetsing, wijziging Abm, overgangsrecht, geuronderzoek, vergunningvoorschriften, vertrouwensbeginsel, aankondiging gesprek met wethouder (Rb Noord-Nederland 19/674)
3. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de geldigheid van de vergunningvoorschriften heeft getoetst waarop de lasten onder dwangsom zijn gebaseerd. Het voert aan dat DDE en anderen dit in beroep niet hebben aangevoerd. De rechtbank heeft de geldigheid van de vergunningvoorschriften ten onrechte beoordeeld naar aanleiding van een opmerking van de door de rechtbank ingeschakelde Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB).
Volgens het college waren de besluiten waarmee de vergunningvoorschriften aan de omgevingsvergunning zijn verbonden bovendien onherroepelijk. Dat betekent dat de rechtbank uit had moeten gaan van de geldigheid daarvan. Alleen als de vergunningvoorschriften evident onrechtmatig waren, had de rechtbank deze voorschriften kunnen toetsen aan het overgangsrecht uit het Abm.
3.1. De Afdeling overweegt dat de vraag of de geldende regels het college de bevoegdheid geven om handhavend op te treden een vraag is die de rechtbank ambtshalve behoort te toetsen. Dat niet DDE en anderen, maar de STAB die vraag heeft opgeworpen, is daarom niet van belang.
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6349: Awb, Wabo, Wm; handhaving, afwijzing verzoek, rookoverlast, houtkachels, nader onderzoek, Bouwbesluit, deugdelijkheid controles, cumulatieve hinder, toepassing STAB Kennisdocument 2019 Gezondheids- en hindereffecten door houtkachels van particulieren, schending hoorplicht (Rb Den Haag 23/2441)
13.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1] zo dat hij vindt dat niet de juiste conclusies zijn getrokken uit de uitgevoerde controles bij het toepassen van het kennisdocument. Als een juiste toepassing aan het kennisdocument was gegeven dan zou de conclusie volgens [appellant sub 1] zijn dat het college, in aanvulling op de controlerapporten, een nader onderzoek naar de hinder moest verrichten. De Afdeling overweegt hierover het volgende.
13.2. In het besluit van 6 maart 2023 staat dat de toezichthoudende ambtenaren bij de controles die zijn uitgevoerd in de periode van 29 maart 2020 tot en met 1 maart 2023 het kennisdocument van de STAB hebben geraadpleegd.
In het kennisdocument van de STAB is een stappenplan opgenomen dat volgens dit kennisdocument door gemeentelijke controleurs gebruikt kan worden bij het optreden van hindersituaties aan de hand van klachten. In het kennisdocument is beschreven dat de methode bestaat uit een checklist met vragen waaruit moet blijken of er bij de houtstook, gezien vanaf de straat, of in voorkomende gevallen bij binnentreden, signalen zijn dat er sprake is van een objectiveerbare hindersituatie en of er sprake is van een bijzondere situatie waardoor verspreiding belemmerd wordt.
Het stappenplan bestaat uit de volgende stappen:
Stap 1: is er een klacht?
Stap 2: is de rookgasafvoer in strijd met regels uit het Bouwbesluit?
Stap 3: is er sprake van verspreiding van de rookgassen (op enig moment) naar de woningen van derden?
Stap 4: levert de plaatselijke situatie een belemmerde verspreiding op?
Stap 5: wordt gestookt terwijl negatief advies van stookwijzer.nl geldt?
Stap 6: zijn de rookgassen wit, grijs of zwart, is er sprake van geur? Temperatuur voldoende hoog?
Stap 7: wordt er vochtig of bewerkt hout en/of afval als brandstof gebruikt?
Stap 8: schat in of er sprake is van zeer goede tot slechte verbranding en bepaal emissiewaarde.
Stap 9: schat in hoe lang en hoe vaak er gestookt wordt.
Stap 10: bepaal of er aanvullend een kwantitatieve methode moet worden toegepast. De kwantitatieve methode komt alleen aan de orde als de vragen in de stappen 3, 5 en 6 positief worden beantwoord.
13.3. Zoals volgt uit wat hiervoor onder 11.4 is overwogen, mocht het college op de bevindingen van de toezichthouders afgaan.
Uit de controlerapporten van de toezichthouders blijkt dat de rookgassen zich tijdens de controles op de momenten dat een houtkachel in werking was, niet hebben verspreid in de richting van de woning van [appellant sub 1], zoals bedoeld in stap 3. Ook is uit de controles niet gebleken dat wordt gestookt op de momenten dat een negatief stookadvies aan de orde is, zoals opgenomen in stap 5. De enkele stelling van [appellant sub 1] dat enige tijd sprake is geweest van afwijkend stookgedrag en dat het op 1 maart 2023, toen een controle plaatsvond en er werd gestookt, windstil was of nauwelijks waaide, zijn niet voldoende voor een andere conclusie.
In het kennisdocument is over stap 6 toegelicht dat aan de hand van de kleur van de rookgassen een inschatting kan worden gemaakt van de volledigheid van de verbranding. Transparante rookgassen zijn een indicatie dat sprake is van zeer goede of goede verbranding. Daarbij moet ook worden geconstateerd of de rookgassen geurend zijn of reukloos. Volgens de controlerapporten is alleen tijdens het opstoken van de houtkachel, gedurende een korte periode, grijze of zwarte rook te zien geweest en verder alleen lichte witte rook of geen rook. Dat betekent volgens de toezichthouders in de controlerapporten dat de kachels goed functioneren. Daarnaast is er volgens de controlerapporten alleen sprake geweest van een lichte rookgeur.
Het voorgaande betekent dat uit de bevindingen van de toezichthouders volgt dat niet is toegekomen aan de kwantitatieve methode in stap 10 van het kennisdocument van de STAB. Het college heeft daarom geen aanleiding hoeven zien voor nader onderzoek naar de gevolgen van het gebruik van de afzonderlijke kachels, zoals bedoeld in het kennisdocument.
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6326: Awb, Wegenwet; handhaving, Apv, afwijzing verzoek, hekken, bos, afsluiting paden, openbaarheid, begrip weg, openbaar verkeer (Rb Gelderland 22/475)
5. Ingevolge artikel 1, eerste en tweede lid, van de Wegenwet is deze wet uitsluitend van toepassing op openbare wegen en wordt onder wegen mede verstaan voetpaden, rijwielpaden, jaagpaden, dreven, molenwegen, kerkwegen en andere verkeerspaden voor beperkt gebruik en bruggen.
Gelet op de tekst van het tweede lid van dit artikel, kunnen ook bospaden onder het begrip ‘weg’ vallen. Om te bepalen of de bospaden wegen zijn in de zin van de Wegenwet, moet volgens vaste rechtspraak worden bezien of het gaat om verkeersbanen die een functie vervullen voor de afwikkeling van het openbaar verkeer en die ‘derhalve naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen’ (zie de uitspraak van 30 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3597, onder 4 en 4.1.). Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. Ook speelt bij het beantwoorden van die vraag geen rol of er een ander recht, zoals een erfdienstbaarheid of recht van overpad, op de weg rust (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1652).
De paden in het Nonnenbos zijn weergegeven op de kaart in het controlerapport dat de toezichthouder heeft opgesteld. Daarop is te zien dat de paden een verbinding vormen door het bos heen. De paden verbinden de openbare weg met kenmerkende plaatsen, zoals de Nieuwe Beek en de grafheuvels. Ook vormen de paden een verbinding tussen de Elburgerweg en de Elspeterweg. Niet in geschil is dat vóór de afsluiting door [partij] wandelaars en fietsers die paden gebruikten. Daarbij heeft ’t Vrije Bos onderbouwd dat de paden staan beschreven als wandelroute en de grafheuvels als bezienswaardigheid en dat de paden ook hebben gediend als route voor de avondvierdaagse. Ook is ter zitting verklaard dat er onder professionele leiding sportbegeleiding plaatsvond in het Nonnenbos en dat hondenbezitters elkaar geregeld zagen. Hieruit volgt dat de paden werden gebruikt door zowel buurtbewoners als voetgangers en fietsers. De paden waren voor de fysieke afsluiting vrij toegankelijk en ook opgenomen in toeristische wandelroutes. De functie van deze paden is daarom het afwikkelen van onder meer recreatief voetgangersverkeer van een grote, onbepaalde publieksgroep. Daarom concludeert de Afdeling, anders dan de rechtbank, dat deze paden wegen zijn in de zin van de Wegenwet (vergelijk de uitspraak 25 februari 2026 ECLI:NL:RVS:2026:1077 onder 4.1.).
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6340, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6344, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6341, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6350 en ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6351: Awb, Wro; planschade, inpassingsplan, bouw 90 windturbines, sanering 98 bestaande windturbines, waardevermindering woning, reële prognose geluidbelasting, planvergelijking, type windturbine, maximaal vermogen, geluid op peildatum, laagfrequent geluid, waardebepaling, relevantie TNO-rapport waardedaling huizenprijzen, ontbreken geschikte vergelijkingsobjecten, nmr, gevoerde ruimtelijke beleid, beoordeling ruimtelijke structuur, betrekken mogelijkheden voor windturbines voor peildatum, ontbreken onderzoek (Rb Midden-Nederland 23/5693, 23/3507, 23/2355, 23/2970, 23/5003, 23/5750, 24/1170 en 24/1172)
14.4. Bij het beoordelen van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade moet een vergelijking worden gemaakt tussen de opvolgende planologische regimes, waarbij wordt uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden vóór en na de desbetreffende peildatum. Het doel van het TNO-rapport is om inzicht te krijgen in de ruimtelijke verdeling van de verwachte relatieve woningwaardedaling als gevolg van windturbines op land. Het rapport beschrijft daartoe in algemene zin de effecten op de waardeontwikkeling van onroerende zaken als gevolg van de komst van windturbines in de omgeving van deze zaken, gerelateerd aan afstand en hoogte van windturbines. Het TNO-rapport bouwt voort op een studie die door Dröes en Koster in 2019 is gemaakt. In het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport staan geen specifieke conclusies voor de locatie Boslaan zoals in deze zaak aan de orde. Omdat de gegevens die in die rapporten staan niet zijn toegesneden op een planschadevergelijking en op de specifieke kenmerken van het perceel van [appellant] en het windpark Groen, zijn ze niet bruikbaar voor het beoordelen van de aanvraag van [appellant]. Het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport kunnen daarom naar het oordeel van de Afdeling niet afdoen aan het advies van Gloudemans. Dit betekent niet dat aan het rapport van Dröes en Koster en het TNO-rapport geen enkele waarde kan toekomen bij taxaties. Het is echter aan de taxateur om in een individuele zaak te bepalen welk belang toekomt aan die rapporten, als een zienswijze op het concept van het rapport daartoe aanleiding geeft. Gloudemans heeft op de zitting toegelicht dat zij meer waarde hecht aan het rapport van Dröes en Koster dan aan het TNO-rapport, omdat gegevens uit het TNO-rapport zijn geëxtrapoleerd uit het rapport van Dröes en Koster. Gloudemans heeft toegelicht dat zij het rapport van Dröes en Koster beschouwt als een bron ter controle van zijn eigen bevindingen. De door haar vastgestelde waardedaling van de woning valt overigens binnen de bandbreedte die in het rapport van Dröes en Koster is gegeven. In zoverre slaagt het betoog niet.
15.8. Gloudemans heeft in haar advies geconcludeerd dat windturbines als deels passend binnen de ruimtelijke structuur van het polderlandschap dienen te worden aangemerkt. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen windturbines aanwezig, maar op korte afstand is wel een kleinschalige windturbine aanwezig op een agrarisch erf. Andere windturbines van enige omvang zijn aanwezig ten zuiden van de N307 en de spoorbaan (ruim 6 km ten zuiden van Ketelhaven). In het gebied waren geen windturbines aanwezig, aldus Gloudemans.
15.9. Gloudemans heeft in haar advies een weergave gegeven van de feitelijke aanwezigheid van windturbines in de omgeving. Zoals vermeld in rechtsoverweging 15.4 van deze uitspraak, komt aan de feitelijke inrichting van het plangebied of de directe omgeving daarvan in beginsel geen betekenis toe. Gloudemans had conform rechtsoverweging 15.4 moeten onderzoeken of vóór de peildatum in de directe omgeving van het plangebied op grond van het planologisch regime, geldend vóór de peildatum, windturbines waren toegestaan. Dat heeft Gloudemans, en daarmee ook de minister, niet gedaan. Ook in een later stadium in deze procedure is niet gebleken of vóór de peildatum in de directe omgeving van het plangebied op grond van het planologisch regime windturbines waren toegestaan.
* ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6348, ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6347 en ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6342: Awb, Wro; planschade, inpassingsplan, bouw 90 windturbines, sanering 98 bestaande windturbines, waardevermindering woning, lichthinder, gezondheid, reële prognose geluidbelasting, planvergelijking, type windturbine, maximaal vermogen, geluid op peildatum, laagfrequent geluid, waardebepaling, relevantie TNO-rapport waardedaling huizenprijzen, ontbreken geschikte vergelijkingsobjecten, nmr, gevoerde ruimtelijke beleid, beoordeling ruimtelijke structuur, betrekken mogelijkheden voor windturbines voor peildatum, ontbreken onderzoek (Rb 23/2752, 23/2750 en 23/2745)
12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de eerder genoemde uitspraak van 6 augustus 2025, rechtsoverweging 153), is het van belang dat de deskundige zich in zijn advies rekenschap geeft van de verschillende factoren die hij bij zijn beoordeling heeft betrokken, zodat kan worden nagegaan of er geen factoren zijn die hij ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Het begroten van planologisch nadeel is echter geen exacte wetenschap. Net als bij het taxeren van onroerende zaken, spelen ook bij de begroting van planschade kennis, ervaring en intuïtie van de deskundige een rol. Van een deskundige kan daarom niet worden verlangd dat hij elke schadefactor op geld waardeert en de bedragen die de verschillende factoren zouden vertegenwoordigen bij elkaar optelt of van elkaar aftrekt.
12.2. Gloudemans heeft in haar advies geconcludeerd dat niet valt uit te sluiten dat de obstakelverlichting van de windturbines in – dan wel rondom – de woning waarneembaar is. Gloudemans heeft in haar advies – en op de zitting bij de Afdeling – toegelicht waarom zij heeft volstaan met deze globale formulering. Zij heeft toegelicht dat hoewel het begroten van planologisch nadeel geen exacte wetenschap is en dat het omschrijven van de mate van lichthinder ingewikkeld is, zij de schadefactor lichthinder wel degelijk bij de planologische vergelijking heeft betrokken.
12.3. De Afdeling is van oordeel dat bij het ontbreken van algemeen aanvaarde en objectiveerbare inzichten over de mate van hinder die door deze vorm van lichthinder wordt ondervonden, de minister in navolging van Gloudemans heeft kunnen afzien van een kwalificatie van dit nadeel. Gloudemans heeft zich met haar advies voldoende rekenschap gegeven van de schadefactor lichthinder. Hetzelfde geldt voor de effecten die windturbines kunnen hebben op de gezondheid van omwonenden. Ook ten aanzien van deze mogelijke effecten heeft de minister in navolging van het advies van Gloudemans zich voldoende rekenschap gegeven. Gloudemans heeft in haar advies opgemerkt dat er binnen de wetenschap geen eenduidig standpunt is over de effecten van windturbines op de gezondheid, maar dat uit een rapport van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM 2020-0214 “Gezondheidseffecten van windturbinegeluid”), blijkt dat er een verband is tussen geluidniveaus van windturbines en ervaren hinder. Gloudemans heeft erkend dat het ritmisch geluid van windturbines door omwonenden als hinderlijk wordt ervaren en dat laagfrequent geluid eveneens storend kan zijn en effect heeft op het inslapen en de slaap zelf. Deze effecten zijn echter niet in algemeen aanvaarde en objectiveerbare inzichten uit te drukken. Gloudemans heeft de mogelijke effecten echter wel bij de bepaling van het planologisch nadeel en de waarde van de woning betrokken. In wat [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd over de lichthinder en de effecten van windturbines op de gezondheid van omwonenden, ziet de Afdeling, in navolging van de rechtbank, daarom geen aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van het advies van Gloudemans. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, volgens haar vaste rechtspraak zoals die hiervoor onder 12.1 is weergegeven, van Gloudemans niet kan worden verlangd dat zij elke schadefactor op geld waardeert en de bedragen die de verschillende factoren zouden vertegenwoordigen bij elkaar optelt of van elkaar aftrekt.
*/¶ ABRvS 28 oktober 2026, ECLI:NL:RVS:2026:6357: Awb, Ow; omgevingsvergunning, inrichting, bedrijfsbebouwing, gebruik kantoor, toepasselijkheid afdeling 3.5 Awb bij vergunning, ontbreken coördinatiebesluit, bevoegdheid Afdeling, toepasselijk recht nieuw coördinatiebesluit, voortzetting behandeling inzake wijzigingsbesluit/TAM-omgevingsplan
5.2. Met partijen is de Afdeling van oordeel dat uit de wettekst van artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) volgt dat een coördinatiebesluit in de zin van dit onderdeel moet zijn genomen door alle tot het nemen van de besluiten bevoegde bestuursorganen om afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) op die besluiten van toepassing te laten zijn. Dat betekent dat in dit geval het coördinatiebesluit had moeten zijn genomen door de raad en door het college. Omdat het coördinatiebesluit niet ook is genomen door het college maar alleen door de raad, is afdeling 3.5 van de Awb (nieuw), inclusief artikel 3:29, tweede lid, van de Awb (nieuw), niet van toepassing. De Afdeling is daarom niet bevoegd om van het beroep van de Exploitatiemaatschappij en anderen voor zover dat is gericht tegen de omgevingsvergunning van 7 juli 2026, kennis te nemen.
6. Op 6 oktober 2026 heeft het college ter bekrachtiging van het besluit van de raad van 12 december 2024 alsnog een coördinatiebesluit op grond van artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) genomen ten behoeve van de voorbereiding en bekendmaking van een wijziging van het omgevingsplan en de aanvragen voor een omgevingsvergunning voor milieu en bouwen en voor een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit voor de bedrijfspercelen.
Dit besluit van 6 oktober 2026 maakt het oordeel onder 5.2 niet anders. Dat is allereerst zo, omdat dit besluit pas is genomen en in werking is getreden, nadat het wijzigingsbesluit en de omgevingsvergunning al waren voorbereid, het wijzigingsbesluit is vastgesteld en de omgevingsvergunning is verleend en beide besluiten op 10 juli 2026 bekend waren gemaakt. Ook de beroepstermijn tegen deze besluiten was inmiddels verstreken. Het doel en de strekking van afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) is de doelmatige gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten. Dit volgt onder meer uit de artikelen 3:22, 3:23, 3:25 en 3:26 van de Awb (nieuw). Ook de bezwaar- en de administratief beroepsprocedures en de (hoger-)beroepsprocedures vinden gecoördineerd plaats. Dit volgt uit de artikelen 3:27, 3:28 en 3:29 van de Awb (nieuw). Dit brengt mee dat het zowel voor de aanvrager als voor de bevoegde bestuursorganen duidelijk moet zijn welke besluiten onder de coördinatie van afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) vallen. De Afdeling wijst in dit verband ook op de memorie van toelichting, Kamerstukken II, 2018-2019, 35 256, nr. 3, p. 36. Dit betekent dat een coördinatiebesluit als is bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw), voorafgaand aan de te coördineren besluiten moet zijn genomen. De Afdeling wijst verder naar analogie op de uitspraken van de Afdeling van 2 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5146, onder 3 en van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 20 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:698, onder 6.1, en van 7 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7306, onder 2.11.
Bovendien is de Afdeling met het college – exceptief toetsend – van oordeel dat het college niet bevoegd was tot het nemen van een coördinatiebesluit waarmee de aangevraagde omgevingsvergunning op grond van de Wabo gecoördineerd met een wijziging van het omgevingsplan kon worden voorbereid en bekendgemaakt. Op de aangevraagde omgevingsvergunning is het recht van toepassing zoals dat gold vóór 1 januari 2024. Daarnaast volgt uit artikel 5.1 van de Wet van 3 maart 2021 dat de artikelen van afdeling 3.5 van de Awb (nieuw) niet van toepassing zijn op besluiten die zijn aangevraagd voor 1 januari 2024. De omgevingsvergunning is aangevraagd op 12 maart 2020. Dat betekent dat geen coördinatiebesluit als bedoeld in artikel 3:20, aanhef en onder b, van de Awb (nieuw) kon worden genomen met betrekking tot het coördineren van deze omgevingsvergunning.
¶ Rechtbank Noord-Nederland 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:4574: Awb, Ow; vovo, handhaving, afwijzing verzoek, specifieke zorgplicht, gewasbeschermingsmiddelen, begrip onmiskenbaar, parlementaire geschiedenis Ow/Bal, overtreding, frequentie, spuitsnelheid, onderzoeksgebrek, belangenafweging
10. Verzoekster stelt (samengevat) dat het enkele gebruik van bestrijdingsmiddelen al een overtreding van de specifieke zorgplicht oplevert, ook indien wordt voldaan aan de algemene regels van paragraaf 4.64 van het Bal. Volgens verzoekster is de bestaande regelgeving met betrekking tot het gebruik van bestrijdingsmiddelen ontoereikend. Zij stelt verder dat de specifieke zorgplicht ingevuld moet worden aan de hand van het voorzorgsbeginsel.
11.1. Artikel 2.11, eerste lid, van het Bal luidt als volgt:
“Degene die een milieubelastende activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in artikel 2.2, is verplicht:
1. a) alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
2. b) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
3. c) als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.(…)”
11.2. Uit de Nota van Toelichting bij het Bal volgt dat directe handhaving van de specifieke zorgplicht voor de hand ligt bij evidente overtredingen. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht onmiskenbaar in strijd is met de zorgplicht. Uit de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de Ow en van de Invoeringswet Omgevingswet volgt eveneens dat de specifieke zorgplichten alleen betrekking hebben op evidente situaties waarbij voor handhavend optreden sprake moet zijn van een onmiskenbaar in strijd handelen met de zorgplicht.
11.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat directe handhaving van het overtreden van de specifieke zorgplicht niet gerechtvaardigd is als diegene redelijkerwijs niet kon weten wat in het concrete geval een goede invulling is van de specifieke zorgplicht. Bij een evenwichtige toepassing van de specifieke zorgplicht hoort – met het oog op het rechtszekerheidsbeginsel – in ieder geval dat redelijkerwijs te voorzien moet zijn wat de specifieke zorgplicht in een concreet geval inhoudt. De voorzieningenrechter sluit hiermee aan bij de invulling die in de rechtspraak is gegeven aan de mogelijkheid tot handhaving van de zorgplicht uit het voor de inwerkingtreding van de Ow en het Bal geldende artikel 2.1 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
11.4. Met betrekking tot de invulling van het begrip ‘onmiskenbaar’ overweegt de voorzieningenrechter dat hierbij van belang is of de telers op grond van de op hen rustende specifieke zorgplicht, onmiskenbaar niet doen wat zij op grond van die zorgplicht wel behoren te doen. Alleen onder die omstandigheden is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van het onmiskenbaar overtreden van de specifieke zorgplicht. De voorzieningenrechter ziet, gelet op de parlementaire geschiedenis bij de totstandkoming van de (Invoeringswet) Ow en het Bal, geen aanknopingspunten om voor de uitleg van de specifieke zorgplicht aan te sluiten bij het voorzorgsbeginsel.
11.5 Het voorgaande betekent dat niet kan worden aangenomen dat elk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen reeds een overtreding van de specifieke zorgplicht inhoudt, omdat die activiteit gevolgen kan hebben voor de belangen bedoeld in artikel 2.2 van het Bal (voorzorgsbeginsel). Evenmin staat – anders dan verzoekster stelt – evident (wetenschappelijk) vast dat elke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen tot overtreding van de specifieke zorgplicht leidt, zodat een gebruiker redelijkerwijs moet vermoeden dat zich nadelige gevolgen voordoen. Pas als de feitelijke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op een perceel evident aanleiding geeft voor de conclusie dat de gebruiker redelijkerwijs kon weten dat negatieve gevolgen aan de orde zijn, kan worden gehandhaafd op basis van de specifieke zorgplicht. Het betoog van verzoekster slaagt niet.
12.3. De voorzieningenrechter is – met verzoekster – van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een overtreding van artikel 2.11 van het Bal. De voorzieningenrechter overweegt dat het college met het bestreden besluit en de onderliggende gedingstukken niet inzichtelijk heeft gemaakt in welke mate en met welke frequentie de telers op de genoemde percelen gewasbeschermingsmiddelen spuiten, met welke spuitsnelheid wordt gespoten en met welke combinatie van gewasbeschermingsmiddelen per perceel is gespoten. Ook is niet onderzocht wat de afstand van die percelen tot de dichtstbij gelegen kwetsbare objecten is. Daarnaast is door het college niet inzichtelijk gemaakt of en wat het effect is van de cumulatie van gewasbeschermingsmiddelen van dicht bij elkaar gelegen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt bij (sier)teelt in de open lucht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het college deze gegevens in de eerste plaats bij de telers kunnen opvragen. Weliswaar heeft de gemachtigde van het college ter zitting aangegeven dat toezichthouders de spuitmonitoringsgegevens van de telers hebben ingezien, maar de bevindingen van de toezichthouders zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter slechts gedeeltelijk inzichtelijk gemaakt. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat van de gestelde controle door gemeentelijke toezichthouders op 11 juni 2026 geen voor de voorzieningenrechter en andere partijen kenbare rapportage voorhanden is. Daarom zijn de bevindingen van de gemeentelijke toezichthouders tijdens die controle niet kenbaar en niet inzichtelijk gemaakt. Gelet hierop kan aan die (niet kenbare) bevindingen niet de waarde worden toegekend die het college eraan gehecht wenst te zien.
12.4. Door het nalaten van nader onderzoek, gericht op het feitelijk gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per genoemd perceel door de telers, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit geval niet kunnen vaststellen of er sprake is van een overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Het college heeft onvoldoende kennis vergaard om dat te kunnen beoordelen. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen.
* Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7488 en Rechtbank Oost-Brabant 22 oktober 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:7489: Awb, BW; kortgeding, onrechtmatige regelgeving, collectieve actie, ontvankelijkheid, omgevingsverordening, stikstof reducerende maatregelen, aanpassen verouderde huisvestingsystemen, rechtszekerheidsbeginsel, Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn, landelijke randvoorwaarden stikstofbeleid, veroordeling tot onthouden handhavingsmaatregelen
4.15. De Omgevingsverordening betreft wetgeving in materiële zin. Volgens vaste rechtspraak dient de rechter in kort geding bij een vordering om dergelijke wetgeving buiten toepassing te verklaren strikte terughoudendheid te betrachten. Voor toewijzing van die vordering is slechts plaats indien de wettelijke regeling onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met wetten in formele zin, een ieder verbindende bepalingen van verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties en/of algemene rechtsbeginselen. Van onmiskenbare onverbindendheid is sprake indien die onverbindendheid buiten redelijke twijfel staat; alleen dan is het verantwoord om in kort geding in te grijpen.
4.16. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de provincie op grond van de Omgevingswet een grote mate van vrijheid heeft bij de keuze welke (soort) maatregelen zij treft om de natuurhersteldoelen te halen. Wel wordt de keuzevrijheid van de provincie begrensd door het door SSC ingeroepen artikel 1 EP en door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waarop SSC zich eveneens beroept.
4.17. In dat kader stelt de voorzieningenrechter vast dat het op 26 juni 2026 door het kabinet gepresenteerde maatregelenpakket bestaat uit generieke maatregelen, maar ook uit een gebiedsgerichte inzet die ziet op het aanwijzen van zones rond kwetsbare, overbelaste Natura 2000-gebieden waar aanvullende maatregelen worden getroffen. Uit de plannen blijkt ook dat het kabinet voornemens is een groot deel van het beschikbare budget van € 20 miljard beschikbaar te stellen voor ondersteuning op het boerenerf. Het gaat bijvoorbeeld om vergoedingen voor het aanpassen van stallen, waarbij verschillende instrumenten worden verkend waaronder subsidies, fiscale instrumenten en instrumenten gericht op financiering. Ook voor bedrijven in de zones wordt een fors budget beschikbaar gesteld om hen te ondersteunen richting bijvoorbeeld een extensiever bedrijfsmodel dat past binnen de zone. Als innoveren, extensiveren, omschakelen of verplaatsen geen uitkomst biedt, is er volgens de gepresenteerde plannen ook ondersteuning voor het beëindigen van een bedrijf.
4.18. De keuze van de rijksoverheid voor het instellen van zoneringsgebieden rondom Natura 2000-gebieden, alsmede de aangekondigde substantiële financiële compensatie voor – onder meer – het aanpassen van stallen, maar ook voor bijvoorbeeld bedrijfsbeëindiging, heeft onmiskenbaar grote invloed op de keuze die veehouders met verouderde stallen op grond van artikel 3.98 Omgevingsverordening nu gedwongen zijn te maken.
Gelet op de inhoud van de gepresenteerde kabinetsplannen is niet uitgesloten dat onverkorte toepassing van artikel 3.98 Omgevingsverordening meebrengt – dit is door de provincie ook niet betwist – dat een veehouder nu (zonder financiële compensatie) investeert in nieuwe aangepaste stallen, terwijl over enige tijd blijkt dat die veehouder moet omschakelen of zijn bedrijf moet beëindigen, bijvoorbeeld omdat de veehouderij in een aangewezen zone is gelegen, waar het landbouwkundig grondgebruik veel extensiever zal moeten zijn dan nu is voorgeschreven.
Daarbij dient een veehouder nu de afweging te maken om zijn stallen al dan niet aan te passen, zonder duidelijkheid of hij daarvoor een financiële compensatie kan verkrijgen. Dit klemt temeer daar het kabinet substantiële financiële compensatie in het vooruitzicht heeft gesteld waarvan de voorwaarden nu nog niet bekend zijn.
4.19. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt mee dat rechtsnormen eenduidig moeten worden geformuleerd zodat een burger weet waar hij aan toe is en hij zijn handelen daarop kan afstemmen. Overheidsoptreden moet voorspelbaar zijn.
4.20. De provincie handelt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door nu onverkort uitvoering te willen (blijven) geven aan de Brabantse aanpak zoals neergelegd in de Omgevingsverordening. De minister heeft de Tweede Kamer bericht dat het kabinet in januari 2027 komt met instructieregels met voorschriften die gaan gelden in de zoneringsgebieden en dat er structureel geld vrij komt voor natuurbeheer (waaronder financiële compensatie voor veehouders). Deze binnenkort te verwachten informatie is van cruciaal belang voor de keuzes die veehouders nu moeten maken (zie r.o. 2.20 en 2.21).
4.24. Dat de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn, zoals geïmplementeerd in de Omgevingswet, de provincie dwingt om (vergaande) maatregelen te treffen om de beoogde natuurherstel doelen te behalen, ontslaat haar niet van de gebondenheid aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het rechtszekerheidsbeginsel.
4.25. De provincie heeft ervoor gekozen de randvoorwaarden; de zonering en de beschikbare (financiële) ondersteuning niet op voorhand bekend te maken maar de landelijke ontwikkelingen op dit punt af te wachten. Die ontwikkelingen, zo blijkt uit de brief van 11 september 2026 van de Minister van LVVN, zijn dat het kabinet:
– in oktober 2026 een wetsvoorstel zal indienen voor een spoedwet waarin de sectorale emissiereductiedoelen worden geborgd, met een ontwerpprogramma met maatregelen om de sectorale emissiereductiedoelen te halen en;
– in januari 2027 komt met instructieregels met voorschriften die gaan gelden in de zoneringsgebieden
– met betrekking tot de beschikbare ondersteuning dit najaar een overzicht heeft toegezegd.
4.26. Dit betekent dat naar verwachting eind januari 2027 meer duidelijkheid bestaat over de onder 4.25 bedoelde landelijke randvoorwaarden. Nu de provincie die randvoorwaarden op voorhand niet zelf heeft willen vaststellen, brengt het rechtszekerheidsbeginsel mee dat van de provincie mag worden verlangd nu een pas op de plaats te maken en de komende maanden (tot en met januari 2027) in samenspraak met het rijk te komen tot duidelijkheid met betrekking tot de zonering en de financiële ondersteuning. Alsdan kunnen veehouders met verouderde stallen op dat moment op basis van die informatie een weloverwogen keuze maken. De voorzieningenrechter zal de primaire vordering op die grond toewijzen zoals hierna geformuleerd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de ordemaatregel te beperken tot een verbod op het treffen van handhavingsmaatregelen, omdat, gelet op de urgentie, voorkomen moet worden dat onnodig tijd verloren gaat om verslechtering of dreigende verslechtering voor een groot aantal stikstofgevoelige habitats tegen te gaan. Daartoe heeft de overheid zich verplicht en zij zou onrechtmatig handelen wanneer ontoereikende maatregelen zouden worden genomen.
* HvJ EU 22 oktober 2026, ECLI:EU:C:2026:889: VWEU; Richtlijn 92/43/EEG, prejudiciële verwijzing, instandhouding natuurlijke habitats en wilde flora en fauna, speciale beschermingszones, artikel 6, lid 3, passende beoordeling mogelijke gevolgen plan of project, instandhoudingsdoelstellingen gebied, uitsluiting bepaalde categorieën activiteiten, plannen of projecten verplichting passende beoordeling
44 (…)
Het Hof (Vierde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 6, lid 3, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die, op basis van vooraf vastgestelde criteria en drempelwaarden, bepaalde categorieën plannen of projecten vrijstelt van de verplichting om een passende beoordeling uit te voeren, wanneer op grond van die criteria en drempelwaarden niet met zekerheid en op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat die plannen of projecten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten, significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone.
# Rechtbank Gelderland 16 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7979: Awb, Wabo; omgevingsvergunning, uitbreiding sierteelt, goede ruimtelijke ordening, woon- en leefklimaat, spuitzone, ontbreken locatiespecifiek onderzoek, afstand, halvering norm, wetenschappelijke onderbouwing, neer-, op- en zijwaartse bespuitingen, basis norm, driftbeperking, windhaag, PRI-rapport 2015, Activiteitenbesluit , DTR-lijst, gezondheid
8. Adromi meent dat bij een halvering van de emissie, door een aanscherping van een driftreductie van 50% naar 75% in het Activiteitenbesluit milieubeheer ten opzichte van dezelfde referentiesituatie, ook de immissie ten minste wordt gehalveerd. Dit is een juridische redenering. Adromi heeft desgevraagd na het locatiebezoek van de STAB deze redenering nader onderbouwd met een wetenschappelijke publicatie. Uit deze publicatie volgt dat sprake is van een meer dan lineaire afname van druppeldrift als extra driftreductie wordt toegepast. Dat ondersteunt volgens Adromi de juridische stellingname dat de afstand minstens kan worden gehalveerd door de strenger geworden driftreductie.
8.1. De derde-partij geeft aan dat de STAB ten onrechte heeft geadviseerd dat een wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt. Dat is volgens de derde-partij een onjuiste maatstaf. De beoordeling van de STAB is te beperkt gebleven tot een literatuuronderzoek, terwijl een inhoudelijke vaktechnische waardering van de concrete locatiespecifieke omstandigheden volgens de derde-partij had moeten plaatsvinden. Verder meent de derde-partij dat uit het onderzoek waar Adromi naar heeft verwezen volgt dat extra driftreductie leidt tot een meer dan lineaire afname van de afstand.
8.2. Uit het STAB-advies volgt dat de halvering van de afstand van 50 meter naar 25 meter is gebaseerd op de halvering van de wettelijke norm. Volgens de STAB ontbreekt een wetenschappelijke onderbouwing voor de verlaging van de afstand. In het Adromi-rapport is ook uitgegaan van een lineair verband tussen een afname van het driftpercentage en de afstand. Volgens de STAB is geen wetenschappelijke onderbouwing bekend die een lineair verband tussen een afname van het driftpercentage en de afstand aannemelijk maakt. Adromi’s verwijzing naar het hierboven genoemde onderzoek heeft bij de STAB geen nieuwe inzichten opgeleverd die tot andere conclusies leiden. Dat onderzoek laat zien dat drift vooral beïnvloed wordt door wind, waarbij een grovere druppel en toevoegingen de drift kunnen verminderen. In het rapport waar Adromi naar verwijst is een fijnere spuitnevel onderzocht dan bij de bespuitingen van winterbes. Volgens de STAB wordt drift beperkt door bespuitingen uit te voeren bij weinig wind en een grove druppel.
8.3. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar het advies van de STAB, dat de eerste halvering van 50 meter naar 25 meter niet houdbaar is op basis van de juridische redenering van Adromi. De aanscherping van de driftreductie van 50% naar 75% betekent niet dat de afstand gehalveerd kan worden. De motivering bevat ook geen locatiespecifieke onderbouwing. Alleen daarom al is het locatiespecifieke onderzoek ondeugdelijk. In de opmerking van de derde-partij ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het locatiespecifiek onderzoek wel deugdelijk is. Het Adromi-rapport gaat voor de halvering van 50 meter naar 25 meter namelijk uit van een juridische benadering en niet van een locatiespecifieke benadering. De rechtbank benadrukt verder dat het de opdracht van de STAB was om het Adromi-rapport beoordelen. De STAB heeft van de rechtbank niet de opdracht gekregen om zelf een locatiespecifiek onderzoek uit te voeren.
9. Adromi geeft in het locatiespecifieke onderzoek aan dat de afstand nog eens gehalveerd kan worden, omdat sprake is van neerwaarts spuiten. De bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten wordt opwaarts en zijwaarts gespoten. Omdat de derde-partij alleen neerwaarts gaat spuiten, kan de afstand om die reden nogmaals gehalveerd worden tot 12,5 meter. In reactie op het advies van de STAB geeft Adromi aan dat de STAB ten onrechte ervan uitgaat dat er geen wetenschappelijke onderbouwing is waaruit volgt dat er minder drift plaatsvindt bij neerwaartse toepassing. In de “Nota gewasbescherming en ruimtelijke ordening” wordt uitsluitend ingegaan op op- en zijwaartse bespuitingen, omdat de neerwaartse bespuiting een niet relevante bijdrage aan driftblootstelling geeft. Ook uit andere publicaties volgt dat er bij neerwaartse toepassing een initiële, veel lagere drift(depositie) plaatsvindt dan bij de op- en zijwaartse toepassingen. Op korte afstand is er bij neerwaartse teelten sprake van aanzienlijk lagere driftblootstelling. Dit is procentueel meer dan de helft kleiner.
9.1. Uit het STAB-advies volgt dat het op zich juist is dat de 50 meter grens gebaseerd is op de boom- en fruitteelt. Bij deze teelten wordt opwaarts en zijwaarts gespoten. Het risico op drift is groter dan bij bespuitingen met een vlakkeveldspuit waarbij alleen naar beneden wordt gespoten. Volgens de STAB is de constatering wel juist, maar deze onderbouwing rechtvaardigt wetenschappelijk gezien niet de halvering van de afstand. Een onderzoek daarnaar in de praktijk en de publicatie van de resultaten daarvan zijn nog niet uitgebracht.
9.2. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar het advies van de STAB, dat de tweede halvering van 25 meter naar 12,5 meter op deze wijze niet kan. Adromi heeft het locatiespecifieke onderzoek niet gebaseerd op de wetenschappelijke publicatie waar zij naar verwijst in de reactie op het definitieve advies van de STAB. Op de zitting heeft de STAB toegelicht dat dit onderzoek ook niet tot andere inzichten heeft geleid. Bovendien is de verdere halvering van de afstand niet gebaseerd op een locatiespecifiek onderzoek, maar op basis van een algemene redenering. Het is niet duidelijk waarom in dit locatiespecifieke geval een verdere halvering van de afstand in dit concrete geval volgens Adromi mogelijk is.
¶ Rechtbank Gelderland 13 oktober 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:7859: Awb, Ow; afwijzing handhavingsverzoek, ontbreken omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en omgevingsvergunning Flora- en Fauna-activiteit, boomkwekerij, gebruik gewasbeschermingsmiddelen, stikstofdepositie, overgangsrecht, 18 december-uitspraak, Habitatrichtlijn, Unierecht, beoordelingsruimte nationale staten
7.8 De rechtbank oordeelt dat het college heeft kunnen besluiten dat de derde-partij de verbodsbepaling van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet niet heeft overtreden met het gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen op het perceel. Hiertoe acht de rechtbank het volgende van belang. Uit het door de derde-partij aangeleverde onderzoek blijkt dat de door de derde-partij gebruikte gewasbeschermingsmiddelen niet neerkomen of uitstromen naar Natura-2000 gebieden en daaropvolgend ook niet dat deze gewasbeschermingsmiddelen significante gevolgen hebben voor deze gebieden. Verder acht de rechtbank relevant dat eisers geen concrete aanwijzingen hebben aangedragen waaruit volgt dat de door derde-partij gebruikte gewasbeschermingsmiddelen significante effecten (kunnen) hebben op omliggende Natura 2000-gebieden. Eisers hebben alleen verwezen naar algemene onderzoeken over bestrijdingsmiddelen, maar niet concreet gemaakt dat de aangehaalde bestrijdingsmiddelen door de derde-partij worden gebruikt en daarboven op ook niet concreet gemaakt dat deze gebruikte bestrijdingsmiddelen op het perceel uitlogen of neerkomen in Natura 2000-gebieden. De verwijzing van eisers naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025 gaat daarom niet op. Zoals onder 7.7 overwogen hadden de betreffende eisende partijen in die procedure concrete en voldoende aanwijzingen naar voren gebracht. Zo hadden eisers in die procedure een concreet onderzoek naar de effecten van het gebruik van bestrijdingsmiddelen door specifieke telers ingebracht, terwijl een dergelijk onderzoek hier ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet
8.10. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de 18 december-uitspraak uitdrukkelijk heeft overwogen dat zij de overgangsperiode waarin niet handhavend kan worden opgetreden gerechtvaardigd acht in het licht van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn. Daarbij heeft de Afdeling van belang geacht dat artikel 6, tweede en derde lid, hetzelfde beschermingsniveau nastreven en het bevoegd gezag de activiteit kan beperken of beëindigen als dat als passende maatregel nodig is. Gedurende de overgangsperiode waarin niet handhavend kan worden opgetreden wordt dus geen afbreuk gedaan aan de verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag voor het nakomen van de verplichtingen die uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn voortvloeien, aldus de Afdeling.
8.11. In onder meer het arrest van het Hof van 14 januari 2016 heeft het Hof geoordeeld dat de bepalingen van artikel 6, tweede lid en derde lid, van de Habitatrichtlijn, gelet op de door de Habitatrichtlijn beoogde instandhoudingsdoelstellingen, als een coherent geheel moeten worden uitgelegd, en dat deze bepalingen beogen natuurlijke habitats en habitats van soorten hetzelfde beschermingsniveau te garanderen. Het Hof heeft ook overwogen dat voor projecten die niet voldoen aan de vereisten van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn een verplichting van controle achteraf van de gevolgen van bestaande plannen of projecten voor het betrokken gebied kan worden gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Daarbij heeft het Hof opgemerkt dat de term ‘passende maatregelen’ als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn impliceert dat de lidstaten bij de toepassing van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn een beoordelingsmarge hebben.
8.12. De rechtbank oordeelt, anders dan eisers hebben gesteld, dat het door de Afdeling vormgegeven overgangsrecht uit de 18 december-uitspraak niet in strijd is met het Unierecht. Daartoe acht de rechtbank van belang dat, anders dan eisers veronderstellen, met het overgangsrecht de werking van het Unierecht niet is opgeschort door het overgangsrecht. Zoals volgt uit meerdere arresten van het Hof hebben artikel 6, tweede lid en derde lid, van de Habitatrichtlijn hetzelfde beschermingsniveau en moeten zij als een coherent geheel worden uitgelegd. In de 18 december-uitspraak heeft de Afdeling niet overwogen dat het bevoegd gezag in de periode van het overgangsrecht in zijn geheel niets kan ondernemen tegen activiteiten die onder de reikwijdte van het overgangsrecht vallen. Het bevoegd gezag kan namelijk passende maatregelen nemen jegens de activiteiten. Dat deze maatregelen niet bestaan uit handhavend optreden middels een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom laat onverlet dat het bevoegd gezag wél andere passende maatregelen kan nemen. Deze keuze van in dit geval de Nederlandse hoogste bestuursrechter en daarmee van de nationale lidstaat om (tijdelijk) niet te kiezen voor deze twee vormen van handhaving maar wel voor andere vormen van passende maatregelen is, gelet op de beoordelingsruimte die nationale lidstaten hebben, niet in strijd met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt niet.