Dat de standaardnormen uit de Wgv niet worden gehaald, is voldoende reden om de vergunning op grond van BBT-conclusie 12 en 13 van de BBT-conclusies voor intensieve veehouderij te actualiseren.

Casus

Eiseres exploiteert een pluimveehouderij. Zij heeft een vergunning aangevraagd ten behoeve van de opslag van nagedroogde pluimveemest in een nieuw op te richten mestloods en ten behoeve van een spuiwatersilo. Het college van burgemeester en wethouders van Horst aan de Maas heeft de gevraagde veranderingsvergunning verleend, daarbij heeft het college mede de bestaande revisievergunning ambtshalve geactualiseerd. Op grond van BBT-conclusie 12 en 13 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij heeft verweerder in de nieuwe vergunning een geurbeheersplan voorgeschreven. Eiseres betoogt dat de wijziging niet noodzakelijk is voor de bescherming van het milieu, er wordt immers voldaan aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).

Rechtsvraag

Mocht het college de vergunning op basis van BBT-conclusie 12 en 13 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij actualiseren?

Uitspraak

Niet in geschil is dat de onderhavige zaak ziet op een overbelaste situatie in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Wgv (50%-regeling). De rechtbank ziet geen reden waarom in deze zaak (dan) niet voldaan zou zijn aan het criterium van BBT 12, namelijk dat bij gevoelige receptoren geurhinder wordt verwacht en/of is onderbouwd. Daargelaten of bij (onderschrijding van) de standaardnormering van artikel 3, eerste lid, van de Wgv al geen sprake kan zijn van hinder in de zin van BBT 12, vindt de rechtbank dat dit bij overschrijding hiervan, zoals in deze zaak aan de orde in de zin van artikel 3, vierde lid, van de Wgv (50%-regeling), wel het geval is. Die overbelaste situatie/overschrijding volgt ook uit de desbetreffende tabellen behorende bij de revisievergunning. Het gaat daarbij, zoals verweerder heeft aangegeven, (vooral) om grotere en kleinere overschrijdingen op diverse geurgevoelige objecten in de bebouwde kom, van de daar geldende standaardnorm van 3 OU. Dat volgens eiseres – zie voetnoot 6 – op sommige plaatsen in de bebouwde kom de norm van 6 OU geldt, maakt dat volgens de rechtbank niet anders. Immers niet in geschil is dat voor deze inrichting de norm van 3 OU geldt. De rechtbank volgt derhalve het standpunt van verweerder in dit verband dat BBT 12 hier toepasbaar is. BBT 12 en ook BBT 13 zijn volgens de rechtbank in ieder geval bedoeld om de gestelde standaardnormen van de Wgv te halen, hetgeen bij deze inrichting nog niet (geheel) het geval is. Dat de overschrijding misschien niet zo heel veel is, zoals eiser aangeeft, maakt dat niet anders. Hoe kleiner de overschrijding hoe meer het ook haalbaar zal kunnen zijn om inspanningen te verrichten en (vooral) de norm van 3 OU te halen. Dat de aangevraagde revisievergunning in 2016 op grond van artikel 3, vierde lid, van de Wgv, niet hoefde te worden geweigerd, betekent volgens de rechtbank dus niet dat verweerder die vergunning anno 2021 niet in de zin van met name BBT 12 en ook BBT 13 mocht actualiseren.

Rechtelijke Instantie : Rechtbank Limburg
Datum Uitspraak : 08-02-2024
Eclinummer : ECLI:NL:RBLIM:2024:629
Jelle van de Poel

Privacy beleid
STAB hecht aan het naleven van de beginselen uit de AVG. De wijze waarop we met gegevens omgaan, is vastgelegd in een privacyverklaring. Voor onze volledige privacyverklaring kunt u hier terecht.

Privacy Preference Center

Ontdek meer van STAB

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder